DERDE HOOFDSTUK

Hij had een’ hoop vermolmd gebeent,

En ongediert met stof vereend,

En oude scherven, zoo men meent,

Uit alle hoeken;

En roestig tuig, en vreemd gesteent,

En oude boeken.

Burns.

Toen de heer Lovel zijn woning te Fairport betrokken en in orde

gebracht had, besloot hij bij zijn reisgenoot het beloofde bezoek te

gaan afleggen. Hij had dit niet eerder gedaan, omdat hij, in weêrwil

van de vriendelijkheid en behulpzaamheid van den ouden heer, van tijd

tot tijd, in diens gesprekken en manieren jegens hem, een veel grootere

aanmatiging van meerderheid bespeurd had, dan waartoe het onderscheid

der jaren recht gaf. Lovel wachtte dus de aankomst van zijn zaken uit

Edinburg af, ten einde zich naar den smaak te kunnen kleeden, en zijn

voorkomen te doen overeenkomen met den rang, welke hij meende, of

gevoelde, dat hem in de samenleving toekwam.

Vijf dagen waren alzoo verstreken, toen hij, na de noodige berichten

omtrent den weg ingewonnen te hebben, zich naar Monkbarns begaf, om er

zijn opwachting te maken. Een voetpad, dat over een met hei begroeiden

heuvel en door een paar weiden ging, bracht hem naar het huis, dat aan

den anderen kant van den heuvel lag, en een fraai uitzicht had op den

zeeboezem en de schepen. Afgescheiden van de stad door de hoogten,

welke haar tevens tegen den noordwesten wind dekte, scheen de woning

eenzaam en toch aangenaam gelegen te zijn. Uitwendig beloofde ze

overigens weinig. Het was een onregelmatig, ouderwetsch gebouw, waarvan

één gedeelte tot een afzonderlijke pachterswoning behoord had, die tot

verblijf strekte van den rentmeester, toen het landgoed nog in het

bezit der monniken was. Hier pleegden dezen vroeger het koren op te

stapelen, dat zij in plaats van huur van hun pachters ontvingen; met

een eigenaardige voorzichtigheid lieten zij al hun inkomsten in

voortbrengselen van den grond betalen; en vandaar, zoo als de

tegenwoordige eigenaar gaarne verhaalde, de naam van Monkbarns of

„Monniksschuur”. De latere, wereldlijke bezitters hadden de

overblijfselen van de voormalige rentmeesters-woning langzamerhand

vergroot, naar mate de inrichting hunner huishoudingen dit medebracht;

en daar deze achtereenvolgende bijvoegsels met even weinig achting voor

de bouwkunde, wat het uiterlijke, als voor het gemak, wat het inwendige

van het huis betrof, gemaakt waren, leverde het natuurlijk een

zonderling, onregelmatig, bont geheel op, dat geleek op een gehucht,

welks huizen, door de tooverklanken van een Amphion of een Orpheus

plotseling aan het dansen geraakt, op eens vast aan elkander waren

blijven staan. Het was omgeven door hooge, geschoren heggen van ijpen-

en hulstboomen, waarvan er eenige nog van de bedrevenheid van den

Topiarischen kunstenaar getuigden [1], en wonderlijke leuningstoelen,

torens in de gedaanten van St. Joris en den draak voorstelden. De smaak

van den heer Oldbuck bracht mede, om deze overblijfsels van een thans

vergeten kunst te bewaren, waartoe hij zich te meer geneigd voelde,

daar het zeker den ouden tuinman het hart zou gebroken hebben, als men

ze vernietigd had. Een groote, dichte hulstboom was intusschen aan de

snoeischaar ontgaan, en het was onder diens schaduw, dat Lovel zijn

ouden vriend vond, gezeten op een bank, met den bril op den neus en het

brillenhuisje naast zich, aandachtig de Londensche courant lezende,

terwijl het zomerkoeltje door de ruischende takken speelde, en men in

de verte het bruischen der golven hoorde die op het strand braken.

De heer Oldbuck stond dadelijk op, en ging zijn reisgenoot te gemoet,

om hem met een hartelijken handdruk te begroeten. „Op mijn woord”, zei

hij, „ik begon te gelooven, dat gij uw voornemen vergeten, en het

volkje van Fairport te onbeduidend gevonden hadt, om het met uw

talenten te vereeren, en dus met de stille trom vertrokken waart, zoo

als mijn oude vriend en mede-oudheidkenner Mac-Cribb deed, die met een

mijner Syrische penningen verdween.”

„Ik hoop toch, waarde heer, tot zulke vermoedens geen aanleiding

gegeven te hebben.”

„Het zou toch even erg geweest zijn, dat moet ik u zeggen, als gij

verdwenen waart, zonder mij het genoegen te geven van u nog eenmaal te

zien. De ontvreemding van mijn koperen Otto zelven zou mij niet meer

gegriefd hebben. Maar kom, laat ik u den weg wijzen, naar mijn sanctum

sanctorum, – mijn allerheiligste, – mijn cel, mag ik u zeggen; want,

behalve een paar onnutte wijven”, (met deze verachtelijke uitdrukking,

overgenomen van zijn mede-oudheidkenner Anthonius Wood, placht de heer

Oldbuck de schoone sekse in het algemeen, en zijn zuster en nicht, in

het bijzonder, te bestempelen), „die onder een ijdel voorwendsel van

verwantschap, in mijn woning ingedrongen zijn, leef ik even eenzaam,

als Jan van Girnell, wiens graf ik u straks toonen zal.”

Met deze woorden geleidde de oude heer, Lovel door een lage deur; maar

toen hij op het punt stond om binnen te treden, hield hij eensklaps

stil en wees hem eenige sporen van hetgeen hij „een inscriptie” noemde,

en verklaarde met een hoofdschudden dat die geheel onleesbaar was.

„Ach, mijnheer Lovel! als ge wist den tijd en de moeite, die mij deze

vermolmde sporen van letters gekost hebben! Geen moeder in barensnood

leed ooit zoo veel; – en alles te vergeefs; hoewel ik bijna zeker ben,

dat deze twee laatste strepen de letters, of cijfers L. V. voorstellen,

en wij daaruit de juiste en bepaalde oudheid van het gebouw, opmaken

kunnen, daar het van elders bekend is, dat het gesticht werd door den

abt Waldimir, omstreeks het midden der veertiende eeuw. Ook geloof ik

zeker, dat betere oogen dan de mijne, misschien zouden kunnen

ontdekken, wat het versiersel in het midden voorstelt.

„Ik denk”, antwoordde Lovel, geneigd om den ouden heer te believen,

„dat het iets heeft van een bisschopshoed.”

„Waarlijk, gij hebt gelijk! gij hebt volkomen gelijk! Dat is mij nooit

ingevallen! – nu ziet men, wat een geluk het is jonge oogen te hebben!

Een bisschopshoed! ja, het heeft alles van een bisschopshoed!”

Het geleek er intusschen niet veel meer op, dan de wolk van Polonius,

in Shakespeare’s Hamlet, op een walvisch of een wezel; het denkbeeld

was nochtans voldoende, om de verbeeldingskracht van den oudheidkenner

op te wekken. „Een bisschopshoed, waarde heer!” vervolgde hij, terwijl

hij hem den weg door een doolhof van ongemakkelijke en duistere gangen

wees, en zijn aanmerkingen van tijd tot tijd door eenige noodige

waarschuwingen afbrak, „een bisschopshoed, waarde heer, zal onzen abt

even zoo goed passen, als aan een bisschop; hij had het recht om er een

te dragen en stond boven aan de rol, – neem u in acht voor deze drie

treden! – Ik weet wel, Mac-Cribb ontkent het; het is echter zoo zeker,

als dat hij mijn Antigonus mede genomen heeft zonder het mij te vragen.

– Gij zult den naam van den abt, van Trotcosey, Abbas Trottocosiensis,

vinden aan het hoofd der parlementsrollen van de veertiende en

vijftiende eeuwen. – Er is hier weinig licht, en dat verwenschte

vrouwvolk laat altijd haar emmers in den weg staan, – wees voorzichtig

daar bij den hoek, nu deze twaalf treden nog, en gij zijt veilig!”

De heer Oldbuck had intusschen den top van een wenteltrap bereikt, die

naar zijn eigen vertrek leidde; en de deur openende, terwijl hij een

stuk tapijt, dat die bedekte, ter zijde schoof, was zijn eerste

uitroep: „Wat voert gij hier uit, gij sletten?” – Een morsige

barrevoetsche meid betrapt op het wanbedrijf van het sanctum sanctorum

in orde te brengen, wierp haar stoffer weg, en vluchtte door een andere

deur uit het gezicht van haar vergramden meester. Een fatsoenlijk

gekleed jong meisje, dat het toezicht over het werk voerde, bleef

eenigzins beschroomd staan.

„Waarlijk, oom,” zei zij, „uw kamer was niet om te zien, en ik kwam

juist om te zorgen, dat Jenny alles weêr neêrlegde, juist dáár waar zij

het gevonden had.”

„En hoe durft gij, of Jenny u verstouten, om u met mijn bijzondere

zaken te bemoeien? Ga naar uw naaiwerk, kind! en dat ik u hier niet

weêr vinde, zoo gij uw ooren liefhebt! – Ik verzeker u, mijnheer Lovel,

dat de laatste inval van deze zoogenaamde vriendinnen der reinheid

bijna even noodlottig voor mijn verzameling was, als het bezoek van

Hudibras [2] voor die van Sidrophel:

„Mijn almanak, mijn kopren platen,

En meer, waar ’k mij op kon verlaten,

Een maanhorloge, en Napier’s been,

En meer dan één geleerde steen;

Mijn kever, vloo en ook mijn luis

Zijn zoek geraakt door dat gespuis,”

zoo als de oude Butler schrijft.”

De jonge dame had deze gelegenheid te baat genomen, en was na Lovel

beleefd gegroet te hebben, onder het opsommen van deze verliezen

ontsnapt. „Gij zult nu hier stikken in de stofwolken,” vervolgde de

oudheidkenner; „maar ik verzeker u, het stof was zeer oud, en voor

ongeveer een uur nog een zeer vreedzaam en rustig stof, en zou het nog

een eeuw lang gebleven zijn, als deze heksen het niet gestoord hadden,

zoo als zij ook alles ter wereld in rep en roer brengen.”

Er verliep, inderdaad, eenigen tijd, eer Lovel door den dikken

dampkring onderscheiden kon, welk soort van hol zijn vriend tot zijn

verblijf had uitgekozen. Het was een kamer met een hooge verdieping en

van middelbare grootte, slechts verlicht door hooge en nauwe

tralievensters. Het eene einde daarvan was geheel bezet met

boekenkasten, veel te klein voor het aantal der daarin geplaatste

boekdeelen, die daarom in twee en drie rijen achter elkander gedrongen

stonden, terwijl ontelbare anderen over den vloer en op de tafels,

tusschen een mengelmoes van landkaarten, teekeningen, perkamentsnippers

bundels papier, stukken van oude wapenrustingen, zwaarden, dolken,

helmen en Hooglandsche schilden verstrooid lagen. Achter den zetel van

den heer Oldbuck (een oude met leder overtrokken armstoel, tamelijk

afgesleten door lang gebruik,) stond een ongemeen groot eikenhouten

kabinet, op welks hoeken Hollandsche cherubijnen met groote hoofden en

scheeve troniën tusschen twee kleine, uitgespreide eendenvleugeltjes,

pronkten. De bovenste kap was versierd met borstbeelden, Romeinsche

lampen en offerschalen, waaronder ook een paar bronzen beelden

prijkten. De muren van het vertrek waren gedeeltelijk behangen met

afzichtelijke, oude tapijten, die het beroemde bruiloftsfeest van den

Ridder Gaweine [3] voorstelden, en waarbij men de leelijkheid van de

bruid [4] volkomen recht had laten wedervaren; ofschoon de Ridder, naar

zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, wat het gebrek aan schoonheid

der dame betreft, minder reden tot klagen had, dan hem de dichter

schijnt toegekend te hebben. Het overige gedeelte der kamer was

beschoten met zwart eikenhout, waartegen twee of drie mannen-portretten

in volle wapenrusting hingen, – Oldbuck’s lievelingshelden uit de

Geschiedenis van Schotland, – en even zoo vele starende gezichten met

pruiken en gegalonneerde rokken van zijn eigen voorouders. Een groote,

ouderwetsche tafel was bedekt met een menigte papieren, perkamenten,

boeken en allerhande kleinigheden, die zich door niets schenen aan te

bevelen, dan door den roest en de oudheid, welke ze kenmerkte. Te

midden dezer verwarde mengeling van oude boeken en gereedschappen, zat,

ernstig als Marius op de puinhoopen van Karthago, een groote zwarte

kat, die in het oog van een bijgeloovig mensch zeer goed den genius

loci, den beschermgeest van het vertrek zou hebben kunnen voorstellen.

De vloer, zoo wel als de tafel en alle stoelen was door hetzelfde mare

magnum van oude vodden overstroomd, waaronder het even onmogelijk zou

geweest zijn, eenig benoodigd artikel te vinden, als om het te

gebruiken, wanneer men het gevonden had.

Het viel dus niet gemakkelijk, door dezen verwarden boel den weg naar

een stoel te vinden, zonder over een foliant te struikelen, of nog meer

gevaar te loopen van het een en ander stuk Romeinsch, of oud Engelsch

aardewerk omver te werpen. En als men eindelijk den stoel bereikt had,

moest men dien nog voorzichtig ontlasten van plaatwerken, die licht te

beschadigen waren, en van oude sporen en gespen, die den

onvoorzichtigen bezoeker zelven beschadigd zouden hebben. De

oudheidkenner maakte den heer Lovel vooral hierop opmerkzaam, er

bijvoegende, dat zijn vriend, de heer Professor Zwaar-op-de-hand, uit

de Nederlanden, zich eens ernstig bezeerd had, door zich

onvoorzichtiglijk neder te zetten op drie oude scherpe ijzeren angels,

uit het moeras bij Bannockburn opgedolven, die Robert Bruce gebruikt

had, om over den grond te strooien, en de paarden der Engelsche

ruiterij dus kreupel te maken, en op boven beschreven wijze ook

voorbestemd waren om een geleerden Utrechtschen professor gevoelig te

kwetsen.

Lovel kwam eindelijk te recht, en veilig op zijn stoel gezeten,

betoonde hij zich niet minder begeerig, om de vreemde voorwerpen die

hem omringden nader te leeren kennen, dan zijn gastheer, om ze hem te

verklaren. Hij toonde hem eerst een groote knots, van onderen met een

ijzeren pen voorzien, welke voor eenigen tijd gevonden was op het goed

van Monkbarns, nabij een oude begraafplaats. Deze knots geleek

bijzonder veel op een van die knuppels, waarvan zich de Hooglandsche

maaiers, bij hun jaarlijksche tochten uit hun bergen, bedienen. Maar de

heer Oldbuck was zeer geneigd te gelooven, daar ze een eenigszins

vreemden vorm had, dat ze een dier knotsen was, waarmede de monniken

hun boeren, in plaats van met andere wapenen, plachten uit te rusten;

om welke reden merkte hij aan, men die lieden colve carles of

kolf-kerels, dat is, clavigeri, noemde. Ter staving hiervan, haalde hij

de Kronijk aan van Antwerpen en van St. Martijn, waartegen Lovel niets

in te brengen had, daar hij die werken thans voor het eerst hoorde

noemen.

De heer Oldbuck vertoonde vervolgens eenige duimschroeven, die men in

vroegere dagen ter bestraffing der Covenanters gebruikt had, als ook

een halsband met den naam van een roover er op, dien men tot straf,

zooals het opschrift luidde, in eigendom toegekend had aan een

naburigen edelman. „Een andere wijze van straffen,” zei de heer

Oldbuck, „dan die van onze hedendaagsche Schotsche wet, welke

dergelijke schelmen het land uit zendt, om Engeland door hun arbeid, en

zich zelven door hun behendigheid te verrijken.” Veelvuldig en

verscheiden waren de zeldzaamheden, die hij verder liet zien; maar

vooral was hij trotsch op zijn boeken, en zijn gast naar de volgepropte

en stoffige boekenkasten geleidende, zei hij met een zeker welgevallen

de verzen van den ouden Chaucer op:

„Want hij verkoos bij ’t bed veeleer

Een twintig zwarte of roode banden

Van Aristot’les leer voorhanden,

Dan psalter, lier of rijke kleêr’.”

De maat van deze schoone regels, gaf hij door een beweging van het

hoofd aan, en hij sprak alle keelletters met den echt Angelsaksischen

tongval uit, die nu in het zuidelijke gedeelte van Schotland bijna

verloren gegaan is.

De verzameling was inderdaad zeldzaam, en geschikt om den nijd van een

liefhebber op te wekken. Nochtans was die niet aangekocht tegen de

ongehoorde prijzen der hedendaagsche tijden, die den vurigsten zoo wel

als den eersten der bibliomanen afgeschrikt zouden hebben van wie wij

ooit hoorden, – namelijk niemand anders dan den beroemde Don Quichot de

la Mancha, van wien zijn geloofwaardige geschiedschrijver, Cid Hamet

Benengelie, onder andere blijken van zijn krankzinnigheid, aanvoert,

dat hij landerijen en pachthoeven tegen ridderboeken in folio en kwarto

verruilde. In deze heldendaden wordt de goede dolende ridder door onze

hedendaagsche baronnen en graven nagevolgd: ofschoon wij nog niet

vernomen hebben, dat iemand hunner een herberg voor een kasteel aanzag,

of zijn lans tegen een windmolen richtte.

De heer Oldbuck nam deze kunstverzamelaars en hun buitensporige

uitgaven niet tot voorbeeld; maar daar hij vermaak in den arbeid vond

zelf zijn boeken te zoeken, spaarde hij zijn beurs ten koste van tijd

en moeite. Hij was geenszins een aanmoediger van die doortrapte,

peripatetische bemiddelaars, die zich als makelaars tusschen den

onbekenden boekhandelaar en den gretigen liefhebber opwerpen, en ter

zelfder tijd hun voordeel vinden bij de onwetendheid van den één, en de

duur verkregen kunde en den smaak van den ander. Als men van dergelijke

lieden in zijn bijzijn sprak, toonde hij gewoonlijk aan, hoe

noodzakelijk het was, de voorwerpen zijner begeerte bij de eerste

ontdekking in beslag te nemen, en verhaalde dan zijn

lievelingsgeschiedenis van den Snuifneus-David en Caxton’s Schaakspel.

– „David Wilson,” – „David Wilson,” zei hij, „in de wandeling genaamde

Snuifneus-David, wegens zijn verslaafdheid aan zwarte rappé, won het

allen af in het doorsnuffelen van donkere holen, kelders en stalletjes,

waar zeldzame boeken te vinden waren. Hij had den neus van een

speurhond, mijnheer, en was vasthoudend als een bulhond. Hij kon een

oude ballade, in Gothische letter, uit een drom staatspapieren halen,

en een editio princeps onder het masker van een schoolboek ontdekken.

Snuifneus-David kocht het Schaakspel, 1474, – het eerste boek, dat in

Engeland gedrukt werd, – in een Hollandsch winkeltje voor ongeveer drie

stuivers. Hij verkocht het aan Osborn voor twintig pond sterling, en

deze deed het weder aan Dr. Askew over voor zestig guinjes. Maar op de

verkooping van Dr. Askew’s bibliotheek,” vervolgde de oude heer met

steeds toenemend vuur, „blonk dit onschatbaar kleinood in zijn vollen

luister uit, en werd door een koninklijken liefhebber zelven voor

honderd-zeventig pond gekocht! Deed er zich nu slechts een exemplaar

op!” riep hij, met een diepen zucht en gevouwen handen, uit: „God

alleen weet, wat het gelden zou, en nochtans kreeg men het

oorspronkelijke door kennis en navorsching, voor de geringe waarde van

nog geen dubbeltje in handen! Gelukkige, dikwerf gelukkige

Snuifneus-David! en gezegend de tijd, toen uw vlijt zoo mocht beloond

worden!” [5]

„Ik zelf, mijnheer,” ging hij voort, „hoewel ver beneden dien grooten

man in vlijt, doorzicht en tegenwoordigheid van geest, kan u eenige

weinige, zeer weinige voorwerpen toonen, waarmede ik mijn verzameling

verrijkte, niet door kracht van geld, zoo als sommige vermogenden doen,

– die, naar het zeggen van mijn vriend Lucianus, dikwijls slechts hun

goudstukken wegwerpen, om hun onwetendheid aan den dag te leggen; –

maar verkregen op een wijze, die u zal doen zien, dat ik op dit stuk

ook niet onervaren ben. Beschouw dezen bundel Balladen, waarvan niet

één van lateren tijd is dan 1700, en ettelijke er van honderd jaren

ouder zijn. Ik heb ze uit de handen eener oude vrouw gekregen, die ze

liever had, dan haar psalmboek. Wat rook- en snuiftabak, mijnheer! en

het werkje: „de Volmaakte Sireen,” waren de koopprijs! – Om dit weinig

verminkte exemplaar van „de Klachte van Schotland” meester te worden,

heb ik twee dozijn flesschen sterke ale gedronken met den laatsten

geleerden eigenaar er van, die het mij, uit erkentelijkheid, bij

uitersten wil vermaakte. – Deze twee Elzeviers zijn de gedenkteekens en

trofeën van menige wandeling ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat door

het Cowgate, het Canongate en het Bow, door St. Mary’s Wynd, in ’t

kort, overal, waar ik maar gissen kon, dat uitdragers en kooplieden in

’t klein in allerlei zeldzame en belangrijke dingen, te vinden waren.

Hoe dikwijls heb ik niet een stuivertje staan afdingen, – uit vrees

dat, door een te snel berusten in den gevraagden prijs, de koopman de

waarde vermoeden zou, die ik aan het voorwerp hechtte! – hoe heb ik

niet gesidderd bij de gedachte, dat de een of ander voorbijganger

binnenkomen en mij overbieden zou! In elken armen student in de

godgeleerdheid, die stil hield, om de uitgekraamde boeken te bekijken,

geloofde ik een mededingenden liefhebber, of verkleeden, hebzuchtigen

boekhandelaar te zien. – En dan, mijnheer Lovel, het stille genoegen,

waarmede men het bedongene betaalt, en de gekochte zeldzaamheid,

schijnbaar onverschillig, in den zak steekt, terwijl de hand van

blijdschap beeft! – Ook om het oog van onze rijkere en ijverzuchtige

mededingers te verblinden, wanneer men hun zulk een schat als dezen,

(„een klein zwart berookt boekje, ter grootte ongeveer van een

spaboekje, opnemende”) laat zien, – wanneer men hun verwondering en

afgunst beschouwt, terwijl men onder den sluier der geheimzinnigheid

zijn eigene meerdere kennis en behendigheid verbergt, – dit, mijn jonge

vriend, dit zijn de zalige oogenblikken des levens, die den arbeid, de

moeite en de onafgebroken oplettendheid vergoeden, welke ons beroep,

meer dan eenig ander, zoo bijzonder eischt!”

Lovel schiep er niet weinig vermaak in den ouden heer dus te hooren

doordraven, en, hoewel onbekwaam, om de geheele waarde van hetgeen hij

zag te erkennen, bewonderde hij nochtans, boven verwachting, de

onderscheidene schatten, die Oldbuck hem aanwees. Hier stonden

uitgaven, hoog geschat omdat ze de eerste, – daar anderen, weinig

minder in aanzien, omdat ze de laatste en beste waren. Hier had een

boek waarde, omdat het de laatste verbeteringen van den schrijver

bevatte; daar was een ander (zonderling genoeg) gezocht, omdat die er

aan ontbraken. Het één was kostbaar als foliant, het andere als

duodecimo; eenige boekdeelen hadden bijzondere waarde, omdat zij lang,

anderen, omdat zij kort waren. Van het één bestond de verdienste in de

titelplaat, van het tweede in de letters, waarmede het woord Finis

gedrukt was. Er was, naar het scheen, geen bijzonderheid, hoe gering en

nietsbeduidend ook, welke het boek geen waarde bijzette, mits het

slechts het onvermijdelijk vereischte bezat van „zeldzaam” of

„schaarsch” te zijn.

Aantrekkelijk vooral was het oorspronkelijk geschriftje: „De laatste

Woorden, de Bloedige Moord, of het Wondervolste Wonder der Wonderen,”

den oorspronkelijken, gehavenden omslag, zoo als het door de straten

gevent en voor den goedkoopen en geringen prijs van een stuiver

verkocht werd, ofschoon het thans tegen goud opwoog. Over deze en

soortgelijke werken weidde de oudheidkenner met geestdrift uit, en las,

vol verrukking, de uitvoerige titels voor, die even veel overeenkomst

hadden met den inhoud, als de geschilderde afbeeldsels vóór een

beestenspel met de dieren, die er binnen vertoond worden. De heer

Oldbuck was bijzonder ingenomen met het bezit van een boekje, dat hij

eenig in zijn soort noemde, en waarvan de titel luidde: „Seldsaem ende

miraculeus Beright uit Shipping-Morton, in het Graefschap Oxfort, van

zeekere verschrickelijcke apparitiën, die daer in de lucht gezien zijn

op den 26 Julij A.D. 1610, des middags te half tien ueren, ende

voortgheduert hebben tot elf ueren, in welken tussenteit men gesien

heeft meinighte vlammende swaerden, vremde bewegingen in den boven

Atmospheer, met ongewone fonkelingen der sterren, ende verdere

verschrickelijke gevolgen: alsmede een verhael van het openen des

hemels ende der vremde verschijnselen, die sich daer in vertoont

hebben, met vele andere prodigieuse circumstantiën, nooit gesien ofte

gehoort, tot groote verbasinghe der toeschouwers, so als het beschreven

staat in een epistel aen seeckeren heer Colley, wonende in

West-Smithfield, ende veroircond wordt door Thomas Brown, Elizabeth

Greenaway, ende Anna Gutheridge, die ooggetuighen geweest sijn van deze

verschrickelijcke apparitiën, – ende indien iemant sich verder soude

willen overtuighen van de waerheit van dit verhael, die kan sich

vervoeghen ten huise van den heere Nightingal, in de herberg de Beer,

in West-Smithfield, waar hij volkomen gecontenteerd sal worden.” [6]

„Gij lacht hierom,” zei de eigenaar der verzameling, na het eindigen

van dezen ellenlangen titel; „maar ik vergeef het u. Ik beken, dat de

bekoorlijkheden, waarop wij verliefd zijn, de jeugd niet zoo zeer in de

oogen vallen, als die van een schoone dame; maar gij zult wijzer worden

en juister leeren zien, als gij een bril draagt. – Maar wacht een

oogenblik: ik heb nog één gedenkstuk der oudheid, dat gij misschien

beter zult weten te waardeeren!”

Met deze woorden, opende de heer Oldbuck een schuiflade, en nam er een

bos sleutels uit: vervolgens schoof hij een stuk tapijt weg, dat de

deur van een kast in den muur bedekte, waarin hij langs vier steenen

trappen neêrdaalde, en bracht, na eenigen tijd tusschen flesschen en

kannen gerammeld te hebben, twee hooge wijnroemers te voorschijn, zoo

als men die op de stukken van Teniers ziet, en een kleine flesch met

hetgeen hij echten, besten Canarie-sec noemde, benevens een stukje koek

op een klein zilveren presenteerblad van zeer oud en buitengemeen fraai

maaksel. „Ik zal niet spreken van het blaadje,” zei hij, „ofschoon men

zegt, dat het door dien dollen ouden Florentijner, Benvenuto Cellini,

gemaakt is. Maar, mijnheer Lovel, onze voorouders dronken Canarie-sec,

– gij, die een bewonderaar zijt van de tooneelkunst, zult weten, waar

dat geschreven staat. Nu, op het welslagen uwer ondernemingen te

Fairport!”

„En u, mijnheer, wensch ik een rijke vermeerdering van uw schat, met

slechts zoo veel moeite van uw kant, als noodig is om uw aanwinsten

waarde bij te zetten.”

Na deze versterking, die geheel strookte met het genoten vermaak, stond

Lovel op, om afscheid te nemen, en de heer Oldbuck maakte zich gereed,

om hem een eind op zijn wandeling naar Fairport te vergezellen, en hem

onderweg iets merkwaardigs te toonen.

De oudheidkenner · 第 6 / 54 题