I.

Met groote stappen liep Max van den Heuvel zijn kleine kamer op

en neer. Er lag een diepe frons tusschen zijn oogen, en soms beet

hij ongeduldig zijn sterke witte tanden in zijn onderlip. Door het

open raam kwam de koele avondlucht naar binnen, maar hij had het

warm,--benauwd, broeiend warm in de bedompte ruimte, en toch stond

het hem tegen, nu nog naar buiten te gaan.

Waar moest hij heen? Een eenzame wandeling maken? Naar het een of

ander café, waar hij wel kennissen zou ontmoeten, om zich door hen

vrij te laten houden? Bah! hij had er genoeg van! hij had er meer

dan genoeg van!

Driftig keek hij om zich heen. Alles irriteerde hem hier....of liever

het _niets_ irriteerde hem hier. Want wat bezat hij? wat kon hij in de

wereld het zijne noemen? Die armzalige meubileering van deze armzalige

kamer, was nog niet eens zijn eigendom. De matten stoel bij het raam,

de onoogelijk-kleine tafel, dat geverfde kastje, 't was meer dan min,

en toch, dát zelfs, niet eens van hem.

Thans werd het te erg. Hij hield het gewoon niet uit. Nog langer te

leven op dat hongerloon van zes gulden in de week, hij bedankte er

eenvoudig voor. Was hij, Max, nu daartoe geboren?....

Moest hij misschien nog blij wezen, dat hij dit werk mocht

doen? Klerkje spelen, den heelen dag gebogen zitten over idiote

papieren, bebromd als een kleine jongen, wanneer hij zich eens

vergiste.... Dat moest uit zijn! uit zijn!

Hij stampte met den voet op den grond. Wat een scharrelleven had hij

geleid, sinds hij zijn juridische studiën vaarwel zei. Maar je moet

maar pech hebben in het leven. Als zijn vader slechts een paar jaar

later gestorven was, dan zou hij advocaat zijn geweest. De menschen

hadden goed praten: dat hij tóch voort had moeten gaan; er waren er

zóóveel, die een betrekking waarnamen, en toch voort studeerden.... En

als hij dan geen kleeren had, en geen woning had? en moest hij soms

van zijn zes gulden in de week het college-geld oversparen?

Hij had wel eens wat meer verdiend met journalistiek werk; maar dat

was toch maar voor korten tijd geweest. Neen, daar was hij óók al niet

voor geschikt. Neen! Waarom het niet eerlijk te constateeren: hij wás

geen mensch, om moeizaam droog brood te verdienen. Hij deed het wel,

natuurlijk, omdat het moest, maar het was geen leven. Hij voelde veel

te goed, dat er iets in hem zat; zonder ijdel te wezen kon hij zichzelf

dit gerust bekennen. Hij kon schrijver wezen, dichter, dramaticus,

als de omstandigheden hem daartoe maar in de gelegenheid stelden. Hij

was er niet iemand naar, om de prachtigste romans en verzen neer

te kunnen pennen op de flardige randjes van couranten-papier of de

achterzijde van aan de deur afgegeven drukwerkjes, gezeten op een

stoel met anderhalven poot, en bij het licht van een kaarsje op een

oude flesch.... Bah! bah! hij moest ruimte, licht, weelde, om zich

heen hebben, of er kwam niets van hem terecht. Niets!

Hij moest iets bedenken, om uit deze onmogelijke positie te

geraken. Hij dacht al dagen lang, zonder verder te komen. En toch had

hij een eed bij zichzelven gedaan, dat hij zich redden zou. Kom! hij

had toch capaciteiten genoeg, om iets hoogers in de wereld te zijn, dan

wat hij nu was,--hij had recht op een betere positie in het leven, ja,

recht! recht! Hij, met zijn uiterlijk, met zijn ontwikkeling, met zijn

beschaafde manieren, met zijn aanleg.... behoefde toch niet eeuwig een

walgelijk stumperdje te blijven op een kantoor, met een loon van zes

gulden per week voor zesenvijftig uren werk?.... Nog geen twaalf centen

per uur, de helft van wat de eerste de beste timmerman of metselaar

verdiende.... nauwelijks opperman's-loon was het, en daar moest hij,

_hij_ zich mee tevreden stellen. En dan klaagden die lui nog, god

beter 't, ze werden socialist, omdat ze werden "uitgebuit",--en wat

werd _hij_ dan?!.... En wat waren zij dan nog bij hém vergeleken?

Hij had gedacht, gedacht, hoe hij toch aan dit armoe-lot kon

ontkomen. Hij was bijvoorbeeld uitstekend op de hoogte van vormen

en goede manieren. Maar wat kon hij daarmee verdienen? Hij kon toch

niet zoo maar het een of ander parvenus-huis binnen-stappen, met de

boodschap, dat hij hier "manieren wou komen onderwijzen"? Wie hielp

hem aan een familie, die behoefte had aan dat onderwijs? Hij kon

toch óok niet adverteeren: "_Gedistingeerd jongmensch biedt zich aan,

om parvenu's te beschaven_"?

Ook kon hij zich wel "verhuren," om als voorname gast diners en soirées

met zijn tegenwoordigheid op te luisteren. Maar _daarvoor_ was zijn

naam nu weer niet goed genoeg. Van den Heuvel kon iedereen heeten,

en dat hij nu toevallig was van den aristocratischen tak, dat stond

niet op zijn aangezicht te lezen. Of liever, dat stond _wel_ op zijn

aangezicht geschreven, maar dat was niet voldoende. Was hij maar van

adel, dan, ja, dan zou hij altijd nog wel steun kunnen vinden. Dan

was er wel iemand te vinden, die niet graag zou zien, dat zijn naam

"door het slijk gesleurd" werd, en den jongen bloedverwant daarom

voorthielp, desnoods in de diplomatie....

Hij moest toch even lachen om die gedachte: _desnoods_ in de

diplomatie.... En wat was hij nu? Mon dieu!

Maar toch.... had hij geen familie, bestond er niemand, aan wien

hij zich presenteeren kon, zeggende, dat hij tot een wanhoopsdaad in

staat zou zijn, als men hem liet zonder hulp? Want dan zou hij gaan

zwendelen of stelen of pornografische boeken schrijven.... Neen! dat

kon hij toch niet gaan zeggen, omdat hij dat immers nooit zou doen!

Teekenen voor koloniaal? Daar had hij feitelijk geen physiek

voor. Bakker worden? brandweerman? Heel goed. Maar, zouden ze hem

aannemen? Ach, neen, in dergelijke beroepen werd hij niet toegelaten.

Maar het was toch te gek, zie je, te gek, dat Max zoo maar kalm hier

zat te verhongeren. _Iets_ móest er gebeuren.

Goed gezegd, maar wat?

Zijn vrienden konden hem niet helpen. Die waren voor het meerendeel

even arme slokkers als hij. Of ze leefden in verhoudingen, die het

hun onmogelijk maakten een broeder in den nood bij te staan.

Hij moest in deze zaak vertrouwen op zichzelf. Op zijn eigen vlugge

hersenen, op zijn eigen minder-vlugge handen....

Zijn handen, ja, gespierd waren ze wel.... voor roeien, tennissen,

en schermen geschikt genoeg.... wacht! kon hij geen les in tennissen

geven?

En waar moest hij dat dan doen? Hier op zijn kamer? Neen, maar dat

was toch wel iets, om over te denken. Hij werd dan gewoon meegenomen

naar het veld, en geïntroduceerd door den jongeheer of de jonge dame,

die(n) hij les gaf, als kennis. Een wit-flanellen pak zou zooveel

niet kosten. Ja, waarachtig, dat was een idee.

Maar een oogenblik later dacht hij alweer: Nou, ja, het is een goede

gedachte, en ik zal het misschien ook wel doen, maar fortuin zal ik

met dat baantje toch zeker niet maken. En daarom is 't me toch te doen.

Rusteloos stapte hij zijn kamer op en neer, op en neer. Hoe langer

het duurde, eer hij iets vond, hoe ongeduriger en ongehumeurder hij

werd. Hij moest maar naar bed gaan. 't Gaf hem allemaal toch niets. En

wat had hij er aan, om morgen met een dof hoofd op dat ellendige,

broeiwarme kantoor te zitten, zoodat elk woord hem inspanning

kostte, en de pennehouder zich bijna niet door zijn loome vingers

liet voort-bewegen....

Maar hij zou immers toch niet kunnen slapen? O, neen. Daarvoor werkte

zijn hoofd veel te snel en te helder. Hij moest nog maar eens verder

denken....

Als hij eens een speelbank oprichtte? Houders van speelbanken maakten

altijd fortuin. Als ze tenminste voorzichtig waren, en zorgden buiten

de handen der politie te blijven.... Maar....

Hè, vervloekt! er was toch ook altijd een "maar"! En toch had hij

met dat "maar" rekening te houden. Want om een speelbank te kunnen

beginnen, daarvoor was kapitaal noodig. En wie zou hem dat willen

voorschieten? Wie zou zich aan een dergelijke risico wagen?....

Maar, lieve hemel, was er dan niets, niets voor

hem te vinden? Dat kón toch niet. Dat was toch

godsonmogelijk.... gods-terwereld-onmogelijk....

Was er geen geld te slaan uit zijn literaire talenten, die hij toch

werkelijk, sans blague, bezat.... Letterkundige begaafdheid hád hij,

dat was hem meermalen door bevoegde kunstrechters verzekerd. Maar

als hij niet het geluk had in den populairen smaak te vallen, dan

was het immers toch niets gedaan?....

Hij stond voor den kleinen spiegel, die boven den schoorsteenmantel

hing, en bekeek zich, zonder dat hij het zich bewust was,

aandachtig. Een aangenamen indruk maakte hij.... flinke oogen,

hoog voorhoofd.... Toen ging hij kijken met meer besef, en terwijl

hij zichzelf zoo bezag, dwaalden er gedachten door zijn hoofd, die

allengs een vaster vorm aannamen.... literaire gaven.... succes bij

vrouwen.... Zijn hersenen werkten al sneller en sneller.... in een

oogenblik verzon hij combinaties.... zette hij schema's in elkaar,

en spon ze uit.... Zoo zou het gaan.... Zóo kon het.... moest het....

Zijn gezicht begon al vroolijker te staan, terwijl hij dacht en

dacht. En eensklaps sprong er een zware vloek hem van de lippen,

en hardop riep hij:

--Ik ben er! ik heb 't gevonden!

Hij zette zich neer in zijn stoel, legde het eene been over het andere,

en omgreep den enkel met beide handen. Zijn wenkbrauwen fronsden zich

van het ingespannen denken, maar nu hij eenmaal "het" gevonden had,

was de nadere uitwerking van zijn plan niet zoo moeilijk meer. Zijn

oogen begonnen te stralen van ondeugend pleizier.... en tot laat in

den nacht bleef hij zitten fantaseeren, en bekeek zijn prachtig plan

vergenoegd van alle kanten.

Het vroolijke leven · 第 5 / 11 题