De kamp was geëindigd en de zon, die achter den heiligen berg
onderging, had de lijken van vele Blemmyers beschenen. Thans vonkelden
de sterren aan den reinen hemel over de oase. Uit de kerk weerklonken
lofgezangen, en in hare nabijheid, onder aan den heuvel waartegen
zij was aangebouwd, brandden fakkels, die met haar roodachtig licht
eene rij van lijkbaren beschenen, waarop onder groene palmtakken de
in den strijd tegen de heidenen gevallen dapperen lagen.
Thans zweeg het lofgezang, de deuren van het godshuis werden geopend,
en Agapitus ging de zijnen vóor naar de gestorvenen. Zonder een woord
te spreken schaarde de gemeente zich in een halven cirkel rondom hare
zwijgende broeders, luisterend naar den zegen, die haar herder over
de edele offers uitsprak, die hun bloed hadden vergoten in den strijd
tegen de heidenen.
Na het 'amen' voegden zij, die zijne naaste bloedverwanten waren
geweest, zich bij elken doode, en menige traan uit het oog eener
moeder of eener echtgenoote viel in het zand, menige zucht uit de
borst eens vaders hief zich ten hemel.
Naast de baar waarop de oude Stephanus lag stond eene andere
kleinere. Hermas knielde tusschen deze twee en weende. Thans hief hij
het hoofd op, want eene diepe doch vriendelijke stem had hem bij zijn
naam geroepen.
"Petrus," zeide de jongeling, en vatte de hand die de senator hem
bood. "Hoe gevoelde ik mij gedrongen de wijde wereld in te gaan en
mijn vader te verlaten! En nu hij voor altijd van mij gescheiden is,
hoe gaarne zou ik mij door hem terug laten houden!"
"Hij is in den strijd voor de zijnen een schoonen dood gestorven,"
zeide de senator terstond.
"Paulus was bij hem toen hij viel," antwoordde Hermas. "Bij de
verdediging van het kasteel is mijn vader van den muur gestort. Maar
zie hier, dit meisje, dit arme kind, dat uwe geiten heeft gehoed,
zij is als eene heldin gestorven. Arme, wilde Mirjam, hoe goed zou
ik voor u zijn, als gij nog leefdet!"
Hermas streelde bij deze woorden den arm der herderin, drukte een
zachte kus op haar kleine koude hand, en vouwde die voorzichtig met
de andere op haar borst te zamen.
"Hoe kwam het meisje bij den strijd der mannen?" vroeg Petrus.--"Maar
dat kunt ge mij in mijn huis vertellen. Wees daar onze gast, zoolang
het u lust, en totdat gij de wereld ingaat. Wij allen zijn u dank
schuldig."
Hermas bloosde, en wees met bescheidenheid den lof af, die hem, den
redder der oase, overvloedig van alle zijden ten deel viel. Toen de
klaagvrouwen verschenen, knielde hij nog eens bij het hoofd zijns
vaders neder, zag voor het laatst met innige liefde naar Mirjam's
strak gelaat, en volgde toen zijn gastheer.
De man en de jongeling betraden te zamen den hof. Hermas zag
onwillekeurig naar het venster op, waaraan hij Sirona meer dan eens
had zien zitten, en zeide, op het huis van den centurio wijzende:
"Ook hij is gebleven."
Petrus gaf een teeken van toestemming en opende de deur van zijn huis.
In de verlichte voorzaal trad vrouw Dorothea hun te gemoet en vroeg
dadelijk: "Nog niets van Polycarpus?"
Haar echtgenoot schudde ontkennend het hoofd. Zij zeide echter: "Hoe
zou het ook mogelijk zijn! Hij zal op zijn vroegst uit Klysma of wel
eerst uit Alexandrië schrijven."
"Dat geloof ik ook," antwoordde Petrus en zag daarbij naar den
grond. Vervolgens wendde hij zich tot Hermas en leidde hem naar zijne
echtgenoote. Dorothea ontving den jongeling met warme deelneming. Zij
had gehoord dat zijn vader gevallen was, en hoe dapper hijzelf zich
gedragen had.
De avondmaaltijd stond gereed en Hermas werd uitgenoodigd daaraan deel
te nemen. De vrouw des huizes gaf hare dochter een wenk om voor den
gast te zorgen. Petrus hield Marthana echter terug en zeide: "Hermas
kan de plaats van Antonius innemen. Hij heeft nog met eenigen van de
arbeiders te doen. Waar blijft Jethro met de huisslaven?"
"Zij hebben reeds gegeten," zeide Dorothea.
Beide echtgenooten zagen elkander aan, en Petrus zeide met een
weemoedig lachje: "Ik denk dat zij op den berg zijn."
Dorothea pinkte een traan uit het oog en antwoordde: "Zij zullen daar
Antonius zeker ontmoeten. Als zij Polycarpus eens vonden! En toch,
zeker, ik zeg het niet alleen om u te troosten, het waarschijnlijkste
is, dat hij niet in de bergkloven verongelukt maar naar Alexandrië
gegaan is, om de herinneringen te ontvluchten, die hem hier overal
op de hielen zaten.--Ging de deur daar niet open?"
Zij stond haastig op, keek met Petrus, die haar gevolgd was, in den
hof en zeide, zich tot Marthana wendende, die, terwijl zij Hermas
vleesch en brood aanbood, hare ouders had nagezien, met een diepen
zucht: "Het was de slaaf Anubis maar."
Een tijd lang heerschte er eene pijnlijke stilte aan de groote tafel
die heden zoo slecht bezet was. Eindelijk richtte Petrus zich tot
zijn gast en zeide: "Gij wildet vertellen hoe de herderin Mirjam in
den strijd, om het leven is gekomen. Zij was ons huis ontvloden...."
"Naar den berg," vulde Hermas aan, "is zij gegaan. Daar heeft zij
mijn armen vader als eene dochter verpleegd en van water voorzien."
"Ziet gij wel, moeder," haastte Marthana zich te zeggen, "zij is niet
slecht geweest; dat heb ik altijd wel gezegd."
"Heden morgen," ging Hermas voort, terwijl hij de dochter treurig
een teeken van toestemming gaf, "heden morgen volgde zij mijn vader
naar het kasteel. Zoodra deze van de muur was gevallen, dus vertelde
mij Paulus, is zij weggevlogen, doch alleen om mij te zoeken en de
droevige tijding aan mij over te brengen. Wij kennen elkander reeds
lang, want sedert jaren drenkte zij uwe geiten bij onze bron. Toen
ik nog een knaap en zij een klein meisje was, luisterde zij uren
lang naar mij, wanneer ik op mijne herdersfluit de liederen blies,
die Paulus mij geleerd had. Zoolang ik speelde was zij dood stil;
wanneer ik echter ophield, verlangde zij meer en altijd meer te hooren,
tot het mij verveelde en ik wilde heengaan. Dan kon zij zeer boos
worden, en wanneer ik haar zin niet deed mij met leelijke woorden
schelden. Maar zij kwam altijd terug, en daar zij de eenige was,
die naar mij luisteren kon, zoo was het mij niet onverschillig, dat
zij aan onze bron boven de andere de voorkeur gaf. Toen zij grooter
werd begon ik bang voor haar te worden, want zij kon zulke goddelooze
dingen zeggen, en zij is ook als heidin gestorven. Paulus, die ons
eens beluisterde, waarschuwde mij voor haar, en daar ik sedert lang de
fluit had weggeworpen en met mijn boog het wild naliep, zoo dikwijls
vader mij dit vergunde, bleef ik altijd korter bij haar, als ik naar
de bron ging om water te scheppen. Wij vervreemdden meer en meer
van elkander, en ik kon recht hard jegens haar zijn. Eens slechts,
nadat ik uit de hoofdstad teruggekomen was, heb ik eene ontmoeting
met haar gehad,--maar dat vertel ik u niet. Het arme kind was tegen
wil en dank slavin, en zeker heeft zij in het huis van een vrije het
levenslicht aanschouwd.
"Zij is goed jegens mij geweest, meer nog dan eene zuster voor een
broeder, en toen mijn vader dood was, heeft zij zeker gemeend,
dat ik dit uit geen andere mond dan de hare mocht vernemen. Zij
had gezien waar ik met de Pharanieten heen getrokken was, volgde en
vond mij ook weldra, want zij had oogen als eene gazelle en ooren
als een beangstigde vogel. Ditmaal was het niet moeielijk mij te
vinden, want toen zij mij zocht, streden wij in de groene kloof,
die van den berg naar de zee voert met de Blemmyers, die van woede
brulden als roofdieren; want voordat wij de zeekust konden bereiken,
hadden de visschers beneden in het vlek hunne booten, die zij onder
zand en steenen verborgen hadden, ontdekt, opgegraven en binnen
hunne haven gehaald. De knaap uit Raïthoe, die mij geleidde, had ze
op mijn bevel in het oog gehouden, en de visschers gebracht op de
plaats waar ze verstopt waren. De wachters, die zij bij de booten
hadden achtergelaten, waren gevlucht en hadden hunne broeders die
bij het kasteel vochten bereikt, van welke toen minstens twee honderd
naar zee gezonden werden, om de vaartuigen weder te heroveren en de
visschers te straffen. Deze bende overviel ons in de groene kloof en
zoo kwam het tot een gevecht.
De Blemmyers waren veel meer in aantal dan wij en omgaven ons weldra
van voren en van achteren, aan de linker- en aan de rechterzijde. Want
als steenbokken springen en klauteren zij van rots op rots, en
schieten dan uit de hoogte met hunne rieten pijlen. Drie of vier
waren op mij gericht, en éen vloog door mijn haar en bleef met de
veeren aan het eind van den steel daarin hangen. Hoe het beloop van
den strijd verder is geweest, weet ik niet te vertellen, want het
bloed steeg mij naar het hoofd. Ik herinner mij alleen nog dat ik
als een razende hijgde en schreeuwde, en nu hier dan daar met een der
heidenen worstelde, en meer dan eens mijn bijl ophief om een schedel
te kloven. Daartusschen zag ik een deel der onzen vluchten, die ik met
grimmige woorden terugriep. Zij keerden zich om en volgden mij weder.
"Op eens, midden in het gevecht, zag ik ook Mirjam, die doodsbleek
en bevend zich aan eene rots hield vastgeklemd en den strijd
aanzag. Ik riep haar toe dat zij die plaats verlaten en tot mijn
vader terugkeeren zou; maar zij bleef staan, schudde het hoofd met
een gebaar, ja met een gebaar zoo vol medelijden en zoo smartelijk,
dat ik het nooit vergeten zal. Zij beduidde mij met handen en oogen,
dat mijn vader dood was. En ik begreep haar; ik wist nu ten minste,
dat er een verschrikkelijk ongeluk was gebeurd. Doch ik had geen tijd
om na te denken, want eer ik door haar mond tot zekerheid kon komen,
greep een aanvoerder der heidenen mij aan, en het kwam onder Mirjam's
oogen tot eene vreeselijke worsteling.
"Mijne tegenpartij was sterk, maar ik toonde het meisje, dat mij
dikwijls, omdat ik mijn vader in alles gehoorzaamde, voor een
bloodaard had gescholden, dat ik voor niemand uit den weg behoefde
te gaan. Ik had het niet kunnen verdragen onder haar oog te moeten
zwichten. Daarom deed ik ook den heiden in het stof bijten en velde
hem met mijn bijl. Ik vermoedde slechts dat zij in mijne onmiddellijke
nabijheid was, doch in de hitte van den strijd zag ik niemand anders
dan mijne tegenpartij. Plotseling hoorde ik echter voor mij een luiden
gil, en vlak in mijne nabijheid zeeg Mirjam bloedend in elkaar. Een
Blemmyer was, terwijl ik de knie had gezet op zijn krijgsbroeder,
naar mij toe geslopen, en had op weinige passen van mij af, zijne
lans naar mij geslingerd. Maar Mirjam.... Mirjam...."
"Zij heeft u gered, met haar eigen leven ten offer te brengen," vulde
Petrus het verhaal van den jongeling aan, wien, bij de herinnering
aan het gebeurde, de stem begaf en de oogen vol tranen schoten.
Hermas knikte toestemmend met het hoofd en zeide toen zacht: "Zij
hield hare armen hoog uitgestrekt en riep mij bij den naam, toen de
lans haar trof. De oudste zoon van Obedianus nam wraak op den heiden,
die dit gedaan had; maar ik ondersteunde haar, terwijl zij stervend
ineen zeeg, en nam haar lokkig hoofd in mijn schoot en sprak haar naam
uit. Toen sloeg zij nog eens de oogen op en noemde mijn naam zacht
en op een onuitsprekelijk vriendelijken toon. Eene vreeselijke smart
greep mij aan, en ik moest hare oogen kussen en haar mond. Daarna
heeft zij mij nog eens met groote oogen lang en gelukkig aangezien,
en toen is zij gestorven."
"Zij was eene heidin," zeide Dorothea, terwijl zij hare oogen
afdroogde, maar nu zij zóó gestorven is, zal haar door den Heer veel
vergeven worden."
"Ik heb haar lief," zeide Marthana, "en wil mijne schoonste bloemen
op haar graf leggen. Mag ik ook van uwe bloeiende mirten een takje
snijden voor den krans?"
"Morgen, morgen, mijn kind," antwoordde Dorothea. "Ga thans slapen,
want het is zeer laat."
"Laat mij nog blijven," smeekte het meisje, "tot Antonius en Jethro
terug zijn."
"Ik zou u gaarne helpen uw zoon te zoeken," zeide Hermas, "en wanneer
gij wilt, ga ik naar Raïthoe en Klysma, om daar navraag te doen bij
de visschers.--Maar heeft," en de jonge krijgsman keek bij deze vraag
verlegen voor zich, "heeft de centurio zijne ontvluchte vrouw, die
hij met den Amalekiet Talib vervolgde, vóor zijn dood wedergevonden?"
"Sirona is nog altijd verdwenen," antwoordde Petrus. "En misschien...,
maar gij hebt zoo straks den naam van Paulus genoemd, die zoozeer
met uw vader en u bevriend was. Weet gij dat hij het geweest is,
die zoo schaamteloos den huiselijken vrede van den centurio verbrak?"
"Paulus?" riep Hermas. "Hoe kunt gij dat gelooven?"
"Phoebicius heeft zijn schaapsvel bij zijne vrouw gevonden," antwoordde
Petrus ernstig. "De onbeschaamde Alexandrijn erkende onder onze oogen,
dat het van hem was, en liet zich door den Galliër bestraffen. Hij
heeft dien schandelijken daad gepleegd in denzelfden nacht, waarin
gij op kondschap werdt uitgezonden."
"En Phoebicius geeselde hem!" riep Hermas buiten zichzelven. "En
die arme man heeft deze smaad en deze berisping en alles geduldig
verdragen, verdragen om mijnentwil! Nu begrijp ik wat hij bedoeld
heeft. Ik heb hem na den slag ontmoet en hij vertelde mij, dat mijn
vader gestorven was. Toen hij zich van mij scheidde, zeide hij,
dat hij de grootste was van alle zondaren, en dat ik alles in de
oase zou hooren. Maar ik weet het beter; hij is grootmoedig en goed,
en ik duld niet dat men hem om mijnentwil smaadt en lastert."
Hermas was bij deze woorden opgesprongen, en toen hij de verbaasde
blik van zijnen gastheer zag, beproefde hij zich te beheerschen en
zeide: "Paulus heeft Sirona nooit gezien, en ik herhaal het: wanneer
iemand zich beroemen mag goed rein en geheel zonder schuld te zijn,
dan is hij het. Om mijnentwil, om mij voor straf, en mijn vader voor
verdriet te bewaren, heeft hij een schuld bekend, die hij nooit begaan
heeft. Daaraan herken ik hem, den trouwen, braven vriend. Maar geen
oogenblik langer mag deze schandelijke verdenking, deze smet op zijn
naam rusten."--
"Gij spreekt tot een bejaard man," zeide Petrus, opeens de heftige
woorden van den jongeling afbrekende. "Uw vriend bekende met zijn
eigen mond...."
"Dan heeft hij uit waarachtige goedheid gelogen," haastte Hermas zich
den senator te antwoorden. "Het schaapsvel dat de Galliër vond is
het mijne. Ik was, terwijl haar man aan Mithras offerde, naar Sirona
gegaan, om wijn voor mijn vader te halen, en zij vergunde mij bij die
gelegenheid de wapenrusting van den centurio aan te passen. Toen hij nu
onverwacht te huis kwam, sprong ik op straat en vergat die ongelukkige
vacht. Op mijn vlucht kwam ik Paulus tegen, die zeide dat hij alles
in orde zou brengen, en mij wegzond, om zich daarna in mijne plaats te
stellen en mijn vader groot leed te besparen. Zie mij maar bestraffend
aan, vrouw Dorothea, want in dwaze lichtzinnigheid ben ik dien nacht
hij de Gallische binnengeslopen. Maar bij de gedachtenis mijns vaders,
die de hemel mij heden ontnam, zweer ik, dat Sirona met mij als met een
kinderachtigen jongen gespeeld heeft, en dat zij mij zelfs verboden
heeft hare mooie goudgele haren met de lippen te naderen. Zoo waar
ik hoop een krijgsman te worden, en zoo zeker de ziel mijns vaders
verneemt wat ik zeg: de schuld die Paulus op zich nam, werd in het
geheel nooit begaan, en wanneer gij Sirona veroordeeld hebt, zoo hebt
ge haar onrecht aangedaan, want noch voor mij en nog veel minder voor
Paulus heeft zij ooit de trouw jegens haar echtgenoot verbroken!"
Dorothea en Petrus wisselden veelbeteekenende blikken. "Waarom," zeide
de eerste, "moesten wij dit uit den mond van een vreemde vernemen? Het
klinkt zoo zonderling en is toch zoo eenvoudig! Ja, man, het zou beter
voor ons geweest zijn, indien wij zoo iets hadden vermoed, dan aan
Sirona te twijfelen. In het eerst kwam het mij zelven onmogelijk voor,
dat die schoone vrouw, op wie gansch andere lieden het oog sloegen,
voor zulk een zonderlingen lediglooper...."
"Welk een groot onrecht hebben wij dien armen man aangedaan!" zeide
Petrus. "Als hij zich beroemd had op eene edele daad, waarlijk,
wij zouden minder spoedig bereid zijn geweest hem te gelooven."
"Daarvoor boeten wij zwaar," zuchtte Dorothea, "en mij bloedt het
hart. Waarom hebt gij u niet tot ons gewend, Hermas, toen gij wijn
noodig hadt? Hoeveel leed zou daardoor voorkomen zijn!"
De jongeling zag voor zich en zweeg. Weldra herstelde hij zich echter
en zeide levendig: "Laat mij gaan om den armen Paulus op te zoeken. Ik
ben u dankbaar voor uwe goedheid, maar ik kan het hier niet langer
uithouden; ik moet den berg op!"
De senator en zijne vrouw hielden hem niet terug, en toen de deur van
den hof zich achter hem gesloten had, werd het zeer stil in Petrus'
woonvertrek. Dorothea zette zich achterover in haren stoel en keek voor
zich, terwijl menige traan haar langs de wangen rolde. Marthana hield
hare hand vast en streelde haar zacht. De senator was aan het venster
gaan staan en keek, diep adem halende, in den donkeren hof. Als een
loodzware last drukte de kommer op zijn hart. Alles zweeg in het ruime
vertrek; alleen drong nu en dan uit den kring der klaagvrouwen, die
de gevallene Pharanieten omringden, een luide, langgerekte jammerkreet
door de stille nachtlucht tot het geopende venster door. Het was eene
bange ure, rijk aan sombere en ijdele zelfbeschuldigingen, zorgen en
stille gebeden, en arm aan hoop en troost.
Thans zuchtte Petrus smartelijk en Dorothea stond op, om naar haar
echtgenoot te gaan, en hem met een hartelijk opwekkend woord toe
te spreken.
Daar sloegen opeens de honden in den hof aan, en de beangstigde
vader zeide zacht, met een beklemd hart en op het ergste voorbereid:
"Misschien zijn zij het?"
De diakones drukte hem de hand, maar liep weg toen zich een zacht
geklop aan de deur van den hof liet hooren.
"Jethro en Antonius zijn het niet," zeide Petrus. "Zij hebben den
sleutel."
Marthana was naar hem toegegaan, sloot zich dicht bij hem aan,
terwijl hij zich ver uit het venster boog en den kloppende toeriep:
"Wie klopt daar?"
De honden blaften zoo luide, dat noch de senator, noch de vrouwen
het antwoord, dat scheen gevolgd te zijn, konden verstaan.
"Hoor Argus eens," zeide Dorothea. "Zoo huilt de hond alleen, wanneer
gij te huis komt of een onzer, of wanneer hij blijde is."
Petrus legde den vinger op de lippen. Er weerklonk een luid en schril
gefluit: en toen de honden, dit bevel gehoorzamende, zwegen, riep
hij wederom: "Wie gij ook zijn moogt, roep luide uw naam, opdat ik
u open doe!"
Het antwoord liet zich eenige oogenblikken wachten, en reeds wilde de
senator zijne vraag herhalen, toen eene teedere stem voor de poort
aarzelend naar boven riep: "Ik ben het, Petrus, ik, de ontvluchte
Sirona."
Nauwelijks hadden deze woorden de stilte van den nacht afgebroken,
of Marthana rukte zich los van haar vader, die zijne hand op haar
schouder had gelegd, vloog de deur uit, de trappen af naar de poort.
"Sirona, arme lieve Sirona," riep het meisje, terwijl zij den grendel
wegschoof. Zoodra zij de deur geopend had en de Gallische binnen
den hof gekomen was, vloog zij haar om den hals, kuste en streelde
haar, als ware zij eene verlorene en wedergevondene zuster. Daarna
greep zij hare hand, zonder haar aan het woord te laten komen, en
trok Sirona, hoewel deze zacht weerstand bood, terwijl zij haar met
allerlei vleiende woorden toesprak, met zich mede de trappen op naar
het woonvertrek.
Petrus en Dorothea traden haar aan den drempel te gemoet. De laatste
drukte haar aan het hart, kuste haar op het voorhoofd en zeide:
"Gij arme vrouw; wij weten dat wij u onrecht hebben gedaan en willen
trachten het goed te maken."
Ook de senator was naar haar toe gegaan, had haar hand gegrepen,
en voegde warm doch ernstig zijn groet bij dien zijner gade. Want
hij wist niet of zij reeds kennis droeg van den dood harer echtgenoot.
Sirona kon geen woorden vinden om te antwoorden. Toen zij den berg
afsteeg en in het donker dwaalde, had zij verwacht als eene verworpene
uitgestooten te zullen worden. Hare sandalen waren door de scherpe
rotsen geheel in stukken gesneden, en hingen in flarden aan hare
bloedende voeten. De nachtwind had hare schoone haren verward, en
haar wit bovengewaad geleek een gescheurd bedelaarskleed, want zij
had er stukken afgetrokken om Polycarpus' wond te verbinden.
Reeds eenige uren geleden had zij den jonkman, dien zij verpleegde,
verlaten, met angst voor hem en bezorgdheid voor de harde ontvangst
zijner ouders in het hart. Hoe beefde haar hand uit vrees voor Petrus
en Dorothea, toen zij den ijzeren klopper op de deur van den senator
vallen liet. En thans, thans openden zich voor haar de armen van
een vader en van eene moeder, en eene zuster riep haar weder een
vriendelijk welkom toe. Eene grenzelooze aandoening, eene oneindige
dankbaarheid vervulden haar gemoed, en luid weenende drukte zij de
gevouwen handen op hare borst. Doch maar weinige oogenblikken gaf
zij zich over aan het genot van dit zalig gevoel, want zij kon zich
geen geluk denken zonder Polycarpus, en om zijnentwil had zij den
gevaarvollen tocht bij nacht ondernomen.
Marthana was haar weder met teederheid genaderd, doch zij wees haar
vriendelijk af en zeide: "Nu niet, meisjelief! Ik heb reeds een uur
verloren, toen ik in de kloven verdwaalde. Maak u gereed, Petrus,
mij dadelijk weder op den berg te volgen, want--schrik toch niet
Dorothea. Paulus heeft gezegd, dat het grootste gevaar voorbij is,
en wanneer Polycarpus...."
"Om Gods wil, weet gij waar hij is?" riep Dorothea, terwijl het
bloed haar naar het aangezicht steeg. Doch Petrus verbleekte en zijne
vrouw in de rede vallende, vroeg hij in ademlooze spanning: "Waar is
Polycarpus, en wat is er met hem gebeurd?"
"Bereidt er u op voor, iets treurigs te vernemen," antwoordde Sirona,
en zag daarbij de echtgenooten angstig en droevig aan als bad zij om
eene verontschuldiging voor de slechte tijding, die zij gedwongen was
hun over te brengen. "Polycarpus is op een harden steen gevallen,
en heeft zich daarbij het hoofd verwond. Paulus bracht hem heden
morgen, alvorens hij tegen de Blemmyers uittrok, bij mij, om hem te
verplegen. Ik heb zijne wond zorgvuldig koel gehouden, en tegen den
middag sloeg hij de oogen op, herkende mij weder en zeide ook, dat gij
over hem bezorgd zoudt zijn. Na zonsondergang sliep hij in, doch hij
is niet geheel vrij van koorts, en zoodra Paulus terugkeerde, maakte
ik mij gereed om u gerust te gaan stellen en u te verzoeken mij een
verkoelende drank te geven. Want ik ga terstond weder naar hem terug."
In den weeken toon van Sirona's stem klonk bij dit verhaal diep
medelijden. Terwijl zij de ouders mededeelde, wat hun zoon wedervaren
was, welden er tranen in hare oogen. Petrus en Dorothea luisterden
naar haar als naar een zanger, die in treurgewaad op eene omfloerste
harp een lied zingt van hoop en wederzien.
"Spoedig, spoedig, Marthana!" riep Dorothea levendig en met vonkelende
oogen, eer Sirona haar verhaal nog geëindigd had. "Geef dadelijk de
mand hier met de zwachtels. Ik zal den koortsdrank zelf mengen."
Petrus was den Gallische genaderd en vroeg haar zacht: "Is het
werkelijk niet erger dan gij het daar voorstelt? Hij leeft en
Paulus...."
"Paulus zegt," vulde Sirona aan, "dat de zieke bij eene goede
verpleging in weinige weken genezen zal zijn."
"En kunt gij mij tot hem brengen?"
"O, ik," riep de Gallische, en sloeg zich met de hand voor het
voorhoofd. "Het zal mij zeker niet gelukken den weg terug te vinden,
want ik heb geen enkel merkteeken gezien. Doch wacht, vóor ons heeft
een kluizenaar uit Memphis, die voor weinige weken gestorven is...."
"De oude Serapion?" vroeg de senator.
"Zoo heet hij!" riep Sirona. "Weet gij zijn hol?"
"Hoe zou ik het weten?" antwoordde Petrus. "Maar misschien kan
Agapitus...."
"De bron, waaruit ik het water schepte om Polycarpus' wond af te
koelen, noemde Paulus de patrijzenbron."
"De patrijzenbron," herhaalde de senator, "die ken ik!" Na eene diepe
ademhaling nam hij zijn staf en riep Dorothea toe: "Maak gij den drank,
het verband, fakkels en eene goede draagstoel gereed; intusschen zal
ik bij buurman Magadon aankloppen en hem om slaven verzoeken."
"Laat mij u geleiden," verzocht Marthana.
"Neen, neen, gij moet bij moeder blijven."
"Denkt gij dan dat ik hier zal zitten wachten?" vroeg Dorothea. "Ik
ga met u."
"Daar blijft hier genoeg voor u te doen," antwoordde Petrus met een
afwerend gebaar, "en wij zullen snel moeten stijgen."
"Het is zoo, ik zou u kunnen ophouden," zuchtte de bezorgde moeder,
"maar neem het meisje met u; zij heeft eene zachte, gelukkige hand."
"Het zij zoo, als gij dit goed oordeelt," antwoordde de senator en
verliet het vertrek.
Terwijl moeder en dochter kwamen en gingen, ten einde alles voor den
nachtelijken tocht gereed te maken, hadden zij toch tijd om menige
vraag en menig vriendelijk woord tot Sirona te richten. Marthana
plaatste, zonder haar arbeid te staken, spijs en drank voor de
vermoeide op de tafel, waaraan zij zich had neergevlijd, doch zij
bevochtigde ter nauwernood de lippen.
Toen Marthana den korf met artsenijen en linnen zwachtels, met wijn
en zuiver water had gevuld, en dien aan de Gallische liet zien, zeide
de laatste: "Leen mij een paar van uwe sandalen, want de mijne zijn
geheel gescheurd, en zonder schoeisel kan ik de mannen niet volgen,
want de steenen zijn scherp en snijden in het vleesch."
Marthana zag nu voor het eerst, dat de voeten van hare vriendin bebloed
waren, nam haastig de lamp van de tafel, plaatste haar op den grond
en zeide, terwijl zij naast Sirona nederknielde, en hare sierlijke
blanke teenen met de hand omvatte, ten einde de kwetsuren van hare
voetzolen te onderzoeken: "Mijn God, daar zijn waarlijk drie groote
diepe wonden!"
Dadelijk nam Marthana een bekken ter hand, wiesch de sneden in
Sirona's voetzolen zorgvuldig uit, en terwijl zij den gewonden voet
met linnen banden omwikkelde, ging Dorothea naar beiden toe en zeide:
"Ware Polycarpus nu maar hier; deze rol is voldoende om u beiden
te verbinden."
Een zacht blosje kleurde Sirona's wangen. Dorothea verschrikte over
hare eigene woorden en Marthana drukte in het geheim de Gallische
de rechterhand.
Toen het verband goed bevestigd was, beproefde Sirona of zij gaan kon,
maar dit gelukte haar zóo slecht, dat Petrus, die met zijn vriend
Magadon, diens zonen en een aantal slaven was teruggekeerd, haar
ernstig verbieden moest hem te begeleiden. Hij hield zich overtuigd,
dat hij ook zonder haar zijn zoon wel vinden zou, want een der lieden
van zijn buurman had den ouden Serapion vaak brood en olie gebracht,
en kende zijn hol.
Alvorens de senator met zijne dochter het vertrek verliet, fluisterde
hij zijne vrouw eenige woorden toe, naderde met haar de Gallische en
vroeg: "Weet gij wat uw echtgenoot wedervaren is?"
Sirona knikte toestemmend en antwoordde: "Ik heb het van Paulus
gehoord. Nu ben ik geheel verlaten."
"Dat zijt gij niet," zeide Petrus. "Gij zult onder ons dak bescherming
en liefde vinden, als in het huis van uw eigen vader, zoolang het u
bij ons bevalt. Geen dank, want wij staan diep bij u in schuld. Tot
wederziens, vrouw! Ik wenschte wel dat wij Polycarpus reeds hier
beneden hadden, en dat gij zijn wond hadt gezien. Kom, Marthana,
de oogenblikken zijn kostbaar!"
Toen Sirona en Dorothea alleen waren, zeide de laatste: "Ik ga thans
eene slaapplaats voor u gereed maken, want gij zult zeer vermoeid
zijn."
"Neen neen," smeekte de andere. "Ik wil met u waken en wachten,
want ik zou stellig niet kunnen slapen, vóor ik weet hoe het hem gaat."
Deze woorden werden met zooveel warmte en ijver uitgesproken, dat de
diakones de jonge vrouw dankbaar de hand reikte. Daarop zeide zij:
"Ik laat u eenigen tijd alleen, want mijn hart is vol zorg. Ik wil
om hulp voor hem en om moed en kracht voor mijzelve bidden."
"Neem mij met u," smeekte Sirona zacht. "Toen ik in nood was, heb ik
mijn hart voor uw goeden, liefderijken God uitgestort, en ik wil nooit
meer tot een anderen bidden. De gedachte alleen aan hem versterkt en
vertroost mij, en zoo ooit, dan heb ik in deze ure zijn vriendelijken
bijstand noodig."
"Mijn kind, mijn dochter," riep de diakones diep bewogen, boog zich
over haar heen, kuste haar op voorhoofd en mond, en leidde haar aan
de hand naar haar stille slaapvertrek. "Hier bid ik het liefst,"
zeide zij, "ofschoon hier geen beeld en geen altaar staat. Mijn God
is overal, en hij weet mij aan elke plaats te vinden."
De beide vrouwen knielden naast elkander, en beiden smeekten van
denzelfden God dezelfde genade, niet voor zich, maar voor een ander;
beide dankten in hun leed: Sirona, wijl zij in Dorothea eene moeder,
de diakones, wijl zij in Sirona eene dochter, eene lieve dochter
had gevonden.