Hier deze streek Mijnheer! doet schande aan mijn naam!
Gebraden schapenvleesch, droog om geraspt te worden,
Drijft men met botermelk en bier, gemengd te zaam,
Den lijve daaglijks in, als half beschaafde horden.
Dit ’s strijdig met mijn recht, mijn erfgoed en mijn leen.
Wijn is het woord, dat ’t hart in ’t lijf doet vroolijk springen.
Een wijnhuis is mijn huis: deez’ tros zegt: Spaansche wijn!
Drink vroolijk en zijt vroolijk, zal dan de leenspreuk zijn.
Ben Johnson’s Nieuwe Herberg.
Toen de oudste der reizigers aan de herberg de onveilige treden der
postkoets afklom, werd hij door den zwaarlijvigen, jichtigen,
aâmborstigen waard begroet, met die vermenging van gemeenzaamheid en
eerbied, waarvan zich de Schotsche logementhouders van de oude school
jegens hun geachtste klanten plegen te bedienen. „Lieve Hemel!
Monkbarns!” (hij noemde hem bij den naam van zijn landgoed, wat den
Schot steeds aangenaam in de ooren klinkt), „weinig dacht ik u hier te
zien vóór de sluiting der zomerzittingen van het hof.”
„Wel domme, oude duivel!” antwoordde Monkbarns, met een Schotschen
tongval, waarin hij verviel, zoodra hij driftig werd, maar die anders
weinig hoorbaar was: „wel domme oude duivel! wat heb ik te doen met de
zittingen of met de ganzen, die er naar toestroomen, of met de haviken,
die haar de veêren uitplukken!”
„Ja, dat is waar,” zei de waard, die inderdaad slechts volgens een
flauwe herinnering aan de eerste opvoeding van zijn gast gesproken had,
maar niet gaarne wilde verondersteld worden, onnauwkeurig bekend te
zijn met den stand en het beroep van één zijner bezoekers, – „dat is
zeer waar; maar ik dacht, dat gij daar een eigen zaak te behartigen
hadt. – Ik zelf heb er éen, – een proces, dat mijn vader mij naliet,
die het van zijn vader erfde. Het is over een achtertuin, – wellicht
hebt gij er van hooren spreken in het Parlementshuis. Hutchinson tegen
Mackitchinson! – het is een welbekend proces; – viermaal diende het
voor de rechters, – en zoo waar ik leef, de wijste van hen kon er niets
van maken, dan om het weêr te verschuiven naar eene andere zitting. O,
het is een schoone zaak te zien, hoe langzaam en hoe voorzichtig men
het recht in dit land uitdeelt”
„Zwijg, oude gek!” zei de reiziger, maar in zeer goeden luim, „en zeg
ons, wat gij dezen heer en mij te eten kunt geven?”
„O, daar is visch, dat spreekt; – forellen, of schelvisch,” zei
Mackitchinson, terwijl hij zijn servet in de hand draaide; „en gij zult
een schaapscotelet hebben, en er zijn ook frambozentaartjes, zeer
lekker, en – met één woord alles, wat gij verlangt.”
„Dat wil zeggen, er is niets anders hoegenaamd? Goed, goed! de visch,
het schapenvleesch en de taartjes zijn voldoende. Maar aap het
voorzichtige dralen niet na, dat gij in de gerechtshoven prijst. Geen
verzending van de eene zitting naar de andere, hoor je?”
„Neen, neen!” antwoordde Mackitchinson, die door het lang en zorgvuldig
bestudeeren van geheele boekdeelen van verslagen van rechtszaken, met
eenige geleerde uitdrukkingen was bekend geworden. „Men zal het eten
opdragen quam primum, en dat wel instanter.” En met den vleienden lach
van een veel belovenden waard, liet hij zijn gasten in de met zand
bestrooide gelagkamer, die behangen was met prenten van de Vier
Jaargetijden.
Intusschen waren, in weêrwil van zijn verzekering, de roemrijke
uitstellen der wet niet zonder weerga in de keuken der herberg, en dit
gaf onzen jongen reiziger gelegenheid, naar buiten te gaan, en bij de
lieden van het huis eenige navorschingen te doen omtrent den rang en
stand van zijn medgezel. De berichten, die hij kreeg, hoewel van
algemeenen aard en niet geheel en al juist, maakten hem genoegzaam
bekend met den naam, de geschiedenis en de omstandigheden van den ouden
heer, dien wij nu kortelijk trachten zullen den lezer nauwkeuriger af
te schilderen.
Jonathan Oldenbuck, of Oldinbuck, bij samentrekking Oldbuck, van
Monkbarns was de tweede zoon van een landedelman, wiens kleine
bezittingen in de nabijheid lagen van een handeldrijvende zeestad, aan
de noordoostkust van Schotland, welke wij, om verscheidene redenen,
Fairport zullen noemen. Sedert vele geslachten waren de heeren
Oldenbuck als landeigenaren in het graafschap gevestigd, en in vele
graafschappen van Engeland zou men aan hun geslacht eenig aanzien
hebben toegekend. Maar dit graafschap telde zeer veel edellieden van
veel oudere afkomst en van veel grooter vermogen. De meeste heeren uit
de buurt waren ook in de laatste tijden den huize der Stuarts toegedaan
geweest; terwijl de eigenaren van Monkbarns, even als de burgers der
stad, in welker nabijheid ze woonden, standvastige voorstanders van de
Protestantsche troonsopvolging bleven. Ze hadden nochtans een eigen
stamboom, waarop ze zich niet minder verhoovaardigden, dan zij, die hen
verachtten, zich op hun onderscheidene Saksische, Normandische en
Celtische geslachtslijsten beroemden.
De eerste Oldenbuck, die zich kort na de Hervorming in Schotland
neêrzette, stamde, naar hun verzekering, af van een der eerste Duitsche
boekdrukkers, en had zijn land verlaten, wegens de vervolgingen,
waaraan de belijders van den hervormden godsdienst blootgesteld waren.
In de stad, in welker nabijheid nu zijn nageslacht woonde, had hij des
te gemakkelijker plaats gevonden als martelaar voor de zaak der
Protestanten, omdat hij geld genoeg medebracht, om het kleine landgoed
Monkbarns te koopen, dat hem toen werd aangeboden door een te grond
gerichten edelman, aan wiens vader men het, benevens andere kerkelijke
goederen, gegeven had, bij de opheffing van het groote en rijke
klooster, waartoe het behoord had.
De Oldenbucks betoonden zich dus getrouwe onderdanen bij alle oproeren;
en, daar ze in goede verstandhouding met de stedelingen leefden, werd
een der heeren van Monkbarns, in het noodlottige jaar 1745, provoost
der stad. Hij trok ook vurig partij voor Koning George, en deed daarbij
uitgaven, die hem, overeenkomstig het mild gedrag van het toenmalige
Gouvernement jegens zijn vrienden, nimmer vergoed werden. Met veel
moeite verkreeg hij echter een plaats bij de ontvangsten der in- en
uitgaande rechten, en daar hij een zuinig en oppassend man was, gelukte
het hem, zijn vaderlijk vermogen aanzienlijk te vermeerderen.
Hij had slechts twee zonen, van wie, zoo als wij te kennen gaven, de
tegenwoordige heer van Monkbarns de jongste was, en twee dochters, van
welke de oudste nog steeds ongehuwd leefde, terwijl de andere, veel
jeugdiger, uit genegenheid een kapitein van het twee-en-veertigste
regiment trouwde, die niets bezat dan zijn officiers-patent en een
Hooglandschen stamboom. De armoede verbitterde een huwelijk, dat de
liefde anders gelukkig zou gemaakt hebben; en kapitein M’Intyre had
zich, om den wille van vrouw en kinderen, verplicht gevoeld, zijn geluk
in Oost-Indië te zoeken. In een tocht tegen Hyder Ali werd de
afdeeling, waartoe hij behoorde, afgesneden, en zijn ongelukkige vrouw
kreeg nimmer de zekerheid, of hij in den slag gebleven, dan wel in de
gevangenis vermoord was, of steeds nog in een gevangenschap
versmachtte, welke de gewoonten van de Indische dwingelandij hopeloos
maakten. Ze bezweek onder de dubbele kwelling van smart en onzekerheid,
en liet één zoon en één dochter na, ten laste van den tegenwoordigen
heer van Monkbarns.
De geschiedenis van dezen heer zelven is kort. Daar hij, zoo als wij
zeiden, een tweede zoon was, bestemde hem zijn vader tot deelgenoot in
een handelszaak, van een zijner naastbestaanden van moederszijde
gedreven. Hiervan had Jonathan een onoverwinnelijken afkeer; en hij
werd daarom als leerling geplaatst, om tot het beroep van notaris of
procureur opgeleid te worden, en slaagde daarin zoo goed, dat hij zich
alle leenheerlijke formaliteiten eigen maakte, en vond er zulk een
vermaak in, om de bronnen daarvan op te sporen en haar oorsprong na te
gaan, dat zijn meester in hem een bekwamen practizijn te gemoet zag.
Maar hij bleef op den drempel der wetenschap staan; en ofschoon hij
eenige kennis verwierf van den oorsprong en het stelsel der wetten van
zijn land, kon men hem toch nooit overhalen, om die, als een bron van
winst voor zich zelven te beoefenen. Niet, dat hij door zijn
verblinding voor de voordeelen van het geld zijn meester te leur
stelde. „Ware hij onnadenkend, of lichtzinnig, of rei suae prodigus,”
zei zijn onderwijzer, „ik zou wel weten, wat van hem te maken. Maar hij
geeft nooit één stuiver uit, zonder zorgvuldig de kans te berekenen, om
van zijn duitje meer partij te trekken dan een andere jongen van een
daalder, en hij zal liever dagen lang over een oude, met gothische
letter gedrukte kopij eener parlements-akte peinzen, dan éénmaal naar
de kolfbaan of de kroeg gaan; en toch wil hij geen enkele dier vrije
dagen aan eene kleine practijk besteden, die hem een aardigen winst in
den zak zou jagen; hij is een zonderlinge mengeling van zuinigheid, van
vlijt en slordige onverschilligheid; – ik weet niet, wat ik er van
maken moet.”
Maar, met den tijd kreeg zijn leerling de middelen, om te doen wat hij
zelf verkoos; want zijn vader stierf, en de oudste zoon overleefde hem
niet lang. De laatste, een aartsvisscher en jager, scheidde van dit
leven ten gevolge van een verkoudheid, bij het jagen op eendvogels in
het Kittlefitting-moeras opgedaan; hoewel hij nog den nacht voor zijn
dood een geheele flesch brandewijn gedronken had, om de koude uit zijn
maag te houden. Jonathan erfde dus de landerijen, en daarmede de
middelen van bestaan, zonder dat hij den gehaten arbeid van een
practizijn op zich behoefde te nemen. Zijn wenschen waren zeer matig;
en daar de inkomsten van zijn kleine bezittingen met de verbetering van
het land vermeerderden, gingen die weldra zijn behoeften en uitgaven
ver te boven; en hoewel hij te onverschillig was om geld te verdienen,
was hij echter geenszins ongevoelig voor het genot om zijn vermogen
door spaarzaamheid te vermeerderen.
De burgers der stad, in welker nabijheid hij leefde, beschouwden hem
met een soort van afgunst, als iemand, die hun maatschappelijken omgang
verzaakte, en wiens studiën en vermaken hun onbegrijpelijk voorkwamen.
Maar zekere ongeërfde hoogachting, die zij de heeren van Monkbarns
toedroegen, verhoogd door de bewustheid, dat de tegenwoordige heer een
bemiddeld man was, die alles baar betaalde, hield hem in aanzien bij
deze klasse zijner buren. De landedellieden waren over het algemeen,
wat rijkdom betreft, zijn meerderen; maar aan verstand en kennis zijn
minderen, en gingen, enkelen uitgezonderd, met wie hij gemeenzaam en
vertrouwelijk verkeerde, weinig met den heer Oldbuck van Monkbarns om.
Intusschen bleef hem de gewone toevlucht over; het gezelschap van den
predikant en van den geneesheer, als hij het goed vond hen bij zich te
verzoeken; en dan ook had hij zijn eigen studiën en tijdkortingen daar
hij in briefwisseling stond met de meeste geleerden van zijn tijd, die,
gelijk hij, vervallene verschansingen en verwoeste kasteelen opnamen,
onleesbare opschriften ontcijferden, en verhandelingen schreven over
penningen, in de evenredigheid van twaalf bladzijden voor elke letter
van het opschrift. Hij was uit gewoonte eenigzins driftig en
opvliegend, gedeeltelijk, zoo als men in de stad Fairport zei, ten
gevolge van een vroegere ongelukkige liefde; waarmede zijn vrouwenhaat,
gelijk hij het noemde, begonnen was; maar veel meer nog door de
nederige onderdanigheid zijner ongehuwde zuster en ouderlooze nicht,
die gewoon waren hem voor den grootsten man ter wereld te houden, en
van wie hij placht te roemen, dat zij de eenige vrouwen waren, die hij
ooit goed afgericht en aan gehoorzaamheid gewend, ontmoet had; ofschoon
men bekennen moet, dat mejufvrouw Grizelda Oldbuck wel eens geneigd was
te steigeren, als hij de teugels te straf aantrok. De overige
bijzonderheden van zijn karakter moeten opgemaakt worden uit het
vervolg onzer geschiedenis, en wij ontslaan ons gaarne van de lastige
taak der herhaling.
De heer Oldbuck, gedreven door dezelfde nieuwsgierigheid, die zijn
reisgenoot te zijnen opzichte gevoeld had, deed onder den maaltijd,
eenige pogingen, welke hem zijn ouderdom en stand meer rechtstreeks
veroorloofden, om met den naam, de bestemming en den rang van zijn
jongen reisgezel bekend te worden.
Zijn naam, zei die heer, was Lovel.
„Hoe! „de kat, de rot en Lovel, onze hond?” – Kent gij het oude
gezegde? stamt gij af van koning Richard’s gunsteling?”
„Hij maakte geen aanspraak”, zei hij, „om zich een afstammeling van dat
geslacht te noemen. Zijn vader was in het noorden van Engeland te huis.
Hij reisde thans naar Fairport”, (de plaats, in welker nabijheid
Monkbarns gelegen was,) „en indien hem de stad beviel, zou hij er
misschien eenige weken vertoeven.”
„Was de heer Lovel’s uitstap enkel tot vermaak?”
„Niet geheel en al.”
„Misschien om zaken met eenige der kooplieden te Fairport?”
„Het was gedeeltelijk om zaken, maar die geen betrekking hadden tot den
handel.”
Hier zweeg hij; en daar de heer Oldbuck zoo ver gegaan was met zijn
navorschingen, als de wellevendheid gedoogde, vond hij zich verplicht
het gesprek te veranderen. De oudheidkenner, ofschoon geenszins een
vijand van goede sier, had echter, op reis, een bepaalden afkeer van
alle onnoodige verteringen, en hing, toen zijn reisgenoot van een
flesch Portwijn sprak, een verschrikkelijk tafereel op van het
ellendige mengsel, dat gewoonlijk onder dien naam verkocht werd, en
verzekerende, dat een glas punch zuiverder was en beter te pas kwam in
dien tijd van het jaar, legde hij de hand aan de schel, om het
benoodigde daarvan te bestellen. Maar Mackitchinson had zelf anders
bepaald, en verscheen, met een buitengewoon groote dubbele flesch, of
magnum, zoo als men die in Schotland noemt, bedekt met zaagsel en
spinnewebben, die van oudheid getuigden.
„Punch!” zei hij, toen hij het aangename woord bij het binnentreden der
kamer opving, „de drommel weet, dat gij hier geen droppel punch krijgt
vandaag, Monkbarns! Daar kunt gij staat op maken!”
„Wat bedoelt gij, onbeschaamde schelm?”
„Ei, ei, dat komt er niet op aan; – maar heugt u de poets, die gij mij
de laatstemaal, dat gij hier waart, gespeeld hebt?”
„Ik u eene poets gespeeld?”
„Wel ja, gij zelf, Monkbarns! De Heer van Tamlowrie, Sir Gilbert
Grizzlecleugh, de oude Rossballoh en de Baljuw waren toen juist hier,
om den namiddag door te brengen; en gij, met een uwer historiën uit de
oude wereld, waartegen niemand bestand is, hebt hen ik weet niet
waarheen weggesleept, om de oude Romeinsche legerplaats te zien. – Och,
mijnheer!” zich naar Lovel wendende, „Hij zou de vogels uit de boomen
lokken met hetgeen hij van de oude volken, verhaalt, – en verloor ik er
niet het gelag bij van zes flesschen goeden wijn? Want de drommel weet,
dat zij geen van allen opgestaan zouden zijn, voor zij ten minste zoo
veel gedronken hadden!”
„Gij zijt een onbeschaamde bedrieger!” riep Monkbarns, al lachende;
„wel nu, gij kunt ons een flesch Port zenden.”
„Port, neen, neen! Port en punch moogt gij voor ons geringe lui
overlaten; de Fransche wijn is het, die u, heeren, voegt; en ik durf
zeggen dat geen der volken, waarvan gij zoo veel spreekt, ooit hiervan
geproefd heeft.”
„Hoort gij hoe beslissend de schelm spreekt? Welnu, mijn jonge vriend!
dan moeten wij vooral het Falernum boven het vile Sabinum verkiezen.”
De dienstvaardige waard had dadelijk de flesch ontkurkt, goot den wijn
zorgvuldig over, en betuigende, dat de geheele kamer er door
geparfumeerd was, liet hij zijn gasten alleen, om den kostelijken drank
te genieten.
Mackitchinson’s wijn was inderdaad goed, en werkte zoo op den geest van
den oudsten gast, dat hij eenige lustige historiën vertelde, ettelijke
kwinkslagen uitte, en eindelijk in een geleerde uitweiding trad over de
oude tooneelschrijvers, – een punt waarop hij zijn nieuwen vriend zoo
sterk vond, dat hij eindelijk begon te vermoeden, dat zijn reisgenoot
wellicht het tooneel tot zijn beroep gekozen had. „Een reiziger
gedeeltelijk voor zaken, gedeeltelijk voor vermaak? Wel nu, het tooneel
levert het een en ander op; het is een bezigheid voor de spelers, en
vermaakt, of wil ten minste de toeschouwers vermaken. In manieren en
rang schijnt hij wel verheven boven de meeste jonge lieden, welke dien
weg inslaan; maar ik herinner mij gehoord te hebben, dat bij de opening
van den kleinen schouwburg van Fairport, een welopgevoed jonkman van
goeden huize optreden zou. Als hij het ware! Lovel? – Ja! Lovel, of
Belville, zijn juist de namen, die eerstbeginnenden bij zulke
gelegenheden plegen aan te nemen. – Inderdaad, het spijt mij om den
jongen!”
De heer Oldbuck was uit gewoonte spaarzaam, maar geenszins karig; zijn
eerste gedachte was dus, om zijn reisgenoot een gedeelte te besparen
van de gemaakte verteringen, die hij veronderstelde, dat hem in zijn
omstandigheden meer of minder ongelegen moesten komen. Hij nam alzoo
een gelegenheid waar, om afzonderlijk met den heer Mackitchinson af te
rekenen. De jonge reiziger verzette zich bescheiden tegen deze
mildheid, en verklaarde ten laatste alleen daarin te zullen berusten
uit eerbied voor de jaren en achtbaarheid van den ouden heer.
Het genoegen, dat zij in elkanders gezelschap vonden, deed den heer
Oldbuck voorstellen, en Lovel dadelijk goedvinden, dat zij verder den
weg te zamen zouden afleggen. De heer Oldbuck wenschte twee derden te
betalen van de huur van een postwagen, zeggende, dat hij voor zijn
gemak een geëvenredigde groote ruimte noodig had; maar dit sloeg de
heer Lovel stellig af. Zij reisden dus op gelijke kosten, uitgezonderd
dat Lovel tusschenbeide een schelling in de hand van een morrenden
postiljon liet glijden; want Oldbuck, die zich aan zijn oude gewoonte
hield, wilde nooit zijn drinkgeld boven de achttien stuivers voor elk
station brengen. Dus vervolgden zij hun weg, tot zij den volgenden dag
tegen twee uur te Fairport aankwamen.
Lovel verwachtte waarschijnlijk, dat zijn reisgenoot hem, bij hun
aankomst, ten eten zou genoodigd hebben, maar de bewustheid, dat men
bij hem op onverwachte gasten niet voorbereid was, en misschien nog
eenige andere redenen, beletten Oldbuck hem deze beleefdheid te
bewijzen. Hij verzocht hem alleen, zoodra hij het schikken kon, hem ’s
voormiddags te komen bezoeken, beval hem een weduwe aan, die kamers
verhuurde, en iemand, die een fatsoenlijke tafel hield. Deze beide
waarschuwde hij echter afzonderlijk, dat hij den heer Lovel slechts
kende als een aangenaam reisgenoot, en geenszins wilde aangemerkt
worden als aansprakelijk te zijn voor eenige schuld, die hij gedurende
zijn verblijf te Fairport zou maken. Het voorkomen en de manieren van
den heer Lovel echter, om niet te spreken van een welgevulden koffer
die weldra over zee aan zijn adres te Fairport besteld werd, deden
misschien meer af tot zijn voordeel, dan de halve aanbeveling van zijn
reismakker.