Het licht is voor Rembrandt gedurende al zijne levensjaren een
geliefdkoosd onderwerp van studie geweest. Wat is er ook schooner! Wie
kan onverschillig zijns weegs gaan, wanneer hij des ochtends buiten is
bij het opkomen van de zon? Wie sluit dan het oog voor de lichtspelingen
langs lucht en wolken?
Voelt ook niet ieder zich door zonneschijn meer aangetrokken tot de
vrije natuur, dan door bewolkte, vreugdelooze luchten!
En dan des avonds bij het ondergaan der zon! Welk een kleurenspel wordt
ons iederen dag opnieuw bereid! Nimmer vervalt de natuur in herhaling.
Altijd weer is ze verrassend en nieuw in haar getoover met lichtverven
en kleurvloeiingen.
Oud en jong, arm en rijk, ongeschoold en welonderwezen, alles heeft er
oog voor. Geen mensch, of wel ééns in zijn leven heeft hij éénen
zonsondergang genoten, wel ééns heeft hij bij dit natuurverschijnsel
aandachtig stil gestaan. Daar zonk de vuurbol ter kimme. Het licht, dat
den ganschen dag slechts licht was geweest, werd nu kleur. De
huizegevels in baksteen blonken eens zoo rood als anders. De witte
raamkozijnen bleven wit, maar waren toch, zonderling wonder, te gelijk
ook rood. De hagelwitte gordijnen eveneens, ofschoon het wit toch
vlekkeloos rein bleef. De grijze, stoffige straat--wie zou ooit op de
kleur van eenen straatvloer letten!--behield hare grauwe steenkleuren,
en trok niettemin het oog door een purperen schijn. Daar waren de
schoone, groene boomen! Schenen niet ook zij van hetzelfde purper
doortrokken, terwijl groen toch groen bleef. De stammen stonden te
blozen als frissche wangen: maar grauw en grijs en bruin was
onveranderlijk de kurkschors.
Met geene woorden kon men noemen, wat elk ding voor verven kreeg. Zoodra
men het beproefde, gaf men slechts eene opsomming van de kleuren, die er
waren bij heldere dagverlichting. Een raadsel was het, dat de zon bij
het scheiden nog opgaf. Een moeilijk raadsel!
Van de ondergaande zon tot den levensavond van onzen schilder is eene
schrede minder groot, dan men wellicht zou denken.
Daar hangt in het Rijksmuseum te Amsterdam een werk, de Staalmeesters
heet het, dat hij voltooide in 1661, en dat het laatste groote stuk is,
waaraan hij zijne zorg wijdde. We schromen, als we het naderen, om de
gedachte uit te spreken, doch ze laat zich niet terugdringen: dit
kunstgewrocht is het afscheidslicht, dat eene ondergaande zon nog gaf.
Eene ontzaglijke ziel spreekt hier haar laatste woord. En ook _dit_
laatste woord is een raadsel, is hetzelfde raadsel, wat de avondzon weet
voor te leggen. Ook hier heeft elk ding zijn eigen kleur, zijn eigen
verf, zijn eigen kleurvermengingen; maar tegelijk straalt ook hier elk
ding eenen rossigen gloed uit, eene tint, die nergens aan te wijzen, en
toch overal te vinden is; die op geen voorwerp ontbreekt, en toch op
alles de natuurlijke kleuren handhaaft. We _zien_ het roode licht niet,
we _ondergaan_ het. Overal kunnen we aanwijzen zuiver bruin, zuiver wit,
zuiver zwart, en overal toch voelen we het uitstralende rood, dat
nergens is, dan alleen in het kleed, dat over de schuine tafel gespreid
ligt.
Het grijpt ons aan, als we bedenken, dat de zon, na al haar schoone
licht, eindelijk tot het avondrood komt, en dan niets schooners meer
geven kan. Dan moet ze ondergaan. Ze heeft het schoonste bereikt. En
Rembrandt is het eveneens gegaan!
Zijn gansche leven is geweest: grooter en grooter worden. We zagen het
bij de twee Opwekkingen, we zagen het bij de Anatomische les en het
Korporaalschap, we ontdekken het nogmaals bij de Staalmeesters, twintig
jaren later gemaakt, in den levensavond van den kunstenaar.
Hij begint groot in 1632. Steeds wast hij, en meenen wij, dat het
hoogste bereikt is; maar steeds overtreft hij weer, wat hij te voren
maakte. Elk stuk vinden we onovertroffen, tot hij zelf een nieuw
meesterwerk schept, en ons de oogen opent voor de tekortkomingen van het
voorgaande. En wat hij op het eind van zijn leven te zien geeft, is niet
alleen weer beter, dan wat vooraf ging; het lijdt aan geene gebreken
meer, het bereikt alles, wat bereikt wou worden. Wat de schilder wilde,
gelukte; en er is niets groots, dat hij vergeten heeft te willen.
* * * * *