V.

--Dus u is tevreden? juffrouw van Velsen?

--O, já, meneer van den Heuvel!

Blozend zat het meisje bij Max op zijn kantoor. Zij was het, die den

prijs van den liefdesbrieven-wedstrijd: een gouden ketting met een

hanger in den vorm van een hart er aan, had gewonnen.

--Nu u er toch is, kon ik natuurlijk niet laten, 't u te vertellen,

maar u zegt er niets van, juffrouw van Velsen, 't wordt, officiëel

pas overmorgen bekend.

Wat had dat kind 'n typische oogen, en hoe naïef toonde ze hem,

dat zij tot over de ooren.... Goed zoo! goed zoo! Allemaal dol

op hem, niemand ontkwam daaraan,--en hij, rustig blijvende, zeker

van zichzelf en van zijn bende aanbidsters, elk hetzelfde gevende,

niemand jaloersch makende,--allen doende gelooven, dat hij óók.... en

toch vrij blijvende, vrij! vrij!

Maar dit meiske had wel iets heel charmeerends over zich: zóo lief

was zij, dat hij het volstrekt niet van zichzelven begreep, hoe hij

voor haar bekoorlijkheden zoo ongevoelig kon blijven. Maar neen, een,

die zóo duidelijk bemerken liet, hoe zij voor hem voelde, zoo een was

niets voor hem. Hij moest er een hebben, die weerstand bood, die hij

veroveren kon, die zijn wil en zijn kracht op de proef stelde,--die

begon met te trachten zijn meesteresse te wezen, en van wie _hij_

toch ten slotte de meester zou zijn....

--Ik kan 't me nog niet begrijpen, zei 't meisje, en bekeek de ketting

en het hart, die in haar hand lagen.

--En ziet u, op 't hart wordt dan 't een of ander gegraveerd, zei Max

en legde zijn eene hand onder de hare, terwijl hij met de andere het

hart opnam.

Het meisje bloosde diep, maar trok haar hand niet terug.

--Wat? vroeg zij, verward.

--O, wat u wilt, uw initialen, of.... Mag 'k u de ketting 's omdoen?

--U? vroeg zij verlegen, zoo innig naar hem opkijkende, dat hij lust

kreeg haar te zoenen. Maar zóo ver was hij nog niet....

--Ja. Mag ik?

Zij boog het hoofd, en hij trachtte de ketting in het slot te knippen,

maar het ging natuurlijk niet gauw. Haar hals was veel te zacht en

te blank.... En opeens, terwijl het slot vast-schoot, bukte hij zich,

en drukte haar een kus op den hals.

Zij richtte zich snel op; hoog-rood, met neergeslagen oogen, bleef

zij zwijgend staan. En hij, op haar neer-ziende, dacht: Wat is ze

nu gelukkig, o, wat is dat kind nu gelukkig.... Hij zag haar snelle

ademhalen, haar zenuwachtig zich vasthouden met de hand aan haar stoel,

en hij genoot. Maar toen zij niets zeide, lichtte hij even haar kin op:

--Ben je boos?

Zij antwoordde niet, en hij, ofschoon hij het onverstandig vond,

nam haar hoofd in zijn handen, en zoende haar op den mond.

Zij bleef zwijgen.... aldoor zwijgen.... en zij keek hem niet

aan.... totdat hij opeens begreep, dat zij iets van hem verwachtte:

een liefdesverklaring.... een huwelijksaanzoek.... en hij zich

pijnlijk beklemd ging voelen. Wat drommel! dat meisje had zich voor

hem "hingestellt": "greif zu!" En hij hàd toe-gegrepen natuurlijk!

Hij was werkelijk een oogenblik zijn contenance kwijt. Hij vond haar

nu opeens niet zoo aardig meer, neen, zij was eigenlijk onbeduidend,

een echt kind....

Een klop op de deur schrikte hen beiden op.

--Ja! riep hij dadelijk.

--Meneer, zei de groom, daar is juffrouw de Bruin....

Goddank, dacht Max.

--Laat juffrouw de Bruin in 't achterkantoor, en verzoek haar even

te wachten.

_Even te wachten_, had hij gezegd. Hij stuurde die juffrouw niet weg,

hij zei niet, dat hij op 't oogenblik niet kon ontvangen.... Ja! dan

kon zij nu óok wel weg-gaan.... dacht het meisje, met een vreemd

gevoel van berusting en droefheid over zich, en wendde zich af.

--Gáat u nu? Nu ziet u 's, hoe druk ik 't heb. Nooit rust, nooit kan ik

's van aangenaam gezelschap....

Maar zij trok haar hand, die hij genomen had, weg uit de zijne,

wijl hij die aldoor vast bleef houden.

--O, ja, zei ze. De ketting, die mag 'k nu nog niet hebben....

Snel maakte zij de ketting los, en legde haar in het étui. Toen keek

zij om naar haar parasol.

--Uw parasol? die is hier, zei Max, haar volgende tot de deur. Weer

nam hij haar hand, en trachtte haar diep in de oogen te kijken,

maar zij ging heen, met een koelen groet:

--Meneer van den Heuvel....

Max sloot de deur achter haar, en bleef even staan in

gedachten. Spirit, temperament zat er toch wel in dat kind, wat hield

ze zich goed.... Flink zoo, zóo mocht hij het! Enfin, hij zag haar

nog wel eens terug....

Hij sloot het étui met de ketting weg in zijn bureau, en ging, nog

wat verstrooid, naar de porte-brisée, die hij open schoof.

--Juffrouw de Bruin!

--Meneer Max van den Heuvel....

Juffrouw de Bruin was, helaas, een oude jongejuffrouw, en, helaas, óok

al op hem verliefd. Eerst uit de grap had hij haar wat aangemoedigd,

maar nu viel zij hem voortdurend lastig, en was zij hem niet zoo zeer

meer tot amusement als wel tot verveling geworden....

--U had.... dames-bezoek.... meneer Max?

--Ja, ja, juffrouw de Bruin! dacht u, dat ù alleen me 't voorrecht

van uw gezelschap gunde?

--Niet plagen, meneer Max! zuchtte de oude juffrouw coquet.

--Kunt u daar niet tegen? U weet anders wel:....

Was sich liebt, neckt sich, had hij willen zeggen, en op een anderen

keer hád hij dat ook zeker gedaan. Maar hij durfde nu niet goed. Er

moest nu eens een scène op volgen, tegenovergesteld aan die, welke

hij zoo juist had beleefd....

.... dat ik 't zoo kwaad niet bedoel, maakte hij zijn zin tammetjes af.

--Meent u 't goed met me? Heusch? nu dan moest u toch 's die cyclus

verzen plaatsen, die er al zoo lang van me ligt....

--Ja, uw verzen! Max wist, dat hij nog een bijdrage van haar had,

maar hij was, over het aannemen daarvan, zóo door de andere jongelui

gekapitteld, dat hij die in een la had gesmeten, met de bedoeling

haar heel laat, en nog beter nooit dan laat, te plaatsen.

--Kijk u 's, juffrouw de Bruin, we hebben zóoveel copie....

--Ook zooveel, die al van de oprichting af heeft gewacht?

--O, ja! en langer! Ik had al 'n voorraad, eer we begonnen!

--Kom, meneer Max, zei de oude jonge dame, en greep zijn hand,

doet u 't nu 's om _mij_ pleizier te doen, ja? Plaatst u ze nu in

't volgend nummer....

--Dat van overmorgen is al klaar, schrikte Max.

--Ja, jawel, dat begrijp ik, maar 't daarop volgende, bedoel ik. Toe,

meneer Max, en zij drukte zijn hand, weet u, de volgende week ben

ik.... jarig!

--Zoo, zoo!

--Ja.... en.... een _Eva_ met _mijn_ verzen d'r in, zou m'n liefste

cadeau zijn op die dag.

--Zullen we u dat pleizier dan maar doen?

--Alstublieft, hè, ja. Ik dank u wel, hoor?

En juffrouw de Bruin drukte dankbaar haar lippen op de hand, die zij

nog altijd in de hare hield.

Jong of oud, dacht Max, allemaal koekoek-eenzang. Allemaal zijn ze

Eva'tjes, de een meer, de ander minder, maar _allemaal_ trachten ze

er voor te spelen. Soms is 't komisch, soms aardig, soms pijnlijk,

soms embêtant.... Maar kom! wat hoefde hij zijn stemming te laten

bederven door het voorgevallene met dat kind? Zij zou wel wijzer zijn,

en zich niets verbeelden, en nog wel eens terug-komen, en zij zouden

goede vrienden zijn.... Kom, hij was vandaag in zoo'n goed humeur:

zou hij deze dame óok eens een zoen geven? en haar daardoor brengen

tot in de hoogste hemelen? Nú dweepte zij met hem, dán zou zij hem

aanbidden met al den gloed eener.... laatste liefde....

Zijn overmoed vermeesterde hem; hij boog naar haar toe:

--Is u nu tevreden?

Der juffrouw hoofd zonk wat neer, haar lippen openden zich, haar

oogen sloten zich.... Zou hij 't meenen?.... Zou hij 't.... werkelijk

meenen?....

Hij strekte zijn hand uit naar de hare, die hem al tegemoet kwam.... En

in een oogenblik, hij wist werkelijk zelf niet, hoe het gebeurde,

lag zij aan zijn borst, en klemde haar armen om zijn hals, en zuchtte

in verrukking:

--O, Maxie.... o, Maxie....

Hij kreeg een aandrang haar terug te zetten op haar stoel, en haar

te bedaren met een:

--Maar, juffrouw de Bruin! maar zij zou hem niet los-gelaten hebben,

zij was zóo blijkbaar geheel weg in weelde, dat zij niet wist, wat

zij deed. Wie had ooit gedacht, dat die magere armen zoo'n kracht

konden hebben.... dat er zoo'n hartstocht zat in dat bleeke, spichtige

meisjeslijf.... Enfin, toch wèl een satisfactie, een mede-schepsel

zóo te kunnen bezaligen.... Wat een mooi, literair woord bedenk ik

daar, dacht hij, in mijn wel wat moeilijke positie.... Want juffrouw

de Bruin hing letterlijk aan zijn hals, en maakte het hem benauwd

genoeg. Wat drommel, nu is het voldoende, vond hij, en richtte zich

krachtig op.... met moeite bedwong hij een hartelijk: oef!

Juffrouw de Bruin lag nu voor hem geknield; zij keek naar hem op, met

zwemmende oogen, en hij kreeg lust, haar beschermend toe te knikken,

en te vragen als aan een kind:

--Ben je nu blij, ja?

Maar juffrouw de Bruin was niet alleen hartstochtelijk, zij was ook

practisch. Zelfs in deze verheven oogenblikken verloor zij niet haar

tegenwoordigheid van geest.

--En wanneer kom je nou bij m'n Pa?

--Hè?

--Om aanzoek te doen?

Die windt er geen doekjes om, dacht Max, maar ik heb wel voor heetere

vuren gestaan....

--O, kindlief, daar heb ik geen tijd voor....

--Nou, ja, vandaag... maar dan morgen?

--Ik heb in de eerste weken zeker geen tijd. Maar wat bedoel je

eigenlijk? Wou je...

Dat mooie en lieve, dat tusschen ons is, wou hij zeggen, maar zóo

ver kon hij de comedie toch niet drijven. Wat zou hij in godsnaam

verzinnen....

--.... wou je dat intieme, gezellige nù al banaliseeren....

--O! begrijp je dan niet! riep zij, en sloeg even haar armen in

de lucht.

Hij kreeg spijt maar niet dadelijk het zuivere standpunt te hebben

ingenomen, inplaats van de uitvlucht te bezigen: ik heb geen

tijd.... Zou hij het nóg niet kunnen doen?

--Hoor 's, zei hij, sta nu op... juffrouw...

--Ik heet.... Eva, glimlachte zij lief.

--Eva?!

--Nou ja, Everdina, maar _jij_ moet me Eva noemen.

O, god, ach, god, dacht hij, waar heb ik me in begeven!

--Kom, sta nou op!

--O, Maxie! verweet zij.

--Ja, maar, d'r kan elk oogenblik iemand binnen komen.... En, ik vind,

je moest nu maar gaan.

--Gaan? vroeg zij teleurgesteld. Maar begrijpende, dat zij door

aandringen niets zou winnen, integendeel hem ongeduldig maken, stond

zij gewillig op.

--Lieve, lieve Max, zei ze, en stak hem beide handen toe. Je hebt me

zóó gelukkig gemaakt....

--Dat doet me pleizier.

--En jij, Maxie.... vleide zij. Ben jij nu óok gelukkig?....

--Ik? Ik ben altijd gelukkig!

--Hè, wat is dat prettig om te hooren. Nu dan, moet ik gaan? Dag

Max.... dag Max.... Max....

Zij zoende hem hevig, onbedwongen, en hij liet het toe, blij, dat

zij zoo gemakkelijk was weg te krijgen. Hij was er geen oogenblik

bang voor, dat dit avontuur ernstige gevolgen zou hebben: daar zou

hij wel voor zorgen.

--Adieu, Eva.

--Wat zeg je dat lief: Eva.... maar je moet niet "adieu" zeggen.... zeg

's: tot héél gauw weerziens!

Schertsend stoof hij op haar af, om haar bij een arm de deur uit te

zetten, maar zij verdween al, met nog een kinderlijk lachend: Dag!

Max wist niet, of hij dit voorval nu amusant vond of niet. Als hij

het een ander hoorde vertellen, zou hij er zich een stuip om gelachen

hebben, maar om zélf in het geval te verkeeren?....

Enfin. Enfin. Maar niet meer aan denken.

Hij had de gelukkige gewoonte zich nooit noodelooze zorgen te maken. En

als iets op het oogenblik niet te veranderen viel, dan berustte hij

maar: alles zou toch wel weer terecht komen, gaf hem zijn kracht-gevend

optimisme in.

Daar was de post. Zou die hem weer een brief brengen van....

Waarachtig, waarachtig. Hij herkende al van ver het groote, langwerpig

vierkante couvert in de handen van den groom.

--Geef hier!

Haastig sneed hij de enveloppe open, en las:

Wie is dat toch! dacht hij. Zij kent me goed.... Zij was gisteren óok

bij de van Baerle's.... Mientje? nee. Clara, nee, natuurlijk. Bonnie,

ach, wel nee, hoe kwam hij er bij....

Het was nu al een poosje, dat hij geregeld brieven kreeg van dezelfde

hand: innige brieven, geestige brieven, dikwijls vermanende, maar ook

soms gepassioneerde, die hem dol maakten van ongeduld, omdat hij de

schrijfster niet kende.

_Eva_ teekende zij zich. En hoewel hij wist, dat alle auteurs wel

eens dergelijke brieven kregen: mijn hemel, hoeveel romans waren er al

op dat thema gebouwd!--irriteerde het hem toch, dat hij er maar niet

achter kon komen, _wie_ de onbekende was, terwijl zij hem wél kende....

Veel meer dan over de vriendinnetjes, die hem opzochten op zijn

kantoor, zijn wekelijksche tea's bijwoonden, met hem flirtten op de

meest gewaagde wijze,--dacht hij over _Eva_. Mooi was zij niet, had

zij hem geschreven, maar dat hoefde de waarheid toch niet te wezen;

dat zei ze mogelijk maar, om hem bij een eventueele ontmoeting niet

tegen te vallen. Enfin. Typisch was ze in elk geval: wat durfde ze

hem veel te zeggen....:

Als 'k niet zooveel van je hield, lieve jongen, dan, heusch, zou 'k

me niet zoo om je bekommeren. Maar zooals jij doet, is 't niet goed,

Max. Je bent ál te flirtziek, al te oppervlakkig in die dingen, die

toch au fond zoo ernstig zijn. Denk niet, dat 'k je bekeeren wil tot

'n asceet, want ik vind asceten ónnatuurlijke, tégennatuurlijke wezens,

niet waard in de warme pracht van de schepping te leven. Neen! maar

ik vraag je: is het mannelijk, is het goed, om te trachten zoo

alle vrouwen aan je te binden, die je toch in je binnenste niet

acht,--zelfs uitlacht, misschien? Al geef je er nog niet eens om,

dat je die meisjes ongelukkig maakt, door haar illusies op te dringen,

die nooit verwerkelijkt worden, dan moest je tóch zoo niet doen voor

jezelf. Word jij er grooter, hooger, beter, waardiger door, als je

wéér een meisje verliefd op je hebt gemaakt....

--Ben jij soms jaloersch, Eva?

Ik heb eens een jongen gekend....

--Zoo, wil je nu _mij_ jaloersch maken?

.... die wel iets op jou leek in je omgang met vrouwen. Maar dat

hij altijd vol attenties voor haar was, en belang stelde in alles

wat haar betrof, kwam uit een aangeboren hoffelijkheid, een nobele

ridderlijkheid.... terwijl jij, Max, alleen zoo doet, om je kleine

ijdelheid te bevredigen.

--Ze durft, hoor. Ze durft.

Wat zijn die gemakkelijke veroveringen nu voor een plezier, wat

voor een satisfactie geven zij je. Als je nu zooveel moeite deed,

voor een vrouw, die je liefhadt, die je winnen wou....

--Daar heeft ze gelijk in; ik heb dat zelf immers òok zoo juist

zitten bedenken?....

.... maar zooveel van je goede gaven te verspillen, zonder dat je

er zelf éénig voordeel van hebt, dat kan 'k van iemand zooals jij

niet begrijpen. (Dit is hálf een compliment: ik vind het zonde voor

je,--en hálf het tegenovergestelde: iemand, die zoo zelfzuchtig is,

als jij....)

--Leg maar neer, dank je.

.... Max, lieve jongen, ik ben zoo blij, dat je niet weet, wie ik

ben. Oog in oog zou ik nooit zoo tegen je durven spreken, als ik nu

aan je schrijf.

--Nee, dat is te begrijpen, voor den drommel.

Maar ik werk aan je verbetering, ik heb 't me zelf tot een plicht

gesteld, van je terecht te brengen, wat er nog terecht van je te

brengen valt.

--Ha, ha, hij is goed! hij is goed!

.... Ach, jongen, als ik je zoo zie, met je vroolijkheid, en ik

hoor je lachen, dan.... word ik zóo verteederd, dat ik je alles

vergeef. Maar je hebt zoo'n onuitstaanbaar over-overmoedig gezicht,

dat de uitdrukking daarvan noodzakelijk wat veranderen moet.

Ja, nu begin je me te vervelen. Dat gepreek, dat gezanik. Dat sla ik

over. Komt er nu niets meer, niets liefs? niets verliefds?

Hij keek haastig bij de onderteekening, en ja, daar las hij toch nog

de woorden, die zijn "kleine ijdelheid" verlangde:

Ik houd van je, ik heb je lief.

Max, ja, ik heb je lief.... O, 't is een heerlijkheid voor me, dat zoo

ronduit te zeggen, en aldoor te herhalen; ik heb je lief.... ik heb je

lief.... Maar 't is niet blind en kinderachtig, dat ik van je houd,

en niet egoïst. Ik vraag niets voor mezelf, ik zou je zelfs gelukkig

kunnen zien met 'n andere....

--Ja, maar dan houd je ook niet van me, jonge dame.

Ik wil alleen, Max, dat ik een goeden invloed op je uitoefen. Je moet

nu naar me luisteren, en mijn woorden zullen wel langzamerhand tot je

doordringen, en de uitwerking hebben, die ik wensch, want heelemaal

bedorven ben je nog niet.

--Zoo, gelukkig.

En de vrouwen, de meisjes hebben óok schuld. Ze moesten geen notitie

van je nemen,--óf alleen op de manier, zooals _ik_ het doe. Dag Max,

dag mijn jongen.

_Eva_.

Neen, als de correspondentie voortdurend dien kant uit moest gaan,

dan maakte hij die brieven niet eens meer open. Wat verbeeldde dat

schepsel zich wel? Wie was zij? wat was zij? Om "invloed" op hem te

kunnen uitoefenen, was het heusch niet het beste achter de schermen

te blijven, en wijs op een afstand te blijven redeneeren. Dan moest

zij vóor hem komen staan, hem flink in de oogen zien, en zijn handen

drukken, en zeggen:

--Max, ik wil je vriendin zijn. Vertrouw op mij. Ik wil je in alles

helpen.

Maar nu, dat geleuter over "houden van" en "liefde", en nog eens

"liefde,"--daar mocht zij hem van verschoonen. Wat had hij aan liefde;

die eeuwige liefde verveelde hem allang. Vriendschap, ja, die zou hij

nog wel kunnen gebruiken. Maar daar was dat wezen nu weer te egoïst

voor,--wel dégelijk was ze egoïst, wát ze ook beweerde.

Enfin. Ze moest het zelf maar weten. Toch.... was hij wel een beetje

nieuwsgierig, wie de mysterieuse Eva kon zijn. Hij ontmoette, hij

sprak haar dikwijls, dat schreef zij hem.... vreemd, vreemd, dat hij

haar nooit herkende. Maar dat hoefde geen verwondering te wekken in

een vrouw. Een vrouw kan huichelen en veinzen als de beste.... is

nooit zoo naïef als een man.

Als hij haar eens kortaf, bruusk in de brievenbus van zijn blad

schreef: "Verzoeke van verder anoniem geschrijf verschoond te

blijven"? Wat zou ze dan doen? Hij kreeg werkelijk lust dat eens te

probeeren. Of zou hij dat wicht haar pleizier maar gunnen, en haar

voort laten gaan met haar brieven? Of was het zijn "kleine ijdelheid"

weer, die gestreeld werd door haar belangstelling en die de bewijzen

daarvan niet wou missen?

Was er geen enkele gelegenheid, om er achter te komen, wie zij was? Hij

had al eens aan de jongelui een couvert laten zien, en gevraagd;

ken je dat schrift? Zonder resultaat. Zou hij datzelfde ook eens

bij de meisjes gaan doen, en zoomaar, onverwacht, op een "tea"? Of

zou hij naar den winkel gaan, waar dit papier was gekocht,--de naam

stond ingedrukt op de enveloppe,--en vragen om "dit soort papier,

dat ook altijd genomen wordt, door juffrouw...."

Vanzelf vulde de bediende den naam dan in.

Maar, neen, hij deed het niet. Wat kon het hem schelen, wie dat

bemoeizuchtige wezen was. Misschien hoopte zij er er wel op, dat hij

haar door allerlei list zou "ontdekken." Maar dat zou haar dan toch

leelijk tegenvallen: hij deed volstrekt geen moeite voor haar. Is

daar al weer wat....?

--Juffrouw van Aalst, diende het groompje aan.

--Laat binnen-komen.

Met uitgestoken hand trad hij toe op Eleonore van Aalst. Dat was,

zooals hij haar had leeren kennen, een vrouw, voor wie hij respect

had; een vrouw, die deed naar haar woorden, die niet zich in de wereld

waagde, om toch maar, hoe dan ook, in aanraking te komen met mannen,

maar omdat haar nobele geest, haar goede hart haar dreef, zooveel

zij kon het leed te lenigen, de slechte toestanden te verbeteren,

in haar naaste omgeving. Maar zij zag er nu al héél ernstig uit.

--Kan ik iets voor u doen, juffrouw van Aalst? Zooals u weet altijd met

genoegen. Moet er 'n oproep in m'n blad om steun, 'n ingezonden stuk?

Eleonore's zacht, maar streng gezicht veranderde niet, zooals anders

vaak, in de nabijheid van dezen aardigen, zonnigen jongen.

--Nee, nee, dat is 't niet, zei ze koel. Ik kom me bij u, over u

beklagen, meneer van den Heuvel.

--Wat zal dat zijn?

--U weet wel, hoe ik 't afgekeurd heb, toen 'k merkte, dat u in uw

roman "Eva", de geschiedenis behandelde van die ongelukkige vrouw,

Marceline de la Mandara.

--Zeker, zeker, weet ik dat nog. En ook, dat ik u toen overtuigd heb

van 't goed recht van 'n schrijver....

--O, overtuigd hebt u me niet.

--Nou, ja, maar u moest me toch toegeven....

--Er was niets meer aan te doen; dát was de zaak. U had al 'n gedeelte

gepubliceerd, en iedereen had Marceline herkend. Nee, goedkeuren kon ik

't niet, en zal ik ook nooit, dat 'n nog levende haar eigen historie

verteld moet zien, door iemand, die haar nauwelijks heeft gekend,

die alles in hoofdzaak weet van "hooren zeggen", zoodat ze telkens

'n stukje waarheid leest, en dan weer 'n stukje pure fantasie....

--Maar ik heb toch niets slechts van haar gezegd, integendeel!

--Dat hoeft ook niet, om 't voor haar toch heel, heel pijnlijk te

maken. Begrijpt u dat niet? Maar nóg zou 't zoo erg niet zijn, want tot

dusverre had Marceline er niets van gemerkt. Ze leeft zoo afgezonderd,

zoo stil.... och, 't is eigenlijk 'n levende doode.... En als 't niet

was om de eindelooze goedheid van Kam, dan had ze allang, allang haar

poging herhaald, om.... Maar waarom vertel 'k u dit: zoodra ik weg ben,

gaat u er misschien weer gebruik, of liever misbruik van maken....

--Wees niet bitter, juffrouw van Aalst. Ik ben 't niet van u gewoon,

dat u zoo hard is. Ik heb immers 't diepste medelijden met Marceline.

--O, dát hebt u niet, u zou haar anders hebben gespaard,--u zou dan

wel gewacht hebben, tot ze.... gestorven was.

--Is er zóo iets verschrikkelijks gebeurd, juffrouw van Aalst, dat

u nu opeens zóo tegen me moet worden?

--Ja, zóo iets verschrikkelijks is er gebeurd. Iemand heeft haar

verteld, dat ze in uw blad werd "beschreven". Toen heeft ze 't willen

lezen.... en toen ze uw tooneelen las van Micaëlo's ziekte en Micaëlo's

dood, toen heeft ze 'n zenuw-acces gekregen, zoo vreeselijk, dat ze

nú nog niet tot bewustzijn gekomen is.

--Goeie god!

--U weet, ze is aldoor lijdende geweest, aldoor; de goeie Kam had

beter gedaan, haar rustig te laten sterven.... maar hij houdt zóoveel

van haar.... ach, de liefde is soms wél verschrikkelijk wreed.... Ze

kan niet loopen, haar haar is dun en grijs geworden.... God, waarom

mocht dat arme mensch niet sterven....

--U moet niet denken, juffrouw van Aalst, dat ik zóó'n monster van

ongevoeligheid ben. Als 'k alles geweten had.... Maar zegt u nu zelf:

't onderwerp is als aangegeven voor 'n roman....

Eleonore glimlachte.

--Wat 'n kind is die groote jongen nog, zei ze. U hebt nog niet

veel geleefd....

Max gaf geen ondeugend antwoord, zooals hij bij een andere gelegenheid

zou hebben gedaan; hij zat stil voor zich uit te staren.

--En wat moet 'k nu doen? vroeg hij.

--Ja, wat kunt u doen? Niets. 't Is heel treurig, maar alles van

Marceline is tegenwoordig zóó treurig.... Je kan haar leven in drie

phasen zien: schijn-geluk, echt-geluk, en nu de ellende. Vreemd,

dat blijvend geluk niet schijnt te mógen bestaan op de wereld.

--Als ze gestorven was, tegelijk met hem, dán zou haar geluk blijvend

zijn geweest....

--Ja, zei Eleonore. En dat is juist 't wreede, dat ze _niet_

gestorven is....

De zeer vele, en verschillende indrukken dien middag ontvangen,

maakten, dat Max rustiger, peinzender was, dan anders. Hij voelde zeer

goed, dat, wat hij gedaan had, niet mooi, niet nobel genoemd worden

kon. Hij had, zonder te bedenken, hoe dat moest worden opgenomen, de

levensgeschiedenis van een nog levende ten eigen bate geëxploiteerd;

hij had immers stof noodig, hij moest een roman schrijven....

--Waarom ik eigenlijk hier gekomen ben.... zei Eleonore. Ik kan toch

niets meer uitrichten. Maar, ja, ik weet 't al, waarvoor ik kwam:

ik wou u waarschuwen: wees voortaan meevoelender, voorzichtiger. Ik

ken er meer voorbeelden van, dat een voorval uitgewerkt wordt tot een

roman, terwijl de personen nog leven. Ik kan dat nooit goedkeuren,

alleen als de personen allen gestorven zijn.... En dan nog....

--U kan er zeker van wezen, zei Max ernstig, dat ik zoo iets nooit,

nooit meer zal doen. Maar nu.... 't was ál te verleidelijk, juffrouw

van Aalst. Denk eens, ons blad heet Eva: en dan de Eva-geschiedenis

van Marceline, 't kón niet mooier.

--Ja, 't trof nu wel heel toevallig zoo samen....

--En dan, ik dacht, dat Marceline zoo'n beetje buiten kennis

was.... dat ze misschien wel krankzinnig zou worden....

--Nee, dat geluk is haar niet gegund. Ik ga nu, meneer van den Heuvel,

ik hoop werkelijk, dat u m'n raad ter harte zal nemen.

--Dat zal ik, dat zal ik, juffrouw van Aalst, zei Max, en drukte haar

de hand. Ik dank u, dat u gekomen is....

Hij keek haar eerlijk in het ernstige gezicht, en toen zij de kamer

verlaten had, bleef hij heen en weer loopen, in diepe gedachten

verzonken. Een goede vrouw.... een lieve, werkelijke vrouw, ondanks

haar feministe-zijn. Hij had veel sympathie voor haar, o ja, veel,

veel....

Wat een verkwikking een dergelijke vrouw te ontmoeten. Eerst had hij

haar zoo'n beetje belachelijk gevonden, zooals alle vrouwen, die geen

zin hebben om te trouwen, en zich zoo rustig en vrij als een man in

het openbare leven bewegen. Maar nu hij haar nader leerde kennen, nu

bewonderde hij haar koelen, degelijken ernst, haar kloek verstand,

haar goedheid, die nooit zwakheid werd. Wat een verschil met de

meisjes, die hem vervolgden, en om hem heenzwermden, als vliegen om de

suiker.... Geen gekkelijkheid bij haar, geen malle verliefdheid, geen

broeiende zinnelijkheid achter een strak gezicht.... Zooals men haar

zág, zoo wás zij. En wat een frissche trekken nog voor zoo een oude....

Maar oud? Dat was zij niet. Hoe kwam hij er bij. Zij kon hoogstens

even over de dertig wezen,--misschien een jaar of vijf, zes ouder

dan hij....

Maar waar wil je toch heen, Max? vroeg hij zichzelf. Vind je soms

Eleonore van Aalst een geschikte partij voor jóu?

Ik.... ik weet niet....

Denk 's goed na?

Ze is ferm, ze is verstandig. Ze loopt me niet achterna. Ze is knap

van uiterlijk. Ze is onafhankelijk.

Maar, Max, dan moet jij die hebben!

Als ik ooit trouwde....

Jij hebt je zoo dikwijls door je gevoel laten leiden, laat je verstand

je nù 's zeggen, wat je moet doen.

Nou, wat moet ik dan doen? Is zij 'n geschikte vrouw voor mij?

Ja. Zij zal je niet bederven, waar de onbekende zoo bang voor is. Zij

zal je terecht helpen, en raad geven....

Zou 't niet vervelend zijn?

Integendeel! Zoo'n aanhalige poes, dát zou je gaan vervelen.

Ja, dat is waar. Ik moet eerlijk zeggen: ik houd van Eleonore,

(grappig-romantische naam voor een zoo weinig romantische vrouw.) Ze is

wel wat ouder, en dat is heelemaal niet prettig, maar er moet _iets_

aan mankeeren. En bovendien, 't is niet kwaad, dat ik, juist ik, wat

opzie tegen m'n vrouw. Ik zou trotsch op haar zijn. Wat geef ik au

fond om die schepseltjes, die voor me staan te blozen, en m'n handen

zoenen.... nee, die soort van liefde verveelt me. Ik wil 't nu met

verstandelijke liefde probeeren. En 't pikante is, dat Eleonore nog

niet eens dadelijk ja zeggen zal. Daar vind ik nu op eens de vrouw,

die veroverd moet worden. En ik zal haar veroveren. Ik zál.

En je onbekende dan? En Gerrie van Velsen? En.... Eva?

Eva?

Ja, je aanstaande, juffrouw de Bruin?

Opeens barstte Max uit in zoo'n schaterenden lach, dat de klerken in

het achterkantoor ervan opkeken, en dachten: Zeker weer een verliefde

brief gekregen, die!

Het vroolijke leven · 第 9 / 11 题