IV.

Wouters, de uitgever, wilde nu en dan een woordje in het midden

brengen, maar hij werd dadelijk door de rumoerige jongelui

overschreeuwd. Wat! wou _hij_ nu nog spreken van risico! van

voorzichtigheid! van niet te veel wagen! Dankbaar moest hij wezen,

in zoo'n prachtige zaak te zijn gehaald! Over een paar jaar een

goudmijn! Tonnen waard! Prachtigste tijdschrift van Nederland!

Wouters, die eigenlijk zeer tevreden was over den loop der dingen,

en in de toekomst nóg betere tijden voorzag, vond het tóch

wel zaak de opgewondenheid der jongelui een beetje te remmen,

die er van spraken een rivière van diamanten, als prijs in den

liefdesbrieven-wedstrijd,--waarmee het eerste nummer verrijkt en

de abonnées verrukt zouden worden,--uit te loven, of het zoo niets

was. Hij zou daarom de vergadering tot het laatste toe blijven

bijwonen,--hoewel hij ongenoodigd verschenen was,--om al te groote

roekeloosheid te voorkomen. Rustig zat hij op zijn stoel, en luisterde,

en rookte de eene sigaar na de andere.

Max, wiens gezicht van geanimeerdheid blonk, zat in zijn bureaustoel

de vergadering te presideeren. Hij had getracht alles naar orde en

regel te doen gaan, maar met zoo'n wilde bende als zijn medewerkers

waren, lukte dat niet. Enfin, ook al goed. Hij had een gevoel, of

hij wel óp kon vliegen in de lucht, of hij moest dansen, schreeuwen,

tieren, kabaal maken.... of dat hij anders uit elkaar zou spatten van

te zwaar geladen levenslust. Enfin, die drang naar licht en muziek en

dol rumoer zou hij straks wel uitvieren,--straks, als zijn medewerkers

en hij nog eens gingen na-fuiven in de stad,--nu moest hij zijn kop

bij elkaar houden, want de zaken dienden toch eerst te worden afgedaan.

De kleine bediende, netjes in een groompakje gestoken, bracht een

pakje brieven binnen; het resultaat van de advertentie, die geregeld

in de groote bladen stond.

--Hoera! gilde Kaatje, als een kind, en sloeg met zijn handen op de

tafel. 't Lijkt wel of de advertentie 'n huwelijksadvertentie was!

--Een, twee, drie.... tien, twaalf, dertien.... dertien abonnementen,

waarachtig! riep Max.

Wouters verzamelde de brieven, en stak ze zorgvuldig bij elkaar in

zijn zak. Hij knikte tevreden met het hoofd.

Sneeuw zat eindeloos tegen Robert Roodhaar te betoogen, dat hij,

bij het beoordeelen van de wedstrijd-brieven, dit principe zou

voorstaan: de brief moest direct-aansprekend wezen, kort, _niet_

literair, en _niet_ geïnspireerd op de prachtige voorbeelden van

Madame de Staël, Lady Montague, Madame de Sévigné. De korte, dikke Jan

dischte eenige gepeperde anecdotes op over vrouwen, die in het eerste

nummer moesten,--dat zou trekken, dat was nog iets anders, dan de

water-en-meel-kost der andere damesblaadjes, en hij ging almaar voort:

--Nou, zeg, en toen komt die man met z'n vrouw de kamers van die

vriend bekijken, en die vrouw houdt zich heel goed, en ze doet ook,

of ze alles voor de eerste maal ziet, en ze bewondert de schilderijen

en zoo, maar opeens zegt ze argeloos: Hé, heb je die lamp nou op de

guéridon gezet?

Karel, het drukke Kaatje, kronkelde zich op zijn stoel van pret,

en Jan begon alweer:

--D'r was 'n meneer, en die zegt tegen 'n mevrouw van zijn kennis:

Mevrouw, wanneer komt u nu m'n nieuwe woning 's bezien? En wat zegt

zij? Zij zegt: dat zal niet gaan, want ik kan....

--Is 't nou uit! donderde Max. Kunnen jullie nou voor den bliksem

niet 's 'n oogenblik je fatsoen houden! Straks, straks doen we wat

we willen, maar nou bij de zaken zijn!

--Present, president! zei Ka, en zat netjes met zijn handen op

de tafel.

--Ajasses, wat 'n kinderen. Jasses! had ik jullie maar

thuis-gelaten!....

--Nou, begin jij nou niet zelf, kalmeerde Sneeuw. Laten we de zaken

vlug afdoen. Noem op, Max, wat we nu voor 't eerste nummer hebben.

--Stuk van mijn roman....

--Hoe heet die?

--Eva, natuurlijk.

--Vind je dat aan te raden? 't Blad heet Eva, je roman heet Eva.... ze

zullen 't door elkaar halen.

--Dat's niks, hoe meer d'r gekletst wordt over Eva, hoe beter. En ik

wil de roman zoo noemen, dus ik doe 't.

--Ja, jij doet alles maar, wat je wil.

--Zoo, is dat soms niet m'n recht. Ben ik niet....

--Je zou niks zonder onze hulp....

--Beginnen jullie nóu al herrie te schoppen? vroeg Robert.

--Laat ze maar, zei Sneeuw gelaten. D'r komt altijd herrie in

redacties, dat's 'n gewoon natuurverschijnsel.

--Nou, ik schrijf op, vertelde de secretaris. Brok roman. Hoeveel

kolom?

--Ik denk.... vijf of zes. Maar eerst 't motto. Ik heb 'n prachtig

motto: 'n vers van Plasschaert: Eva.

Wie brak de vrucht?

De nacht was vol-omloofd van weeningen.

En veile vlammen sprongen op,

En gele sterren dansten ijl,

Adam's lijf schemerde anders rood,

Ik hoorde woorden warrig--

En englen vloden.

Englen vloden met roode vlerken,

Vleugels stoven als rose blaeren,

De nacht zwol open tot een groot, rood hart,

--Hij was mijn god, mijn heer.

Daarna:

Ik ben nu heerlijkst, meesteres,

Ik draag gezang en tranen,

Een hemel en een vlam,

En een schroei en water,

Ik draag een, die gekruist des daags

Aan Juda's groenend hout--

Ziet, ziet, ik dans....

--Prachtig! riep Sneeuw. Dat vóorgezicht van haar, dat plotseling

afgebroken wordt door de uiting van haar overstortende vreugde: Ziet,

ziet, ik dans!....

--Ik protesteer tegen dat: Ik ben nu heerlijkst, meesteres! riep

Ka. De vrouw is nooit meesteres over de man geweest!

--Wacht maar, tot je verliefd wordt, dreigde Robert, die zuchtte

onder de luimen van een capricieuse jonge dame.

--Word _niet_ verliefd, nooit, raadde Max. Laten ze op jóu verliefd

worden.

--Je kan niet buiten verliefd zijn, wist Jan. En d'r is geen gevaar

bij, zoolang je 't op 'n heeleboel tegelijk ben.

--Blijft de voorraad copie hierbij? dat gaat goed zoo!

--Nou ik heb immers nog m'n essay over de vrouw.... zei Sneeuw,

en dan moeten de ingekomen antwoorden op de prijsvraag worden vermeld.

--En Robert heeft 'n novelle?

--Ja: Winternacht.

--En jij, Ka?

--Moet ik óok wat doen?

--Ja.

--Ka en ik, zei Jan, geven humoristische dialogen.

--Zoo? zei Karel.

--Ja, zei Jan.

--Nou, mij goed!

--Dan hebben we dat lange artikel van Eleonore van Aalst, zei Max. 'n

Prachtig stuk.

--Heb je 't gelezen?

--Nee, maar dat begrijp ik wel, dat 't mooi moet zijn.

--Voor de berichten over vrouwen in 't binnen- en buitenland kan jij

't beste zorgen, Roodhaar, jij knipt maar uit je courant.

--Jawel, daar zal ik wel voor zorgen.

--Hebben we dan genoeg?

--Nee, hoor 's, zei Sneeuw, we moeten d'r nog wat

bij hebben, wat aparts.... iets, dat niet iedereen

heeft.... Bijvoorbeeld.... bijvoorbeeld.... vrouwen-portretten....

--Portretten van mooie dames en demi-dames?

--Ach, klets niet, beschrijvingen van vrouwen, bekende vrouwen,

heel kort, 'n karakteristiek in enkele woorden.

--Heel goed, heel goed, riep Jan. Dat doen we.

--Zou je mij, als redacteur óok in die zaak willen kennen? vroeg

Max hautain.

--Heb je d'r dan wat op tegen?

--Op tegen, nee.

--Nou dan?

--Alles moet behoorlijk aan _mij_ worden voorgelegd.

--Hoor die!

--Och, geef 'm z'n zin maar, zei Ka goedaardig. Je weet: kinderen en

gekken moeten worden toegegeven.

--Portretten van mejuffrouw Kruis, de eenige Nederlandsche

sulkey-rijdster of van Carmen Bereira, de eenige Spaansche stieren

vechtster?....

--Is 't gedaan met die flauwiteit, met die verdomde lafheid! schreeuwde

Max. Als jullie niet anders kunnen doen, dan rukken jullie maar

uit, hoor!

--Zeg, zoo moet je maar beginnen!

--Ja, zoo zal je wel hulp krijgen!

--Net, of je 't alleen af kan!

Jan leunde zich nog eens wat beter in zijn stoel, en sloeg de armen

over elkaar.

--Gooi je eigen glazen niet in, vermaande hij bedaard. Hier zit ik,

ik kan niet anders, God helpe mij, amen.

Max bedaarde. Zijn woede was veel meer innerlijke opwinding, dan

werkelijke boosheid. Zijn overbruisende vreugde móest zich in geweld

uiten, op welke wijze dan ook. Hij was als een veer, die lang met

zwaren druk naar beneden gehouden is, en plotseling met volle kracht

omhoog schiet. De sombere, eentonige, duldelooze tijd, die achter

hem lag, en die nu zoo plotseling was overgegaan in een toekomst vol

prachtige vooruitzichten, deed zijn nawerking op hem nog dikwijls

gevoelen, hij had uit die periode van geestelijke lusteloosheid,

van lichamelijke gedruktheid een prikkelbaarheid overgehouden, een

nervositeit, die hem soms deed uitbarsten in vlagen van onredelijken

toorn, waarvan hij toch niets meende; buien, waarin hij dingen zeide,

waarover hij zich dikwijls verbaasde.

--Vooruit, bende idioten! zei hij, vooruit maar weer.

--O, zoo, zei Jan.

--Nou, die portretten, wie zal dat op zich nemen....

--Mannen, nee, ik heb er genoeg van, viel Max opeens uit. M'n kop

staat d'r niet naar. Ik ben niet rustig genoeg. Leg al jullie plannen

maar bij mij neer, ik zal ze wel uitzoeken, en verwerken. Ik zal

ook 't nummer wel samenstellen. Ik kan nou niet meer denken.... M'n

hersens branden....

--Dan fùiven we de avond maar verder uit!

--Ja! riep Max.

Een heete lust naar licht, naar dolle muziek, naar razend rumoer drong

gloeiend door zijn bloed. Hij hongerde naar feestelijk genot, zijn

hoofd hongerde, zijn heele lichaam hongerde, na zóo lang te hebben

ontbeerd. Ziedend, schuimend, wou zijn blijdschap zich een uitweg

banen.... zwelgen wou hij in een wilden, driftigen roes.... hij móest

zijn vreugde uitvieren, hij móest!....

--Ja, maar, heeren, protesteerde Wouters, de uitgever. Daarvoor zijn

we niet hier gekomen....

--Nee, nee, u hoeft ook niet mee te fuiven, stelde Jan hem gerust.

--Eerst zaken, eerst zaken.... Zaken zijn zaken....

--Les affaires sont les affaires!

--Toe, heeren, laten we hier nu niet als kwajongens tegenover elkander

staan, 't Eerste nummer dient nu vanavond in elkaar....

--Maak je niet bezorgd, oude heer, komt terecht, komt terecht,

beloofde Max. Ik stel me d'r aansprakelijk voor. Ik heb d'r toch ook

wel 'n beetje belang bij?

--Ja, maar, ik ben zoo bang....

--Waarvoor?

--Dat 't op gekheid maken uitloopt. Ik zeg u, heeren, 't moet ernst

blijven, geen Witzblatt worden, of ik laat me d'r niet mee in.

--Maar, man, hoe kom je dáár nou bij! 't Is ons allemaal immers even

phenomenale ernst!

--Jawel, jawel, maar....

Max klopte den uitgever vriendelijk op den schouder.

--Toe, vertrouw nou maar 's op _mij_, he? Laad al uw zorgen op de

hoofdredacteur.

Robert reciteerde uit zijn pas aangevangen epos: _Hercules_; Sneeuw

schreef in zijn notitieboek eenige namen van vrouwen, die voor de

"portretten" in aanmerking konden komen: Ka en Jan hielpen hem,

en noemden namen van "vermaarde" vrouwen:

--Zeg, moet je die niet hebben: Politie-Jet? iedereen kent de naam,

of Emma Elberfeld, van die hypnose-historie....

De uitgever zag wel, dat er vanavond niets meer van belang te

verhandelen zou vallen. De "heeren" waren eigenlijk ook allen veel

te jong, om aan het hoofd van zoo'n onderneming te staan; als het

maar goed ging, als het maar goed ging.... Ze waren waarachtig nog

zoo speelsch als schooljongens.... Hij kon daar niets verder aan

doen. Gelukkig had hij zijn zekerheidsstelling. Als ze den boel in

het honderd wilden laten loopen, moesten ze het zelf maar weten.

--Goeienavond dan, heeren, zei hij opstaande, alleen terug-gegroet

door Max, die hem beleefd tot de deur uitgeleide deed.

--Ziezoo! riep Max. Nou zijn we onder ons en vrij. Gauw opgeruimd,

en dan d'r van door.

Hij greep bij handenvol de papieren van de tafel, en wierp ze

ongeordend in een la van zijn bureau.

--Waar gaan we nou naar toe?

--Naar Maxim?

--Naar de Deli-club op de Harstenhoekweg?

--Daar is 't nog te vroeg voor.

--Nou, dan gaan we eerst naar Central, en zitten daar, hè, tot 'n

uur of elf. Hoe laat is 't nou? Half tien.

De jongelui namen hun stokken en hoeden, terwijl Max de hand aan de

gaskraan hield.

--Is je kantoor gesloten, Roodhaar.

--Ja!

--Ja, goed, vooruit dan maar, lui.

Achter elkander stommelden ze de trappen af, en het kinderachtig

Kaatje zong:

Dat gaat naar Leiden toe,

Naar de studenten toe,

Daar maak je pret, en hoe....!

Het vroolijke leven · 第 8 / 11 题