II.

Den volgenden morgen werd hij wakker, doordat de deur van zijn kamer

openging, en hij zijn vriend Robert Roodhaar verschijnen zag. Roodhaar

was Robert's bijnaam, ter oorzaak van zijn wit-blond, bijna kleurloos

haar,--zooals den roodharigen Frits Verhaeren de naam van "Sneeuw"

was gegeven,--hij heette eigenlijk Lam, maar hij had zoozeer het land

daaraan, dat hij zich getroost Roodhaar had hooren doopen.

Robert Roodhaar trad toe op het bed, waarin, tot zijn verbazing,

Max hem vriendelijk lag toe te lachen.

--Ben je dan niet ziek?

--Nee, zoon van Walter Scott. Wat doe jij zoo vroeg op de vlakte?

--Vroeg? wat scheelt je toch? 't Is tien uur. Waarom ben je niet

op kantoor?

--Ik had geen zin.

--Geen zin?!

--Nee.

--En dat vertel je zoo kalm? Ben je plotseling gek geworden, of....

--Nee, gek ben 'k niet en kachel ben 'k óok niet, en ziek ben 'k

ook niet.

--Ik kwam even de Mercure de France bij je aanreiken. Ik dacht

natuurlijk, dat je op kantoor was. Toen zegt me je huisjuffrouw:

Ga u maar 's na binnen, meneer doet zoo raar, hij het gerust de koorts.

Max barstte in lachen uit.

--Zei ze dat?

--Ja, ze had je om acht uur geklopt. Meneer, sta u op! Nee, had

je gezegd. Is u ziek, meneer? Dat niet, juffrouw, maar ik heb nog

slaap. Dag, juffrouw. Ze had je nog 's geroepen, en nog 's geroepen,

maar je had alleen maar gesnorkt.

--Dat wil 'k waarachtig wel gelooven, ik ben pas om vier uur gaan

maffen.

--Wat heb je dan uitgevoerd?

Max richtte zich wat op, en wijzend met zijn vinger naar Robert,

zei hij met nadruk:

--Ik heb vannacht m'n fortuin gemaakt.

--Hij is verdomd gek, zuchtte Robert, en viel verslagen neer op een

stoel. Max lag hem met ondeugend-schitterende, "echt-krankzinnige"

oogen aan te kijken.

--Nee, 'k word griezelig van je, hoor. Zooeven was d'r 'n jongetje van

je kantoor geweest, toen heeft de juffrouw de boodschap mee-gegeven,

dat je de "koorts in 't hoofd" had. Maar dat geloof ik nou werkelijk

ook.

--Ha! ha! lachte Max. Met een energieke beweging sprong hij uit

het bed, en plaste een stortenden stroom in de waschkom. Blijf je

ontbijten?

--Ik héb natuurlijk al ontbeten.

--Ja, maar, hè, als ik je inviteer op pâté de foie gras.... en sardines

in tomatensaus.... hè?

--Zit 't er zoo aan?

--Nog niet, maar jij leent me wel 'n rijkspop.

--Ik?!

--Ja, jij, knipoogde Max. Toe, boy, terwijl ik me aankleed, ga jij

nou even naar Botter, je weet wel, en haal de dingen, en vergeet niet

'n paar broodjes, geraspte broodjes....

--Ben je goed wijs?

--Ga nou, als je terug-komt zal 'k je alles vertellen. Ga nou, ik

ontbijt anders alleen maar met 'n kop chocola, ik wil 't d'r nou

's van nemen. Je zal ophooren, zeg. 't Is voor jou óok voordeelig,

daarom bewijs me voor 't laatst 'n liefdedienst, en haal de pâté.

--Je hebt toch geen erfenis gekregen, die je met mij wil deelen?

--Mieux que ça.

Robert stond nog besluiteloos bij de deur. Uiterst nieuwsgierig was

hij, want hij geloofde nu toch niet meer, dat Max ziek of krankzinnig

moest zijn. Hij zag veel te helder en te vergenoegd uit zijn oogen,

zijn bewegingen waren veel te energiek en te krachtig. Wat was dat

gezicht veranderd; hoe stond het pijnlijk en somber en lusteloos

gisteren nog,--en nu straalde het, stráálde het letterlijk.

--Zeg 't me nou eerst.

--O, god, nee man, 't is 'n heel verhaal. Ga nou, ik ben dadelijk

klaar.

Toen Robert terug-kwam, en naar Max' tevredenheid de boodschappen

punctueel had verricht, beval Max, dat er eerst zou ontbeten worden,

voor hij begon te vertellen.

--Ik heb zoo'n allemachtige honger, zeg, ik zou nu toch niet kunnen

praten.

Zij aten. Max smeerde de pâté dik op het open-gesneden broodje,

en keek Robert van tijd tot tijd aan met veelzeggend-ondeugenden

blik. Ja, jong, als je 't hoort! als je 't hoort! Zeg, jij kan je

journalisten-baantje d'r dan óok wel bij neerleggen, hoor. Jij ben ook

'n knappe kerel.

--Ja, god, ja, ik heb goed genoeg m'n verstand, maar....

--Dat bedoel ik niet, ik bedoel je uiterlijk.

--M'n uiterlijk?

Max barstte bij het zien van zijn vriend's onthutst gezicht in zoo'n

dollen schaterlach uit, dat hij niet tot bedaren kon komen, totdat

hij zich bijna verslikte; toen kalmeerde hij.

--Ja, nou begrijp ik d'r niks meer van.

--Hoeft ook niet. Wacht maar, je zal 't nou gauw hooren. Hij liet

het laatste restje tomatensaus op zijn broodje druppelen, at het op,

en zei:

--Ziezoo. Nou nog 'n sigaret, en ik ben je man. Merci, zei hij, en

nam een sigaret uit Robert's aangeboden koker. Nou nog 'n vlammetje....

Hij plofte in zijn matten stoel, leunde gemakkelijk daarin, en sloeg

de beenen over elkaar.

--Nou moet je goed luisteren, zeg, en al je aandacht....

--Ja, schiet maar af.

--Nou, ik moet je dan zeggen, dat 'k al 'n heele poos beu ben van dat

beroerde, verdoemde leven, dat 'k dag aan dag moet leiden. Ik heb me

kop te barsten gedacht, om iets te vinden....

--Nou ja.

--Dat interesseert je niet, hè? Maar dat is anders juist 't

interessantste. Enfin. Nou, ik héb wat bedacht.

--Zoo?

--Ja. Ik ga 'n tijdschrift oprichten.

--Jij? 'n Tijdschrift? Nou, dat is 'n héél nieuw idee. 'n Tijdschrift!

--Maar wat voor een! 'n Heel nieuw idee is 't, daar heb je gelijk in,

absoluut nieuw, gloednieuw, oorspronkelijk, origineel....

--Ga voort.

--'n Tijdschrift voor dames.

--Phh! dàt is werkelijk iets nieuws.

--Doe niet zoo minachtend. 'n Tijdschrift voor dames, ja. Onder

_mijn_ redactie. Omdat ik zoo'n "bekoorlijk" uiterlijk heb. Vat je

't nu? Ik zweer je, ik heb succes. Ik laat prospectussen drukken

met mijn portret, en 't loopt storm. Daar ben ik van overtuigd. Als

medewerkers neem 'k ook alleen "knappe" jongens aan. Wat zeg je?

--'n Verdomd goed idee! riep Robert, enthousiast, en sloeg zich op

zijn knie.

--Zie je nou wel?

--En _ik_ val óok in de termen? Zeer geflatteerd.

--Ja, je haar is wel wat wit, maar je bent toch 'n "aardige" jongen. En

je teekent je stukken: Robert Roodhaar. Dat staat pikant.

Robert moest lachen.

--'t Is 'n kranige inval.

--Nietwaar? _Alle_ bladen voor vrouwen staan onder redactie van

'n vrouw. Kan je je voorstellen, hoe pikant 't is voor de abonnées

nu altijd met 'n man te doen te hebben? Zeg? Nou moet 'k nog meer

medewerkers gaan opsnorren. Of ze talent hebben, komt er zooveel niet

op aan, dat begrijp je, als ze d'r maar goed uitzien, en aardig in

de omgang zijn.

--Valt Sneeuw d'r dan buiten?

--Sneeuw .... 't is zoo'n geestige vent.... die kan ik niet

missen. Nee, die moet meedoen. Dan dient hij maar als repoussoir voor

de anderen.

--En de uitgever?

--Ik heb gedacht over Wouters. Dat is 'n eerlijke, soliede, joviale

kerel.

--Maar heeft geen geld.

--Ik help 'm d'r boven op. Hij verdient 't. We gaan zoometeen dadelijk

met 'm spreken. En zeg, dan huren we 'n nette verdieping af voor

bureau; ik heb m'n privé kantoor.... En we zullen allerlei wedstrijden

verzinnen: 'n schoonheidswedstrijd, 'n wedstrijd in 't liefdesbrieven

schrijven.... en houden dan plechtig prijzenuitdeeling....

--En je kan picnics organiseeren, en bals....

--O, jé, 't maakt éclat! We gaan nu dadelijk 't bekend maken, en

adverteeren, dat er nú al ingeschreven kan worden, dan weten we,

met hoeveel abonnementen we beginnen, begrijp je?

--En de titel?

--De titel weet ik óok al. 'n Prachtige. Ik zal je zeggen, hoe ik

d'r aan gekomen ben. Door die ellendige geschiedenis van Marceline

Kam en die Spaansche schilder.

--O, die weg-geloopen is met die schilder?

--Ze is niet weg-geloopen. Ze is gescheiden van Kam, en getrouwd met

die schilder. Nou, ze woonde in Parijs, en daar is plotseling die

schilder aan typhus gestorven, en zij heeft ook de typhus gehad, en

't kind is dood, tenminste, 't ging mis daardoor. Verschrikkelijk, hè?

--Och, ja.

--Jij kende d'r niet?

--Nee, wel veel over hooren spreken, natuurlijk.

--Nou, ik ben d'r wel 's geweest, maar ik moet je zeggen, 't heeft me

beroerd getroffen, toen ik 't hoorde. Ze schijnen bar gelukkig samen te

zijn geweest. En hij schilderde haar. 't Schilderij was nog niet af....

--Is zij weer beter?

--Beter, nee, ze sukkelt nog altijd. Ze heeft, geloof ik, niet veel

besef. Misschien wordt ze wel krankzinnig.

--En is ze nog in Parijs?

--Nee, d'r eerste man, Kam, de bankier, heeft d'r

terug-genomen. Verdomd mooi, hè?

--Ja.

--Nou, die Marceline werd door haar man geschilderd als "Eva,"--Eva

hier genomen als het type, het oerbeeld van de vrouw,--en daardoor

ben ik op 't denkbeeld gekomen, ons blad: _Eva_ te noemen. Wat denk

je daarvan?

--Uitstekend!

--Ik dacht óok, dat d'r geen betere naam voor gevonden kon worden. En

dan heeft die tragische historie van Marceline zoo'n indruk op me

gemaakt, dat ik denk 'n roman daarover te gaan schrijven in ons blad.

--Kan je dat doen?

--Natuurlijk als ik de namen verander, en de situaties verander.

--Nu dat's óok 'n goed idee. Pakkend, spannend.

--Ja, 'n roman van _mijn_ hand.... zooiets moet wel, dat zal een

voorwaarde van Wouters zijn, en daarom ben 'k blij, dat 'k zoo'n mooi

onderwerp heb, nu kan 'k 'm die beloven.

--Moet mijn portret óok niet in de circulaire?

--Nee, walgelijke ijdeltuit. Maar zoo gauw je 'n langer stuk hebt,

zetten we je d'r bij hoor, in 't blad.

--Mooi zoo.

--'t Zal 'n sensatie geven! 'n Sensatie! Binnen 't jaar voorspel ik

je duizend abonnées.

--Toe maar.

--O, ik ben volstrekt niet te optimist.

--En wat wordt 't? 'n "Weekblad? 'n maandblad?

--'n Weekblad natuurlijk. Ze moeten dikwijls wat van ons hooren.

--Als 't goed gaat, kan je ook nog 'n huwelijksbureau bij de affaire

oprichten....

--Niet schuin worden. Heb je nog 'n sigaret? Merci. Nou, laten we nou

's recapituleeren, want we moeten goed weten wat we Wouters zullen

zeggen. Je hebt immers tijd?

--Ja, ik moest de soesoehoenan van Betsjoeanaland, of hoe heet dat

heer, aan 't station gaan opvangen, maar hij komt pas om twee uur,

hoorde ik daar.

--Prachtig; schrijf jij op.

Robert haalde zijn reportersboekje voor den dag, en legde het open

op zijn knie.

--Weekblad oprichten. Naam: Eva. Redactie: Max van den

Heuvel. Medewerkers: Robert Roodhaar, Sneeuw....

--Sneeuw kan je niet zetten; als je al onze aliassen neemt, lijkt

't blad wel 'n Humoristisch Album.

--Frits Verhaeren, schreef Robert gehoorzaam.

--Nou, en dan Jan, en Karel.... en.... ja, d'r zijn d'r eigenlijk

niet zoo bar veel....

--Nee, als 't tenminste allemaal beaux garçons moeten zijn.... Maar

_ik_ zeg je, dat 'n leelijke baas, als hij maar brutaal en geestig is,

minstens evenveel succes heeft bij de vrouwen, als 'n "mooie" jongen.

--Als 'n domme, idiote, onnoozele "mooie" jongen, maar als die mooie

jongen nou óok nog geestig is, en brutaal?....

--O, maar waar vind je die exemplaren?

--Een heb ik er gevonden, dat is al ruim genoeg, zei Max, en streek

met zoo'n welbewust air van tevredenheid zijn kleinen zwarten knevel

op, dat Robert lachend een vloek uitstiet.

--Pedant être!

--Zelfkennis, is dat pedanterie? vroeg Max onschuldig. Maar de vreugde

schitterde hem uit de oogen, en lachte van zijn bewegelijke lippen.

Hij voelde zich zóo luchtig, zóo blij, na den zwaren tijd, dien

hij had doorgemaakt, dat hij geheel veranderd was, verruimd, haast

opgetogen. Zijn eigenlijk-opgewekt temperament herstelde zich weer,

hij werd opnieuw de oude dolle Max, die wagen durfde, en zeker was

te winnen.

--Rubrieken?

--Hoofdartikel. Ik weet wel niet, wie dat geregeld schrijven

moet.... maar 't hoort in zoo'n blad. De vrouwtjes houden er van

bepreekt te worden.

--Nou, dan kan jij 't niet doen: als de vos de passie preekt.... Maar

Karel is daar zoo uitstekend geschikt voor, zeg, die lijmt alles aan

elkaar. En laat 'm dan onderteekenen: Kaatje!

--Ben je gek?.... Schetsen, novellen, romans, verzen.... daar

zullen _wij_ wel allemaal voor zorgen, desnoods onder verschillende

pseudoniemen. Correspondentie.... dat doe _ik_. Ik lach me 'n ongeluk,

als ik daaraan denk. Nou, dan: ingezonden stukken.... die zullen we

genoeg krijgen. Wedstrijden....

--En moet je niet wat over de vrouwenbeweging hebben? Daar kan je

haast niet buiten in 'n modern damesblad.

--Dat is waar. Maar ik zie waarachtig geen kans.... Laten we daar

dan nog maar wat mee wachten. Daar zal dan wel 'n medewerker of

medewerkster voor opduikelen.

--Nee, 't is beter, er dadelijk mee te beginnen. Dat geeft fidutie. Als

ze merken, dat wij mannen zoo degelijk zijn, en dat _wij_ er voor

willen zorgen, dat de vrouwen meer rechten en meer vrijheid krijgen....

--Nou, goed, dan zal ik wel 's 'n paar artikelen schrijven, om 't

vrije huwelijk aan te bevelen, en te zeggen, dat 't onderzoek naar

't moederschap verboden moest zijn....

--Nou zonder gekheid. Ken je Eleonore van Aalst?

--Die blauwkous?

--Wees nou niet zoo ouderwetsch. 't Is geen blauwkous, zelfs niet in

jouw beteekenis. 't Is 'n verstandige, door en door degelijke vrouw....

--Ik kén die verstandige, degelijke vrouwen. Ze zijn niet te genieten.

--Met verstandig en degelijk bedoel ik hier, dat ze niet overdrijft;

niet met politie-agenten vecht, niet met 'n bel staat te luiden,

tijdens 'n rede van haar tegenpartij, geen invallen doet in de

Kamer....

--Ach, is 't zoo'n wonder?

--Ja, ze is kalm, bezadigd; feministe uit overtuiging, maar niet

doordrijverig, niet lastig.... verstándig is ze, in één woord.

--Nou, goed, vraag jij d'r dan?.... Als ze tenminste niet te oud

is.... We mogen de "Eva'tjes" niet afschrikken. Ons motto zal zijn:

Alles wat liefelijk is, en wèl luidt.

--Dus nu zijn de voorloopige besprekingen afgeloopen?

--Ja, we hebben genoeg om Wouters lekker te maken. Wat zal hij

opkijken!!

--Ik heb niet veel tijd meer, zie je, ik moet nog lunchen ook.

--Best, dan stappen we op. We treffen Wouters nog net; hij is altijd

voor twaalf op zijn kantoor. Zeg, je moet niet te hooge eischen

stellen, wat honorarium betreft, hoor? we mogen 'm niet afschrikken.

--Wat vraag jij dan?

--Ik ben redacteur.

--Maar wat vraag je?

--Drieduizend pop.

--Drieduizend!!

--Nou, tweeduizend dan. Maar minder geen cent.

Het vroolijke leven · 第 6 / 11 题