Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas, weduwe van admiraal
Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling dan de beeltenis te geven.
Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of bezigheden terugvinden,
ontbreekt; de achtergrond is donker. De dame is zonder een of anderen
schijn aan te nemen zoo maar voor den schilder gaan zitten, om zich te
geven zooals ze is. Er spreekt uit de houding groote eerlijkheid,
openhartigheid, die niets heeft te verbergen, die geen behoefte heeft om
manieren aan te nemen. Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over
elkaar gelegd. Over elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een
portret, dat is dus hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er
lang en rustig op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en
ongedwongen deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op
_liggen_, dit zegt nog niets, maar ze worden er door _gedragen_. Met de
elleboogen is het net zoo; die vinden steun, die rusten op de leuning
van den stoel. Het sterkst voelen we dit wel in de linkerhand, die over
de rechter is gelegd. Let ook eens op, hoe de onderste achteloos den
zakdoek vasthoudt, en hoe de bovenste in een gemakkelijken greep over de
andere heen ligt. En hoe dit overeenstemt met de houding van het
bovenlijf; ook dit leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den
stoel; het helt net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles
draagt er toe bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde
statigheid bij ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame
ontvangen te worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet
weldadig aan en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de
gewaarwording, dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen
heeft moeten ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der
handen duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van
handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook
hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen trek
van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter, maar juist
genoeg zachtheid om niet af te schrikken.
[Illustration: Vrouwtje Bas.]
Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint in te vallen, wel
niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te doen springen. De diepe
plooien, van de neusvleugels af naar beneden, duiden het ook aan. De
vleezigheid van de wangen doet in die plooien weer kleinere ontstaan.
Als vrouwen zestig jaar zijn, begint dat langzamerhand te komen. Bij
dezen leeftijd behoort de blozende gelaatskleur, en behooren verder de
twee uitgezakte rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm
van het gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang
aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen zich
heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee, dat het in
dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar één overdreven had
voorgesteld, zouden we dat terstond als eene fout hebben opgemerkt. De
plooien aan de mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper,
de kin vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret
gaat alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan.
Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te zeggen
op een goudschaaltje afgewogen.
Wel moet de schilder het model dus door en door hebben begrepen, als hij
in zijn hand en in zijn penseel voelde, hoe diep hij een plooitje moest
zetten, om bij al het overige te passen. Waar een groefje van den
rechtermondhoek schuin naar beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn
van de wang een bochtje, dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een
niet, zonder het ander in 't oog te houden.
Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de rest. Op den
leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet meer smal en
kantig, maar breed en naar beide zijden rond afloopend. Alleen de punt
en de vleugels zijn nog scherp geteekend. Onder de oogen vormen zich
zware plooien; ook zakt er een van de wenkbrauwen schuin naar den
buitenhoek van het oog. Hieronder komt het vleezige bovenste ooglid te
voorschijn.
Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd; de eene toont niet
ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te donker, te licht, te diep
of te oppervlakkig, te ouwelijk of te jeugdig is. Al deze geschilderde
zaken zitten rustig bij elkaar, zonder dat het een het ander
overschreeuwt.
Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik heeft wat bijzonders,
zooals we dat bij sommige menschen wel opmerken: hij houdt het midden
tusschen glimlach en ernst. We weifelen tusschen deze twee. En om den
mond speelt een trekje, dat ons ook in het onzekere laat. Niet doordat
Rembrandt onvast schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van
gemengde aandoeningen.
De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van vertrouwen, dat ze
inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een persoon, die in haar leven
veel heeft moeten regeeren en leiden, die veel aan beraadslagingen
deelgenomen heeft; men ziet haar de eigenschappen aan, om weeshuizen te
besturen, om oneenigheden tusschen regenten te beslechten, om beide
partijen aan te hooren, een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op
het hart ligt, maar daarna wekt zij ook de verwachting, dat met
gestrengheid uitspraak zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij
van hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals
we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we
Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene verstandige,
maar vooral eene lieve vrouw.
Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat, deze roerselen van
karaktergeheimnissen las, wist hij er zich bovendien zoo juist
rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in lijn en kleur kon
vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als kunstenaar. Houdingen,
vormen, gebaren en trekken nam hij nauwkeurig waar. Maar de menschelijke
natuur, die daarachter schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel
gaat zitten en de handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en
zijn karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een
aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd! Wij,
die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in eenen
spoortrein zitten, en iemand komt de coupé binnen, kunnen wij maar amper
aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij veel heeft gereisd dan of
reizen iets ongewoons voor hem is. En wat is dit aan de oppervlakte,
vergeleken bij de karakterhoedanigheden, welke Rembrandt zag in de
personen, die tegenover hem gingen zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet
hij zich met menschen hebben beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo
op het uiterlijk af te lezen.
En toch heeft men willen beweren, dat hij in zichzelven gekeerd,
teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen menschen zag, geen omgang
had en weinig van menschen hield. Dit ééne portret bewijst voor het
tegendeel genoeg. Wie dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem,
zoekt hem en voelt zich tot hem aangetrokken.
Als we nu nog even de aandacht aan de kleederdracht dier dagen schenken,
merken we op, met hoeveel welgevallen de schilder den in 't oog
loopenden plooikraag zag. Om eens eene ongepaste vergelijking te maken:
het is, alsof het hoofd, waarin al die wonderlijke zaken van gemoed en
karakter worden opgemerkt, aan den beschouwer wordt gepresenteerd op een
schotel van blanke reinheid. In zuiveren, afgeronden vorm teekent het
zich daartegen af. Linten, strikken, koralen of andere sieraden
misleiden de aandacht niet. Zelfs geen haardos. Een linnen kapje of
mutsje voltooit de witte omlijsting, waarin het gelaat ons alles kan
zeggen, wat het te zeggen heeft.
Wat is die kraag er mooi opgezet! Luchtig en kraakfijn staat de kant in
de plooien. Overal van die bijna doorschijnende schaduwtinten, zooals
men ze ook ziet op verschgevallen luchtige sneeuw. Hoe zuiver loopt de
ronde lijn over de borst en de schouders achter om het hoofd heen; nog
net even kunnen we voelen, dat de kraag aan de achterzij iets uit het
platte vlak doorgezakt is.
Men ziet, het zijn niet alleen de raadselen van een menschelijk gemoed,
waarnaar Rembrandt zocht, ook het eenvoudigste ding keek hij aan en weer
aan, tot hij kon zeggen: zoo doet het zich aan mijn oog voor. Hij tastte
zijn model eerst in het hart aan en gaf uitdrukking aan het persoonlijk
karakter; maar dan had hij ook aandacht voor de bijzaken en schepte er
behagen in, eenen kraag in de plooi of een weduwenkapje in de stijfsel
te zetten.
* * * * *