Op de vraag, _wat_ er op staat, vinden we in den Bijbel het antwoord, en
wel in het Evangelie van Johannes, daarvan het elfde hoofdstuk.
[Illustration: Opwekking van Lazarus.]
Volgens dezen tekst moet de plaat te zien geven: den gestorven Lazarus,
liggende in het graf, den Heer Jezus, de zusters, de vrienden en de
discipelen staande daar rondom. Bovendien lezen we er, welke handeling
ieder der aanwezigen verricht.
_Hoe_ staat een en ander er nu op? Hoe zijn de figuren geteekend? Hoe
wordt datgene voorgesteld, wat elk figuurtje, volgens den aangewezen
tekst, moet verrichten? Laten we met Lazarus beginnen. Na hem komen de
anderen wel aan de beurt.
Is er in de teekening van deze lijntjes, streepjes en krabbels iets, dat
we buitenwoon vinden, dat wij zelf niet in ons hoofd hadden, als
Rembrandt het ons niet zoo vertoonde.
De figuur van Lazarus is in blanke tint uitgebeeld; ook de steenwanden,
waar hij tusschen ligt. Het is, alsof zijn lichaam in teerheid en
witheid één geheel vormt met het gesteente, alsof hij reeds een
bestanddeel vormt van den schoot der aarde, waaraan zijne bloedverwanten
hem hebben toevertrouwd. Nauwelijks onderscheidt zich zijn gestrekt
liggend lijf van de groeve; als mensch was hij uit stof gemaakt;
gestorven zijnde, is zijn stoffelijk omhulsel oogenschijnlijk al bijna
weer in het stof opgenomen. De blankheid van het gewaad is zoo ongerept
gehouden, als maar mogelijk was. Al de aanduidingen van kreukjes en
plooien, van vouwen en rimpels zijn uiterst teer geteekend om niet te
veel zwart aan te brengen. Bijna ongemerkt loopt de lijn voort, die den
steenwand op den voorgrond afscheidt van de figuur. Even ongemerkt zien
we de linkerhand langs den anderen wand tastende zoeken naar steun. In
lijnwaad gewikkeld, onderscheidt de arm zich bijna niet van het
gesteente; toch krijgen we wel de gewaarwording, dat onder al de plooien
van de stof dat lichaamsdeel zich beweegt, zich opheft en voortschuift.
Zoo ook, dat onder het doodskleed het lijf zich opricht, zich kromt. In
de richting van de voeten is alles nog rust; daar smelten, om zoo te
zeggen, stof en stof nog in een. Maar het hoofd en de hals hebben zich
reeds losgemaakt van den schoot der aarde. Daar zijn de afscheidingen
door den teekenaar duidelijker gegeven; scherpe schaduwkanten loopen
langs schouder en afhangend haar, terwijl voorhoofd, gelaat en
linkerschouder in fijne blankheid afsteken tegen een hoekje donkeren
rotswand. Waar het leven terugkeert, scheidt zich het lichaam het eerst
en het duidelijkst af van de aarde. Door de oogharen bezien, zal het ook
lijken, alsof het hoofd zich opbeurt uit den bodem, alsof het zich
daarvan losmaakt.
Zie, dit zijn geen dingen, die ieder lezer van het Evangelie van
Johannes in zijne verbeelding ziet. Ook is het geen bewijs van
buitengewone getrouwheid in het uitbeelden van een lichaam dat in een
graf ligt; want in werkelijkneid zal er wel altijd juist eene scherpe
tegenstelling zijn tusschen de reine, witte gewaden en de donkere
aardkluiten of rotsmuren. Het is een wijze van zien, die ons
rechtstreeks aan Rembrandt zelf doet denken. Alles _was_ niet zoo, en
alles staat niet zoo te lezen in de Schrift; hij _zag_ het zoo. In deze
manier om de grafligging te zien leeft hij voort. Sedert hij het zoo
gewaar werd voor zijn geestesoog, zien wij het ook, maar alleen door
hem.
Aangrijpend is het, te zien, hoe op het gelaat zich het wederkeerende
leven openbaart.
Het oog, dat in de diepe oogkas ligt weggezonken, opent zich en ontvangt
wel de eerste lichtstralen, maar besef heeft het niet. Wezenloos en
smartelijk staart het voor zich uit, het ooglid is zwaar en loom en
schijnt gereed om weer toe te vallen, gelijk het reeds voor eeuwig
scheen toegevallen te zijn. Flauw en gebroken is even de oogappel
aangegeven.
De mond is maar niet zoo een zwart streepje of een vlekje; hij heeft,
hoe klein ook van afmetingen, eenen bepaalden vorm, en eenen vorm, die
iets uitdrukt. Is het niet de eerste ademtocht, die we hier zien?
Stroomt niet de levenslucht naar binnen in ademhalingsruimten, die reeds
bestemd waren om geen adem meer te bevatten, en die ook reeds afgeplat
en naar binnen gebogen neerlagen. Pijnlijk volbrengt de mond deze eerste
levensuiting, maar zonder bewustzijn, zonder besef.
De wangen zijn mager en hoekig, de onderkaak scherp afgeteekend, de neus
smal en ingevallen. Het oor zit maar nauwelijks nog aan het hoofd,
zooals we dat bij zieken waarnemen, die langzaam wegteren. Ook het
halsje draagt de sporen van lijden; diepe groeven en rimpels strekken
zich uit van boven naar beneden, en bij de kaak, van links naar rechts.
Te zwak is het, om het hoofd te dragen; terwijl dit zich opricht, helt
het machteloos naar links over.
Zoo bespeuren we in elk onderdeel van deze figuur de aandoening van den
teekenaar. Het feit, dat geteekend moest worden, de opleving van iemand
uit zijn graf, stond vast. Dat het vreeselijk moet zijn geweest, om deze
gebeurtenis mee aan te zien, stond ook wel vast. Maar nu komt de
kunstenaar en houdt er zich mee bezig. Hij voelt het vreeselijke zoo
sterk, zoo overweldigend, dat het kleinste krabbeltje, wat hem uit de
hand vloeit, nog uiting geeft aan dat gevoel. En wij, de beschouwers,
komen daardoor tot de erkenning: alles op zoo'n gezicht moet dien indruk
hebben gemaakt; bij zulke oogen zoo'n mond, zoo'n neus, zoo'n hals en
zoo'n houding.
Laten we de proef eens nemen, of het echt is, wat we opmerken. Door met
een paar stukjes papier de overige deelen van de plaat te bedekken,
houden we Lazarus alleen over en kunnen nu beoordeelen, of in hem
uitgedrukt is, hoe het feit zich toegedragen heeft. We zien
onmiskenbaar, dat het figuurtje, wat zich hier opricht, iets vreeselijks
doormaakt; dat het maar niet iemand is, die in zoo'n groeve te slapen
lag en zich nu opricht; dat de wezenloosheid op het gezicht niet de
uitdrukking is van een half slapende of van een, die bijvoorbeeld onder
den invloed van sterken drank is. Alles is zoo sterk van aandoening en
grijpt zoo aan, dat alleen deze figuur voldoende zou zijn om de tekst
uit het Evangelie van Johannes te illustreeren.
Nu de figuur van Jezus. Zooals Hij daar staat, naast het geopende graf,
is alles waardigheid en hoogheid aan Hem. We zien Hem als eene gestalte,
wie langs den rug de mantel in ééne groote beweging tot den grond
afhangt. In zoo'n rijzigheid stellen we ons gaarne voor, iemand, die als
verrichter van groote dingen optreedt. De opgeheven linkerhand, ofschoon
de vingers niet mooi zijn geteekend, begeleidt in grootsch gebaar de
woorden: "Lazarus, kom uit!" Rustig en vol majesteit wacht Jezus de
uitwerking af. Bij Hem geene verbazing, verrassing of ontzetting over de
herrijzenis; bij Hem slechts verzekerdheid, dat nu gebeuren zal, wat Hij
gebiedt.
Eene groote tegenstelling is er tusschen dat rustige staan en de
omringende aandoeningen. Om dit duidelijk te voelen, nemen we een stukje
papier en leggen het zoo over de prent, dat de gestalte van Jezus aan
ons oog onttrokken wordt.
Het geheel is nu een druk tooneeltje geworden. De omstanders geven op
eene in 't oog loopende wijze uiting aan hun gevoel. Ze herinneren ons
aan voorvalletjes, die we langs straat en gracht wel eens waarnamen,
bijvoorbeeld als er iemand in het water viel; dan waren de menschen ook
verschrikt, je hoorde ze door elkaar gillen, hard wegloopen,
achteruitdeinzen, om hulp roepen, de handen uitsteken en op andere
manieren zich lawaaierig aanstellen. Zoo'n volksoploopje met druk
gedraai van lijven en gewring van handen blijft er van de prent over,
als we die eene figuur er uitnemen.
En met deze figuur, is alles plechtig en grootsch. Het statige dringt
het drukke gedoe van de omstanders op den achtergrond. We denken niet
langer aan onbeduidende straattooneelen, maar we krijgen weer den indruk
van eene testamentische, eene aartsvaderlijke geschiedenis. Het
oploopje, dat zoo in het voorbijgaan even de menschen in beweging
bracht, is eene gebeurtenis geworden voor alle tijden, eene bladzijde
uit de boeken der eeuwen. We behoeven de bijbeltekst niet te kennen, om
reeds bij den eersten blik te begrijpen, dat dit voorval iets bijzonders
is, iets groots, iets dat invloed zal hebben op geslachten en
nageslachten.
Waaraan is dit anders toe te schrijven, dan aan de majesteit, de
verhevenheid van de gestalte, die naast het graf van Lazarus staat!
Toch spreekt uit de teekening ook eene verkeerde neiging van Rembrandt.
Hij zet zijne figuur daar neer, alsof ze een tooneelheld is; met
sierlijk gebaar wordt de eene hand in de zij gezet en de andere met wat
erg veel vertooning omhoog geheven. Hij overdrijft het grootsche en
maakt er eenigszins comediespel van. We mogen deze opmerking gerust
maken; al is het onderwerp aan de Heilige Schrift ontleend, wij spreken
niet daarover maar over den teekenaar.
Zijn streven om het mooi te maken blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk uit
de plooien, waarin de rechterhand den mantel heeft opgenomen. De zeven
bochten maken den indruk, dat ze in stevig metaal of karton zijn
gebogen. Niet aangenaam is het, dat we een paar dergelijke plooien op
den achtergrond aan den linker kant in eene groote draperie terugvinden.
Het lijken wel oude bekenden uit gordijnenwerk van menschen, die onze
kamers stoffeeren.
De indruk, dien de opwekking van den gestorvene op de omstanders maakt,
is in allerlei verscheidenheid weergegeven. Het liefste is ons het
vrouwenfiguurtje rechts op den voorgrond. Het staat in schaduwgedaante
voor het felle zonlicht, dat van buiten af in de groeve doordringt. Met
spanning ziet het vrouwtje de levensverschijnselen op het doodengelaat
terugkeeren. Doch met eene spanning, die ingehouden wordt. Het
rechterhandje legt zich zelfbedwang op, om nog geen uiting te geven aan
de vreugde, om nog af te wachten. Te groot is het wonder, te groot het
geluk, om reeds te kunnen gelooven. Van innigheid en liefde getuigt deze
ingehoudenheid, meer dan de uitgelaten gebaren der anderen. Ook de
plaats, waar dit figuurtje zich bevindt, aan het voeteneinde van het
graf, afgescheiden van de overigen, is iets aparts.
Van de overige personen geeft ieder, op eigen wijs, in
gelaatsuitdrukking of handgebaar uiting aan zijne gewaarwordingen.
Schrik, ontsteltenis, verrukking, ongeloovigheid en afschuw, iedere
aandoening vindt hare vertolking. Wantrouwen zelfs, en de nuchtere
berekening, hoe dit verrichte wonder als een wapen tegen Jezus gebruikt
zal kunnen worden.
De verlichting, waaronder deze figuren zijn geplaatst, heeft eene
grootsche werking. Het ongeoefend oog zal bij den eersten aanblik
misschien den indruk krijgen, dat de kunstenaar groote vlakten in zijn
werk wit heeft gelaten en dus nog niet heeft bearbeid, alsof de
teekening onvoltooid is gebleven. Maar tusschen de oogharen door gezien,
gaat er een licht op. De ruimten, die niet met zwarte lijntjes zijn
gearceerd, blijken verlicht te zijn.
Door de opening van het rotsgraf vallen zonnestralen naar binnen en
spreiden hunne helderheid over de groeve en den rotswand, over Lazarus
en de groepjes terzijde van het graf; ook over het front van den Heer
Jezus, terwijl daarenboven de achtergrond rechts in lichtelaaie schijnt
te staan. Steeds door de oogharen moet men zien, hoe, daarbuiten, die
gloed naar boven toe in ijle en zware wolken opwasemt, hoe, met het
onhandelbare middel van harde zwarte krassen, de luchtigheid van
opdampende lichtnevelen is verkregen. De tot het leven terugkeerende
Lazarus is het middelpunt van de zonnebestraling, en als verlegen ligt
hij onder de glorie van het grootsche licht, waarin hij ontwaakt. Zijne
kleine machtelooze figuur wekt in dien gloed nog te meer ons medegevoel
en medelijden op. Hij is het middelpunt niet slechts van de blikken der
omstanders, maar ook van de binnenvallende zonnestralen. En onze blik
dwaalde eveneens het eerst en het laatst naar hem.
* * * * *