Bespreek een koets, men ga een koets bespreken,
En spreke, als spreker, aan hem die ze gaat bespreken,
Hij moge, in ’t bespreken, van en niets anders spreken,
Dan koets! koets! koets! Ach Goden! eene koets.
Chrononhotonthologos.
Op een vroegen morgen van een schoonen zomerdag, op het einde van de
achttiende eeuw, besprak een jonkman van zeer fatsoenlijk voorkomen,
die naar het noordoosten van Schotland reizen moest, een plaats in een
dier postkoetsen, welke heen en terug rijden van Edinburg naar
Queensferry, waar, zoo als de naam van deze plaats te kennen geeft, en
alle Schotsche lezers weten, een veer is, om de Forth over te steken.
De koets was berekend voor zes vaste plaatsen behalve de voetgangers,
die de voerman onderweg mocht willen opnemen en aan de passagiers
opdringen. De plaatsbriefjes voor dit weinig gemakkelijke rijtuig,
werden uitgedeeld door een scherp uitziende oude vrouw, die op haar
mageren, spitsen neus een grooten bril droeg. Zij bewoonde een soort
van kelder, die met een steilen, smallen trap in de Hoogstraat uitkwam,
en waarin zij lint, garen, naalden, wol, grof linnen, en andere
vrouwelijke behoeften verkocht aan hen, die moed en behendigheid genoeg
bezaten, om in de diepte van haar woning af te dalen, zonder hals over
kop naar beneden te storten, of eenige der talrijke artikelen omver te
werpen, die, aan beide zijden van den trap opgehoopt, het beroep van de
kelderbewoonster aantoonden.
De geschreven aankondiging, die op een uithangbord aangeplakt was, en
te kennen gaf, dat de Queensferry-postkoets, met klokslag twaalf, op
Donderdag, den 15 Julij 17–, zou afrijden, om aan de reizigers de
gelegenheid te geven met den vloed de Forth over te steken, loog
ditmaal even erg als een dagblad want, ofschoon het twaalf uur op den
Sint Aegidius kerktoren, en bij herhaling op de overige klokken,
geslagen had, verscheen er toch geen postkoets. Er waren dan ook maar
twee plaatsen besproken, en wellicht was het een afspraak tusschen de
bewoonster van het onderaardsch verblijf en haar wagenmenner, om in
dergelijke gevallen, een weinig te wachten in de hoop van de ledige
plaatsen aan te vullen: misschien ook had de man een lijkstatie moeten
bijwonen, en was hij opgehouden door de noodzakelijkheid, om het
rijtuig van zijn sombere bekleedselen te ontdoen; of vertoefde hij om
nog een slokje met zijn ouden kennis den stalknecht te nemen, – of, –
maar met een woord, hij verscheen niet.
De jonkman, die eenigzins ongeduldig werd, kreeg nu een deelgenoot in
zijn ongeluk, een der kleine rampen van het menschelijk leven. Het was
de bespreker van de tweede plaats. Gewoonlijk is de man die zich voor
de reis uitgerust heeft zeer licht van zijne medeburgers te
onderscheiden. De zware laarzen, de overrok, het regenscherm, het pakje
in de hand, de diep in de oogen gedrukte hoed, de vaste stap, de
haastige beantwoording van alle groetenden, zijn al de teekens, waaraan
een ervaren reiziger met postwagen of diligence, op een afstand, zijn
aanstaanden reisgenoot onderscheiden kan, als hij op de plaats van het
vertrek komt aanstuiven. De eerstgekomene haast zich dan gewoonlijk,
om, vóór de aankomst van zijn mededinger, de beste plaats in den wagen
in bezit te nemen, en zijn goed zoo gemakkelijk mogelijk te bergen.
Onze jongeling die over het algemeen weinig ondervinding had, en zich
daarenboven, door het uitblijven der koets, buiten de mogelijkheid
bevond om zijn voorrechten te doen gelden, vermaakte zich daarentegen
met gissingen over het beroep en het karakter van den persoon, die nu
aan het kantoor gekomen was.
Het was een man van zestig, of misschien meer jaren, die er zeer goed
uitzag, en wiens gezonde kleur en vaste gang duidelijk bewezen, dat
zijn krachten of gezondheid niets door den ouderdom geleden hadden. Hij
had een echt Schotsch gezicht, sterk geteekende, en bijna harde
gelaatstrekken, met een slim, doordringend oog, en een uitdrukking van
ernst, verlevendigd door een trek van spotachtigen luim. Zijn kleeding
was eenvoudig en van een kleur, die aan zijn jaren en zijn deftigheid
paste; de net opgemaakte en gepoederde pruik en de breedgerande hoed,
die ze bedekte, schenen een man uit den geleerden stand aan te duiden.
Wellicht was hij een geestelijke; maar hij had in zijn voorkomen meer
van een wereldman dan men bij de Schotsche predikanten placht aan te
treffen, en zijn eerste uitroep deed hieromtrent allen twijfel
ophouden.
Hij kwam met een verhaasten stap, wierp een onrustigen blik op den
uur-wijzer van den kerktoren, en toen, terwijl hij naar de plaats zag,
waar de koets staan moest, riep hij uit: „De drommel is in het spel! –
Ik kom te laat!”
De jonge man stelde hem gerust door de verzekering, dat de koets nog
niet verschenen was, en de oude heer, bewust dat hij zelf niet al te
nauwkeurig op den tijd gelet had, gevoelde in den beginne geen moed, om
op het verzuim van den voerman te schimpen. Hij nam van een kleinen
jongen, die hem volgde, een pak, dat een grooten foliant scheen te
bevatten, tikte hem vriendelijk op het hoofd, en beval hem terug te
gaan bij den heer B–, en hem te zeggen, dat, als hij geweten had, dat
hem nog zooveel tijd overbleef, hij den koop niet zoo spoedig zou
gesloten hebben; – voorts beval hij den jongen goed op te passen, en
voorspelde hem dat hij de knapste kerel zou worden, die ooit het stof
van een duodecimo uitgeslagen had. De jongen draalde, wellicht in de
hoop van een stuiver, om knikkers te koopen; maar daarvan kwam niets.
De reiziger legde nu zijn pakje op een der palen boven aan den trap, en
wachtte, terwijl hij den eerstgekomen reiziger aanbleefzien, vijf
minuten lang de koets in stilte af.
Eindelijk, na een paar ongeduldige blikken op de vorderingen van den
minuutwijzer der klok geworpen, en dien met zijn eigen uurwerk, een
groot ouderwetsch repetitiehorlogie vergeleken en eenige scheeve
gezichten getrokken te hebben, om zijn misnoegde uitvallen behoorlijken
nadruk bij te zetten, riep hij de oude spelonkbewoonster toe:
„Vrouwtje! – hoe d–l heet ze? vrouw Macleuchar!”
Jufvrouw Macleuchar, bevreesd, dat ze zich tegen een aanval zou te
verdedigen hebben, was geenszins verlangend, om, door dadelijk een
antwoord te geven, den strijd te bespoedigen.
„Vrouw Macleuchar!” riep hij, de stem verheffende, „oude heks!”
mompelde hij, „zij is doof als een kwartel! Vrouw Macleuchar, zeg ik!”
„Ik ben juist bezig met een klant te helpen,” klonk het nu van onder
uit den kelder: „Waarlijk kind! het kan geen duit minder dan ik u zeg!”
„Vrouw,” hernam de reiziger, „denkt gij, dat wij hier den ganschen dag
kunnen blijven staan tot gij die arme dienstmeid van haar halfjaars
loon en fooien beroofd hebt?”
„Beroofd!” antwoordde vrouw Macleuchar, die gretig de gelegenheid
aangreep, om met grond te kunnen twisten; „ik veracht uw woorden,
mijnheer! gij zijt zeer onbeleefd, en ik verzoek u mij daar niet langer
op mijn eigen trap te staan uitschelden!”
„Die vrouw,” zei de oude heer, met een spottenden glimlach, tegen zijn
aanstaanden reisgenoot, „verstaat niet de woorden der drift! – vrouw,”
riep hij nu weder naar den kelder gewend, „ik laster uw karakter niet;
maar ik wensch te weten, wat er van uw koets geworden is?”
„Wat belieft?” antwoordde vrouw Macleuchar, die nu weêr doof geworden
was.
„Jufvrouw!” zei de jongere vreemdeling, „wij hebben plaatsen genomen in
uw wagen naar Queensferry.”
„En konden reeds half weg zijn,” vervolgde de oudere, maar minder
geduldige reiziger, met steeds toenemende gramschap; „en nu zullen wij
naar alle waarschijnlijkheid den vloed missen, en ik heb gewichtige
zaken aan de overzijde, – en uw verwenschte koets –”
„De koets? God bewaar ons, mijn heeren! is die er dan nog niet?”
antwoordde de oude vrouw, terwijl de scherpe toon van haar stem in een
soort van verontschuldigend jammeren overging: „is het op de koets, dat
gij hebt staan wachten?”
„Waarom anders zouden wij ons hier naast den goot in de zon laten
branden, bedriegelijk wijf? Hé!”
Vrouw Macleuchar klom nu den steenen trap op, tot haar neus zich op
gelijke hoogte bevond met de straat; waarop zij haar brilglazen
afveegde, om te zoeken naar hetgeen zij wel wist, dat niet te vinden
was, en met goed geveinsde verwondering uitriep: „Mijn hemel! – zag men
ooit iets dergelijks!”
„Ja, oude heks!” riep de reiziger uit, „velen hebben iets dergelijks
gezien, en allen zullen iets dergelijks zien, die iets te maken hebben
met uw lichtzinnig geslacht!” en hij stapte met groote verontwaardiging
op en neder voor de deur van den kelderwinkel, en loste, gelijk een
oorlogsschip, dat bij het voorbijzeilen van een vijandelijke
verschansing de volle laag geeft, telkens in het voorbijgaan zijn
klachten, bedreigingen en verwijtingen op de verlegene jufvrouw
Macleuchar. Hij zou een postrijtuig nemen, – hij zou een huurkoets
ontbieden; – hij zou vier paarden nemen, – hij moest, – hij wilde
vandaag aan den noordkant van de rivier zijn, – en al de onkosten van
de reis, met al de schade, rechtstreeks uit het oponthoud ontstaande,
zouden gezamenlijk op het verwenschte hoofd van jufvrouw Macleuchar
nederkomen.
Er was iets zoo grappigs in de wijze, waarop hij zijn grillig misnoegen
uitte, dat de jonge reiziger, die niet zulk een dringende haast had,
niet nalaten kon zich daarover te verlustigen, voornamelijk omdat het
duidelijk bleek, dat de oude heer zelf, ofschoon zeer verstoord, nu en
dan lachen moest over zijn eigene drift. Maar, zoodra jufvrouw
Macleuchar ook mede begon te lachen, maakte hij een einde aan haar
ontijdige vroolijkheid.
„Vrouw!” zei hij, terwijl hij haar een gekneuterd stuk gedrukt papier
voorhield; „staat hierop niet aangekondigd, dat, zoo het God behaagt,
gelijk gij u huichelend uitdrukt, de Queensferry koets heden te twaalf
uur zou afrijden? en is het, schepsel! nu niet reeds kwart over twaalf,
en is er iets van de koets te zien? Weet gij welke gevolgen het heeft,
als men de menschen door valsche berichten misleid? Kent gij de wet,
die op deze misdaad toe te passen is? Antwoord! en antwoord éénmaal in
uw lang, nutteloos en slecht leven, oprecht en naar waarheid; – hebt
gij zulk een koets? Is ze in rerum natura? Of is deze ellendige
aankondiging slechts een aanslag op den onvoorzichtige, om hem van zijn
tijd, zijn geduld, en drie Engelsche schellingen baar geld te berooven?
Hebt gij, zeg ik, zulk een koets? Ja, dan heen?”
„O ja, best heer! de buren kennen de koets zeer goed, groen met rood,
drie gele wielen en één zwart!”
„Vrouw! uw nauwkeurige beschrijving zal u niet helpen; – het kan best
een leugen zijn, met een bijkomende gelogen omstandigheid!”
„Och, mensch, mensch!” riep de wanhopige jufvrouw Macleuchar, geheel
van haar stuk gebracht door de onophoudelijke aanvallen van zijn
welsprekendheid, „neem uw drie schellingen terug, als ik u maar kwijt
raak!”
„Niet zoo gauw, niet zoo gauw, vrouw! – Zullen drie schellingen mij,
overeenkomstig uw verraderlijke aankondiging, naar Queensferry brengen?
Of zullen ze de schade vergoeden, die ik bij het verzuim mijner zaken
lijden zal, of de onkosten betalen, die ik maken moet, als het missen
van den vloed mij noodzaakt één geheelen dag aan de South Ferry te
vertoeven? – Kan ik, vraag ik, er een boot voor huren, die alleen vijf
schellingen kost, – wat de vaste prijs is!”
Hier werden zijn redeneeringen afgebroken door een rammelend geluid dat
het naderen van het verwachte rijtuig aankondigde, en dat dan ook kwam
opdagen met al den spoed, waartoe de dampige knollen, die het trokken,
bij mogelijkheid konden aangedreven worden. – Met onuitsprekelijk
genoegen zag jufvrouw Macleuchar den brompot op de lederen kussens der
koets plaats nemen; maar ook nog toen die afreed, stak hij het hoofd
uit het portier, en herinnerde haar, met woorden, die onder het
gerammel der wielen verloren gingen, dat, wanneer de koets niet tijdig
genoeg den Ferry bereikte om gebruik van den vloed te kunnen maken,
zij, jufvrouw Macleuchar, verantwoordelijk bleef voor al de gevolgen,
die er uit ontstaan konden.
De koets was reeds een paar mijlen verder gekomen, eer de oude heer
geheel en al tot bedaren kwam, zoo als bleek uit de klachten, die hem
van tijd tot tijd ontvielen over de al te groote waarschijnlijkheid, ja
zelfs de zekerheid, dat hij het getij missen zou. Langzamerhand
verminderde echter zijn gramschap; hij wreef zich het voorhoofd,
ontfronsde de wenkbrauwen, en, na het pak dat hij in de hand hield
geopend te hebben, bracht hij zijn foliant te voorschijn, waarop hij
van tijd tot tijd met den ervaren blik van een kenner staarde. Hij
bewonderde de grootte en den goeden staat van het exemplaar, en
verzekerde zich, door het nauwkeurig van blad tot blad na te zien, dat
het boekdeel ongeschonden en compleet was, van het titelblad tot aan
het einde.
De jonge man nam de vrijheid, naar het onderwerp der studiën van zijn
medereiziger te vragen. Deze keek hem eenigszins spotachtig aan, alsof
hij veronderstelde, dat zijn antwoord den jeugdigen vrager niet
bevallen, althans dat hij het niet verstaan zou, en verklaarde dat het
boek was Alexander Gordon’s Intinerarium Septentrionale, een boek ter
opheldering van de Romeinsche oudheden in Schotland. De vrager schrikte
niet op het hooren van dezen geleerden titel, en voegde er nog
verscheidene andere vragen bij, die bewezen, dat hij een goed gebruik
van een goede opvoeding gemaakt had, en dat hij, hoewel onervaren in de
bijzonderheden der oudheidkunde, nochtans genoeg met de klassieke
schrijvers bekend was, om een belangstellende en verstandige toehoorder
te zijn en daarover te kunnen spreken. Met genoegen merkte de oude heer
op, dat zijn reisgenoot in staat was hem te verstaan en te antwoorden,
en verdiepte zich in een zee van verhandelingen over lijkbussen, vazen,
wijaltaren, Romeinsche legerplaatsen, en de regels waarnaar men kampen
aanlegde.
Dit aangenaam gesprek werkte zoo bedarend op hem, dat, ofschoon er
tweemaal een oponthoud voorviel, dat veel langer duurde dan dat,
hetwelk zijn toorn tegen de ongelukkige jufvrouw Macleuchar opgewekt
had, onze Oudheidkenner nochtans het eerste slechts met een teeken van
misnoegen vereerde, die eerder nog het afbreken van zijn betoogen, dan
de vertraging der reis schenen te gelden.
De eerstemaal werd het oponthoud veroorzaakt door het breken van een
veêr, die een half uur arbeids ter nauwernood herstelde. Tot de laatste
vertraging werkte de oudheidkenner zelf mede, of liever, hij was er de
voornaamste oorzaak van; want toen hij bespeurde, dat een der paarden
een voorhoefsijzer verloren had, deed hij den voerman dit gewichtig
gebrek opmerken.
„Jakob Martingale,” antwoordde deze, „heeft het leveren der paarden en
het onderhoud er van op zich genomen, en ik ben niet bevoegd mij op te
houden of bij dergelijke toevallen eenige schade te lijden.”
„En, als gij gaat naar de, – ik meen, schelm, naar de plaats waar gij
verdient heen te komen, – wie denkt gij, zal het aannemen u te
onderhouden? Als gij niet dadelijk stilhoudt, en het arme dier naar de
naaste smederij brengt, zal ik u doen straffen, zoo er een vrederechter
in geheel Mid-Lothian te vinden is!” Terzelfder tijd opende hij het
portier van de koets en sprong er uit, terwijl de voerman gehoorzaamde;
in zich zelf mompelende dat, „als de heeren nu te laat kwamen, ze niets
anders zouden kunnen zeggen, dan dat het hun eigen schuld was; hij was
bereid om door te rijden.”
Ik ben zoo weinig geneigd, om de ingewikkelde oorzaken van onze
handelingen te ontleden, dat ik het niet wagen zal te beslissen, of het
mededoogen van den oudheidkenner met het arme paard niet eenigermate
vermeerderd werd door het verlangen, om zijn reismakker een legerplaats
der Picten te laten zien; een onderwerp, waarover hij breedvoerig
uitgeweid had, en er bestond, zoo als hij zei, „een voorwaar zeer
belangrijk en volmaakt specimen van” op ongeveer tien roeden afstands
van de plaats, waar het oponthoud voorviel. Maar werd ik gedwongen, om
de beweegredenen na te sporen van mijn waardigen vriend, (want dat was
de oude heer met de donkere kleeding en de gepoederde pruik,) dan zou
ik zeggen, dat ofschoon hij zeker in geen geval den voerman veroorloofd
zou hebben, zijn weg te vervolgen; zoo lang het paard kreupel liep en
waarschijnlijk nog meer zou lijden door het voortdrijven, de voerman
nochtans aan eenige vervaarlijke scheldwoorden en verwijtingen ontkwam
door de aangename wijze, waarop de reiziger hoopte den tijd van het
oponthoud door te brengen.
Intusschen werd er door deze vertragingen zoo veel tijd verspild, dat,
toen onze reizigers van den heuvel aan dezen kant der Hawes (zoo heet
de herberg ten zuiden van Queensferry), nederdaalden, het ervaren oog
van den oudheidkenner, aan de uitgestrektheid van het natte zand, en de
menigte van zwarte met zeegras bedekte steenen en rotsen, die langs het
strand zichtbaar waren, dadelijk merkte, dat de vloed voorbij was. De
jonge reiziger verwachtte een uitval van verontwaardiging; maar, het
zij dat, zoo als Croaker in het Blijspel: „de goedaardige man,” zegt,
onze held uitgeput was door het klagen over te wachten
wederwaardigheden, zoodat hij ze niet gevoelde wanneer ze wezenlijk
bestonden; het zij, dat hij het gezelschap, waarin hij zich bevond, te
zeer naar zijn smaak vond, om over iets te klagen dat zijn reis
vertraagde; althans hij onderwierp zich vrij gelaten aan zijn lot.
„De duivel hale den snelwagen en de oude heks er bij!” barstte hij
eindelijk los. „Snelwagen, zeg ik? men moest lui-wagen zeggen. „De
vlieg!” noemt zij het ding? ja, omdat het zich beweegt als een vlieg in
een strooppot, zooals de Ier zegt. Maar tijd en getij wachten op
niemand; en dus, mijn jonge vriend, zullen wij hier aan de Hawes iets
gebruiken; het is een zeer ordentlijke herberg, en ik zal het geluk
hebben, het verhaal te eindigen, dat ik u deed van het onderscheid
tusschen de wijzen van zich te verschansen in castra stativa en castra
aestiva, die door zoo vele van onze historieschrijvers verward worden.
Gelukkig ware het geweest als zij de moeite genomen hadden, uit eigen
oogen te zien, in plaats van elkaar blindelings na te volgen! –
Intusschen zullen wij het vrij goed in de Hawes hebben; in elk geval
moeten wij toch ook ergens het middagmaal gebruiken, en het zal nog
aangenamer zijn met de eb en in de avondkoelte over te varen.”
In deze Christelijke gemoedsstemming, die alle zaken van de beste zijde
beschouwt, stapten onze reizigers aan de Hawes af.