Achter den ruwen muur aan den rand der bergkloof, waardoor de ijlweg
liep, waren zij allen vereenigd, die zonderlinge mannen, die het
leven met zijn lief en zijn leed, zijne plichten en zijne vreugde,
die der samenleving en de familie waartoe zij behoorden den rug
toegekeerd en zich in de woestijn teruggetrokken hadden, om daar,
nadat zij vrijwillig afstand hadden gedaan van elk ander streven, al
worstelend te jagen naar een doel, dat verder dan dit leven ligt. In de
zwijgende eenzaamheid, ver van de verleidingen dezer wereld, scheen het
eerder te zullen gelukken alle zinnelijke begeerlijkheden te dooden,
de kluisters van het lichaam te verbreken, en alzoo den door de zonde
en het vleesch aan den stof gebonden mensch nader te brengen tot de
reine en geestelijke godheid.
Al deze mannen waren christenen, en evenals de Heiland door het
kruis dat hij vrijwillig op zich nam, tot Verlosser was geworden,
zoo zochten ook zij door de reinigende kracht van het lijden zich
te bevrijden van alle bestanddeelen der onreine menschelijke natuur,
en door zware boete het hunne bij te dragen tot uitdelging van hunne
eigene schuld, en die van hun gansche geslacht. Geene vrees voor
vervolging had hen naar de woestijn gedreven, maar de hoop op eene
overwinning, die moeielijker dan eenige andere te behalen was.
Alle Anachoreten, die zich bij de wachtposten verzameld hadden,
waren Egyptenaars en Syriërs, en vooral onder de eerste bevonden zich
velen, die reeds in den dienst van de oude goden uit hun vaderland
zekere voorliefde hadden getoond voor onthouding en boete, en nu
als christenen zulke plaatsen kozen tot het tooneel hunner vrome
oefeningen, waar de Heer zich aan zijne uitverkorenen geopenbaard
had. Later werd niet alleen de Sinaï maar ook de geheele landstreek
van Petraeïsch Arabië, die, naar men zegt, de joden na hun uittocht
onder aanvoering van Mozes doortrokken, met asceten van dezelfde soort
bevolkt, welke aan de plekken waar zij zich nederzetten de namen gaven
van de in den bijbel voorkomende rustplaatsen, waar het uitverkoren
volk een tijdlang had vertoefd. Doch er was nog geen verband onder de
op zichzelf staande boetelingen; hun leven was nog niet naar zekere
regelen ingericht. Men telde ze nog slechts bij tientallen, ofschoon
hun aantal weldra tot honderden en duizenden zou aangroeien.
Het dreigend gevaar had al deze verachters van de wereld en het
leven, die het oog onafgebroken op den dood gericht hielden, met
stormachtige drift bij den wachttoren saamgebracht. De oude Kosmas
alleen, die zich met zijne vrouw, die hier gestorven was, op den
Sinaï had teruggetrokken, was in zijn hol gebleven, en verklaarde zijn
lotgenoot Gelasius, die hem drong te vluchten, dat hij te vreden zou
zijn, op welken tijd of van welke plaats de Heer hem ook opriep. Het
lag in Gods hand of de ouderdom dan wel een pijlschot voor hem de
poorten des hemels zou openen. Maar gansch anders dachten de andere
Anachoreten, die door de smalle poort van den wachttoren naar binnen
stormden, totdat het inwendige gedeelte propvol was, zoodat Paulus,
die met het gevaar voor oogen weder geheel tot kalmte was gekomen, een
pas aangekomene den toegang beletten moest, om de dicht opeengepakte
bevende menigte voor onheil te bewaren.
Geene aanstekelijke ziekte gaat zoo spoedig van het eene dier op het
andere over, geen bederf zoo snel van vrucht op vrucht, als de vrees
van het eene menschenhart op het andere. Zij die door den angst het
meest als met scherpe geeselslagen vervolgd werden, hadden het hardst
geloopen en waren het eerst bij het kasteel aangekomen. Jammerend
en weeklagend hadden zij hen, die later kwamen, ontvangen, en het
was treurig om te zien, hoe die door vrees gefolterde menigte, te
midden van gebeden en hoogdravende verzekeringen, dat zij zich aan
Gods leiding overgaf, de handen wrong, en hoe daarbij ieder in het
bijzonder kinderachtig bezorgd was, om toch zijne kleine bezitting,
die hij gered had, zoowel voor het oog van zijne metgezellen als voor
de hebzucht van den naderenden vijand te verbergen.
Tegelijk met Paulus verschenen Sergius en Jeremias, wien hij reeds
onderweg moed had ingesproken. Alle drie deden zij hun best om
het vertrouwen der vreesachtigen weder op te wekken, en toen de
Alexandrijn hun herinnerde, hoe ijverig ieder van hen voor eenige
weken had geholpen, om de blokken en steenen op den muur en naar de
helling te wentelen, ten einde ze op den aandringenden vijand neer te
ploffen en te slingeren, begon menigeen overtuigd te worden, dat hij
zich ten aanzien van de verdediging reeds verdienstelijk had gemaakt,
en dat het zijn plicht was haar verder door te zetten.
Het aantal der mannen, die zich buiten den toren waagde, werd hoe
langer zoo grooter, en toen Hermas, wien Mirjam op den voet volgde,
verscheen, met zijn vader op den rug, en Paulus de hem omringende
metgezellen vermaande, om aan deze daad van kinderlijke liefde een
voorbeeld te nemen, lokte de nieuwsgierigheid ook den laatste, die
nog in den toren was achtergebleven, naar buiten.
De Alexandrijn sprong over den muur, ging Stephanus te gemoet, liet hem
van de schouders van den hijgenden jongeling op de zijne overklimmen
en droeg hem zoo naar de wachtpost. Maar de oude krijgsman weigerde
de ruimte binnen te gaan, die hem beschermen kon, en bad zijn vriend
hem bij den muur op den grond neder te zetten. Paulus vervulde zijn
wensch en besteeg vervolgens met Hermas de spits van den toren,
om van daar den omtrek te overzien.
Zoodra hij zich verwijderd had, zeide Stephanus, terwijl hij zich tot
de hem omringende Anachoreten wendde: "Deze steenen staan los en mijne
kracht is gering, maar toch groot genoeg om ze door een stoot naar
beneden te wentelen. Komt het tot een strijd, dan zien mijne oude
soldatenoogen, hoe dof zij ook geworden zijn, met behulp der uwen
toch veel, waarvan gij jongeren partij kunt trekken. Maar voor alle
dingen is noodig, opdat de roovers het niet te gemakkelijk hebben,
dat hier éen het bevel voert en dat de anderen gehoorzamen."
"Gij, mijn vader," sprak hierop de Syriër Salatiël, "hebt in het
leger des keizers gediend, en bij den laatsten aanval uw moed en uwe
krijgskunst getoond. Wees gij onze bevelhebber!"
Stephanus schudde treurig het hoofd en antwoordde: "Mijne stem is zwak
en zacht geworden, door de wond hier in de borst en mijne langdurige
ziekte. In het gedruisch van den krijg zouden zelfs zij die vlak bij
mij staan mij niet kunnen hooren. Laat Paulus u aanvoeren, want hij
is sterk, voorzichtig en dapper."
Vele Anachoreten hadden reeds sedert lang op den Alexandrijn, als
hun besten steun, het oog gericht, want jaren lang had hij aller
achting genoten, en in ontelbare gevallen proeven van kracht en
onverschrokkenheid gegeven, maar bij dezen voorslag zagen zij elkander
verrast, aarzelend en afkeurend aan.
Stephanus bemerkte wat er bij hen omging en zeide: "Hij heeft zwaar
misdreven, en voor God is hij onder u zeker de laatste der laatsten,
maar in lichaamskracht en in wilden moed is hij uw meerdere. Wie
onder u zou zich in zijne plaats willen stellen, wanneer gij hem als
aanvoerder verwerpt?"
"Orion van Saïs," riep een der Anachoreten, "is groot en sterk. Als
hij wilde...."
Maar Orion weigerde bepaald dit gevaarlijk ambt op zich te nemen,
en toen ook Andreas en Jozef het hun opgedragen bevelhebberschap,
niet minder hartstochtelijk afsloegen, zeide Stephanus: "Gij ziet het,
er blijft ons niets over dan den Alexandrijn te verzoeken, zoo lang
de roovers ons bedreigen en niet langer, hier te bevelen. Daar komt
hij. Mag ik het hem vragen?"
Een toestemmend, zij het ook geen vroolijk gemompel was het antwoord,
dat de oude man ontving. Paulus geheel vervuld van den wensch, om hier
zijn bloed en zijn leven voor de verdediging der zwakken te wagen,
nam, blakende van strijdlust de uitnoodiging van Stephanus aan, als
iets dat vanzelf sprak, en begon zich aan het hoofd te stellen der
radelooze Anachoreten. Dezen zond hij als wachter naar de spits van den
toren, genen gelastte hij steenen aan te dragen, anderen beval hij,
als het gevaar naderde, de steenblokken en stukken rots naar beneden
te slingeren. Hij verzocht de zwakken zich bijeen te scharen en voor
de anderen te bidden en lofliederen te zingen. Voorts maakte hij met
allen afspraken omtrent wenken en teekens. Nu eens was hij hier,
dan weder daar, en zijn ijver en zorg voor alles deelden zich ook
mede aan de moedeloozen.
Te midden van al deze toebereidselen nam Hermas van hem en zijn vader
afscheid, want hij hoorde de Romeinsche krijgstrompet en den trommel
van de jeugdige manschappen uit Pharan, die langs den ijlweg naar boven
kwamen, om den vijand tegen te trekken. Hij wist waar de hoofdmacht
der Blemmyers stond en deelde dit den centurio Phoebicius en den
bevelhebber der Pharanieten mede. De Galliër deed Hermas eenige korte
vragen. Hij had den jonkman terstond weder herkend, want sedert hij
hem aan de haven van Raïthoe had aangetroffen, kon hij zijne oogen,
die hem aan Glycera herinnerden, niet vergeten. Nadat hij snelle
en bepaalde antwoorden ontvangen had, deelde hij haastig en met
omzichtigheid zijne bevelen uit.
Een derde deel der Pharanieten zou zijn weg voortzetten, onder
trommelslag en het blazen der trompetten, en wanneer de vijanden
naderden, naar de vlakte onder den wachttoren terugtrekken. Als
de Blemmyers zich daarheen lieten lokken, dan zou een ander derde
deel van de krijgslieden uit de oasen-streek, dat zich gemakkelijk
in een dwarsdal schuil kon houden, hun in de linkerflank vallen,
terwijl Phoebicius met zijn manschap zich zou verbergen achter de
rots waarop de toren zich verhief, om met een onverhoedschen uitval
den slag te beslissen. Het laatste derde deel der Pharanieten kreeg
in last, om onder aanvoering van Hermas, die de plaats kende waar zij
geland waren, de vaartuigen der Blemmyers te vernielen. In het ergste
geval kon de centurio zich met de zijnen in het kasteel terugtrekken,
en zich aldaar verdedigen, tot de soldaten uit de naburige havenplaats,
naar wie men boden had uitgezonden, tot ontzet kwamen opdagen.
De bevelen van den Galliër werden onverwijld opgevolgd, en Hermas
marcheerde aan de spits van de hem toevertrouwde schare zoo trots en
zich van zijne kracht bewust, als ware hij een keizerlijk veteraan,
die zijn legioen in het veld voert. Hij droeg pijl en boog op den rug,
en een strijdbijl, dien hij in Raïthoe gekocht had, in de hand.
Mirjam beproefde de door hem aangevoerde krijgers te volgen, doch
hij merkte haar op en riep haar toe: "Op de wacht, kind, bij mijn
vader." En de herderin gehoorzaamde, zonder zich te bedenken.
De Anachoreten in het kasteel waren allen naar den rand der steilte
gesneld, zagen hoe de strijdmacht verdeeld werd, wenkten en riepen
de soldaten naar beneden toe. Zij hadden gehoopt, dat een deel der
krijgers zich met hen vereenigen zou, om hen te beschermen, maar te
vergeefs, zooals zij spoedig zouden ondervinden.
Stephanus, wiens zwakke oogen niet reikten tot aan de vlakte aan
den voet der helling, liet zich door Paulus bericht geven van alles
wat daar plaats had, en doorzag, met den scherpzienden blik van een
krijgsman, het plan van den centurio.
Thans trok de door Hermas aangevoerde bende den wachttoren voorbij,
en de jongeling groette naar boven ziende zijn vader met gebaren en
woorden. Stephanus, wiens oor scherper was gebleven dan zijn oog,
herkende de stem van zijn zoon, en nam, zoo luid hij kon, met teedere
woorden van hem afscheid.
Paulus vatte de ontboezeming van den grijsaard in een enkelen volzin
samen, en zijne beide handen tot een roeper vereenigd hebbende, riep
hij den ten strijde trekkenden zoon van zijn vriend diens zegewensch
toe. Hermas verstond hem, doch hoezeer die groet hem ook aandeed,
hij beantwoordde hem toch slechts met een zwijgenden wenk. Een vader
vindt eer honderd woorden om te zegenen, dan een zoon een enkel woord
om te danken.
Toen de jongeling achter den rots verdween, zeide Paulus: "Als een oud
gediende stapte hij daarheen, en de anderen volgden hem als eene kudde
den hamel.--Doch nu! Hoort gij? Ja zeker! Thans is de eerste bende
der Pharanieten slaags. Het krijgsgeschreeuw komt nader en nader."
"Dan zal alles goed gaan," antwoordde Stephanus opgewekt. "Bijten zij
nu toe en laten zij zich hierheen lokken in de vlakte, dan zijn zij,
denk ik, verloren. Wij kunnen van hier uit het geheele beloop van
den slag overzien. Worden de onzen teruggedrongen, dan zou het licht
kunnen gebeuren, dat zij zich in het kasteel wierpen. Thans mag er
geen kiezelsteen te vergeefs geslingerd worden, want wanneer onze
wachtpost het middelpunt van den strijd wordt, zullen de verdedigers
werpsteenen noodig hebben."
Deze woorden waren door eenige Anachoreten gehoord, en toen nu het
krijgsgeschreeuw en het rumoer der slag al nader en nader kwam, en de
een aan den ander overbracht, dat hun toevluchtsoord het middelpunt
van den kamp zou worden, verlieten de benauwde boetelingen de hun
door Paulus aangewezene posten, liepen niettegenstaande de strenge
vermaning van den Alexandrijn hierheen en daarheen, en de meesten
voegden zich eindelijk bij de ouden en zwakken, wier lofzangen steeds
klagender werden, hoe meer het gevaar naderde.
Het luidst jammerde de groote Saïet Orion. Deze riep met opgeheven
handen: "Wat wilt gij van ons armen, o Heer? Toen Mozes uw uitverkoren
volk op deze plaats slechts veertig dagen liet, viel het dadelijk
van u af, en wij, wij brengen ook zonder aanvoerder ons leven door
in uw dienst, en hebben alles prijs gegeven wat het hart verblijdt,
en alle lijden op ons genomen, om u welbehagelijk te zijn! En nu razen
weder die afschuwelijke heidenen rondom ons, en willen ons dooden. Is
dat de prijs van onzen strijd en ons standvastig lijden?"
De ouderen stemden in met de klacht van den man uit Saïs. Maar Paulus
trad in hun midden, berispte hunne kleinmoedigheid en smeekte hen met
warme, dringende woorden op hunne posten terug te keeren, opdat ten
minste de muur aan de gemakkelijker te beklimmen oostelijke helling
bewaakt mocht blijven, en het kasteel niet als eene licht veroverde
buit in de hand mocht vallen van den vijand, van wien zij geene genade
hadden te verwachten.
Reeds maakten eenige Anachoreten zich gereed, om de vermaning van den
Alexandrijn te volgen, toen een ontzettend gehuil zich dicht bij den
voet van hun toevluchtsoord hooren liet. Dit was het geschreeuw van
de Blemmyers, die de Pharanieten vervolgden. Vol angst drongen zij
weder op éen hoop te zamen. Toen de Syriër Salatiël, die zich aan
den rand van de helling gewaagd en over den schouder van den ouden
Stephanus in de vlakte gezien had, met de bange kreet: "De onzen
vluchten!" naar zijne metgezellen terugvloog, schreeuwde Gelasius
zoo luid hij kon, terwijl hij zich op de borst sloeg en zijn zwart
krullend hoofdhaar uittrok: "Heere God, wat wilt gij toch van ons? Is
dan het streven naar gerechtigheid en deugd zoo ijdel en vruchteloos,
dat gij ons aan den dood prijs geeft, en niet voor ons tusschenbeide
moogt komen? Wanneer wij tegenover de heidenen het onderspit delven,
dan zal de goddeloosheid en het ruw geweld zich trotsch verheffen
als hadden zij den zege behaald over godsvrucht en waarheid."
Paulus had zich, buiten zichzelven en radeloos, van de klagenden
afgewend, en ging met Stephanus den loop van den strijd na. De
Blemmyers waren in groote menigte komen opdagen, en hun aanval,
dien de Pharanieten eerst slechts in schijn moesten ontwijken, was
zoo geweldig, dat én deze én de strijdgenooten, die zich met hen
in de vlakte vereenigden, niet in staat waren weerstand te bieden,
en teruggedrongen werden tot dáar waar de kloof van den ijlweg
smaller werd.
"Het gaat niet, zooals wij gewenscht hadden," zeide Stephanus. "En die
laffe hoop, dat vee," riep Paulus woedend, "laat de muur onverdedigd
en lastert God, in plaats van te waken of te strijden."
De Anachoreten zagen zijne gebaren, gelijk aan die van een
vertwijfelende. "Verlaat ons dan alles?" riep Sergius uit. "Waarom
ontsteekt het doornbosch zijn vuur niet, om de misdadigers in
zijne vlammen te verteeren? Waarom zwijgt de donder? Waar zijn de
bliksemschichten, die den top van den Sinaï omgaven? Waarom daalt er
geen duisternis neer, om de heidenen te verschrikken? Waarom splijt
de aarde niet, om hen te verslinden als de bende van Kora?"
"De kracht Gods," riep Doelas "legt de handen in den schoot. In welk
een twijfelachtig licht stelt de Heer niet onze vroomheid, daar hij
zich gedraagt als waren wij alle zorg onwaardig!"
"Dat zijt gij ook," schreeuwde Paulus, die de laatste woorden vernomen
had, en den kranken Stephanus naar den onbewaakten oostelijken muur
meer droeg dan geleidde. "Dat zijt gij ook, want in plaats van zijne
vijanden te weerstaan, lastert gij God en onteert gij u zelven door
uwe ellendige lafheid. Ziet dezen kranken grijsaard, die zich gereed
maakt om u te verdedigen! Volgt thans zonder te morren mijne bevelen,
of bij het bloed der heilige martelaars, ik sleur u bij de haren en
ooren naar uwe posten, en wil u...."
Maar hij sprak niet verder, want zijne bedreiging werd door eene
krachtige stem afgebroken, die bij den voet van den muur zijn naam
riep.
"Dat is Agapitus!" zeide Stephanus. "Breng mij naar den wal en zet
mij daar neder."
Eer hij den wensch van zijn vriend nog vervuld had, stond de bisschop
in zijne hooge gestalte aan zijne zijde. Agapitus, de Cappadociër,
was in zijne jeugd soldaat geweest. Hij had de grenzen van den
ouderdom ter nauwernood overschreden, en was een waakzaam herder
zijner gemeente. Toen de geheele jongelingschap van Pharan de
Blemmyers tegentrok, had hij geen rust in de oase, en nadat hij de
presbyters en diakenen bevolen had met de vrouwen en achtergeblevene
mannen in de kerk voor de strijders te bidden, was hijzelf, geleid
door een gids en vergezeld van twee acolythen, den berg opgestegen,
om bij den kamp tegenwoordig te zijn. Den anderen priesters en aan
zijne vrouw, die trachtten hem terug te houden, had hij geantwoord:
"Waar de kudde is, daar moet ook de herder zijn!"
Zonder dat iemand het had gezien of gehoord, was hij tot aan den
muur van het kasteel genaderd en getuige geweest van Paulus' hevige
woorden. Thans stond hij met rollende oogen tegenover den Alexandrijn
en verhief dreigend zijne krachtige hand, terwijl hij hem toeriep:
"Waagt het een uitgebannene zóo tot zijne broeders te spreken? Wil een
handlanger van den Satan den strijders des Heeren bevelen geven? Dat
zou u eene vreugde zijn, wanneer gij met uwe athletische armen den
roem terug kondet winnen, die uwe door zonde en schuld ontzenuwde
ziel heeft verspeeld. Hierheen, mijne vrienden, de Heer is met ons
en zal ons behoeden!"
Paulus had zwijgend den bisschop laten uitspreken en hief even als de
andere Anachoreten zijne handen op, toen Agapitus in hun midden trad
en een kort haastig gebed uitsprak. Na het 'amen' wees de bisschop
als een veldoverste aan ieder, ook aan de oudsten en zwaksten, zijn
plaats aan bij den muur en achter de werpsteenen, en riep toen met
eene luide stem, die boven alles uit werd gehoord: "Toont heden,
dat gij strijders zijt van den Allerhoogste!"
Niemand verzette zich tegen hem, en toen zij man voor man op hunne
posten stonden, liep hij naar de helling en volgde opmerkzaam den
slag die onder hem woedde.
De Pharanieten weerstonden thans met goed gevolg den aanval der
Blemmyers, want Phoebicius had, nadat hij met zijne soldaten uit de
hinderlaag te voorschijn was gekomen, de dichte drommen der zonen
van de woestijn, die kwamen aanstormen, in de flank aangetast en
hen, dood en verderf verspreidende, in twee deelen gescheiden. De
goed uitgeruste en gewapende Romeinen schenen gemakkelijk spel te
hebben met hunne naakte tegenstanders, die zich, nu men handgemeen
was geworden, noch van hunne pijlen, noch van hunne lansen bedienen
konden. Maar de Blemmyers hadden in hunne herhaalde worstelingen met
de keizerlijke troepen geleerd hunne kracht te gebruiken, en zoodra zij
zagen dat zij tegen den aandrang hunner vijanden niet opgewassen waren,
hieven hunne aanvoerders een wonderlijk schril geschreeuw aan. Hunne
gelederen werden verbroken, en als een hoop vederen door een rukwind
aangegrepen, stoven zij in alle richtingen uit elkander.
Agapitus hield dit wegsnellen der woestijnbewoners voor eene wilde
vlucht, haalde dankbaar weder adem en maakte zich gereed om naar het
slagveld af te dalen en zijne verwondde geloofsgenooten een woord van
troost toe te spreken. Doch hij zou in het kasteel zelf gelegenheid
vinden om zijn vromen plicht uit te oefenen; want de herderin, die hij
reeds bij zijne aankomst had opgemerkt, stond vóor hem en zeide zeer
verlegen, maar toch snel en duidelijk: "De kranke Stephanus dáar, heer
bisschop, die de vader is van Hermas, en voor wien ik water draag,
laat u smeeken bij hem te komen, want zijne wond is opengegaan en
hij meent dat hij sterven zal."
De bisschop volgde terstond deze roepstem met haastige schreden,
en begroette den kranke, wiens wond door Paulus en de Saïet Orion
reeds verbonden was, met eene vertrouwelijkheid, die hij gewoonlijk
niet aan de overige boetelingen bewees. Hij kende den vroegeren naam
en de lotgevallen van Stephanus reeds lang, en op zijn verlangen
had Hermas zich bij de naar Alexandrië gezondene afgevaardigden
moeten aansluiten. Agapitus toch was van oordeel, dat niemand zich
uit den levensstrijd mocht terugtrekken, alvorens hijzelf daaraan
had deelgenomen. Stephanus reikte hem de hand, de bisschop zette
zich aan zijne zijde neder, gaf den omstanders een wenk, dat zij hen
alleen moesten laten, en luisterde opmerkzaam naar de zacht gesprokene
woorden van den kranke.
Toen de laatste zweeg, zeide Agapitus: "Ik loof met u den Heer, dat
hij uwe vrouw, die gij verloren waandet, den weg liet vinden die tot
hem voert, en uw zoon zal een flink krijgsman worden, gelijk gijzelf
geweest zijt. Uw aardsche huis is bezorgd, maar hoe zijt gij voor
het andere, het eeuwige voorbereid?"
"Ik heb achttien jaren geboet en gebeden en groote smarten geleden,"
antwoordde de kranke. "De wereld ligt verre achter mij, en ik hoop
het pad te bewandelen, dat ten hemel leidt."
"Zoo hoop ik ook voor u en uwe ziel," zeide de bisschop. "In de wereld
is uw deel geweest een zwaar kruis te dragen. Hebt gij getracht hun
te vergeven, die u het pijnlijkst lijden hebben aangedaan en kunt
gij bidden: 'Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze
schuldenaren?' Herinnert gij u het woord: 'Want zoo gij den menschen
hunne misslagen vergeeft, zoo zal ook uw hemelsche Vader u vergeven?'"
"Ik heb Glycera niet enkel vergeven," antwoordde de kranke, "maar haar
ook weder opgenomen in het heiligdom van mijn hart. Den man echter,
die haar schandelijk verleidde, den ellendeling, die, ofschoon ik hem
duizend weldaden bewezen had, mij bedrogen, mijne vrouw gestolen en
onteerd heeft, ook hem wil ik wenschen...."
"Vergeef hem," hernam Agapitus, "opdat ook u vergeven worde!"
"Ik beproef reeds sedert achttien jaar den vijand te zegenen,"
antwoordde Stephanus, "en wil het verder beproeven...."
Tot hiertoe had de bisschop zich geheel aan den kranke gewijd. Thans
werd hij echter van verschillende zijden geroepen, en Gelasius,
die met andere Anachoreten aan de helling stond, schreeuwde hem toe:
"Red ons vader, de heidenen klauteren daarboven tegen de rots op."
Agapitus gaf Stephanus met een gebaar den zegen, en zich omkeerende,
riep hij hem nog eens met hartelijkheid toe: "Vergeef, en de hemel
zal uw deel zijn!"
In de vlakte lagen vele gewonden en dooden, en de Pharanieten trokken
zich weder in de bergkloof terug. Want de Blemmyers waren niet
gevlucht; zij hadden zich slechts verstrooid en de rotsen beklommen,
die de vlakte omringden. Thans schoten zij van daar met pijlen op
hunne vijanden.
"Waar zijn de Romeinen?" vroeg Agapitus driftig den Saïet Orion.
"Zij trekken de kloof in, waardoor de weg hier naar boven leidt,"
antwoordde de gevraagde. "Maar zie nu, zie die heidenen! De Heer
zij ons genadig! Zij klimmen daar tegen de helling op, als de specht
tegen een boomstam."
"De steenen aangegrepen!" riep Agapitus, terwijl zijne oogen vonkelden,
den naast hem staande boetelingen toe. "Hoe staat het daarachter
bij den muur?--Hoort gij dat? Ja! Dat was de Romeinsche tuba. Moed,
broeders, de keizerlijke soldaten beschermen de zwakke zijde van
het kasteel.--Maar hier! Ziet gij daar in de spleet die naakte
gestalten? Hier met dit steenblok. Duw de schouders er krachtig
tegen aan, Orion! Salatiël, nog een ruk! Daar laat hij reeds los,
daar rolt hij naar beneden! Als hij nu daar bij de spleet maar niet
blijft hangen!--Neen! God lof, nu begint hij te vallen.--Dat was een
slag! En nu! Zes vijanden van den Heer zijn in eens verpletterd."
"Daar boven zie ik drie andere," schreeuwde Orion. "Hierheen, Damianus,
en help mij."
De geroepene en met hem nog een aantal anderen vlogen toe en de
eerste goede uitslag wekte zoo spoedig en wonderbaar den moed der
Anachoreten weder op, dat het den bisschop zelfs moeielijk viel hun
ijver te beteugelen, en hun aan het verstand te brengen, dat zij de
kostbare steenen wat moesten besparen.
Terwijl onder leiding van Agapitus de eene steen voor de andere
na werd nedergeworpen op de Blemmyers, die tegen de steile helling
opklauterden, zat Paulus naast den kranke met neergeslagen oogen.
"Helpt gij hen niet?" vroeg Stephanus.
"Agapitus heeft gelijk," antwoordde de Alexandrijn. "Ik heb voor
veel te boeten, en de kamp wekt de hartstochten op. Hoezeer dit het
geval is, dat bemerk ik aan de kwelling, die ik gevoel terwijl ik
stilzit. De bisschop gaf u zijn zegen."
"Ik nader het einddoel," zuchtte Stephanus, "en hij belooft mij den
hemel, wanneer ik hem ook van harte vergeef, die mij mijne vrouw
ontstal. Het zij hem vergeven, alles zij hem vergeven. Alles wat hij
aanvangt moge hem ten goede gedijen, ja zeker niet ten kwade! Voel
maar hoe mijn hart klopt; het zet zich uit, alvorens het geheel en al
ophoudt te slaan. Blaas ik den adem uit, breng dan alles aan Hermas
over wat ik u zeide, en zegen hem duizend- en duizendmaal in mijn naam
en in dien zijner moeder. Zeg hem nooit, neen nooit, dat zij in een
oogenblik van zwakheid den schurk, den man, dien ongelukkige meen ik,
dien ik alles vergeef, gevolgd is. Geef Hermas dezen ring, daarmede
en met den brief, dien gij onder de kruiden van mijne legerstede in
het hol zult vinden, zal hij zich begeven naar zijn oom, die hem zal
opnemen en hem eene plaats bij het leger bezorgen, zooals hem toekomt,
want mijn broeder staat in aanzien bij den keizer.--Hoor eens hoe
Agapitus de onzen aanmoedigt! Zij strijden daar dapper. Dat was de
Romeinsche tuba. Let op, thans zal de bende het kasteel bezetten
en van hier uit de heidenen beschieten. Breng mij in den toren als
zij komen. Ik ben zwak; ik wil nou eens al mijne innerlijke krachten
verzamelen en bidden, opdat ik kracht vinde den man niet alleen met
de lippen te vergeven."
"Daar beneden, zie, daar komen de Romeinen," viel Paulus den kranke in
de rede. Vervolgens schreeuwde hij naar beneden: "Hier op, hier! Verder
links zijn de trappen!"
"Daar zijn wij," antwoordde een barsche stem. "Mannen, blijft hier op
den voorsprong staan en houdt het kasteel in het oog. Dreigt u gevaar,
waarschuwt mij dan met de trompet. Ik klim naar boven; dáar van de
torenspits zal men kunnen zien hoever die honden gekomen zijn."
Onder het spreken dezer woorden had Stephanus opmerkzaam zitten
luisteren. Toen de Galliër weinige oogenblikken later den muur beklom,
en naar binnen in het kasteel riep: "Is hier niemand die mij de
hand reikt?" riep de kranke Paulus en zeide tot hem: "Til mij op en
ondersteun mij, spoedig!"
Met eene vlugheid, die den Alexandrijn in verbazing bracht, richtte
Stephanus zich op, boog zich over den muur naar den centurio, die juist
aan de andere zijde was aangekomen, zag hem met de grootste spanning
in het aangezicht, huiverde en reikte hem, terwijl hij alle krachten
inspande om zich te bedwingen, de magere hand om hem te steunen.
"Servianus!" riep de centurio, wien deze ontmoeting op deze plaats
hevig verschrikte, en die, niet wetende hoe zich te houden, nu eens
den grijsaard, dan weder Paulus aanstaarde.
Geen hunner kon woorden vinden om zijn gevoel uit te spreken. Doch
Stephanus' oogen hingen aan het gelaat van den Galliër, en hoe
langer hij hem aanzag, des te holler werden zijne eigene wangen,
des te bleeker zijne lippen. Daarbij strekte hij nog altijd zijne
hand naar den ander uit, misschien als teeken dat hij hem vergaf. Zoo
verliepen eenige pijnlijke oogenblikken.
Eindelijk begon Phoebicius te begrijpen, dat hij in dienst des
keizers den muur had beklommen, en in ontevredenheid over zichzelven
stampvoetende, greep hij haastig de hand van den grijsaard. Nauwelijks
echter gevoelde deze, dat de vingers van den Galliër de zijne
aanraakten, of als door den bliksem getroffen kromp hij ineen, en
met een heeschen kreet wierp hij zich op zijn doodvijand, die aan
den rand van den muur stond.
Paulus zag vol ontzetting dit ijselijk schouwspel aan, en riep
dringend met luider stem: "Laat hem los, vergeef hem, opdat de hemel
ook u vergeve!"
"Wat hemel, wat vergeving!" schreeuwde de oude man. "Hij zij verdoemd!"
Eer de Alexandrijn het verhinderen kon, begonnen de waggelende
rotsblokken, waarop de beide vijanden steunend met elkander worstelden,
los te raken, en beiden stortten met de vallende steenen in den
afgrond.
Paulus zuchtte uit de diepste diepte van zijn borst, en prevelde,
terwijl heete tranen langs zijne wangen rolden: "Ook hij heeft
gestreden, en ook hij heeft te vergeefs geworsteld."