Rembrandt Hzn. van Rijn huwde alzoo in het jaar 1634 op den 22^{sten}
Juni. Hij voerde zijne vrouw naar Amsterdam en betrok de woning in de
Breedstraat, onder welks dak hij zooveel ernstige en gelukkige
levensomstandigheden doormaken zou.
De Breedstraat, thans een deel van de oude stad, was destijds eene
nieuwe straat, een buitenwijk. In 1631 was Amsterdam opnieuw en voor de
zooveelste maal uitgelegd. De toename van bevolking bleef maar
aanhouden: handel en zeevaart deden schatten toevloeien, de hoop op
fortuin nieuwe bewoners. Nadat de halve cirkel binnen de Heerengracht
volgebouwd en te klein gebleken was, werd een breede gordel van
omliggend weiland binnen nieuwe vestingwerken en eene gracht, de
Keizersgracht, besloten en ter bebouwing bestemd.
Doch spoedig bleken de Heeren den gordel te smal genomen te hebben, en
maakten ze de fout goed, of trachtten die goed te maken, door aan de
halve maan eene nieuwe verbreeding toe te voegen, begrensd door de
Prinsengracht met hare vestingwerken.
Het zal den schilder eene behoefte zijn geweest, niet al te ver van de
vrije natuur te wonen. Slechts een paar honderd passen behoefde hij te
maken, dan was hij buiten. Hier kon hij zijn hart ophalen aan het
gezicht op grazige weilanden, van slooten doorsneden, op boerenwoningen,
in geboomte verscholen, aan tal van windmolens, zoowel poldermolentjes
als groote, statig rondwiekende houtzaag-en korenmolens. Vooral deze
laatsten vond men even buiten de stad in grooten getale. Geboortig als
hij was uit eene molenaarsfamilie, voelde Rembrandt zich steeds
aangetrokken tot deze schilderachtige gebouwen. Zijn vader had er een in
Leiden, in het aangrenzende huis was hij geboren en opgegroeid.
Nog binnen de stadsgracht, op een zoogenaamd bastion van het bolwerk,
dicht bij de Muiderpoort, stond het exemplaar, waarvan hij ons eene
afbeelding heeft nagelaten.
Rechts zien we het water van de gracht, waarin een visschersbootje met
gestreken mast; op den achtergrond eene boomenrij, misschien een singel,
een wandelpad, dat de gracht aan den buitenkant volgde. Van het water af
loopt het terrein naar links een weinig omhoog, waarschijnlijk naar den
stadsmuur, die de buitenzijde van het bolwerk vormt. Daar, waar de
gracht eene bocht maakt, springt de muur boogvorming vooruit en vormt
een hoog terras, het bastion. Hierop staat de molen met bijbehoorende
gebouwen. In vele steden, die in de 19^{de} eeuw ontmanteld zijn, bleven
de bastions gespaard om aan de molens het voortbestaan te verzekeren. Nu
deze echter door de meelfabrieken doodgeconcurreerd worden, verdwijnen
met hen ook de laatste overblijfselen van de vroegere vestingwerken.
Houtzaagmolens vonden op bastions geen plaats: die moeten laag aan den
waterkant staan.
De schilderij bewaart ons dus een gezicht op de stad, zooals ze er aan
de buitenzij uitzag. De schilder heeft het tooneeltje zitten aan te
kijken op het lage pad, dat aan den binnenkant van de gracht liep,
tusschen deze en den stadsmuur. Dit blijkt uit de schilderij zelf; die
geeft ons het beeld van wat hij voor zich zag. Terwijl hij werkte en
ijverig zijne penseelen hanteerde, liep het tegen den avond. De hemel
heeft eene lichtende klaarte, alles wat van de aarde is, staat er in
zware kleuren tegen af te steken; alleen het water, dat de klaarheid
weerspiegelt, blinkt helder op uit de donkere omlijsting. Ook het
voetpad, met zijne blanke tinten van zand of platgetreden steenstorting,
is zacht van licht.
Overigens staat alles in zware grijsheid tegen de heldere lucht. We
voelen, hoe stil en schoon Rembrandt de lichtdiepte van den avondhemel
heeft gevonden.
[Illustration: Molen.]
Van linksboven af naar het midden toe, worden de tinten ijler en ijler.
De donkere kleuren, die het geheel aan den bovenkant als een boog
omspannen, dringen het oog steeds meer naar het midden, naar het
vooruitspringende deel van het bastion, waar de hemel in klare
avondzuiverheid tot in verre diepte wegwelft.
Vòòr die lichtdiepte rijst het zware muurgevaarte omhoog. Langdurig moet
het den schilder geboeid hebben om te kijken naar de breede en hooge
afmetingen van deze aard-en steenmassa, in tegenstelling met de luchtige
doorschijnendheid van den avondhemel. Het was hem als een rotsgevaarte,
als een brok voorgebergte, dat in het water vooruit staat. Het muurwerk
is éen geworden met de aarde; ouderdom en verweerdheid gaven donkere,
diepe kleuren, hier wat lichter, daar wat zwaarder, al naar gelang de
buitenkant meer of minder afgebrokkeld, met mossen begroeid of van vocht
doortrokken was. De bovenrand en de neerdalende zij-lijn missen de
kantigheid en de strakheid van nieuwe steen. Het is, alsof de tijd ze
rond heeft afgesleten; de staande lijn, die rechts den muur begrenst, is
een weinig rond ingebogen en achterover gezakt, waardoor het geheel nog
meer den indruk maakt van een zware massa, die geen steun behoeft, om
zoo in elkaar te blijven hangen.
Het grasveld, dat den bovenkant bedekt, hangt als een zwaar kleed rustig
over den rand heen. De helling, die links het bolwerk verbindt met het
lager gelegen pad, is een even zware massa als het muurwerk, waar ze
tegenop ligt. Ofschoon niet steenachtig van aard, vormt ze er éen geheel
mee; het gansche terrein is éen groote, breede opheffing geworden van de
aarde; alles ligt in rustig evenwicht tegen elkaar aan: nergens staat
een brok muur of grond los en afgezonderd van de rest. Het penseel wist
er éen klomp van te maken, ofschoon de samenstellende deelen alle zich
zelf bleven, hetzij muur, hetzij grasveld, hetzij voetpad. Ook dit
laatste is in het geheel opgegaan. Wel is het lichter van kleur, zooals
een pad in de schemering als een stille blankheid uit het donker van de
omgeving opblinkt; maar het is geen afgezonderd tooneeltje gebleven; de
blankheid en de donkerte liggen niet scherp naast elkaar. Het verschil
in lichtheid is gering; we krijgen wel den indruk van eene zekere
blankheid, maar dat gedeelte van de schilderij is toch nog vrij donker.
En bovendien is er een overgang, die uit allerlei tusschentinten
bestaat. Kijk maar eens, wat een rommelige ruigte van gras, struiken,
puin of steenbrokken de geleidelijke verbinding is tusschen de twee
partijen. En wat is in het pad zelf de afwisseling mooi weergegeven van
vochtige en droge, van hooge en platgetreden gedeelten, van flauwe
wagensporen, onmerkbare hellingen naar den waterkant, en opstaande
kantjes tegen het grasveldje, links op den voorgrond. Toch bleef dit
éen blanke plek, die zich rustig en vast tegen de oprijzende massa
daarachter vlijt. Men voelt, op wat voor vasten puinbodem de figuurtjes
zich bewegen, die van de hoogte afkomen, of aan den waterkant staan.
Een vrouwtje ligt linnen uit te spoelen in de gracht. Spelende
verspreiden zich kringen over het spiegelwater. Het trok den schilder
aan, om dit stille bewegen op zijn doek vast te leggen en den indruk te
bewaren. Het golflijntje, dat een voorbijzwemmend eendje of een in het
water geworpen kluitje doet ontstaan, is iets, waarnaar we gaarne stil
en in gedachten verzonken staan te kijken. Zoo ging het Rembrandt ook.
Terwijl hij daar op het lage pad, op eenen vredigen avond, zat te
schilderen, kwam een vrouwtje naar beneden om iets uit te spoelen; een
oogenblik rustte zijn penseel, en volgde zijn oog de kringen, die zich
verspreidden, tot ze tegen het bootje botsten, en daar eenige
krinkeling te weeg brachten in het donkere spiegelbeeld. Het was eene
kleine, onbeduidende gebeurtenis, die de rust van den avond verbrak
zonder ze te storen. En met een paar zwierige, dartele penseelstreken
werd ze snel en juist in beeld gebracht, om den lieflijken, vredigen
indruk van zoo'n schoonen avond te bewaren. De stilte mocht geene
levenlooze eenzaamheid worden; eene uiting van leven moest er zijn, als
maar de rust niet verstoord werd. Lieflijker kon het wel niet, dan het
zachte bedrijf van zoo'n vrouwtje er in te brengen, en het
voorbijgaande, kortstondige opleven van den waterspiegel.
Wat kunnen we ons zoo geheel indenken in den gemoedstoestand van den
schilder, en een denkbeeld krijgen, hoe vatbaar hij was voor indrukken.
Zonder naar het molentje gezien te hebben, dat anders door vele
beschouwers voor hoofdzaak gehouden wordt, weten we, wat voor hem het
eigenlijke onderwerp was, dat hij schilderde. Niet de inrichting van
zoo'n stads-buitenkant, ook niet de vorm van een molen, maar de vredige,
rustige, kalme stemming van een mensch, die daar zit, en die genieten
kan van plechtige avondstilte, van mooie, klare luchten, boven bijna
ingesluimerde stadsgedeelten.
Denk toch niet, dat zoo'n kunststuk er is, om even op de vingers na te
tellen, wat er op staat. We moeten er in doordringen, om tot het besef
te komen, hoe de schilder voelde, hoe zijn gemoed door de verschijnselen
bewogen werd.
Het molentje is maar bijzaak, al is men geneigd, het stuk daarnaar te
benoemen. Het staat er, om midden op het doek een verheffinkje aan te
brengen, en het stond nu eenmaal op het bastion. Bevallig, rank en
rustig is het weergegeven, ofschoon in onzen tijd de schilders er niet
van houden, om op de wieken zoo'n witten glans aan te brengen. Het
balkwerk van den kruistaart zit er handig en gemakkelijk achter tegen
aan. Een klein spetje wit maakt scheiding tusschen boven-en onderstuk,
waardoor de molen een onderkruier wordt.
Het huizegroepje en een beetje laag geboomte staan gezellig bij elkaar.
Je krijgt net een idee, alsof het een klein dorpje is, het eene dakje
wat hooger of wat lager dan het andere. Het schoorsteentje staat er
bovenuit te steken, alsof het een dorpstorentje wou wezen. Alles werkt
mee om het vreedzame, landelijke uit te drukken.
Zóó zag Rembrandt nu de wereld. Hij had aan vreemde gebouwen,
wonderlijke rotsen en geheimzinnige spelonken geene behoefte, als hij
natuurgenot wilde smaken. Het meest alledaagsche tooneeltje maakte
indruk op hem. Vandaar zijne geringe reislust. Kunstbroeders achterna te
trekken, de wonderen van Italië te zien, naar de grootsche tafereelen
der Alpen op te kijken, hij voelde er geen behoefte aan. Hij was
huiselijk, bleef gaarne bij moeder de vrouw en vond zijn vaderland een
schoon land. Waartoe zou dan trekken en rondzwalken gediend hebben!
Het is eene verheffende gedachte, dat hij, die een der grootste
schilders der wereld is geweest, Holland mooi vond. Dat geeft ons moed,
om het met dat vaak verguisde, platte, vlakke polderland toch ook maar
te probeeren. Het moet, blijkens Rembrandts voorbeeld, mogelijk zijn,
het mooi te vinden. Niet het zeldzame, niet het wonderbaarlijke, niet
het verhevene doet 't em; alles, wat vreemde landen aanbieden, kan men
ontberen, mits de goede wil er is.
* * * * *