Max was in een dolle, uitgelaten bui. Hij had een blauwtje
geloopen. Voor de eerste maal van zijn leven,--en voor de laatste!--had
hij een blauwtje geloopen. Natuurlijk bij Eleonore.
Toen zij verbaasd keek, zonder te glimlachen (daar was hij dankbaar
voor) was hij haar nog hooger gaan achten, om de kalme wijze, waarop
zij vriendelijk zei, dat zij zich niet geschikt voor hem achtte, en
hém niet voor háar, en dat zij er bovendien niet aan dacht, ooit te
trouwen.--Maar dat zij hem in eerste instantie afwijzen zou, had hij
immers wel eenigszins verwacht?....
Daarom praatte hij voort, en bepleitte zijn zaak bij haar (hij had
niet voor niets in de rechten gestudeerd!) en zij hoorde hem aan,
met aldoor dezelfde zachte vriendelijkheid, maar haar antwoord was
aldoor: Neen, heusch niet, heusch niet, Max.
--Vind je me soms te jong? Maar....
--Ja, ik vind je te jong, en niet alleen in jaren,--ofschoon ik dat
ook eigenlijk al 'n onoverkomelijk bezwaar vind,--maar je ben te jong
in levensinzicht, te jong van begrip, begrijp je me?
--Maar juist dáárom moet 'k zoo'n vrouw hebben als jij,
Eleonore. Begrijp jij dat niet?
--Best mogelijk, jongen.... maar al heb je misschien zoo iemand
noodig, als ik ben,--ik voel daarom toch nog geen roeping me voor je
op te offeren.
Dat antwoord was toch wel wat al te koel. Een vrouw, die het een
"opoffering" vond, met hem te trouwen! Kon die mogelijkheid bestaan?
Maar het was waar; hij had tot dusverre alleen over zichzelf
gesproken. En de zaak wel een beetje alleen van den practischen kant
bezien. Hij had weliswaar gedacht, dat een verstandige vrouw als
zij, het apprecieeren zou, als een huwelijksvoorstel op uitsluitend
verstandelijk-practische wijze behandeld werd,--maar zelfs zoo eene
bleek te willen hooren van "liefde"....
Hij had haar hand gevat.
--Maar ik houd zoo veel van je, Eleonore.... Nee, kijk niet zoo
ongeloovig. Je weet niet, hoe beu ik ben van al dat aangehaal en
die verliefderigheidjes, ik blijf er zoo koud bij, zoo koud als 'n
steen. Maar van jou houd 'k, Eleonore. 't Gevoel, dat ik voor jou
heb, is de grondslag van de echte liefde. En je ben zoo mooi.... zoo
mooi met je glanzende haar.... en je prachtige teint, en je lieve,
_lieve_ oogen....
Hij was dichter bij haar gekomen, en had zijn eenen arm om haar hals
geslagen, en zijn andere om haar middel gelegd. Toen had hij haar
aangekeken, vleiend en dringend.... zou zij dáár zelfs ongevoelig
voor blijven? en had haar snel de lippen gekust.
Maar zij weerde hem af, zacht maar beslist, totdat hij haar loslaten
moest.
--Max, doe dat niet....
--Waarom niet? waarom niet? Als ik toch van je houd....
--Omdat ik niet houd van jou. En jij, Max, heusch, je mag me graag
lijden,--maar liefhebben doe je me niet.
--Wél! wél! riep hij onstuimig. Waarom geloof je me niet?
--Hoe kan ik, die je ken, je nu gelooven! Luister, zei ze, om haar
woorden te verzachten. Ik weet wel, je meent 't heel goed, Max,
maar je hebt me volstrekt niet lief. Je acht me, je respecteert me....
--Dat doe ik! dat doe ik! Omdat jij verstandig ben en onafhankelijk,
omdat jij niet hengelt naar 'n man, jij vernedert je niet, jij verlaagt
je niet: jij ben 'n vrouw, 'n mooie, echte vrouw....
--O, nee, Max, juist niet.... 'n mooie, echte vrouw heeft niet
zoo'n koud temperament als ik; die heeft wel degelijk verlangen naar
liefde,--al "hengelt ze dan ook niet naar 'n man", en ik....
--Leo.... zei Max, en zei niets verder, maar keek haar alleen maar aan.
Zij nam zijn hand.
--Je ben 'n lieve, allerliefste jongen, Max, zei ze, en haar
moederlijke toon van spreken, en de wijze, waarop zij zijn vingers
streelde, deed hem begrijpen, dat zij nooit toestemmen zou. En als
jij minder.... kinderlijk was, en als 't verschil tusschen ons in
jaren niet aan de "wrong side" bestond, en als ik wat minder koud
voelde,--dan zou 'k misschien wel van je kunnen gaan houden. Want
al ben je nu nog wat wild en wat oppervlakkig,--slecht ben je, dunkt
me, niet.
--Nee, slecht ben ik niet.
--Kom, troost je maar. Zij boog zich naar hem toe, en gaf hem een
zoen op zijn voorhoofd.
Max zweeg. Zijn gewone overmoedigheid had hem begeven. Hij voelde
zich klein in haar nabijheid.
--Je zal er wel gauw overheen zijn, hoor, verzekerde zij hem. Je ziet
in je omgeving alleen vrouwen, die je vleien en om je gunst bedelen,
ik doe dat niet, ik neem zelfs weinig notitie van je.... nu, vanzelf
trekt je dat aan, je zou 't pikant vinden, mij, juist mij....
--Ja, m'n "kleine ijdelheid" zou gevleid zijn, zei hij bitter.
--Wees niet boos, wees niet bedroefd, Maxlief. Je vriendin wil ik
zijn, zal ik zijn. Dát is de verhouding, waarin _wij_ tot elkaar
moeten staan. Kom altijd bij me, als je hulp of raad noodig hebt,
altijd, beloof me dat.
Maar Max gaf, koppig, geen antwoord.
--Beloof je me dat?
--Je kon 't toch in elk geval 's met me probeeren....
--O, nee, Max, laten we dat alsjeblieft niet doen! Nu kunnen we nog
scheiden als goede vrienden,--en goede vrienden blijven.
--Zeg 't maar, Eleonore, je vindt me kinderachtig, hè? misschien wel
belachelijk, dat ik, zoo'n iemand als ik, bij jou ben durven komen. Zeg
't maar?
--Nee, je vergist je. Wijt 't niet aan jezelf, dat ik niet van
je houden kan. Ik.... ja, ik wil 't je zeggen; ik bén niet voor
liefde. Ik weet geen liefde. 't Eenige, wat ik heb, misschien, is 't
moederinstinct.... En daarom, jongen, kom altijd bij me, altijd, als je
raad noodig hebt.... of steun.... maar spreek me nooit meer van liefde.
Toen Max heenging, was hij werkelijk wat ontroerd geweest.... Maar nu
was zijn stemming weer omgeslagen in drieste vroolijkheid. Zij had
gelijk: lief had hij haar niet: kon hij dan nu anders zoo lachen en
pleizier maken, hè? Neen, lief had hij haar zeker niet: Hij was er
trotsch op geweest, háár veroverd te hebben, háar, de zelfstandige,
fiere, door en door degelijke.... dat had hij "pikant" gevonden. Ook
dáárin had zij gelijk. Ja, hij zóu het pikant gevonden hebben, háar
als zijn aanstaande te presenteeren aan zijn woelige, soms lastige
"bende aanbidsters".... En ook hierin had zij al weer gelijk: dat
zij te oud was voor hem. Gedecideerd, zij was te oud. Dat had hij
nu degelijk gemerkt uit haar bezadigden toon, haar moederlijke wijze
van optreden....
Neen, alles bij elkaar genomen, was het goed, zooals de zaken waren
geloopen. Hij was nu nog vrij zich te vermaken, zooals hij zou
wenschen. Want, ja, gebonden, erg gebonden, zou hij toch wel in een
engagement met haar zijn geweest. Hij had niet meer zoo spontaan kunnen
zijn; had aldoor moeten bedenken: ben ik ook soms te kinderachtig,
stel ik haar door mijn gedrag teleur?....
Enfin. Er zou misschien nog wel eens een tijd komen, dat hij haar
dankbaar was voor haar weigering. Wie weet, als hij eens dol en door
en door verliefd werd,--bijvoorbeeld op de onbekende schrijfster van
de minnebrieven.... Hij dacht even ernstig na. Had hij zich misschien
zoo tot Eleonore aangetrokken gevoeld, omdat haar geest zooveel
overeenkomst had, met den geest, die uit de brieven sprak?.... En
was hij dus, zonder het te weten, onder de bekoring geraakt, van de
schrijfster der brieven?.... Hemel! dan was het toch zaak haar te
vinden.... om door haar te worden getroost....
Het zou zoo eenvoudig geweest zijn, als Eleonore zelf de schrijfster
was geweest. Maar toen hij het haar, zonder omwegen vroeg, hadden
haar oogen zoo gelachen, dat hij _zag_, hoe haar lippen slechts met
moeite de woorden weerhielden: "Nee, _ijdele_ jongen!"
Goed, goed, hij was nog jong, hij kon wel wachten. En overhaast te
werk gaan bij zoo'n ernstige zaak als een huwelijk?....
Je reinste gekkenwerk zou het wezen! D'rum prüfe wer sich ewig
bindet....
--Wat ben je stil opeens, Max?
Het was vanmiddag de "thee" der redactie van "Eva". Het meerendeel
der vaste medewerkers was opgekomen, en veel bezoeksters vermaakten
zich met de vroolijke jongelui. Max was een der druksten geweest,
zittende tusschen Gerrie van Velsen, wier triest gezichtje hij door
allerlei grappen wat trachtte te verhelderen, (hij apprecieerde het
in het kind, dat zij haar bezoeken niet opeens had gestaakt, en dat
zij zoo braaf den schijn wist op te houden) en tusschen "zijn Eva",
juffrouw de Bruin, die hij openlijk "zijn Eva" noemde, en voor den gek
hield, totdat het arme schepsel, opgewonden, verdwaasd, soms geheel
haar begrip der convenances verloor, hem in den arm kneep, hardop,
"Maxie!" gilde, en zich tot de risée van het heele gezelschap maakte,
zonder dat het haar iets scheen te kunnen schelen. Al haar pogingen,
haar dreigende, zoowel als haar vleiende, al haar woorden, zoenen,
omhelzingen, knievallen zelfs, hadden niet gebaat, om Max naar haar
Pa te bewegen, en nu trachtte zij zichzelve voldoening te geven, door
luid aan iedereen te vertellen, dat Max haar een aanzoek had gedaan,
en zich zoo'n beetje, als zijn verloofde voor te doen.
Maar opeens verveelde Max het al te schelle gelach en het al te luide
gepraat zóo verschrikkelijk, dat hij de wijk nam naar Clara, een meisje
met een zacht, intelligent, maar toch ook opgewekt gezicht. Hij vond
haar volstrekt niet "amusant", zooals hij het uitgelaten Mientje vond,
of de quasi-naïeve Bonnie, maar zij gunde hem rust, en dat was al veel.
--Wat ben je stil opeens, Max?
--Stil? vroeg hij, wat gepikeerd, dat zij nu ook al begon van hem te
vergen, dat hij "aardig" en "onderhoudend" zou wezen. Ik ben nog wel
zoo gek geweest, als ik maar kon, zooeven.
--Ja, zooeven! Maar nu werd je ineens zoo strak, zoo stil.
Hij keek haar aan, alsof hij zeggen wou: waar bemoei jij je mee? maar
zijn gewone hoffelijkheid liet niet toe, dat hij die woorden
uitte. Ach, ja, waarom zou hij ook niet vroolijk zijn? Vreugd is het
leven, o, zalig, die 't weten....
--Waarom kom je nooit meer tennissen? vroeg hij.
--Ik heb 't te druk.
--Druk? waarmee dan?
--Ik studeer immers voor m'n middelbaar Engelsch.
Immers!.... Ja, hij werd gecenseerd, zoowat alles te weten, zoowat
alles te onthouden....
--Nou, ja, maar 'n ontspanning is goed voor je, hoor? Je komt maar weer
's op 't veld.
Sneeuw, Kaatje, Robert Roodhaar en de dikke Jan maakten zich
verdienstelijk bij de dames. Zij boden haar ververschingen aan,
terwijl Max zich óok door hen liet bedienen.
--Wat heb je daar voor sandwiches?
--Alstjeblieft, meneer, getruffeerde kalfsborst, meneer, zwezerik,
meneer, en deze zijn met zalm, meneer, kwam Karel kellnerachtig voor
hem staan. Wil ik u 'n bordje brengen, meneer?
--Ja, breng jij mij 'n bordje, en ook een voor Donna Clara.
--Mooi klinkt dat: Donna Clara.
--Ja, en ook toepasselijk; weet je niet? Donna Clara, Donna Clara,
heisz-geliebte langer Jahre....
Zij keek hem zóo ironisch aan, dat hij haar óok onwillekeurig langer
aan bleef kijken. Wel had ze zúlke oogen? en durfden die hem zóo aan
te zien? Wel, allemachtig, hij moest toch eens wat meer notitie van
haar nemen, dan hij tot dusver had gedaan.... Wie weet, misschien
was zij het waard. Eens onderzoeken.
--Er zijn dagen, die voor jaren tellen....
--Wat bedoel je daarmee?
--Ik ken jou nog geen jaren, nietwaar? En toch zeg ik: heisz-geliebte
langer Jahre....
--Scheid uit, Max, wees in 's hemelsnaam tegen mij niet zoo flauw. Met
zulke dingen kan je mogelijk succes hebben bij je Eva....
--O, was zij jaloersch? Mooi zoo! mooi zoo!
--Ach, zei hij, quasi-verdrietig. Critiseer me niet zoo. Neem me,
zooals ik ben, 'n laffe jongen, zonder geest of gevoeligheid, maar laat
me niet zoo merken, hoe je over me denkt, hè? daar kan ik niet tegen.
--Malle jongen, zei ze, maar haar oogen waren nu zoo
zacht-belangstellend op hem gericht, dat hij bijna in een lach was
uitgebarsten, een lach van jongensachtigen triomf.
Zijn toon werd weer schertsend, zijn wat lustelooze houding veranderde
in zijn gewone veerkrachtige, en hij sprong op, alsof de rust hem
verveelde.
Kaatje en Jan kakelden met Mientje, wier oogen glommen van pret,
en met Bonnie, wier kindergezichtje nooit uit de plooi kwam, zelfs
niet bij tamelijk-gewaagde anecdoten, waarom juffrouw de Bruin het
gierend uitschreeuwde. Robert beweerde tegen Gerrie, die vriendelijk
zat te luisteren, terwijl Sneeuw zich verdienstelijk maakte, en Emilie
bezig-hield, het veeleischende meisje van Robert.
--Waar heb je 't over? interrompeerde Max Robert.
--O, we hebben 't over de plaats van de vrouw, en de beteekenis van
de vrouw.
--Ja, zei de onschuldige Bonnie.... Ik vind, dat de vrouw zich niet
zoo op de voorgrond moet plaatsen....
--Laat ze maar, hoor, zei Max beschermend. Ze wint 't toch niet, hoor?
--Nou, dat moet je niet zeggen, Max, viel vinnig Emilie in. Zeker
zal de positie van de vrouw veel verbeterd worden, als ze volhoudt;
zeker zal ze dan veel meer rechten krijgen....
--Ja, rechten! rechten! riep Eva de Bruin, 'n Meisje moet niet altijd
hoeven te wachten, tot er 'n man om d'r komt, ze moet zelf kunnen....
--Hoor me m'n clowntje 's aan, zei Max, en streek Eva spottend onder
de kin. Wat jij, Gerrie, vind jij ook, dat de positie van de vrouw
verbeterd moet worden?
--Ik ben heel tevreden, hoor!
--Ik ook! riep Mientje. Ik vind de mannen nog zoo kwaad niet. Ze
zijn heel goed, om je allerlei dienstjes te bewijzen, en dat doen ze
graag, want....
--.... de slavernij zit de _man_ in 't bloed! riep Clara.
--Hè, wat zijn jullie oppervlakkig, gispte Emilie, haar stem
verheffende, temidden van het gelach. De _vrouw_ heeft zich juist
altijd tot slavin verlaagd....
--Hè, hoe kan je je eigen sexe zoo smaden! Nee, zeg, ik vind: de man
kan tevreden wezen over de vrouw, en de vrouw óok over de man. Ze
hebben elkaar niets te verwijten....
--Nu, maar ik ben 't met juffrouw Emilie eens, riep Eva de Bruin,
dat de mannen wel 's 'n toontje lager mochten zingen....
--Nóg lager dan bas?
--Ze "bassen" al genoeg, laat 't nog maar niet erger worden, riep
Emilie, die boos werd.
--Nee, ik weet wat, zei Sneeuw. We moeten allemaal om beurten onze
meening zeggen over de vrouw, wij, mannen, dan mogen de meisjes
't straks doen over de man.
--Heel goed, heel goed!
--Bedoel je 'n qualificatie, of een opinie?
--Nee, ik bedoel, dat jullie zeggen: de vrouw moet zijn: zoo of zoo.
--Mooi en dom! riep Kaatje, mooi en dom!
--Dat is voor jóu misschien voldoende, zei Emilie streng. Maar ik
wil hopen niet voor iedere man. Robert, jij?
Robert, onder den sterken blik van zijn meisje, durfde niet anders
meenen, dan:
--Ze moet ontwikkeld zijn, zoodat ze zich niet klein hoeft te voelen
naast de man, maar zijns gelijke kan wezen.
--Lief! lief! moet ze zijn! riep Max. Aanhankelijk, teeder.... van
wijze vrouwen moet ik niets meer hebben! nee! Daarmee kom je niet
verder. Lief! en liefhebbend!
--Ah! zuchtte Eva de Bruin verlicht.
Maar Max lette niet op haar; zijn wenkbrauwen waren samengetrokken;
hij schertste niet, hij sprak in ernst.
--'n Vrouw, die je liefheeft.... Liefde, liefde.... is de eenige
noodige eigenschap van de vrouw.
--En zachtheid.... en schoonheid.... en trouw en vroolijkheid.... Nee,
ik zal je zeggen, hoe ze moet zijn, volgens 't alphabet: aanhalig,
beminnelijk 'n charmeuse, dodderig, eerlijk, fier.... zei Jan.
--Goed, hartelijk, innig, jolig, knap, kwam Karel hem helpen.
Zij gingen nu allen zoeken, volgens de letters van het alphabet naar
kwaliteiten van de vrouw, totdat zij stuitten op de q, die Jan voor
niet-qualificeerbaar uitmaakte en Sneeuw riep:
--Nu heb _ik_ nog niets gezegd!
--Nee, Sneeuw, dat is waar, Sneeuw, kom laat de koele sneeuw van je
woorden over ons heen-sneeuwen, Sneeuw!
--Ik zal alleen maar herhalen, wat Sarah Bernhardt 's eens van Fédora
zei, jullie weten? dat stuk van Sardou? Nou, _ik_ zeg dat nu van _de
vrouw_: Elle doit être á la fois coquette comme une Slave, violente
comme une Espagnole, amoureuse comme une Italienne, raffinée comme
une Française, et _racée_ comme une Anglaise.
--En wat als een Hollandsche?
--Ja, wat?
--Esclave, zei Emilie scherp.
--Dolente, tendre, verzachtte Mientje.
--Calme, intelligente,--sensible et sensitive, zei Clara.
--Dat vind ik nog 't beste, zei Sneeuw.
--Douce, douce comme un agneau, zuchtte Eva de Bruin.
--En wat vindt Bonnie ervan?
--Innocente, zei Bonnie.
--Dat antwoord is jouwer waardig, bravo! bravo! riep Jan, sloeg zijn
arm om haar middel, en dwong haar een paar walspassen met hem door
de kamer te doen.
--Hè, ja! 'n dansje! 'n dansje! riep de dartele Mientje, en sprong
op van haar stoel. In een oogenblik was de tafel zoo ver mogelijk in
een hoek geschoven, waren de stoelen uit den weg gezet, en walsten
de paren door de kamer, terwijl Sneeuw, die niet dansen kon, met
veel geweld, maar gelukkig maatvast, de vals uit den Mikado te
schreeuw-zingen stond:
De bloemen, die bloeien in Mei, ja, ja,
De bloemen, die bloeien in Mei!
Max had met de zich zenuwachtig aan hem vast-klemmende Eva de Bruin
rondgetold, totdat hij zijn geduld en zijn adem verloor. Hijgend
stond hij stil, en riep:
--Hei! wie neemt dat presentje 's van me over!
Niemand ontfermde zich, zoodat Max haar zonder complimenten in
zijn bureau-stoel neerdrukte, waar zij uitgeput, gichelend, bleef
zitten. Zonder omwegen trok Max Bonnie uit de armen van Jan, en walste
wild met haar voort.
Juist fluisterde hij het onschuldige meisje een erge ondeugendheid in,
toen hij den blik van Clara ontmoette, die zich met een blad papier
koelte stond toe te wuiven. Het was een blik, dien Max onmogelijk
opvatten kon als "jaloezie", daarvoor lag er te weinig boosheid in.
Hij zag afkeuring in haar oogen en tegelijk een gevoelig medelijden,
dat hem veel meer trof, dan een stekende blik vol toorn en afgunst
zou hebben gedaan. Wat wou zij toch? Waarom bemoeide zij zich zoo
met hem? Was dát nu zoo erg, wat hij had gedaan? Onder de jongelui
was het een wedstrijd, wie Bonnie aan het blozen kon brengen, en
hij zou het typisch vinden, als het hem gelukte. Toch, hij moest het
bekennen, hij zou de aardigheid, die hij Bonnie had toe-gefluisterd,
niet openlijk hebben durven herhalen, noch alleen aan een ander meisje
debiteeren.... maar wat zóu dat? Je zag toch je menschen aan?....
Toch hinderde Clara's belangstelling hem, omdat die hem zoo opeens en
onverwacht het futiele en leege van zijn leven toonde. Hij verloor
zich graag in vroolijke genoegens, en vond het niet aangenaam, daar
plotseling aan te worden onttrokken. En toen veranderde zijn stemming
weer: eensklaps dacht hij er aan, hoe Clara's houding jegens hem, veel
had van die van Eleonore.... en het betere in hem overheerschte voor
een oogenblik zijn frivool gevoel. Anders was Clara dan Eleonore,
zeker.... jonger, niet zoo beslist in haar optreden, en minder
moederlijk, wat hem in Eleonore zoo had gehinderd,--maar het goede
fond was bij beiden hetzelfde. Het was waar, dat Clara hem nooit
"het hof had gemaakt", zij hield zich bescheiden op den achtergrond,
en daaraan was het te wijten, dat hij nooit zooveel notitie van
haar had genomen, als van Mientje, of Gerrie, of zelfs van Eva de
Bruin. Maar nu voelde hij toch wel, dat hij Clara méer achtte, dan
een van de anderen, zij was degelijker, dieper, en had niet slechts
éen enkele gemoedsstemming: verliefd zijn.
Neen, zij was een.... heel aardig meisje.... zelfs niet onknap van
gezicht.... wie weet.... wie weet....later....later misschien....
Al deze gedachten had hij, al walsende met Bonnie, afgedacht, en toen
hij haar met een sierlijken zwaai en een hoffelijke buiging op haar
plaats had terug-gezet, ging hij Clara ten dans vragen.
--Zeg, Max....
--Nee, ik zeg 't je toch niet.
--Hoe weet je dan, wat ik wou vragen?
--Dat is gemakkelijk genoeg te raden. Je wou precies weten, wat ik
tegen Bonnie heb gezegd.
--Ja, maar niet uit pure nieuwsgierigheid....
--Wat doet 't er toe, waaróm je 't weten wou? Ik zeg 't je toch
niet. Niet alle dingen zijn voor alle meisjes geschikt.
--Zoo, maak jij dan nog onderscheid tusschen meisjes en meisjes?
--Ja zeker maak ik onderscheid.
Hij zag haar even aan, en de plotselinge overgang van scherts naar
ernst in zijn toon en in zijn oogen ontroerde haar, meer dan zij wou,
dat hij zag.
Maar hij had haar aandoening natuurlijk dadelijk bemerkt, en was
tevreden. Wie weet.... wie weet.... later, later misschien....
--Ik ben moe! ik ben moe! kondigde Mientje luidruchtig aan. Ik kan
niet meer! ik ben dood!
Gerrie lag ook al lang uitgeput in een stoel, en de andere meisjes en
de jongelui wuifden hun gloedroode gezichten vergeefs koelte toe met
zakdoeken en bladen papier. Alleen Sneeuw, de koele, onaandoenlijke
Sneeuw, stond maar onverstoorbaar te galmen:
Pourquoi ne pas m'aimer....
Tu veux donc que je meure....
--'n Kopje thee! smeekte Eva de Bruin.
--O, 't is ook veel te warm om zoo te dansen, hekelde Emilie. Kijk
hij er nou 's uitzien, wees zij op haar verloofde, Robert, wiens
heele gezicht, tot in den hals en onder het wit-bloode haar, met een
vlammend tomaat-rood was bedekt.
--Nou, ik heb 't óok warm! pff! zuchtte Karel: 'n Sandwich en 'n
sigaret en 'n glas port, of ik verga!
De uitgeputten en dorstenden werden gelaafd, de verhitte gezichten
verfrischt door eau de cologne, en het duurde niet lang, of de
gesprekken waren weer in vollen gang. Bij de thee's van de Eva-redactie
deed zich altijd dit eigenaardige verschijnsel voor, dat de bezoekers
en bezoeksters maar een vluchtig moment op het bureau vertoefden,
terwijl daarentegen de "stamgasten" tot in het oneindige bij elkander
bleven zitten, en praatten, totdat zij opeens allen tegelijk opstonden
en vertrokken, omdat zij merkten, dat het al zoo "vreeselijk" laat was.
--Zeg, wist Sneeuw. Er is een nieuw boek uitgekomen. Of boek, of
brochure, hoe wil je 't noemen. Nou, dat heet: Die Aristokratie
der Schönheit. En in 't tweede deel daarvan hebben ze 't over de
"Frauenherrschaft".
--Ha! riep Emilie geïnteresseerd.
--Wacht, hier heb ik 't programma.
--De vrouw heeft drie rijken: namelijk van het geweld, van de
schoonheid, en van den geest.
--Hè, van 't geweld! keurde Eva de Bruin af. De vrouw is immers steeds
't zinnebeeld geweest van de zachtheid! "Zachtheid zal den dwingland
leiden...." "Schoonste deugd van schoone zielen...."
Maar Sneeuw onderbrak onbarmhartig Eva's ontboezemingen door verder
te lezen.
--Möglichkeit der Frauenherrschaft.
--Weib kann warten.
--Kan wachten, o! protesteerde Eva de Bruin.
--Wie weit geht die Opferwilligkeit des Mannes?
--Tot in 't grenzenlooze! riep Robert.
--Ja, die heeft geen grenzen, omdat die in 't geheel niet bestaat,
beet Emilie hem vinnig toe.
--Das Weib fängt an zu denken....
--Ja, _dat doet 't wijf_, zei Emilie, met zooveel overtuiging,
dat zij niet eens bemerkte "wijf" te hebben gezegd, vóor Bonnie
misprijzend riep:
--De vrouw alsjeblieft!
--Der Weg zur Herrschaft.
--Waar is dat boek te krijgen?? vroeg Eva de Bruin gretig.
--Frauen aller Lander vereinigt euch!
--Ja! tot een "Frauenstaat", riep Emilie geestdriftig.
--Stellung des Mannes im Frauenstaat....
--Zie je wel! triomfeerde Emilie. 'n _Frauenstaat_ wórdt bedoeld!
--Ach, lieve, lieve vrouwen! riep Max, en sloeg de handen in de
lucht. Blijf, o, blijf, die je ben! Heusch, de vrouwen kunnen de
mannen al ongelukkig genoeg maken....
--Erken dan, erken, dat 't wel en wee van de man van de vrouw
afhankelijk is!
--Ik erken, dat Adam's wel en wee van Eva afhankelijk is.
--Eva is de opperheerscheres!
--Eva is de opperheerscheres, ja! zei Max. En ik geloof, dat er géen
man ter wereld is, die z'n hoofd niet zou willen buigen voor de vrouw,
die hij liefheeft.
--Max! zei Clara naast hem, zacht, nam zijn hand, en drukte die
spontaan. En die daad van het anders zoo terug-getrokken meisje trof
hem zeer; hij wist zelf niet waarom, zoodat hij blij was, toen het
kind Karel in helsche kreten verviel:
--Hoera, Eva! leve, leve Eva! Eva, hoch!
Jan nam met overdreven hoffelijkheid een roos uit de vaas, die altijd
op Max' schrijfbureau stond, naderde Eva de Bruin, en bood haar,
potsierlijk-gebarend, de bloem.
--O! o! riep Eva, gelukzalig.
--Ja, goed! riep Sneeuw, Eva is nu de heerscheres in het rijk der
schoonheid, maar wie is de heerscheres in 't rijk des geestes? (Niemand
die zich ooit voor Eva de Bruin geneerde.)
--Eleonore! riep Max onmiddellijk. Hij zag niet de kleur, die bij
het hooren van dien naam Clara's heele gelaat overtrok.
--Ha, ja! Eleonore! riep Sneeuw.
--Ha, ja! Eleonore! bauwde Karel na. De groote geest!
--De chroote cheest! maakte Mientje het nog mooier.
--Mientje! riep Max streng.
--Ik spot niet! zei Mientje, zich verschrikt verdedigend.
--Ik vind juffrouw van Aalst, 'n merkwaardig mensch, zei Emilie met
waardeering. Veel te goed, om door kinderen belachen te worden.
--Ik acht haar hoog, zei Gerrie, ze is zoo verstandig, en toch ook
zoo zacht.
--En ik vind 't zoo flink van haar, dat ze ongetrouwd wil
blijven! bewonderde Eva de Bruin. Ze zegt ronduit, dat 't huwelijk
voor háar 't ideaal niet is! Verbeeld je ongetrouwd willen blijven!
--Willen! willen! wacht maar even! riep Jan. Hij krabbelde wat op
een stukje papier, en kondigde aan:
--Lied op Eleonore.
Luisteren jullie allemaal? En hij declameerde:
Omdat haar niemand heeft verkoren,
Heeft zij de mannen afgezworen.
O! Eleonore!
Maar komt er een met lonk en lach,
Dan trouwt zij morgen aan den dag,
Eleonore!
Leonore!
Lenore!
Nore,--
Ach!
Allen lachten, en deden uitroepen van bewondering om Jan's vernuft
en vlugheid van rijmen, maar Max, met flikkerende oogen, stond opeens
voor Jan, en rukte hem het stukje papier uit de handen.
--Bah! lafaard! stiet hij uit.
Er was een oogenblikkelijke ontsteltenis. Jan keek verbouwereerd,
Sneeuw suste: Nou, nou! Eva de Bruin bleef nerveus doorgichelen,
Emilie gaf Max gelijk, Mientje en Gerrie praatten samen: Was dat nou
zoo erg? 'n grap! Ja, wèl erg, ze moesten zoo iets op Eleonore niet
zeggen. Nou, juist, omdat d'r geen schijntje van waarheid in is....
Max' lippen beefden nog van plotselinge ontroering; hij hoorde het
gekakel wel om zich heen, maar hij nam er geen notitie van. Met
bitsen blik bezag hij nog Jan, terwijl hij het papier in elkaar
frommelde, en het met een nijdigen ruk in de prullenmand wierp. Toen
keerde hij zich om, en kreeg een schok, die hem van het hoofd tot
de voeten doorliep. Want daar stond Clara, met een donkeren blos
op het gezicht, en de treurige oogen vol tranen. Zij had zijn
geheim geraden.... maar _hij_ ook het háre.... _zij_ was de Eva,
de schrijfster der brieven.... en zij had hem lief....
Hij kon niets zeggen, niets doen; de aandoening klopte hem door
het bloed, en hij vreesde door een enkel woord zijn gevoelens te
verraden. Eerst moest die troep hier weg zijn, dan....
Hij ging staan voor het raam, en tuurde in de straat, zóo weg in zijn
gedachten, dat hij geen acht gaf op de schouderkloppen van Karel:
--Kom, Max, boy, ben je nou gek? of op de troostredenen van Sneeuw,
dat Jan zoo'n vreeselijk berouw had, of op het gekerm van Jan zelf,
die zijn stem had teruggekregen, en schreeuwde, dat hij het nooooit
weer zou doen....
Hij lette op niets, totdat de vreemde nevel uit zijn hersens was
weg-gedreven, en hij weer denken kon.
Het was hem, of hij was ondergedoken geweest in een donkerte van
raadsel en twijfel, en nu plotseling weer boven-kwam, verhelderd,
verruimd, in het besef, dat hij zich had vergist.... maar dat zijn
vergissing schitterend hersteld worden kon....
Wat vond hij het nu zonderling te bedenken, dat hij gewaand had,
deze oudere, moederlijke, al te onafhankelijke vrouw lief te
hebben.... terwijl naast hem het bloeiende jonge meisje stond, dat
hem helpen en leiden wou, en het zeker beter zou kunnen, omdat zij
met hem gelijk in jaren was, en hem dus beter begreep....
Hoe dwaas, hoe dwaas, dat een menschelijke geest zoo gemakkelijk op
dwaalwegen komt.... En wat een groot geluk dan, te merken, dat alles
toch terecht komen zal....
Goed kind, sterk kind.... dat haar liefde verborgen hield, zoolang
als het noodig was.... die niets vroeg voor zichzelve, en alleen
maar wilde, dat _hij_ een beter, een mooier, een grooter mensch
worden zou....
Ziezoo nu was hij weer kalm, heel kalm en tevreden. Hij wendde zich
naar het gezelschap, dat zich nog steeds uitputte, om hem tot bedaren
te brengen.
--Soedah! zei hij. Zanik toch niet door. Ik ben 't al lang weer
vergeten.
--O, zoo! nou, zég dat dan!
--Waarom sta je dan zoo van lotje getikt uit 't raam te kijken?
--Gaat 't jóu wat aan?
--Nou, soedah! riep ook Sneeuw. Niet meer over spreken! Mientje, mag
'k jou nog 's 'n sandwich presenteeren?
--Hemel, ik dank je wel, ik heb er geloof ik, al vijfentwintig
gegeten....
--Excusez du peu!
--Ik moet ook trouwens naar huis. Hemel, 't is al half zes.
--Hemel! 't is al half zes! riepen Gerrie en Emilie. En in een
oogenblik verdrongen de meisjes elkaar voor den spiegel, om de hoeden
op te zetten, zij trokken de handschoenen aan, en accepteerden het
geleide van een cavalier, of sloegen het beleefdelijk af.
--Clara, ik breng jou thuis, zei Max, zonder te vragen, of zij het goed
vond, en Clara antwoordde niet. Zij voelde zich zoo vreemd bewogen;
zij wist, dat zij aan Max haar liefde verraden had, zij had begrepen,
dat hij van een andere hield.... en toch was zij aangedaan met een
lichte vreugde, terwijl zij diep bedroefd was tegelijk....
Zij kon zijn geleide niet weigeren; zij vertrouwde zich nu niet
genoeg om een luchtigen, schertsenden toon aan te slaan. Zij was wel
veel liever rustig alleen naar huis gegaan, maar zij voelde zich zóo
verlegen nú tegenover hem, dat zij zonder eenig protest zijn gezelschap
aanvaardde. Wat zou hij zeggen?.... Hij zóu iets zeggen, dat begreep
zij. Maar zij zou het niet toe-laten o, nooit! dat hij haar troostte
met de banale, ijdele, ongemeende woorden, die hij, zij wist het,
voor alle voorkomende gelegenheden in voorraad had. Liever.... liever,
dan dat hij zóo tot haar sprak, zou zij breken met hem, zag zij hem
nooit meer terug. Zij was geen Eva de Bruin, zelfs geen Gerrie, die
zich deemoedig tevreden stelde, met de kruimpjes, die er afvielen
en overbleven van zijn genegenheid. O, als hij durfde! als hij zóo
tegen haar durfde spreken, als tegen de anderen!....
Zij trilde van opgewondenheid en nervositeit, en toch beheerschte
zij zich uit alle macht. Gelukkig, dat niemand iets van het incident
tusschen Max en haar had gemerkt; zij hadden het allen veel te druk
met Max gehad, Max was altijd het middelpunt....
Onder rumoerig gelach en gescherts waren de meisjes en jongelui uiteen
gegaan. Luide groeten riepen zij nog elkander na, met grapjes op Eva
de Bruin, die telkens nog omkeek naar Max, maar te veel haast had,
om thuis te komen, daar haar Pa met eten niet wachten wou, en zij
Max dus niet na-loopen kon.... en op Emilie, die Robert stevig onder
den arm had genomen, en hem weg-voerde in haar veilige hoede.... Maar
Clara kon niet mee-lachen en pret-maken, zooals anders; zij was niet
vroolijk; het tintelde tot in haar vingertoppen van een vreemden
angst.... zij was zóo bevangen door het besef, dat hij haar liefde
voor hem nu wist, dat zij met neergeslagen oogen voort-liep, in een
sterken aandrang tot schreien.
--Clara, zei Max, toen de anderen uit het gezicht verdwenen waren. Ik
heb iets in je houding gezien, iets, dat me moed geeft, om zoo tegen
je te spreken, als ik nu ga doen, Clara. Ik heb je....
Een snelle, sterke blos bekleurde haar heele gezicht. Zou hij toch,
o, zou hij toch....
--Stil, Max, zeg niets verder, vroeg ze zacht. Je mág niet zoo tegen
me spreken.
--Claartje, wat bedoel je?
--Ik ben niet als die anderen allemaal, barstte zij uit. En als je 'n
gentleman was, dan zou je er niet op letten, dat ik in 'n onbewaakt
oogenblik me heb verraden. Nee, daar zou je niet op letten. 't Is
leelijk van je, leelijk, te zeggen, dat je daardoor "moed" hebt
gekregen, ik vind 't geen moed, ik vind 't lafheid, laagheid!
--Clara, je vergist je. Zie me 's aan, kind?
De toon van zijn stem was zoó dringend-ernstig, dat zij onwillekeurig
de oogen naar hem opsloeg. En tot haar verbazing, maar ook tot haar
vreugde zag zij, dat er niets van overmoed was in zijn gezicht. De
uitdrukking in zijn oogen verwarde haar: zij had die er nog nooit in
gezien: zijn blik was zoo vriendelijk, zoo teeder bijna.... Maar zij
begreep het nog niet.... er was toch immers een andere?....
--Ik had niet moeten spreken van moed, ik had moeten zeggen, dat ik zoo
dankbaar ben, zoo dankbaar, voor wat 'k opeens heb begrepen. Clara,
laten we geen preutsche praatjes houden; jij hebt me lief.... mag ik
dat zoo maar zeggen? En ik heb jóu lief, Clara.
--O, Max, Max, hoe kan je dat nu zeggen, terwijl je zooeven mij
openlijk hebt getoond....
--Wat?
--Hoe je dacht over....
--Over Eleonore?
Zij wendde haar gezicht van hem af.
--En toch heb 'k haar niet lief, Claartje, maar jou. Kan je me
begrijpen? of wil ik later alles eens duidelijker zeggen?
--Nee, nu, nu.
--Ik.... ik dacht.... ik verbeeldde me, dat ik van Eleonore hield. En
toch wás 't niet zoo. Dat is zoo iets vreemds, zoo iets wonderlijks
in me geweest, dat ik 't mezelf nog niet goed kan verklaren. Hoe
zou 't mogelijk zijn, dat ik haar liefhad, zij zoo wijs, zoo koel,
en.... zooveel ouder dan ik. En toch, ik begrijp m'n vergissing ook
weer wèl. Wat ik in haar zocht, was, wat ik bij geen enkele vrouw
nog had gevonden: ernst, toewijding, onzelfzuchtige liefde, en vooral
hoopte ik van haar: steun, leiding, hulp. Maar _liefde_ van mijn kant,
was 't niet. En nu moet 'k je wat zeggen, Clara. Maar je moet goed
luisteren. Dat verlangen van mij naar ernst in een liefdesverhouding,
die behoefte aan hulp, die wil om op te zien, naar de vrouw, van wie
ik houd, dat alles, wat beter in me is, dan 't lage, alledaagsche
van m'n natuur, dat alles heb _jij_ in me opgewekt, Clara.
--Ik?
--Ja.... Ben jij dan de "Eva",--de schrijfster van de brieven niet?
Zij boog het hoofd zoo diep, dat hij niets van haar gezicht kon zien,
dan een streep van haar hoog-blozende wang.
--En toen je me zoo aankeek, straks, je weet wel, toen had er opeens
'n omkeer in me plaats. Al m'n gedachten en gevoelens wervelden dol
door elkaar. Een oogenblik was ik totaal de kluts kwijt. En toen
opeens werd 't me zoo helder: dat ik de schrijfster van die brieven
had liefgehad.... al lang.... al zoo lang....
--O, is dat waar?....
--Ja! dat ik haar, haar-alleen, en al lang had
liefgehad.... Lieveling.... lieveling.... geloof je me?
--Ja.... ja.... ik kan niet anders, dan je gelooven.... Max.
--En dat ik zocht naar de geest, die die brieven schreef, dat weet
'k nu. Ik zocht, ik zocht.... en toen, ja! toen vergiste ik me,
en dacht, dat Eleonore....
--'t Is geen wonder.... Eleonore is zoo veel....
--Juist, juist, omdat ze zoo veel meer dit en dat is, dan
jij.... daarom, dáárom is ze voor mij niet geschikt. Begrijp je dat?
--Ik heb de goede maat? vroeg zij, en keek schalks lachend tot hem op.
Het trof hem, hoe mooi en lief zij eensklaps werd, nu zij zoo
blij lachte.... Zij had dus ook nog een anderen kant, dan ernst
alleen.... En dat was goed voor hem, héel goed,--veel beter dan
"degelijkheid", zonder meer, die hem toch noodzakelijk op den duur
moest vervelen....
--Schat!.... fluisterde hij.
Zij bloosde, en boog het hoofd, maar keek hem toch weer aan, en hij
vond, dat zij al mooier en mooier werd.
--Had je dan gedacht, dat Eleonore de brieven schreef?
--Ja.... nee.... dat heb ik nooit in ernst gedacht. Misschien, als
'k me precies rekenschap had gegeven van alles, zou 'k zelf wel
hebben ingezien, dat zij toch niet was, zooals ik verlangde. Zij kan
niet jong en vroolijk meer zijn.... En dat heb 'k toch óok noodig;
daar zou 'k m'n heele leven toch niet buiten kunnen. Gelukkig, dat
Eleonore wijzer was dan ik....
--Hoe dan?....
--Wel, omdat ze me, goddank, heeft afgewezen....
--O! heb je haar....
--Ja.... Stelt je dat teleur, lieveling?
--Nee.... ik....
--Ik geloof wel 'n beetje? Maar wees er niet bedroefd om, hoor? Je
moet er dankbaar voor zijn, dat je overmoedige Max, met zijn "kleine
ijdelheid", je weet wel, hè?.... zoo'n vernederende ondervinding
heeft opgedaan....
--'t Is toch niet zoo heel prettig, te weten, dat je alleen faute
de mieux....
--O, maar, kind! kind! wat vertel je nu?
--Ja: als zij je maar had aangenomen, dan....
--Dan zouden we 'n tijdje geëngageerd zijn geweest, ja! Maar lang
had ik 't niet uitgehouden. Dat weet ik nu wel. Liefje, kan jij óok
al zoo echt-meisjesachtig jaloersch zijn? Vermakelijk!
--Lach jij maar.... jij begrijpt niet, dat ik me eigenlijk vernederd
door je aanzoek moet voelen.
--Jij? jij? vernederd door 'n aanzoek van mij? van mij, Max? Grappig
kind!
En hij barstte uit in zoo'n schaterenden lach, dat zij onmogelijk
haar gezicht ernstig kon houden onder zijn joligen blik, en ten slotte
maar mee-lachte.
--Hoor, zei hij, nu weer ernstiger. Als er ook maar iets in was,
dat onaangenaam voor jou kon zijn, dacht je dan, dat ik er zoo maar
luchtig met jou over spreken zou? Dan zweeg ik er in dit oogenblik toch
over, kind? Nee, kom, laten we nou blij zijn, laten we nou vroolijk
zijn.... D'r ontbreekt niets aan m'n geluk, dan één enkel ding....
--En wat?
--'n Zoen.
--Die krijg je straks, hoor?
--Lieveling....
--O, Max, wat kijk je sentimenteel....
--Ja, dat kan 'k óok wel. Maar pas nu maar op. Ben je niet bang,
dat ik je al je vinnige reprimandes en boozigheden betaald zetten zal?
--Nee, daar ben 'k heelemaal niet bang voor.
--Waarom niet?
--Omdat ze je veel te veel goed hebben gedaan.
--Heusch, kan je dat merken? vroeg hij, jongensachtig.
--Goeie, lieve jongen, zei ze, en stak spontaan even haar arm door
den zijne. Wat is 't goed, o, wat is 't goed, dat ik me over jou
heb ontfermd.
--O, dat is edel!
--Spot nou niet, hoor, dat wil ik niet.
--O, nee, Eva.
--Ja, dat is wel goed, noem me maar Eva. Dat herinnert je er aan,
wat ik eigenlijk voor je ben....
--Wat dan?
--'n Meesteres.
--Uitstekend! uitstekend!
--Nee, zeg, Max.... we zijn nu haast thuis.... zeg, ben je nooit boos
geweest om die brieven?
--Woedend, dikwijls! Verontwaardigd!
--Ja, ik kon 't niet helpen....
--Nee, maar m'n woede bewijst immers, hoe zeer ik je woorden noodig
had? Troost je maar.... heb maar geen spijt.
--O, spijt? Nooit. Ik heb alleen misschien spijt....
--Waarover dan?
--Dat 'k zoo onweerhouden blijk heb gegeven, hoeveel ik van je
hield....
--Houd, hoop ik?
--Maar 'k dacht ook niet, dat je óoit zou weten....
--Ja, daar heb je 't nou! Je blijft toch vrouw, 'n echte vrouw, en je
verraadt je natuurlijk toch in zoo'n geval. Daar ben je vrouw voor....
--Nee, hoor hem!
--Maar 't spijt je toch niet, dat 'k nu weet, wie je bent, en gelukkig
gemaakt word door jou?
--Nee, nee, dat niet!
--Nou, dan geen muizenissen meer.... Of is er werkelijk nóg wat?
--Ja, ik heb medelijden met....
--Met Eva de Bruin zeker? Ja, dat is 'n moeilijk geval; ik ben nu
eigenlijk met twee meisjes geëngageerd,--en met twee Eva's nog wel!
--Spot maar. Nee, met die heb ik geen medelijden, maar met Gerrie.
--Gerrie is 'n goed en aardig kind, maar toch niets voor mij?
--Maar heb je dan geen medelijden met haar? Ze houdt toch van je?....
--En wie weet, hoeveel er houden van jou, die jij ongelukkig maakt,
door met _mij_ te trouwen?
--Hándige jongen....
--Ik ben niet handig.... Ik wil alleen maar niet meer over allerlei
kwesties praten.... Ik wil gelukkig zijn! Genieten van m'n geluk!....