NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Twee paden voerden van de oase over den berg naar zee. Beide liepen

door diepe steenachtige kloven, waarvan men de eene den ijlweg noemde,

omdat de reiziger langs dit pad spoediger zijn doel bereikte dan

langs den beteren weg door de andere kloof, die ook voor lastdieren

begaanbaar was.

Ter halver hoogte van den berg komt de ijlweg uit op eene effene

vlakte, die aan de westzijde begrensd wordt door eene hooge

rotsmassa, met steil afloopende wanden. Op die rotsen stond een uit

ruwe steenblokken opgetrokken toren, waarin de Anachoreten gewoon

waren zich terug te trekken, wanneer zij gevaar liepen overvallen te

worden. De plaats van dit kasteel, zooals de boetelingen den toren met

zekeren trots noemden, was goed gekozen, want van zijn top kon men niet

slechts door de kloof van den ijlweg tot in de oase zien, maar het

oog reikte tot aan de smalle met schelpen bezaaide woestijnstrook,

die de westelijke helling der heilige hoogten van het zeestrand

scheidde, ja tot aan de blauw-groene golven der zee en de verwijderde

heuvelketens van de Afrikaansche kust. Wat ook den wachttoren naderde,

hetzij van nabij, hetzij van verre, kon men van dezen zien.

De naar den weg toegekeerde helling der rotsmassa, waarop hij

gebouwd was, verhief zich zoo steil en was zoo glad, dat zelfs de

woestijnbewoners, die met hunne naakte voeten en gespierde armen

hoogten beklommen, die de steenbokken en de jakhals vermeden, haar

onbeklimbaar achtten. Van de andere zijde was hij beter toegankelijk,

en om hem ook daar te versterken, was er een zware muur opgetrokken,

die de vlakte, waarop het kasteel stond, in de gedaante van een

hoefijzer omgaf, welker einden uitliepen op de steilte van de kloof

waardoor de ijlweg liep. Dit gebouw was zoo ruw en onbehouwen uit

steenblokken opgestapeld, dat het er uitzag als ware het een gewrocht

der natuur, en niet door menschenhanden tot stand gebracht. De indruk

van ruwheid en onvolkomenheid, die het teweeg bracht, werd verhoogd,

door dat op de hoogte van deze, in de gedaante van een muur opgehoogde

steenen, een menigte grootere en kleinere stukken graniet lagen,

die door de Anachoreten waren saam gebracht, om ze bij een overval

op de roovers neer te rollen of te slingeren.

Men had ook in den rotsbodem van de door den muur ingeslotene vlakte

een waterput geboord, en droeg zorg dat deze altijd was gevuld. Zulke

maatregelen van voorzichtigheid waren noodig, want van twee zijden

dreigde den Anachoreten gevaar. Vooreerst van de Ismaëlietische

Saracenen, die uit het oosten op hunne rooftochten de berg- en

oase-bewoners overvielen en plunderden, even snel vluchtende als zij

onverwacht aangrepen. Ten anderen van de Blemmyers, de onbeschaafde

bewoners van de woestijn, die het vruchtbare Egyptische en Nubische

land begrensde, en inzonderheid van de naakte gebergten, die de Roode

zee van het Nijldal scheidden. De laatstgenoemden waren gewoon in

lichte bootjes de zee over te steken, en zich dan als een zwerm

sprinkhanen over den berg te verspreiden. De kleine voorraad en

de weinige noodpenningen, die de onbeschermde kluizenaars in hunne

holen bewaarden, hadden de Blemmyers telkens, en altijd weder gelokt,

ondanks de Romeinsche bezetting van Pharan, die gewoonlijk eerst op

het tooneel der plundering verscheen, als zij reeds lang met hunne

schralen buit gevlucht waren.

Weinige maanden geleden had er zulk een overval plaats gehad, waarbij

de oude Stephanus door een pijlschot was gewond, en men had allen

grond om te verwachten, dat de wilde roovers niet zoo spoedig zouden

terugkeeren. Phoebicius toch, de bevelhebber van den manipel Romeinsche

soldaten in de oase, was in zijn dienst gewoon scherp en doortastend

te handelen, en gelukte het hem ook al niet de Anachoreten geheel

voor roof te bewaren, hij had toch de bij zijne nadering vluchtende

Blemmyers achtervolgd en hun den weg tot de op hen wachtende booten

afgesneden. Niet ver van de kust, op de woestijnstrook die de zee van

den berg scheidde, kwam het tot een strijd tusschen de Romeinen en de

wilden, die met een geheelen ondergang van de laatsten eindigde, en er

was grond om te hopen, dat zulke ervaringen de zonen der woestijn tot

waarschuwing zouden zijn. Maar had tot hiertoe de licht te onderdrukken

begeerte om te rooven hen over zee gejaagd, thans dwong de heiligste

aller plichten, de wet die hun voorschreef wraak te nemen over het

vergoten bloed van zoovelen hunner vaders en broeders, een nieuwen

aanval te doen, met inspanning van al hunne krachten.

Zij hadden ditmaal met opzet de grootste voorzichtigheid in acht

genomen, en hunne jonge manschappen verzameld in verborgen dalen

achter de uitgestrekte bergketens langs den oever. In den eersten

donkeren nacht zou de tocht over den smallen zeeboezem, die hen van

het steenachtig schiereiland scheidde, plaats hebben, en toen nu

gisteren bij het ondergaan der zon zware onweerswolken samentrokken,

zich in onstuimige buien ontlastten en het licht der afnemende maan

verduisterden, trokken zij hunne bootjes en vlotten in zee. Zij zouden

de overzijde, den berg en misschien ook de oase bereikt hebben,

zonder door de wachters op den bergtop te zijn opgemerkt, die zich

tijdens het onweder onder hun schutdak hadden teruggetrokken, wanneer

niet iemand de Anachoreten gewaarschuwd had. Die man was Hermas.

De jongeling had, gehoorzaam aan het bevel van Paulus, drie van diens

goudstukken bij zich gestoken, zich van pijl en boog en wat brood

voorzien, en vervolgens, nadat hij vóor den ingang van het hol zijns

vaders den sluimerende een zachten groet had toegeroepen, zich naar

Raïthoe begeven. Blijmoedig in het gevoel van zijne mannelijke kracht,

trotsch op de moeielijke taak een aanstaand krijgsman waardig, die hem

was opgelegd en die hij dankbaar had aanvaard, om haar te volbrengen,

zij het ook ten koste van zijn leven, snelde hij bij het licht der

maan voort. Waar zich de weg in zigzag kronkelde, om den waarlijk

niet weekelijke woestijnreizigers het stijgen mogelijk te maken,

verliet hij het gebaande pad en klauterde van rots tot rots in eene

rechte lijn op en af. Op vlakke plaatsen joeg hij voort, als zaten hem

gerechtsdienaars op de hielen. Na zonsondergang versterkte hij zich

door iets te nuttigen, snelde daarna weder voort en lette niet op de

hitte van den middag of het mulle zand, waarin zijn voet wegzonk,

terwijl hij de zeekust volgde. Bij dat hartstochtelijk voorwaarts

ijlen dacht hij noch aan Sirona, noch aan zijn verleden, maar alleen

aan de bergen aan gene zijde der zee, aan de Blemmyers, en hoe hij ze

het best bespieden en, wanneer hij hunne plannen had vernomen, wederom

naar zee en tot de zijnen komen zou. Eindelijk, toen zijne vermoeienis

toenam, de middaghitte drukkender werd, het bloed hem sterker naar

het hart drong en sneller aan zijne slapen begon te kloppen, hield

hij geheel en al op te denken, en het eenige wat hem voortdreef was

enkel de wensch, zijn naaste doel zoo spoedig mogelijk te bereiken.

In de derde namiddagure zag hij van verre de palmen van Raïthoe, en met

nieuwe krachtsinspanning ijlde hij daarheen. Eer de zon onderging,

had hij den hem door Paulus aangewezen Anachoreten medegedeeld,

dat de Alexandrijn hunne uitnoodiging afsloeg en besloten was op den

heiligen berg te blijven. Vervolgens begaf Hermas zich naar de kleine

haven, om met de visschers van de plaats te spreken over eene boot,

die hij noodig had. Terwijl hij met een ouden Amalekietischen bootsman

onderhandelde, die met zijn zwartoogigen zoon netten in orde bracht,

naderden twee ruiters in snellen draf al meer en meer de bocht, waar

een groot vrachtschip voor anker lag, door kleine schuitjes omgeven.

De visscher wees op het schip en zeide: "Dat wacht op de karavaan

van Petra.--Die daar op de dromedaris zit is de groote keizerlijke

krijgsman, die bevel voert over de Romeinsche bezitting in Pharan."

Hermas zag Phoebicius hier voor het eerst, en hij verschrikte toen

deze op hem en den visscher aanreed. Ware hij de eerste opwelling

van zijn binnenste gevolgd, dan zou hij zich omgekeerd hebben en op

de vlucht zijn gegaan. Doch reeds had zijn helder oog den matten en

onderzoekenden blik van den centurio ontmoet, en zich schamende over

zichzelven bleef hij staan, sloeg de armen over elkaar en verwachtte

den naderenden Galliër trotsch en onbeschroomd.

Talib had den jonkman vroeger aan zijns vaders zijde gezien en herkende

hem. Hij vroeg hem dus of hij reeds lang hier was, of regelrecht van

den berg kwam.

Hermas antwoordde overeenkomstig de waarheid, en wist nu dat

de centurio het niet op hem gemunt had. Op dit punt geheel gerust

gesteld, zag hij den Galliër niet zonder nieuwsgierigheid aan, en er

speelde een lachje om zijn mond, toen hij zag hoe zich die magere,

door den langen en snellen rit afgematte oude man, nauwelijks meer op

zijn beest in evenwicht kon houden, en hij daarbij bedacht, dat deze

armzalige grijsaard de echtgenoot was van de jeugdige levenslustige

Sirona. Wel verre dat hij tegenover dezen man berouw zou gevoelen over

de inbraak in zijn huis, gaf hij gewillig toe aan de overmoedige luim,

die zich van hem meester maakte. Toen Phoebicius zelf hem nu vroeg,

of hij op zijn weg niet eene blonde vrouw met een hinkend hazenwindje

was tegengekomen, gaf hij ten antwoord, terwijl het hem moeite kostte

om niet in lachen uit te barsten: "Wel zeker! Zulk eene vrouw heb ik

gezien, en ook haar hazenwindje! maar ik geloof niet dat het lam was."

"Waar hebt gij haar aangetroffen?" vroeg Phoebicius haastig.

Hermas kreeg een kleur, want nu werd hij gedwongen eene onwaarheid

te zeggen, en het zou kunnen zijn, dat hij met een valsch bericht

Sirona benadeelde. Daarom gaf hij geen bepaald antwoord, maar vroeg:

"Heeft die vrouw eene misdaad begaan, dat gij haar vervolgt?"

"Een zware misdaad," antwoordde Talib. "Zij is de vrouw van dezen heer,

en heeft...."

"Wat zij misdreven heeft, gaat mij alleen aan," viel Phoebicius zijn

begeleider bits in de rede. "Ik hoop dat die daar beter gezien heeft

dan gij, daar gij die huilende weduwe uit Aïla met haar kind op den

arm, die de karavaan achterna liep, voor Sirona hebt gehouden.--Hoe

heet gij, knaap?"

"Hermas," antwoordde de aangesprokene. "En wie zijt gij?"

De Galliër opende den mond tot een heftig antwoord, maar hij hield het

terug en zeide: "Ik ben de centurio des keizers en vraag u hoe de vrouw

er uitzag, die gij gezien hebt, en waar gij haar hebt aangetroffen?"

De booze blik van den krijgsman en de woorden van zijn geleider

hadden Hermas overtuigd, dat de gevluchte Sirona niets goeds te

verwachten had, als men haar in handen kreeg, en daar hij volstrekt

niet genegen was hare vervolgers de hulpzame hand te bieden, zoo

antwoordde hij spoedig, terwijl hij zijn moedwil den vrijen teugel

liet: "De vrouw die ik ontmoet heb is zeker niet die gij zoekt. Die ik

zag was stellig niet de echtgenoot van dezen man, want zij kon eerder

zijne kleindochter zijn! Zij had blond haar en een blozend gezicht,

en het hazenwindje dat haar volgde noemde zij Jambe."

"Waar hebt gij haar ontmoet?" schreeuwde de centurio.

"In het visschersdorp aan den voet van den berg," antwoordde

Hermas. "Zij steeg in een bootje en voer weg."

"Naar het noorden?" vroeg de Galliër.

"Ik geloof het wel," antwoordde Hermas, "maar ik weet het niet,

want ik had haast en kon haar niet nakijken."

"Dan zullen wij beproeven haar in Klysma te vangen," riep Phoebicius

den Amalekiet toe. "Waren er maar paarden in deze verwenschte

woestijn."

"Vier dagreizen," antwoordde Talib bedenkelijk, "en achter Elim vinden

wij tot aan de Mozes-bron geen water. Ik wil mijn eigen paard met

een dromedaris verwisselen."

"En al kondet gij harddravers krijgen," viel Hermas hem in de rede,

"dan moogt gij, centurio, u niet te ver van de oase verwijderen,

want aan de overzijde, zegt men, verzamelen zich de Blemmyers, en

ikzelf vaar als verspieder over, zoodra het donker wordt."

Phoebicius zag, vervuld met sombere gedachten, naar den grond. Ook

tot hem was de tijding gekomen, dat de zonen der woestijn zich gereed

maakten tot een nieuwen strooptocht, en knorrig maar op vasten toon

riep hij den Amalekiet toe, terwijl hij zich van Hermas afkeerde:

"Gij reist alleen naar Klysma en tracht haar te vangen. Ik mag en

kan voor zulk eene ellendige vrouw mijn dienst niet verzuimen."

Hermas lachte eens vroolijk uit, toen hij de mannen, die zich

verwijderden, in een herberg zag verdwijnen. Alvorens de zee over

te steken legde hij zich in de visschersboot, die hij van den oude

voor een der goudstukken van den Alexandrijn gehuurd had, op de

netten neder, en versterkte zich door eenige uren aaneen vast te

slapen. Bij het opkomen van de maan, werd hij, zooals hij verlangd

had, gewekt, en hielp den knaap, die hem geleiden zou en met zeil

en roer wist om te gaan, het op het zand liggend vaartuig in zee te

trekken. Weldra schoot het, door eene zachte koelte gedreven, over de

gladde glinsterende wateren voort, en Hermas gevoelde zich daarbij zoo

levenslustig en vroolijk te moede, als een jonge adelaar die het nest

verlaat en voor het eerst de krachtige vleugels ontplooit. Hij had in

het ongekend en zalig gevoel zijner vrijheid wel willen juichen, en

de knaap aan het roer schudde verwonderd het hoofd, toen hij Hermas,

wel wat onbeholpen maar toch met stevige slagen, de riemen hanteeren

zag, die hij hem had toevertrouwd.

"De wind is goed," riep hij den Anachoreet toe, terwijl hij met

het touw, dat hij in de hand hield, het zeil naar de andere zijde

haalde. "Wij komen ook zonder uwe inspanning wel vooruit. Gij kunt

uwe krachten besparen."

"Ik heb overvloed van kracht en behoef er niet gierig mede te zijn,"

antwoordde Hermas en boog zich ver achterwaarts, opnieuw de riemen

stevig aanhalende.

Halverwege rustte hij uit en zag met welgevallen naar de maanschijf

en den blanken waterspiegel. Onwillekeurig moest hij aan den hof

van Petrus denken, die door hetzelfde zilveren licht beschenen werd,

toen hij Sirona's venster inklom. Het beeld van de schoone vrouw met

hare blanke armen kwam hem voor den geest, en een weemoedig gevoel van

heimwee bekroop hem. Hij slaakte een- en andermaal eene zachte zucht,

maar toen zijne borst zich voor de derde maal smartelijk verhief,

herinnerde hij zich het doel van zijn tocht, bedacht hij dat de ketens

die hem knelden gebroken waren, en in overmoed sloeg hij met de riemen

vlak op het water, zoodat het hoog opvloog, en een regen van helder

flikkerende diamanten over het vaartuig en hemzelven uitstrooide.

Hij begon op nieuw te roeien en begreep intusschen, dat hij wat

beters te doen had dan aan eene vrouw te denken. Het gelukte hem

ook gemakkelijk Sirona geheel te vergeten, want in de eerstvolgende

dagen wachtten hem alle ervaringen van het krijgsleven. Er waren

nauwelijks twee uren na zijne afvaart van Raïthoe verloopen, toen hij

een ander werelddeel betrad. Zoodra hij eene veilige ligplaats voor

zijne boot had gevonden, sloop hij in het gebergte om de Blemmyers

te beloeren. Reeds op den eersten dag bereikte hij het dal, waarin

zij zich verzamelden. Op den tweeden dag gelukte het hem, nadat hij

meermalen gezien en vervolgd was, een op kondschap uitgezonden krijger

te grijpen en met zich mede te slepen. Hij bond hem stevig en kwam door

allerlei bedreigingen van dezen veel te weten. Het aantal vijanden,

die zich tot een overval gereed maakten, was groot, maar Hermas had

hoop dat hij hun zou kunnen voorkomen, want zijn gevangene verried

hem de plaats, waar zij hunne op het land getrokken booten onder zand

en steenen verborgen hielden.

Zoodra het donker werd naderde de Anachoreet in zijn vaartuig de plek,

waar de overtocht zou plaats hebben, en toen de Blemmyers in dien

vreeselijken onweersnacht hunne eerste boot in het water trokken,

zeilde Hermas den vijanden vooruit, landde met groot gevaar aan de

westelijke helling van den berg en beklom zoo snel hij kon den Sinaï,

om de Pharanietische wachters op de uitkijkposten te waarschuwen. Vóor

zonsopgang bereikte hij de moeielijk te beklimmen toppen, wekte

de trage verspieders, die hunne posten hadden verlaten, en vloog,

eer deze de wachttorens bestegen, de vanen geheschen en de metalen

bekkens geslagen hadden, afwaarts naar het hol zijns vaders.

Sedert hij verdween, was Mirjam onafgebroken in de nabijheid gebleven

van Stephanus' spelonk. Elken morgen, middag en avond had zij voor

den ouden man water gehaald, ook nadat die nieuwe, zwaarmoedige en

knorrige verpleger in Paulus' plaats was gekomen. Zij leefde van

wortels en het brood, dat de kranke haar gaf, en legde zich des

nachts in eene haar sedert lang bekende diepe en droge rotsspleet

te slapen neder. Vóor zonsopgang verliet zij hare harde legerstede,

om de kruik van den lijder te vullen en met Stephanus over Hermas

te spreken. Zij bewees den ouden man gaarne een dienst, daar zij

van zijne lippen, zoo vaak zij tot hem kwam, den naam zijns zoons

hoorde. Ook hij verblijdde zich altijd als zij kwam, daar zij hem

steeds gelegenheid gaf om over Hermas te spreken.

De kranke was sedert vele weken zoo gewend zich te laten verplegen,

dat hij de hulpvaardige bedrijvigheid van de herderin zich liet

welgevallen, als iets dat vanzelf sprak. Doch zij beproefde het nooit

zich rekenschap te geven, om welke reden zij den ouden man diende. Het

zou Stephanus bitter gesmart hebben, wanneer zij was uitgebleven,

en ook voor haar was de gang naar de bron en het spreken met den oude

eene behoefte, ja eene noodzakelijkheid geworden, want zij wist nog

altijd niet of Hermas leefde, dan of Phoebicius hem ingevolge haar

verraad gedood had. Misschien was alles wat Stephanus haar vertelde

van dien overtocht zijns zoons om op kondschap uit te gaan door Paulus

slechts verzonnen, om den kranke te sparen en langzamerhand aan het

verlies van zijn kind te gewennen. Toch wilde zij maar al te gaarne

gelooven dat Hermas leefde, en wanneer zij zich eerst laat in den

avond uit de nabijheid van het hol verwijderde, en reeds vóor de zon

was opgegaan de kruik van den kranke wederom vulde, dan geschiedde

dit alleen omdat zij zich overtuigd hield, dat hij die verdwenen was

bij zijn terugkeer niemand eerder zou opzoeken dan zijn vader.

Mirjam had geen rustig oogenblik meer, want zoo vaak een vallende

steen, een naderende voetstap, of het geluid van een dier de stilte

der eenzaamheid verstoorde, verborg zij zich en luisterde met een

kloppend hart, en dat niet zoozeer uit vrees voor Petrus, haar meester,

dien zij ontloopen was, dan in de verwachting de voetstappen van den

man te hooren, dien zij in de handen van zijn vijand had geleverd,

en naar wien zij toch dag en nacht met smartelijk heimwee uitzag. Zoo

vaak zij bij de bron vertoefde, maakte zij hare weerspannige haren nat

om ze glad te strijken, en wiesch haar gelaat met zooveel ijver, als

zou het haar gelukken de donkere kleur van haar huid te wrijven. En

dat alles deed zij voor hem, en om hem bij zijn terugkeer zoo goed

te bevallen als die blanke vrouw in de oase, die zij even gloeiend

haatte als zij hem hartstochtelijk lief had.

Gedurende de onweersbui van den laatsten nacht had eene beek, die

boven van den berg stortte, zich in haar schuilplaats uitgegoten,

en haar van daar verdreven. Doornat, zonder dak, door berouw, angst

en verlangen voortgedreven, was zij van steen tot steen geklommen,

en had nu eens onder deze, dan weder onder gene rots beschutting

en rust gezocht. Daarbij was zij door de lichtschemering aangelokt,

die uit de nieuwe woning van den vromen Paulus te voorschijn kwam,

en had zij den Alexandrijn gezien en herkend. Doch hij had haar niet

opgemerkt, want hij zat naast zijn haard op den grond neergehurkt,

geheel in gedachten verzonken. Zij wist nu waar de verworpeling woonde,

naar wien Stephanus zoo dikwijls had gevraagd. Door weeklachten en

duistere zinspelingen van den kranke was zij te weten gekomen, dat

ook hij door hare vijandin verleid en in het verderf gestort was.

Toen de morgenster begon te verbleeken, naderde Mirjam, met diepe

droefheid in het hart, en toch niet in staat hare ellende en haar

lijden in tranen uit te weenen, die haar gemoed konden verlichten,

het hol van Stephanus, geheel vervuld van den vurigen wensch daar

neer te zinken en te sterven, om door den dood van de haar rusteloos

voortdrijvende kwellingen verlost te worden. Het was nog te vroeg om

den ouden man in zijn slaap te storen. En toch!--Zij moest een woord,

al ware het ook een hard woord, uit een menschelijken mond hooren, want

het gevoel van verwildering, dat haar geest geheel in de war bracht,

en het bewustzijn harer verlatenheid, dat haar hart zoo benauwde,

martelden haar al te zeer. Reeds stond zij aan den ingang van het hol,

toen zij hoog boven zich steenen hoorde vallen en eene roepstem vernam.

Zij verschrikte en luisterde roerloos met lang uitgerekten hals en in

de grootste spanning naar boven. Plotseling brak zij in een luiden, in

de verte weerklinkenden jubelkreet los, en stormde met de armen omhoog

den berg op den wandelaar te gemoet, die haastig naar beneden afdaalde.

"Hermas, Hermas!" juichte zij hem tegen, en in die roepstem

weerspiegelde zich zoo helder en rein de zalige zonneschijn van haar

hart, dat dezelfde snaren weerklonken in de ziel van den jongeling,

en hij ook haar een vroolijk welkom toeriep.

Zóo had hij haar nog nooit begroet. Even als een frissche dronk,

waarmede eene vriendelijke hand de lippen van een versmachtende nadert,

zoo verkwikte de toon zijner stem haar arm, gemarteld hart. Hare ziel

gevoelde zich zoo rijk in verrukking, zoo vervuld van dankbaarheid als

nooit te voren. Wijl hij zoo goed was jegens haar, gevoelde zij zich

gedrongen hem te toonen, dat ook zij iets had te geven in ruil voor de

gave van welwillendheid, die hij haar aanbood. Daarom was het eerste

wat zij hem zeide: "Ik ben altijd in de nabijheid uws vaders gebleven,

en heb hem vroeg en laat water gebracht, zooveel hij noodig had."

Zij kreeg een kleur, want het was voor het eerst dat zij zichzelve

prees in zijne tegenwoordigheid. Hermas antwoordde echter: "Dat was

braaf van u gehandeld, en ik zal het u vergelden. Gij zijt een wild,

zonderling schepsel, maar ik geloof dat ieder, wien gij goed gezind

zijt, geheel op u rekenen kan."

"Neem er de proef van!" riep Mirjam en stak hem de hand toe.

Hij sloeg toe en zeide, terwijl hij haar met zich voorttrok: "Hoort

gij het bekken? Ik heb de wachters boven gewaarschuwd; de Blemmyers

komen. Is Paulus bij mijn vader?"

"Neen, maar ik weet waar hij zich ophoudt."

"Dan moet gij hem roepen," hernam de jongeling. "Hem eerst, en dan

Gelasius en Psoës en Doelas, en wien gij maar van de kluizenaars

vindt. Zij moeten zich allen verzamelen in het kasteel bij den

ijlweg. Ik zal thans mijn vader daarheen brengen. Maak gij echter

voort en toon, dat men u vertrouwen kan."

Bij de laatste woorden omvatte hij haar midden, maar schuw rukte zij

zich los, en onder den uitroep: "Ik breng de boodschap aan allen,"

vloog zij heen.

Aan den ingang van het hol, waar zij gehoopt had Paulus aan te

treffen, vond zij Sirona. Zij hield zich echter niet bij haar op, maar

vergenoegde zich haar lachend woeste smaadwoorden toe te roepen. Op

het vermoeden dat zij den Alexandrijn bij de naaste bron zou vinden,

ging zij daarheen, riep hem, ijlde verder van hol tot hol, en bracht

overal de boodschap als in den dienst van Hermas en in zijn naam.

Homo sum: Roman · 第 26 / 30 题