HISTORISCHE GEGEVENS.

Het was in den zomer van het jaar 1634, dat Rembrandt zich aan den

IJ-kant te Amsterdam inscheepte, om naar Friesland te gaan. De tocht

ging over zee, zooals toenmaals vanzelf sprak. De vervoermiddelen te

land waren slecht, de wegen eveneens, en bovendien was de Republiek nog

in oorlog met Spanje, waardoor een reis over de Veluwe soms onaangename

avonturen opleverde. In 1628 maakte de vijand onder aanvoering van

Cuculi nog strooptochten tot onder de wallen van Amersfoort. De

Zuiderzee daarentegen was veilig; de dagen van Bossu behoorden tot het

verleden.

De beurtschipper zette onzen schilder te Harlingen aan land. Vandaar

ging het per binnenvaartuig over Franeker naar het weinig bekende dorpje

Sint Anna-parochie, en wel met het doel om er in de echt te worden

vereenigd met eene deftige Friesche jongedame.

Rembrandts huwelijk is een merkwaardig staaltje van de geschiedenis van

Geschiedenis.

Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de kennis van dit vak uit boeken

wordt opgedaan. De schrijvers dezer boeken hebben op hunne beurt ook

weer uit boeken geput, maar zijn even dikwijls langs anderen weg achter

de toedracht der gebeurtenissen gekomen.

Niet door overlevering, die van ouder op kind, van kind op kindskinderen

overgaat. Immers, wij in onze dagen, weten meer van Rembrandt,--om bij

hem te blijven--dan onze voorouders uit het jaar 1800, zelfs meer dan

die uit 1700, ja! meer dan Rembrandts eigen tijdgenooten! Zijne vrienden

en kennissen natuurlijk uitgezonderd. Onze kennis kan dus geene

overgeleverde kennis zijn.

Zoo heeft men honderd en vijftig jaar lang niet met zekerheid geweten,

dat en met wie hij getrouwd is geweest.

Men vertelde: met eene kleine, dikke boerin uit Raasdorp. Een dorp van

dien naam is er niet. Men begon dus, met maar aan te nemen, dat Ransdorp

was bedoeld, een plaatsje in Waterland. Echter wilde het niet gelukken,

om op te sporen, wie dan die vrouw geweest was. In de stad Amsterdam

snuffelde men allerlei papieren na, om het gewaar te worden. Ook in

Leiden, zijne geboorteplaats.

Maar vruchteloos.

Het toeval bracht de oplossing van het vraagstuk. Ver van Amsterdam, in

een vergeten dorpje in Friesland, werd, omstreeks het midden van de

19^{de} eeuw, in de oude boeken van het gemeentehuis, tusschen honderden

aanteekeningen, de ontdekking gedaan van deze regels:

"23 Juni 1634 zijn in den echt vereenigd

REMBRANDT HERMENS VAN RHIJN

wonende te Amsterdam

en

SASKIA VAN ULENBORGH

thans gedomicileerd te Franeker."

Toen men nu ook in Amsterdam de papieren en de registers van het jaar

1634 doorzocht, en melding gemaakt vond van dit huwelijk, was de zaak

opgehelderd. Het boerinnetje van Raasdorp bleek een sprookjes-boerin te

zijn. Saskia van Ulenborgh kwam niet uit Noord-Holland en was allerminst

boerin van geboorte. De vader toch was burgemeester van Leeuwarden

geweest.

Dit bewijst al, dat hij een man van aanzien was. Hij was bovendien

iemand, die wat durfde, daar hij behoorde tot de eersten, die in

Friesland in den Geuzentijd zich tegen den Spaanschen landvoogd

verzetten. Zeer toevallig is hij zelfs voor iederen schooljongen een

bekende, door eene gebeurtenis uit de vaderlandsche geschiedenis,

ofschoon men zijnen naam gewoonlijk niet kent. Zooals men weet, is Prins

Willem I van Oranje in 1584 binnen Delft op het Prinsenhof vermoord. Hij

ontving het doodelijk schot, terwijl hij de trap af ging, na het

middagmaal gebruikt te hebben. Bij dit middagmaal had hij als gast aan

tafel gehad eenen burgemeester van Leeuwarden, die over regeeringszaken

met hem gehandeld had. En deze nu was niemand anders dan de heer Van

Ulenborgh, met wiens dochter Rembrandt vijftig jaar later is getrouwd.

De schoonvader van Van Rijn is de laatste geweest, die met Willem den

Zwijger aan tafel heeft gezeten. Saskia is dus uit eene historische

familie!

Wat wil het toch vreemd loopen! Menschen, die twintig of dertig jaar na

Rembrandt leefden, wisten niet beter, of hij was gehuwd geweest met eene

boerin. En wij, twee eeuwen later, zijn van zijne huiselijke

aangelegenheden nauwkeurig op de hoogte. _Zij_ vergenoegden zich met een

sprookje, _wij weten_, voor _ons_ is zijn levensloop eene bladzijde

geschiedenis. Zoo gaat het steeds. Eerst gebeuren de dingen. Dan worden

ze vergeten. Er komen geslachten, die zich er niet om bekommeren.

Eindelijk staan er menschen op, die er belang in stellen. Ze onderzoeken

en vorschen na. Een oud papier wordt gevonden, en het verleden is

ontsluierd.

Er is bijna geene bladzijde in onze historie, of ze heeft hare

geschiedenis. Dikwijls is de geschiedenis van Geschiedenis even

merkwaardig als de Geschiedenis zelf. Dit moge nog blijken uit het

volgende staaltje.

Nadat de ontdekking van Saskia van Ulenborgh had plaats gehad, zocht men

naar meer gegevens omtrent Rembrandts leven; vooral in de kerkelijke

boeken snuffelden de wijsgeeren. In die van de Westerkerk te Amsterdam,

de kerk, waar in 1667 de groote schilder begraven is, ontdekte iemand,

dat hij eene weduwe had nagelaten met twee kinderen, die onder den naam

Catharina van Wijk beschreven stond. Eene andere, waarschijnlijk dus

eene _tweede_ vrouw! Natuurlijk was de ontdekker met dit nieuws in de

wolken. Gelooven moest men het wel; het stond onweerlegbaar in het

register te lezen.

Maar wat ontdekte later een tweede wijsgeer, die de registers van de

Westerkerk doorsnuffelde? Zijn blik viel op eene bladzijde, waar het

overlijden en het begraven beschreven stond van den echtgenoot van

Catharina van Wijk. Hier ontbrak echter de aanteekening, dat deze

overledene eene weduwe met twee kinderen naliet, eene aanteekening, die

men juist wel leest op het folio, waar Rembrandts overlijden geboekt

staat. Er moest een abuis hebben plaats gehad. En dit behoeft ons voor

de zeventiende eeuw niet te bevreemden. Zaken van geboorte, huwelijk en

overlijden werden met heel wat minder zorg behandeld dan tegenwoordig.

_Wij_ moeten er voor naar het gemeentehuis, en daar, op de afdeeling

"Burgerlijke Stand", hebben de ambtenaren niet anders te doen, dan te

zorgen voor nauwkeurige registratie.

In de zeventiende eeuw ging het anders, maar niet beter. De zaken van

den burgerlijken stand werden in de kerken aangeteekend. Wilde men

onderzoek doen naar iemands geboorte-of sterfjaar, dan moest men eerst

trachten gewaar te worden, in welk kerkgebouw hij was gedoopt of

begraven. Zoolang men dit niet wist, richtte men niets uit. De

ambtenaar, die met het belangrijke werk van registratie was belast,

leefde niet voor dit ambt alleen. Zelfs was dit niet zijn voornaamste

werk. Hij was eigenlijk doodgraver van beroep, en kon gewoonlijk beter

met de spa dan met de pen omgaan. Voor vele van deze

waardigheidsbekleeders was het schrijven in de de kerkelijke registers

eene dagelijksche kwelling. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam

lichtte er zelfs de hand wel eens mee! Hij liet soms aanteekeningen weg,

die niet mochten ontbreken. Voelde hij zich later bezwaard over het

begane plichtsverzuim, dan greep hij pen en inkt en trachtte de fout

goed te maken. Zoo schijnt hij een zwak oogenblik te hebben gehad op den

dag, toen de echtgenoot van Catharina van Wijk werd begraven. De naam

van den overledene werd nauwgezet geboekt, maar dat er eene weduwe met

twee kinderen achter bleef, liet hij maar weg. Eenigen tijd daarna begon

hij zich hierover toch ongerust te maken. Hij sloeg het register op en

zocht den overledene, wien hij te kort gedaan had. Daar hij zich den

naam niet meer herinnerde, moest hij gissen. Gissen doet missen. De

weduwe met hare twee bloeien van kinderen werd bij Rembrandt

aangeteekend, die reeds eenige jaren vroeger gestorven en aldaar

begraven was. Honderd en vijftig jaar lang bleef de groote schilder in

dezen echt vereenigd, zonder dat man en vrouw, en zonder dat vader en

kinderen elkaar misschien ooit gekend hadden. Het huwelijk, door den

doodgraver in alle stilte voltrokken, bleef een geheim, totdat in de

negentiende eeuw de eerste wijsgeer het ontdekte en openbaar maakte.

Toen kwam wijsgeer nommer twee, betrapte den doodgraver op

registervervalsching en plichtsverzuim, ontbond het huwelijk en wees de

twee kleine Van Wijkjes aan den waren vader toe, hetgeen Rembrandt van

de zorg voor hen ontsloeg.

* * * * *

Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn Leesboek voor het Lager en Voortgezet Onderwijs · 第 14 / 33 题