EENE LATERE OPWEKKING.

Vele jaren later heeft Rembrandt voor de tweede maal het onderwerp "de

opwekking van Lazarus" behandeld. We zullen deze plaat met de vorige

vergelijken, om de verschillen vast te stellen, en de oorzaken van de

verschillen op te sporen. Het ligt voor de hand om te zeggen: "als een

groot teekenaar iets aflevert, levert hij het af, zoo goed als in zijn

vermogen ligt, hij kan het een tweede maal dus niet beter, tenzij het

den eersten keer gebrekkig is geweest." De vergelijking zal echter

leeren, dat dezelfde kunstenaar een zelfde onderwerp anders _moet_

behandelen, indien er later andere gevoelens in hem omgaan. Dat dus de

levenslotgevallen invloed hebben op het werk.

We herkennen weer een rotsgraf; maar nu met uitzicht op een landschap

met geboomte; daarachter, op een berg, verrijst eene stad; verder,

evenals op de eerste plaat, een groep omstanders, de Heer Jezus en de

verrijzende Lazarus. Ook hier beschijnt het zonlicht een deel van het

tafereel, maar het is minder opzettelijk, minder bepaald op de plek

gericht, waar het wonder geschiedt. En het is thans niet het ontwaken

uit een pijnlijk diepen slaap, wat de kunstenaar ons voor oogen stelt,

maar de groote bevreemding van den ontwakende. Lazarus begrijpt niet,

wat er voorvalt. Hij kent den persoon niet, die tegenover hem staat, hij

herinnert zich niet, wat met hem gebeurd is. De mond, die de eerste

levenslucht heeft ingeademd, blijft sprakeloos halfgeopend staan, en is

vol verbazing. Met moeite en scheef richt het lijf zich half overeind.

Er is eene ontzetting van zoo het middelpunt te zijn van aller aandacht,

zonder nog te begrijpen waarom. De zintuigen zijn ontwaakt en nemen

reeds waar, maar de herinnering, de kennis, het innerlijk leven, moeten

nog terugkeeren.

Rembrandts bedoeling is dus eene andere geweest dan in zijne eerste

"Opwekking", en begrijpelijk zien we die bedoeling voor ons.

In de figuur van Jezus missen we thans het verhevene, het goddelijke.

Ook in het gelaat. Dit komt geheel niet overeen met de mooie gezichten,

die we van den Zaligmaker zoo wel eens op platen hebben gezien. Men zou

het bijna een ongunstig uiterlijk kunnen noemen. Maar er is één trek in,

waardoor we voor deze voorstelling van Jezus meer voelen, dan voor de

eerste. Het zijn de goedheid en de zachtheid, die hier spreken. De half

neergeslagen oogen, het even gebogen hoofdje, het bijna verlegen

afgewende gelaat, alles draagt daarvan de uitdrukking; de rechterhand,

niet vast en krachtig tot vuist gebald, maar zacht en mild, en nauwlijks

toegesloten; de linker, die op de eerste prent vol grootheid zich opheft

bij het veelzeggend woord, maakt hier een vriendelijk, bijna weifelend

gebaar, niet verder dan ter hoogte van de borst opgeheven.

[Illustration: Latere opwekking (1642).]

De opwekking is zoo geene uiting van goddelijke macht, geen wonder, om

er ongeloovigen mee tot bekeering te dwingen, maar ze wordt eene daad

van goedheid, van medegevoel voor hen, die bedroefd om het graf stonden,

een daad van liefde en van innigheid. Wel is waar zal men op de eerste

prent allicht de gestalte grootscher en mooier vinden; maar innerlijk

laat ze ons koud. Ons _gevoel_ wordt meer getroffen door de uitdrukking

van zachtheid op de tweede; door het echt menschelijke en vriendelijke

van den Heer in den omgang met menschen.

Rembrandt is teruggekomen van het ontzaglijke tot het gewone. Ook in de

omstanders. Wel staan ze, evenals op de eerste plaat, ontdaan,

getroffen, verbaasd, maar geen een slaat er meer een gat in de lucht met

zijne handen. De teekenaar heeft zich weten te matigen, hij blijft

sober, eenvoudig en kalm. Aan gevoel ontbreekt het hem echter niet: men

zie slechts het gelukkige gezicht van het vrouwtje, dat naast Jezus

staat. En wat heft ook het mannetje aan Zijne linkerhand de handjes in

juistheid van gevoel: er is verbaasdheid over het wonder, in het

vooruitgestoken gezicht zoowel als in de handen; maar de aandoening

wordt met zelfbedwang ingehouden. Ingehouden ook in het geknielde

figuurtje op den voorgrond, dat wel ontzet terugdeinst, maar zich niet

aan groot misbaar te buiten gaat. Ondanks den indruk, dien het wonder op

de omstanders maakt, blijft eene waardige kalmte heerschen. En we maken

de opmerking, dat die kalmte wel past op eene plek, die toch altijd een

graf is. Kalm neemt vooral het oudvadertje het op, dat rechts van Jezus

op een steenblok zit. Hoogstens trekt hij de wenkbrauwen iets meer op

dan gewoonlijk, en stulpt hij zijne uitgezakte onderlip iets verder

vooruit, ten bewijze, dat hij niet volkomen begrijpt, wat hier voorvalt.

Wijsgeerig en onderzoekend rust zijn rimpelig hoofd op de knokige hand.

Bij de beschouwing van de figuren der omstanders krijgen we den indruk,

dat Rembrandt al het vreemde en ongewone heeft willen vermijden, om des

te dieper te doen gevoelen, welke de uitwerking heeft moeten zijn van

dit wonder op de aanwezigen. Zelfs de achtergrond stemt tot kalmte; in

plaats van laaiende lichtwolken en opwasemende zonneschijndampen vinden

we een vredig landschap met vriendelijk uitzicht op de bergstad.

De aandoening van grootheid, forschheid, uitgelatenheid en opwinding

heeft plaats gemaakt voor stille ernst en innigheid. Er is over den

teekenaar een zachtheid gekomen en eene mildheid, die ons weemoedig

stemmen.

In de eerste plaat was hij hartstochtelijk, en streefde hij naar vertoon

van uiterlijke grootheid. Hij moest zich uitspreken met woeste en groote

gebaren. In de tweede is hij innig en gevoelvol; alles lijkt gewoon;

maar er zit teederheid en medegevoel in. In het dagelijksche leven

merken we ook op, dat zij, die bij alles het meeste misbaar maken, niet

juist de naturen zijn, die het diepst voelen.

Door de twee platen zoo met elkaar te vergelijken, wordt het ons

duidelijk, dat niet de bijbeltekst vaststelt, hoe eene teekening zal

worden. Hetzelfde gegeven kan op twee uiteenloopende manieren behandeld

worden. Wat den doorslag geeft, is de gemoedstoestand van den

kunstenaar. Zooals hij de gebeurtenis voelt, zoo wordt de afbeelding.

Kan men in eene afbeelding niet merken, dat de teekenaar onder den

indruk van eene gemoedsbeweging heeft gewerkt, dan heeft men

waarschijnlijk te doen met een stuk van geringe waarde.

Eene goede teekening weerspiegelt zelfs de stemming van den teekenaar in

een bepaald tijdperk van zijn levensloop.

De gebeurtenis, die tusschen de twee bewerkingen van de opwekking van

Lazarus ligt, was wel in staat, om in het gemoed van Rembrandt in te

grijpen. In 1642 ontviel hem door den dood zijne jeugdige echtgenoote.

In de eenzame, slapelooze nachten, die nu volgden, dacht hij aan haar,

en peinsde hij over haar. Is het wonder, dat hij zich de mogelijkheid

voorstelde van een weerzien? Maakte niet de Schrift gewag van een geval,

dat een gestorvene uit den dood herrees en tot de zijnen wederkeerde?

Maar ach, dat kon gebeuren eeuwen en eeuwen geleden! Voor hem geen hoop,

dat Saskia tot hem terug zou komen, om nog op aarde naast hem voort te

leven. Voor hem niets, dan het denkbeeldig geluk, wat het zou zijn, als

_zij_ door Jezus uit het graf werd geroepen met de woorden: "Kom uit!"

De behoefte ontstond, om de opwekking van Lazarus nog eens te

behandelen. Maar nu met andere gedachten. Nu niet om te toonen, hoe

grootsch hij den Zaligmaker vond, en hoe vreeselijk voor Lazarus de

overgang uit het doodenrijk in het leven moet zijn geweest! Nu, om met

zijne gedachten te verwijlen bij het geluk, de blijdschap, de innige

zaligheid, die het herrijzen schonk aan de treurende nabestaanden; nu,

om zich voor te stellen, hoe goed de Heer wel geweest moet zijn, om dit

wonder voor zijne vrienden te verrichten.

En zie: onder den indruk van deze gedachten bewerkte hij, kort na

Saskia's dood, de tweede plaat. Om die ten volle te begrijpen, moet men

met deze bijzonderheid uit het leven van Rembrandt bekend zijn. Zonder

die kennis zou men kunnen denken, dat de tweede bewerking alleen de

bedoeling had om iets te maken, dat beter was dan de eerste. Ze zou dan

ook van teekening de beste van de twee moeten zijn. Dit ligt echter in

de voorgaande beschouwing niet opgesloten: er is slechts aangetoond, dat

de tweede "Opwekking" inniger, liefdevoller is; en dat we kort na 1642

niet anders van Rembrandt konden verwachten.

Wat voor deze prent eene noodzakelijke behoefte gebleken is, eenige

kennis namelijk van de levensgeschiedenis van den kunstenaar,--dat kan

men evenmin bij heel veel ander schilder-en teekenwerk ontberen. Daarom

hebben geschiedvorschers met ijver datgene nagespoord, wat licht kon

verspreiden over zijne levenshistorie. Nog lang is alles niet bereikt;

veel bleef er in het duister gehuld; maar toch zijn er gegevens genoeg

aan het licht gekomen, om te kunnen zeggen, dat we de

hoofdgebeurtenissen kennen. Het is zelfs mogelijk geworden, om gedurende

enkele tijdperken met den schilder alles mee te beleven, wat hij

beleefde; om als het ware naast hem een met hem zijne lotgevallen door

te maken. Onder deze zijn er wel geene, die meer invloed op het gemoed

en op de werklust hebben gehad, dan die, welke hij met zijne vrouw

ondervond. We zullen daarom trachten iets meer van nabij met haar bekend

te worden.

* * * * *

Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn Leesboek voor het Lager en Voortgezet Onderwijs · 第 13 / 33 题