Wouters, de uitgever, wilde nu en dan een woordje in het midden
brengen, maar hij werd dadelijk door de rumoerige jongelui
overschreeuwd. Wat! wou _hij_ nu nog spreken van risico! van
voorzichtigheid! van niet te veel wagen! Dankbaar moest hij wezen,
in zoo'n prachtige zaak te zijn gehaald! Over een paar jaar een
goudmijn! Tonnen waard! Prachtigste tijdschrift van Nederland!
Wouters, die eigenlijk zeer tevreden was over den loop der dingen,
en in de toekomst nóg betere tijden voorzag, vond het tóch
wel zaak de opgewondenheid der jongelui een beetje te remmen,
die er van spraken een rivière van diamanten, als prijs in den
liefdesbrieven-wedstrijd,--waarmee het eerste nummer verrijkt en
de abonnées verrukt zouden worden,--uit te loven, of het zoo niets
was. Hij zou daarom de vergadering tot het laatste toe blijven
bijwonen,--hoewel hij ongenoodigd verschenen was,--om al te groote
roekeloosheid te voorkomen. Rustig zat hij op zijn stoel, en luisterde,
en rookte de eene sigaar na de andere.
Max, wiens gezicht van geanimeerdheid blonk, zat in zijn bureaustoel
de vergadering te presideeren. Hij had getracht alles naar orde en
regel te doen gaan, maar met zoo'n wilde bende als zijn medewerkers
waren, lukte dat niet. Enfin, ook al goed. Hij had een gevoel, of
hij wel óp kon vliegen in de lucht, of hij moest dansen, schreeuwen,
tieren, kabaal maken.... of dat hij anders uit elkaar zou spatten van
te zwaar geladen levenslust. Enfin, die drang naar licht en muziek en
dol rumoer zou hij straks wel uitvieren,--straks, als zijn medewerkers
en hij nog eens gingen na-fuiven in de stad,--nu moest hij zijn kop
bij elkaar houden, want de zaken dienden toch eerst te worden afgedaan.
De kleine bediende, netjes in een groompakje gestoken, bracht een
pakje brieven binnen; het resultaat van de advertentie, die geregeld
in de groote bladen stond.
--Hoera! gilde Kaatje, als een kind, en sloeg met zijn handen op de
tafel. 't Lijkt wel of de advertentie 'n huwelijksadvertentie was!
--Een, twee, drie.... tien, twaalf, dertien.... dertien abonnementen,
waarachtig! riep Max.
Wouters verzamelde de brieven, en stak ze zorgvuldig bij elkaar in
zijn zak. Hij knikte tevreden met het hoofd.
Sneeuw zat eindeloos tegen Robert Roodhaar te betoogen, dat hij,
bij het beoordeelen van de wedstrijd-brieven, dit principe zou
voorstaan: de brief moest direct-aansprekend wezen, kort, _niet_
literair, en _niet_ geïnspireerd op de prachtige voorbeelden van
Madame de Staël, Lady Montague, Madame de Sévigné. De korte, dikke Jan
dischte eenige gepeperde anecdotes op over vrouwen, die in het eerste
nummer moesten,--dat zou trekken, dat was nog iets anders, dan de
water-en-meel-kost der andere damesblaadjes, en hij ging almaar voort:
--Nou, zeg, en toen komt die man met z'n vrouw de kamers van die
vriend bekijken, en die vrouw houdt zich heel goed, en ze doet ook,
of ze alles voor de eerste maal ziet, en ze bewondert de schilderijen
en zoo, maar opeens zegt ze argeloos: Hé, heb je die lamp nou op de
guéridon gezet?
Karel, het drukke Kaatje, kronkelde zich op zijn stoel van pret,
en Jan begon alweer:
--D'r was 'n meneer, en die zegt tegen 'n mevrouw van zijn kennis:
Mevrouw, wanneer komt u nu m'n nieuwe woning 's bezien? En wat zegt
zij? Zij zegt: dat zal niet gaan, want ik kan....
--Is 't nou uit! donderde Max. Kunnen jullie nou voor den bliksem
niet 's 'n oogenblik je fatsoen houden! Straks, straks doen we wat
we willen, maar nou bij de zaken zijn!
--Present, president! zei Ka, en zat netjes met zijn handen op
de tafel.
--Ajasses, wat 'n kinderen. Jasses! had ik jullie maar
thuis-gelaten!....
--Nou, begin jij nou niet zelf, kalmeerde Sneeuw. Laten we de zaken
vlug afdoen. Noem op, Max, wat we nu voor 't eerste nummer hebben.
--Stuk van mijn roman....
--Hoe heet die?
--Eva, natuurlijk.
--Vind je dat aan te raden? 't Blad heet Eva, je roman heet Eva.... ze
zullen 't door elkaar halen.
--Dat's niks, hoe meer d'r gekletst wordt over Eva, hoe beter. En ik
wil de roman zoo noemen, dus ik doe 't.
--Ja, jij doet alles maar, wat je wil.
--Zoo, is dat soms niet m'n recht. Ben ik niet....
--Je zou niks zonder onze hulp....
--Beginnen jullie nóu al herrie te schoppen? vroeg Robert.
--Laat ze maar, zei Sneeuw gelaten. D'r komt altijd herrie in
redacties, dat's 'n gewoon natuurverschijnsel.
--Nou, ik schrijf op, vertelde de secretaris. Brok roman. Hoeveel
kolom?
--Ik denk.... vijf of zes. Maar eerst 't motto. Ik heb 'n prachtig
motto: 'n vers van Plasschaert: Eva.
Wie brak de vrucht?
De nacht was vol-omloofd van weeningen.
En veile vlammen sprongen op,
En gele sterren dansten ijl,
Adam's lijf schemerde anders rood,
Ik hoorde woorden warrig--
En englen vloden.
Englen vloden met roode vlerken,
Vleugels stoven als rose blaeren,
De nacht zwol open tot een groot, rood hart,
--Hij was mijn god, mijn heer.
Daarna:
Ik ben nu heerlijkst, meesteres,
Ik draag gezang en tranen,
Een hemel en een vlam,
En een schroei en water,
Ik draag een, die gekruist des daags
Aan Juda's groenend hout--
Ziet, ziet, ik dans....
--Prachtig! riep Sneeuw. Dat vóorgezicht van haar, dat plotseling
afgebroken wordt door de uiting van haar overstortende vreugde: Ziet,
ziet, ik dans!....
--Ik protesteer tegen dat: Ik ben nu heerlijkst, meesteres! riep
Ka. De vrouw is nooit meesteres over de man geweest!
--Wacht maar, tot je verliefd wordt, dreigde Robert, die zuchtte
onder de luimen van een capricieuse jonge dame.
--Word _niet_ verliefd, nooit, raadde Max. Laten ze op jóu verliefd
worden.
--Je kan niet buiten verliefd zijn, wist Jan. En d'r is geen gevaar
bij, zoolang je 't op 'n heeleboel tegelijk ben.
--Blijft de voorraad copie hierbij? dat gaat goed zoo!
--Nou ik heb immers nog m'n essay over de vrouw.... zei Sneeuw,
en dan moeten de ingekomen antwoorden op de prijsvraag worden vermeld.
--En Robert heeft 'n novelle?
--Ja: Winternacht.
--En jij, Ka?
--Moet ik óok wat doen?
--Ja.
--Ka en ik, zei Jan, geven humoristische dialogen.
--Zoo? zei Karel.
--Ja, zei Jan.
--Nou, mij goed!
--Dan hebben we dat lange artikel van Eleonore van Aalst, zei Max. 'n
Prachtig stuk.
--Heb je 't gelezen?
--Nee, maar dat begrijp ik wel, dat 't mooi moet zijn.
--Voor de berichten over vrouwen in 't binnen- en buitenland kan jij
't beste zorgen, Roodhaar, jij knipt maar uit je courant.
--Jawel, daar zal ik wel voor zorgen.
--Hebben we dan genoeg?
--Nee, hoor 's, zei Sneeuw, we moeten d'r nog wat
bij hebben, wat aparts.... iets, dat niet iedereen
heeft.... Bijvoorbeeld.... bijvoorbeeld.... vrouwen-portretten....
--Portretten van mooie dames en demi-dames?
--Ach, klets niet, beschrijvingen van vrouwen, bekende vrouwen,
heel kort, 'n karakteristiek in enkele woorden.
--Heel goed, heel goed, riep Jan. Dat doen we.
--Zou je mij, als redacteur óok in die zaak willen kennen? vroeg
Max hautain.
--Heb je d'r dan wat op tegen?
--Op tegen, nee.
--Nou dan?
--Alles moet behoorlijk aan _mij_ worden voorgelegd.
--Hoor die!
--Och, geef 'm z'n zin maar, zei Ka goedaardig. Je weet: kinderen en
gekken moeten worden toegegeven.
--Portretten van mejuffrouw Kruis, de eenige Nederlandsche
sulkey-rijdster of van Carmen Bereira, de eenige Spaansche stieren
vechtster?....
--Is 't gedaan met die flauwiteit, met die verdomde lafheid! schreeuwde
Max. Als jullie niet anders kunnen doen, dan rukken jullie maar
uit, hoor!
--Zeg, zoo moet je maar beginnen!
--Ja, zoo zal je wel hulp krijgen!
--Net, of je 't alleen af kan!
Jan leunde zich nog eens wat beter in zijn stoel, en sloeg de armen
over elkaar.
--Gooi je eigen glazen niet in, vermaande hij bedaard. Hier zit ik,
ik kan niet anders, God helpe mij, amen.
Max bedaarde. Zijn woede was veel meer innerlijke opwinding, dan
werkelijke boosheid. Zijn overbruisende vreugde móest zich in geweld
uiten, op welke wijze dan ook. Hij was als een veer, die lang met
zwaren druk naar beneden gehouden is, en plotseling met volle kracht
omhoog schiet. De sombere, eentonige, duldelooze tijd, die achter
hem lag, en die nu zoo plotseling was overgegaan in een toekomst vol
prachtige vooruitzichten, deed zijn nawerking op hem nog dikwijls
gevoelen, hij had uit die periode van geestelijke lusteloosheid,
van lichamelijke gedruktheid een prikkelbaarheid overgehouden, een
nervositeit, die hem soms deed uitbarsten in vlagen van onredelijken
toorn, waarvan hij toch niets meende; buien, waarin hij dingen zeide,
waarover hij zich dikwijls verbaasde.
--Vooruit, bende idioten! zei hij, vooruit maar weer.
--O, zoo, zei Jan.
--Nou, die portretten, wie zal dat op zich nemen....
--Mannen, nee, ik heb er genoeg van, viel Max opeens uit. M'n kop
staat d'r niet naar. Ik ben niet rustig genoeg. Leg al jullie plannen
maar bij mij neer, ik zal ze wel uitzoeken, en verwerken. Ik zal
ook 't nummer wel samenstellen. Ik kan nou niet meer denken.... M'n
hersens branden....
--Dan fùiven we de avond maar verder uit!
--Ja! riep Max.
Een heete lust naar licht, naar dolle muziek, naar razend rumoer drong
gloeiend door zijn bloed. Hij hongerde naar feestelijk genot, zijn
hoofd hongerde, zijn heele lichaam hongerde, na zóo lang te hebben
ontbeerd. Ziedend, schuimend, wou zijn blijdschap zich een uitweg
banen.... zwelgen wou hij in een wilden, driftigen roes.... hij móest
zijn vreugde uitvieren, hij móest!....
--Ja, maar, heeren, protesteerde Wouters, de uitgever. Daarvoor zijn
we niet hier gekomen....
--Nee, nee, u hoeft ook niet mee te fuiven, stelde Jan hem gerust.
--Eerst zaken, eerst zaken.... Zaken zijn zaken....
--Les affaires sont les affaires!
--Toe, heeren, laten we hier nu niet als kwajongens tegenover elkander
staan, 't Eerste nummer dient nu vanavond in elkaar....
--Maak je niet bezorgd, oude heer, komt terecht, komt terecht,
beloofde Max. Ik stel me d'r aansprakelijk voor. Ik heb d'r toch ook
wel 'n beetje belang bij?
--Ja, maar, ik ben zoo bang....
--Waarvoor?
--Dat 't op gekheid maken uitloopt. Ik zeg u, heeren, 't moet ernst
blijven, geen Witzblatt worden, of ik laat me d'r niet mee in.
--Maar, man, hoe kom je dáár nou bij! 't Is ons allemaal immers even
phenomenale ernst!
--Jawel, jawel, maar....
Max klopte den uitgever vriendelijk op den schouder.
--Toe, vertrouw nou maar 's op _mij_, he? Laad al uw zorgen op de
hoofdredacteur.
Robert reciteerde uit zijn pas aangevangen epos: _Hercules_; Sneeuw
schreef in zijn notitieboek eenige namen van vrouwen, die voor de
"portretten" in aanmerking konden komen: Ka en Jan hielpen hem,
en noemden namen van "vermaarde" vrouwen:
--Zeg, moet je die niet hebben: Politie-Jet? iedereen kent de naam,
of Emma Elberfeld, van die hypnose-historie....
De uitgever zag wel, dat er vanavond niets meer van belang te
verhandelen zou vallen. De "heeren" waren eigenlijk ook allen veel
te jong, om aan het hoofd van zoo'n onderneming te staan; als het
maar goed ging, als het maar goed ging.... Ze waren waarachtig nog
zoo speelsch als schooljongens.... Hij kon daar niets verder aan
doen. Gelukkig had hij zijn zekerheidsstelling. Als ze den boel in
het honderd wilden laten loopen, moesten ze het zelf maar weten.
--Goeienavond dan, heeren, zei hij opstaande, alleen terug-gegroet
door Max, die hem beleefd tot de deur uitgeleide deed.
--Ziezoo! riep Max. Nou zijn we onder ons en vrij. Gauw opgeruimd,
en dan d'r van door.
Hij greep bij handenvol de papieren van de tafel, en wierp ze
ongeordend in een la van zijn bureau.
--Waar gaan we nou naar toe?
--Naar Maxim?
--Naar de Deli-club op de Harstenhoekweg?
--Daar is 't nog te vroeg voor.
--Nou, dan gaan we eerst naar Central, en zitten daar, hè, tot 'n
uur of elf. Hoe laat is 't nou? Half tien.
De jongelui namen hun stokken en hoeden, terwijl Max de hand aan de
gaskraan hield.
--Is je kantoor gesloten, Roodhaar.
--Ja!
--Ja, goed, vooruit dan maar, lui.
Achter elkander stommelden ze de trappen af, en het kinderachtig
Kaatje zong:
Dat gaat naar Leiden toe,
Naar de studenten toe,
Daar maak je pret, en hoe....!