MEER DAN PORTRET.

De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne werkkamer. Op de tafel

liggen zakken met geld, en een boek, waarin de hand gereed is,

aanteekening te houden. Hij overhandigt den bediende eenen zak, dien

deze misschien in een geldvat moet ledigen. De balans, om het goud af te

wegen, hangt aan een boekenplank boven de tafel; op den achtergrond

wachten meerdere bedienden op orders.

Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de blik, dien hij op

zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem aan. Uit zijn oog lezen

we de gewetensvraag: kan ik je dit toevertrouwen? En dat oog blijft

streng en onderzoekend op hem rusten. Rembrandt slaat hier den spijker

met den eersten slag op den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers

de beste eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat

hij tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo één steeds waakzaam moet

zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus treffender in beeld

brengen, dan door deze eigenschap voorop te stellen? Hij mag een goed

man, een vriendelijk man, een eerlijk man geweest zijn, het beste wat

men van hem kan zeggen, is: hij was een man op de juiste plaats. En dit

allereerst zegt zijn portret.

Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De wangen hebben eene

onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren leggen er onbevallige

vormen in; de neus is van een scheef, ingedeukt model. Maar zooals dit

moest wezen, zoo is het ook uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid

te vragen, hoe eigenlijk de vorm was.

De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken. Kloek en zwaar

hangt de pelsmantel er om: het schijnt een "kantoorjasje" te zijn. Maar

wat voor een! Het zachte, glanzige haar zit er duimen dik op; men zou er

gaarne de hand over willen strijken, om de molligheid te voelen. Wat een

rijkdom van pluisjes en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom;

telkens weer liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en

dik is de stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan

zien. Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van

fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese

plooitjes gevouwen en gestreken.

[Illustration: De Betaalmeester.]

Het is een zeer aparte kunst, om met dichte arceeringen de stof uit te

drukken. Let eens op den achtergrond. De wand, waartegen de schilderij

hangt, is volgekrabbeld, tot het een beschaduwde, grijze, gepleisterde

muur was; het gedeelte aan den rechterkant, voorbij een soort van

poortje, is met hout betimmerd, wat duidelijk van den gepleisterden muur

te onderscheiden is. Het afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon

van de zelfde grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken,

dat het geweven stof is.

Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den voorgrond staan. Ze

duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit eene zachte, donkere

kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje alleen met onzekerheid de

dingen waarnemen, zoo zien we op den voorkant van de groote kist het

nauwelijks afgebeelde, zware ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van

eenen spijker; langs den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door

een ander meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich

met kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel,

dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op de

juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt het

deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk, zoo'n kist,

waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag.

Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om, met arceering

alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te beelden.

Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te keeren, de breedheid en

de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen in het karakter. De

openliggende mantel, met daaronder de fiere borst, wekken het vermoeden

van openheid en eerlijkheid. De rechterhand is eene uitdrukking van

nauwlettendheid en zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek

van alle gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te

zien, met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje

vasthouden.

In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in actie en handgebaar

zien we eene aanduiding van de eigenschappen, die Uytenbogaerd maken tot

een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een model betaalmeester; door een

man als hem worden 's lands middelen naar den eisch beheerd. Zijn

portret is maar niet slechtweg een portret, waarbij men vraagt, of het

goed gelijkt; het is een zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man

in zijn vak. En meer nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen.

Met welk eene vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze

bestond uit mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van

het jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene

regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de Spaansche

overheerschers.

Historische waarde krijgt het vooral, als we niet alleen op den

hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten.

Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die hem overhandigd

wordt! De blik, welken hij met den ontvanger wisselt, wekt de

veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen, zijnen meester in de

oogen te durven zien en dus geene slechte voornemens te koesteren. Een

en al onderdanigheid is hij! Bijna slaafschheid. Het doet ons vreemd

aan, dat in een vrijgevochten land, als het onze, alleen de hoogere

klassen des volks zich mensch en onafhankelijk voelden, dat in een

Republiek de ondergeschikten de knie bogen voor den werkgever. Is het

niet, alsof we nog waren in de dagen der Spaansche overheersching? Toch

draagt de prent de dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het

Kanaal voor Duins weinig naar eene zoodanige heerschappij.

Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze hadden er den wind

onder. Het is deze verhouding tusschen heer en dienaar, die Rembrandts

plaat voor ons bewaard heeft; in enkele lijnen worden hier boekdeelen

gezegd.

Niet slechts het portret van een persoon, maar een tooneel uit het leven

zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging het toe; zoo leefden de

standen met elkaar in de Republiek.

Het portret is een sprookje geworden. We lezen van een groot heer, die

een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen braven dienaar. Doch het is

een sprookje van het soort, waar meer achter gezocht moet worden. Het

gunt ons een blik op de samenleving onzer zeventiendeeuwsche

voorvaderen.

* * * * *

Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn Leesboek voor het Lager en Voortgezet Onderwijs · 第 25 / 33 题