De "Simeon in den tempel" is een bijbelsch stuk. Maria, de moeder van
het Jezuskindje, ligt op den steenen vloer neergeknield. Jozef, ook eene
knie buigende, houdt in de hand de duifjes, die voor offer bestemd zijn.
De hoogepriester heft zegenend zijne handen op; Simeon heeft het kindje
gegrepen, slaat het oog naar boven en spreekt de bekende woorden: "Nu
laat gij, Heer, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; mijne
oogen hebben uwe zaligheid gezien." Een paar landlieden zijn toevallig
getuige van het tooneel, evenals twee "schriftgeleerden", die op den
voorgrond op een rustbank zitten. Omhoog welven en kruisen zich de
tempelbogen, die door weelderig versierde kolommen worden gedragen. Daar
heerscht schemering, evenals op de breede trap, waar tal van
tempelgangers op en afgaan.
Om reeds bij den eersten aanblik de attentie te vestigen op de
hoofdgroep, laat de schilder de ruimte van den tempel in het halfdonker.
Op ééne plaats valt het zonlicht naar binnen, en wel door een venster,
dat zich links boven in het gewelf zal moeten bevinden. De
"schriftgeleerden" zitten buiten het licht; ofschoon in letterlijken zin
op den voorgrond geplaatst, trekken ze geenszins het eerst de aandacht.
Dat doen zeker wel de hoogepriester en Simeon het meest. De eerste door
zijne koninklijke gestalte, waar, in lange, statige, plooien, de mantel
omheen hangt. Hij doet denken aan "Jezus" op de eerste prent van de
"Opwekking van Lazarus". De gebogen lijn, van het hoofd achter over den
hals en den rug, is hier zuiverder van beloop; bij "Jezus" voelen we ter
hoogte van den linkerschouder en iets lager eene afwijking, die niet
duidelijk de bedoeling laat doorschemeren.
Zuiver van uitdrukking is de hand; ze wuift en wenkt het neergeknielde
paar de woorden toe. In de pols is juist genoeg buiging achterover, om
het gevoel van stille verrukking uit te spreken; de hoogepriester neemt
deel in de zaligheid van dit grootsche oogenblik. Boog de hand zich in
neerwaartsche richting, dan kregen we den indruk, dat hij min of meer
uit de hoogte den zegen gaf.
De vingers staan uitgespreid, alsof ze tintelen van de aandoening,
waarmee de plechtigheid hem vervult; vooral de pink staat wijd
uitgespannen; zoo zien we dat bij iemand, die zijne woorden spreekt in
ontroerde bezieling.
Niettemin is de hand onschoon van teekening. Evenals die van Jezus op de
eerste Opwekking, is ze breed en plat, de vingers zijn kort en stomp, de
geleding is niet zuiver gevoeld.
In de nijging van het hoofd ligt iets herderlijks. Het drukt bezorgdheid
en deelneming uit. Zoo staat een geestelijke tegenover hen, die zich
aan zijne leiding toevertrouwen. Zoo neemt hij ze, in figuurlijken zin,
onder zijne vleugels, in zijne bescherming. En wie zoo toegesproken
zijn, keeren huiswaarts met een gevoel van vertrouwen op de toekomst,
met het geloof, dat alles wel goed zal komen.
Met de geheele figuur staat in 't licht; alleen dat deel, waarin de
schilder de uitdrukking wilde leggen. Daar zien we ook het duidelijkst,
hoe de statiegewaden er om hangen. Lange plooien gaan sierlijk van den
hals tot op den grond en slepen zelfs nog na. Zwaar en dik is de stof.
Hier en daar kreukelen de plooien overdwars. Van het hoofd af hangt een
priesterlijk sieraad over den hals en op den rug. Het ligt er rustig en
plat uitgespreid. De zijlijn volgt de buiging van den hals, de onderkant
de ronding van den rug. Alles plakt zwaar en solied op elkaar.
Het verlichte handje draagt onzen blik van den hoogepriester op Simeon
over. Het is een licht-schakel.
Ontzaglijk is het, de vervoering, de geestesverrukking van dezen
grijsaard te zien. Men hoort hem met groote stem, met woest geluid tot
den Heer zijnen God roepen en de woorden spreken, die boven aangehaald
zijn. Hij acht geen omstanders, ziet geen vader geen moeder, geen
hoogepriester, maar voelt zich het hart zwellen van dankbaarheidsdrift,
nu hij den lang verwachten Messias in de armen sluit. Het is eene uiting
van den sterksten hartstocht, eene ontroering, die den aandachtigen
beschouwer door de ziel gaat.
[Illustration: Groep uit "Simeon in den Tempel".]
De moeder Maria, ofschoon niet ten volle begrijpende, slaat vol zalig
gevoel de handen op de borst tezaam; haar moederhart zwelt, nu haar kind
den grijsaard zoo in gloed zet en hem zulke woorden ontlokt. Jozef,
eenigszins in de schaduw gesteld, weet nog minder, wat hij van de
ontboezeming van Simeon moet denken. Toch zit ook hij met vaderlijk
welgevallen het tooneel aan te zien. Zijn gemoed wordt zachter bewogen
dan dat van Maria; zijne gevoelens zijn meer gematigd. In het volle
licht behoefden ze niet gesteld te worden, mits ze toch ook de aandacht
niet ontgingen. De schilder laat hem daarom neerknielen in de schaduw
van den hoogepriester. Maar eene zachte, stille weerkaatsing van den
gloed van Simeon ligt over zijn wezen. Het is eene weerkaatsing van den
lichtgloed, zoowel als eene weerspiegeling van de gemoedsbeweging, maar
beide sterk getemperd.
Eene belangrijke rol laat Rembrandt de boertjes spelen, die toevallig
langs de groep heenliepen en even bleven staan. Het misbaar van den
grijsaard moet zijn oorzaak hebben; wat mag er wel aan de hand zijn?
vragen ze zich af. Ze komen nieuwsgierig een stapje nader. Die met de
hooge muts ziet er vrij onnoozel uit en zal niet veel wijzer worden, al
staat hij er vooraan bij. De middelste van de drie is een echt type.
Waren ze er zoo in de dagen van Rembrandt, in 1631, wij kennen ze zoo
nog. De handen onverschillig op den rug, het hoofd tusschen de schouders
gezakt, hoogruggig door den veldarbeid, den kop vooruitgestoken met een
norsch, bullebakkig gezicht. Men ziet hem aan, dat hij ontsticht is over
het misbaar. Toch werpt hij een onderzoekenden blik op het kindeke, een
blik, dien men niet licht vergeet. Terwijl hij neerziet, is het, alsof
zijn wrevelige trekken zich ontspannen. Een klein, teer kindje, wie kan
daarbij ook onverschillig blijven!
Voor ons is het geen raadsel, waarom zijn gezicht opklaart; wij leven
twintig eeuwen na de Jeruzalemsche gebeurtenis, en ons is het gegeven om
te overzien, wat dat Kindeke geworden is, en welke dingen Het verkondigd
heeft. Zie, voor wie waren later de predikingen van Jezus het meest
bestemd, op wie maakten ze het eerst indruk! Wie sloten zich aan en
lieten zich doopen? Waren het niet de eenvoudigen van geest? Waren zij
het niet, wier verstand klein was, wier begrip van de dingen niet
verging?
Rembrandt voelde behoefte, om het groepje in den tempel aan te vullen
met een paar van deze eenvoudige zielen. Dat zou voor den beschouwer de
herinnering levendig houden van wat er later gebeuren moet. In de
simpele landlieden, die met belangstelling komen toekijken, zien we de
toekomst van het eerste Christendom.
Nog in een ander opzicht zijn de boertjes merkwaardig. Laten we niet uit
het oog verliezen, dat Jezus in het land Kanaän geboren werd; de
ontmoeting met Simeon had plaats in den tempel te Jeruzalem; het volk,
dat de trappen op en afging, of toeschouwer was bij Simeons
geestesvervoering, waren Israëlieten, Joodsche landbouwers, Oosterlingen
dus. De kleedij, die de Joden in het begin onzer jaartelling droegen,
komt overeen met die, waarin zich thans nog Arabieren en Syriërs steken.
De meeste schilders hebben getracht, als ze een bijbelsch tafreel
behandelden, om hun figuren het voorkomen van Oosterlingen te geven.
Soms sloegen ze den bal wel mis, en schilderden ze Italiaansche
landlieden in plaats van oud-Israëlitische, maar ze hadden dan toch de
bedoeling, er een buitenlandsch tintje aan te geven.
Deze bedoeling vinden we bij Rembrandt niet. Hij doet geen moeite om het
Bijbelverhaal te doen spelen in verre landen, onder vreemde volken. De
boertjes zijn echt Hollandsche typen. Ze komen regelrecht uit Ransdorp,
Broek-in-Waterland of Ouwerkerk-aan-den-Amstel. In hun blauwen kiel
heeft de schilder hen door Amsterdam zien gaan, of in de weide bij hun
vee bespied. Wel zien ze er anders uit dan het landvolk uit onzen tijd,
maar ook buiten de steden wisselt en verandert de kleederdracht. En zoo
als ze hier in den tempel staan, zoo heeft Rembrandt in zijn tijd hen op
verschillende platen naar het leven geteekend; nu eens met eene hooge,
dan eens met eene lage muts op het hoofd. Zoo was in zijnen tijd hunne
dracht.
Hij brengt dus de gewijde geschiedenis over op vaderlandschen bodem.
Vreemde kleederdrachten voor herders en landlieden versmaadt hij. Hij
weet, dat tal van menschen zich op dat vreemde blind kijken, en geen oog
hebben voor het wezenlijke van de schilderij. Ze zullen de voorstelling
beter gaan voelen en begrijpen, als de figuren menschen zijn gelijk zij
zelf; als die in gelaatstrekken, in kleur, in houding en in kleeding
gewone, echte Hollanders zijn. Jezus had immers heel goed in Holland
geboren kunnen zijn. Was niet de Republiek der Vereenigde Nederlanden
een zeer bijzonder land? Had de God der Vaderen niet geholpen, om haar
van de Spaansche tirannij te bevrijden? Had Hij de zaak der Hervorming
niet doen zegevieren? Was er éen protestantsch land zoo met aardsche
rijkdommen en met welvaart gezegend? Een uitverkoren volk, daarvoor
hielden onze voorouders zich. Zij waren een tweede Israël. Alles, wat
ginds in het Oosten, aan de oevers van de Jordaan, was afgespeeld,
speelde zich ook hier af, dachten ze. Hunne geschiedenis was eene
afspiegeling van de Bijbelsche.
Als zoo een geheel volk denkt, valt het den kunstenaar gemakkelijk, zich
ook in die richting te bewegen. Hij denkt niet alleen, hij stelt
zichtbaar voor. Het Joodsche wordt Hollandsch; de schaapherders van
Ephrata en de wijnbouwers van de berghellingen van Judea, komende in den
tempel van Jeruzalem, worden melkboeren uit de omstreken van Amsterdam.
En waarom ook niet? Over de heele aarde wonen menschen van éen natuur;
het denken en voelen is wel overal ten naastebij hetzelfde. Vooral onder
de volksklasse, die hier is voorgesteld, onder de eenvoudigen van geest,
die opgroeien te midden van de natuur.
Hiermee kunnen we afscheid nemen van de blauwgekielde tempelgangers, om
nog even eenen blik te slaan op het tweetal, dat op den voorgrond in de
schaduw zit.
De eerste laat het tooneeltje, daar voor hem, niet onopgemerkt
passeeren. Hij steekt het hoofd onderzoekend vooruit. Zooals het handje
en de arm op de leuning van den stoel liggen, kan men zich denken, dat
hij bijna van zins is, op te rijzen en nader te treden. Nummer twee
wisselt met hem een blik van verstandhouding. Hij krijgt argwaan, dat de
zaak niet in orde is. Schriftgeleerden, zooals zij misschien zijn, nemen
het met godsdienstaangelegenheden zeer nauw. Ze dulden geene
uitdrukkingen in strijd met de Joodsche wet.
Of zij in de woorden van Simeon iets hooren, wat hun verdacht voorkomt,
willen we niet nagaan. Maar ons treft hunne tegenwoordigheid op deze
plaats. Reeds bij dit voorval uit het leven van Jezus zijn ze
dwarskijkers, in letterlijken en in figuurlijken zin. Rembrandt geeft ze
voorshands nog een plaatsje in de schaduw, terwijl hij de aanstaande
volgelingen van den Nazarener in het volle licht zet; maar ze zijn er
toch, en ze brengen ons te binnen, hoeveel leed ze later zullen
uitstorten over het hoofd van het Kindeke, dat nu nog zoo onnoozel in
Simeons armen ligt.
Ten slotte een enkel woord over de geschiedenis, die dit schilderijtje
heeft doorgemaakt.
Voor wien en voor hoeveel Rembrandt het maakte, weten we niet. Het duikt
in 1733 uit het onbekende op. Bij eene verkooping ten huize van een
Haagsch burger werd het voor f830 verkocht; men weet dit uit een
rekeningenboek. Een mooie prijs voor dien tijd!--Later werd het
aangekocht voor de verzameling van Stadhouder Willem V. De groote
gebeurtenis voor het stuk moest echter eerst komen tusschen 1810 en
1813. Toen Nederland als aanslibsel van Fransche rivieren bij het
Keizerrijk was ingelijfd, vond Napoleon, dat alle kunstwerken, die aan
den Staat behoorden, naar de hoofdstad des rijks moesten verhuizen, naar
Parijs. De "Simeon" was door Prins Willem V bij zijn vertrek naar
Engeland in 1795 natuurlijk in den steek gelaten, evenals de verdere
roerende en onroerende have; de staat had er zich over ontfermd, en nu
ontfermde Napoleon er zich weer over.
Het werd met tal van andere schilderstukken ingepakt, op eenen wagen
geladen en verzonden. De bedoeling was, om het Louvre er mee te
verrijken. Wagenvrachten en wagenvrachten van kunstwerken ondergingen
ook in de andere Fransche wingewesten hetzelfde lot. Men was er in
Parijs verlegen mee. De opeenhooping was zoo groot, dat een paar jaren
later het werk der schifting en der tentoonstelling nog niet afgeloopen
was. Napoleon kwam ten val, voordat alles een plaats had gekregen.
Toen hij in 1815 voorgoed van het wereldtooneel verdween, was het Louvre
meer pakhuis dan museum. Spoedig daagden van de onderscheiden herstelde
regeeringen afgevaardigden op, om uit den rommel op te eischen, wat door
Napoleons ambtenaren naar Parijs was vervoerd. Ook van de regeering der
Nederlanden. "Simeon" maakte de terugreis naar Den Haag, en kreeg daar
in het Mauritshuis het plaatsje, dat hij nu nog inneemt. Moge hij er
blijven tot in lengte van dagen, om nog vele bezoekers het hart te
verheugen.
* * * * *