in den port Schraeven Haech.
De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel, dat de beheerder
van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder veel complimenten op
zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge schilder opgang, toch zooveel
nog niet, dat zijn naam voldoende was om geld los te krijgen. Ook bracht
hij het nooit zoo ver, dat beroemde mannen uit onze geschiedenis zich
door hem lieten portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat
zouden we uit zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik
Hendrik, een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn
Huygens. Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke
afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben bewaard.
Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen hebben gemeend,
zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken te vereeuwigen. De
portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van tweede-rangspersonen.
Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap voldoende leeren kennen. Als
een mooi voorbeeld verdient dat van den ontvanger Uytenbogaerd te worden
vermeld, welks naam we vinden in den zoo even aangehaalden brief.
* * * * *