Gewone naturen worden maar in het voorbijgaan aangegrepen door de
onuitsprekelijk diepe smart, die eene vertwijfelende ziel ondervindt;
maar hoe zwaarder zulk een lijden hen treft, des te zekerder werkt
het met reinigende kracht op hem, die het te doorworstelen heeft.
Paulus dacht niet meer aan de schoone sluimerende vrouw. Door gruwzaam
zielewee gepijnigd, lag hij op den harden steen, en hij gevoelde dat
hij vruchteloos gestreden had. Toen hij Hermas' zonde en straf en
schande op zich nam, beeldde hij zich in dat hij midden op den weg
des Heilands wandelde. En thans? Hij was te moede als een wedlooper,
die dicht bij zijn doel over een steen struikelt en in het zand valt.
"God ziet op den wil, niet op de daad," prevelde hij. "Wat ik ten
opzichte van Sirona al of niet heb misdaan, dat is om 't even. Toen
ik mij over haar heen boog, was ik gansch en al den booze vervallen,
en een bondgenoot van den doodvijand desgenen, dien ik mij met
lijf en ziel heb toegewijd. Wat baat het mij, dat ik de wereld ben
ontvlucht, om werkeloos in deze woestenij voort te leven? Wie steeds
den strijd ontwijkt, kan zich wel beroemen, dat hij tot het laatste
onverwonnen is gebleven; maar is hij daarom een held? Wie te midden
van den strijd en de verzoekingen dezer wereld op het pad blijft
dat ten hemel leidt, en zich niet van den goeden weg laat afdringen,
hem komt den zegepalm toe. Maar ik, ik wandel eenzaam daarheen, en
een knaap en eene vrouw, die mij tegenkomen, dreigen en wenken mij,
en ik vergeet mijn levensdoel en begeef mij in den modderpoel van den
booze. Neen, zóo niet, niet hier kan ik vinden wat ik najoeg! Maar
hoe dan, waar dan?--Verlicht mij, Heer, en zeg mij wat ik doen moet!"
Onder deze gedachten richtte hij zich op, knielde neder en bad uit
den diepsten grond van zijn hart. Toen hij eindelijk 'amen' zeide,
gloeide zijn hoofd en was zijne tong als verdroogd.
De wolkenmassa had zich verdeeld, alleen in het westen hingen er nog
donkere, zware luchten. Van tijd tot tijd flikkerden bliksemstralen
aan den verren horizont, en verlichtten den gespleten bergtop met
vurigen gloed. De maan was opgegaan, maar de afnemende schijf werd
gedurig door zwarte, snel voortschietende wolken bedekt. Verblindend
helder weerlicht, een zacht schijnsel en totale duisternis wisselden
elkander onregelmatig met groote snelheid af, toen Paulus eindelijk
opstond en naar de bron afdaalde, om te drinken en zijn voorhoofd
met frisch water af te koelen.
Van steen tot steen gaande, zeide hij tot zichzelven, dat hij,
alvorens een nieuw leven te beginnen, zich boete, zware boete moest
opleggen. Maar welke?
Thans stond hij voor de door klippen omzoomde bron en boog hij zich
tot haar neder, doch eer hij zijne lippen bevochtigd had, richtte hij
zich weder op, want juist omdat hij dorst had wilde hij zich dezen
dronk ontzeggen. Haastig, bijna heftig keerde hij zich van de bron
af, en na deze kleine overwinning op zichzelven, werd het een weinig
stiller in zijn stormachtig bewogen gemoed.
Het was of hij gedwongen werd om deze plaats te verlaten, te vluchten
uit deze woestijn en van den heiligen berg, en het liefst ware hij
terstond de wijde wereld ingegaan. Waarheen zou hij vluchten? Dat
was hem onverschillig, want hij zocht slechts het lijden, en het leed
wies als onkruid op alle wegen.
Voor wien zou hij vluchten? Deze vraag werd in zijn binnenste herhaald,
als had hij haar uitgeroepen ter plaatse waar de echo haar telkens
weergaf. En het antwoord liet niet op zich wachten. "Hij," zoo luidde
het, "voor wien gij vluchten wilt, zijt gijzelf. Uw eigen ik is uw
vijand, en in welke woestenij gij u ook begraaft, het zal u volgen. Eer
zal het u gelukken u te scheiden van uw schaduw, dan van dat ik."
Hij werd zich volkomen bewust van zijne onmacht, en na de
groote inspanning der laatste uren verviel hij in eene diepe
moedeloosheid. Ontzenuwd, mat, vervuld met afkeer van zichzelven en
van het leven, liet hij zich op een steen neder, en geheel nuchter
overdacht hij de gebeurtenissen der laatste dagen en uren. "Van alle
dwazen die ik ontmoet heb," dacht hij, "heb ik het in dwaasheid wel het
verst gebracht, en daarbij eene verwarring aangericht, die ikzelf,
al ware ik een wijs man, dat ik zoo min ooit worden zal als een
schildpad of een phoenix, nooit weder in orde zal kunnen brengen. Ik
hoorde eens van een kluizenaar vertellen, die, daar er geschreven
stond dat men zijne dooden moest begraven, omdat hij geen lijk had,
een reiziger doodsloeg, ten einde het gebod te kunnen vervullen. Ik heb
juist als deze gehandeld, want om een ander leed te besparen en zijn
schuld op mij te nemen, bracht ik eene onschuldige vrouw in ellende,
en maakte ik mijzelven tot een zondaar. Zoodra de dag aanlicht ga ik
naar beneden in de oase, om aan Petrus en Agapitus alles te belijden
wat ik gedaan heb. Zij zullen mij straffen, en ik zal hen helpen,
zooals billijk is, opdat mij niets worde geschonken van de boete,
die zij mij opleggen. Hoe minder ik mijzelven verschoon, des te eer
zal de eeuwige rechter mij vrijspreken."
Hij stond op, zag naar den stand der sterren, en daar hij bemerkte
dat de morgen niet verre meer zijn kon, maakte hij zich gereed om tot
Sirona terug te keeren, die thans niets meer voor hem was dan eene
ongelukkige vrouw, aan wie hij veel kwaad had goed te maken, toen
een luide klaagtoon in zijne onmiddellijke nabijheid zijn oor trof.
Onwillekeurig bukte hij, om een steen als wapen in zijne hand te
nemen, en luisterde. Hij kende elke rots in de nabijheid der bron,
en toen het zonderling gesteun zich andermaal liet hooren, wist hij
dat het van eene plaats kwam, waar hij vaak had gerust. Want eene
groote vlakke rots, door een stevigen pijler van graniet gesteund,
stak dáar ver boven het andere gesteente uit, en verleende zelfs op
den middag, wanneer nergens een voet breed schaduw was te vinden,
beschutting tegen de zonnestralen. Misschien had een gewond dier
onder dat dak, hetwelk ook de regen afweerde, een schuilplaats gezocht.
Paulus ging behoedzaam vooruit. Daar klonk het steunen luider en
smartelijker dan te voren, en--er viel niet aan te twijfelen, het
was de klaagtoon van een mensch. De Anachoreet slingerde opeens den
steen weg, wierp zich op de knieën en vond weldra op den drogen bodem
onder het steenen afdak, in den uitersten hoek van deze schuilplaats,
een roerloos menschelijk lichaam.
"Misschien een herder, die door den bliksem is getroffen," dacht
hij, terwijl hij het met lange haarlokken bedekte hoofd en de
slap nederhangende, stevige armen van den lijder met de handen
betastte. Toen hij vervolgens het lichaam van den zacht klagenden
kranke opgericht en zijn hoofd tegen zijne breede borst geleund had,
kwam hem uit het haar de aangename geur van fijne zalfolie tegemoet,
en ontwaakte een vreeselijk vermoeden in zijne ziel.
"Polycarpus!" riep hij, terwijl hij de handen vaster klemde rondom het
lichaam van den kranke. Deze bewoog zich en prevelde eenige woorden
zacht en onverstaanbaar, maar toch voor Paulus hard en duidelijk
genoeg, want hij wist nu dat hij zich niet vergist had. Hij slaakte
een luiden kreet, omvatte het lichaam van den jongeling, hief hem in
zijne armen op, en droeg hem als een kind tot aan den rand van de bron,
waar hij zijn kostelijken last nedervlijde in het vochtige gras.
Polycarpus rilde en sloeg de oogen op. De morgen begon reeds te
schemeren, de lichte wolkjes aan den oostelijken horizont werden met
rooskleurige randen omzoomd, en de naderende dag trok den donkeren
sluier op, die de vormen en kleuren van alle voorwerpen omhulde. De
jongeling herkende den Anachoreet, die met bevende hand de wond van
zijn achterhoofd wies. Doch de oogen van Polycarpus verkregen een
vurigen glans, en met inspanning van zijne laatste krachten, stiet
hij den verpleger van zich af.
Paulus week niet terug, maar ontving den slag van zijn slachtoffer
als een groet of een geschenk, en dacht: "Ja, hadt ge slechts een
dolk in de hand, dan zoudt ge mij het zwijgen wel opleggen."
De wond van den kunstenaar was vreeselijk groot en diep, maar het
bloed was in zijne dichte lokken geronnen, en had zich als een stevig
verband op de geopende aderen vastgezet. Het water waarmede Paulus nu
het achterhoofd wies, veroorzaakte eene nieuwe bloeding, en na den
krachtigen stoot, waarmede Polycarpus zijn vijand had aangevallen,
zonk hij onmachtig in diens armen terug. Het vale morgenlicht deed
de bleekheid van het bloedeloos aangezicht, dat met gebrokene oogen
in den schoot van den Anachoreet rustte, nog meer uitkomen.
"Hij sterft," prevelde Paulus en keek in doodsangst, met ingehouden
adem en naar hulp uitziende, naar beneden in het dal en naar de
hoogten boven hem. Daar vóor hem lag de majestueuse bergmassa, door
het morgenrood in gloed gezet, omgeven door fijne lichtende nevelen,
de berg, waar de Heer in steenen tafelen de wet voor zijn volk en alle
volken had gegrift, en het was hem als zag hij de reuzengestalte van
Mozes hoog uitsteken boven den verhevensten wachtpost van den berg,
en als drong uit zijn mond met koperen klank het strengste van alle
geboden: "Gij zult niet dooden!" toornig en krachtig in zijn oor.
Paulus sloeg de handen voor zijn aangezicht en hield in stomme
vertwijfeling zijn slachtoffer in den schoot. Hij had de oogen
gesloten, want hij waagde het niet in het bleeke aangezicht van den
jongeling en evenmin naar den berg op te zien. Maar dat koperen geluid
dier stem uit de hoogte klonk voort, altijd voort, werd luider en
luider. Half verbijsterd van aandoening, vernamen zijne ooren niet
anders dan dat vreeselijk bevel: "Gij zult niet dooden!" en dan dat
andere: "Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw!" en voorts het
derde: "Gij zult niet echtbreken!" en eindelijk het vierde: "Gij
zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben!" Wie éen van
deze geboden overtreedt, die is verdoemd, en hij, hij had ze allen
overtreden, overtreden op het doornig pad tot het zalige leven!
Driftig en wild strekte hij de armen ten hemel, en zag diep ademhalende
naar den berg op.
"Wat was dat?"
Op den top van den Sinaï, vanwaar de Pharanietische wachters
gewoon waren uit te zien, woei een doek, ten teeken dat er vijanden
naderden. Hij bedroog zich niet. En toen hij nu, met het oog op het
naderend gevaar, zijne krachten verzamelde, en weder in staat was
te denken en te overwegen, bemerkte hij, dat de toon, die nog altijd
met verbazende trillingen zijn oor trof, werd voortgebracht door de
metalen schijf, waarop de wachter sloeg, om de burgers van de oase
en de Anachoreten te waarschuwen.
Was Hermas teruggekeerd? Hadden de Blemmyers hem overvleugeld? Van
welke zijde naderden de roofgierige scharen? Mocht hij hier bij zijn
slachtoffer toeven, of gebood zijn plicht hem zijne sterke armen bij
de verdediging van zijne weerlooze metgezellen te gebruiken?
Angstig vragend staarde hij op de bleeke trekken van den jongeling,
en daarbij werd hij vervuld van diep en smartelijk medelijden. Hoe
schoon was deze jonge plant, die zijne hand gebroken had! En de hand
eener moeder had gisteren nog deze bruine lokken gestreeld! Er welden
tranen in de oogen van den Anachoreet, en met vaderlijke teederheid
boog hij zich over het bleeke gelaat en drukte een zachten kus op de
bloedelooze lippen van den jonkman, die daar in onmacht nederlag.
Er voer eene blijde huivering door zijne leden want Polycarpus'
mond was niet koud. Er was geen twijfel aan. En thans, thans bewoog
hij zijne hand. Ja waarlijk! De Heer zij geloofd! Nu sloeg hij de
oogen weder op. "Ik ben geen moordenaar!" jubelden duizend stemmen
in Paulus' hart. "Ik draag hem naar zijne ouders in de oase," dacht
hij vervolgens,--"en dan naar boven, naar de broeders!"
Daar weerklonk met nieuwe kracht de toon van den slag op het metalen
bekken, en de stilte der heilige woestijn werd hier door het geluid
van menschelijke stemmen, daar door het geschetter van trompetten,
elders door dof gejammer verstoord. Het was alsof eene betoovering
de stomme rotsen had bezield en hun stemmen had gegeven, als vlogen
geruisch en tonen, gelijk wilde stortbeken, tegen alle kloven en
holle wegen van den berg op.
"Te laat!" prevelde de Anachoreet, "wanneer ik maar kon, maar wist...."
"Heidaar, vrome Paulus," liet zich op eens, den besluiteloozen
man in zijne overpeinzingen storende, eene juigende, schetterende
vrouwenstem hooren, die hoog uit de lucht scheen te komen. "Hermas
leeft, Hermas is weder hier! Zie op naar de hoogte. Daar wappert de
vaan, hij waarschuwde de wachters. De Blemmyers zijn in aantocht,
en hij heeft mij uitgezonden om u te zoeken. Gij moet in den toren
komen aan de westzijde van den grooten weg. Spoedig! Dadelijk! Hoort
gij wel? Hij heeft mij opgedragen het u te zeggen.--Maar die man in
uw schoot, dat is.... dat is...."
"Dat is," antwoordde Paulus, "Polycarpus, de zoon van uw meester,
die doodziek is. Haast u naar beneden in de oase, en zeg den senator,
zeg vrouw Dorothea...."
"Ik heb thans wel wat anders te doen," viel de herderin hem in de rede,
"Hermas zendt mij naar Galasius, Psoës en Doelas, om ze te roepen. Als
ik beneden in de oase kwam, dan sloten ze mij op, en lieten mij niet
meer naar den berg terugkeeren.--Wat is er toch met dien armen jongen
gebeurd? Maar wat komt het er op aan? Heden is er wat anders voor
u te doen dan over een gat in het hoofd van den zoon des senators
te klagen. Naar boven, naar den toren zeg ik u! Laat hem liggen, of
draag hem daar boven in uw nest, en geef hem uw liefje ter verpleging."
"Duivelin!" riep Paulus, en greep naar een steen.
"Laat hem liggen," schreeuwde Mirjam hem toe. "Wanneer gij niet
doet wat Hermas bevolen heeft, verraad ik aan Phoebicius waar zij
verborgen is. Thans ga ik de anderen roepen. Bij den toren zien wij
elkander weder. En houd u niet te lang op bij uwe blonde gezellin,
gij vrome Paulus, gij heilige Paulus!"
In gelach uitbarstende sprong zij, alsof zij door de lucht gedragen
werd, van rots op rots. De Alexandrijn oogde haar toornig na. Doch
hij begreep dat haar raad toch niet slecht was. Hij nam den gewonde
op zijn schouder en droeg hem haastig den berg op naar zijn hol.
Eer hij dit bereiken kon hoorde hij voetstappen en een luiden kreet
van smart. Weinige oogenblikken later stond Sirona aan zijne zijde en
riep op hartstochtelijken toon: "Ja, hij is het! En zóo, zóo! Maar
hij moet leven, want ware hij dood, dan zou uw god der liefde zóo
onverbiddelijk, zóo hard, zóo wreed zijn, dan zou.... dan zou...."
Zij kon niet meer spreken, want tranen verstikten hare stem. Zonder
op haar klagen te letten, ging Paulus haar haastig voor, trad het hol
binnen, legde den bewustelooze op hare legerstede neder, en zeide,
toen Sirona zich op de knieën wierp en hare lippen op de slappe hand
van den jongeling drukte, ernstig maar vriendelijk: "Wanneer gij hem
waarlijk liefhebt houd dan op met klagen! Hij is hier aan het hoofd
sedert gisteren zwaar gewond. Ik heb zijne wond gewasschen. Verbind
gij haar thans zorgvuldig en koel haar gedurig af met frisch water. Gij
weet de bron te vinden. Wanneer hij wat bijkomt, moet gij hem de voeten
wrijven, hem brood en eenige druppels wijn geven. Dat alles zult gij,
benevens olie--want gij zult ook licht noodig hebben--in den kleinen
kelder hiernaast vinden.
"Ik moet nu naar de broeders, en keer ik vóor morgen niet terug,
laat het dan aan de moeder van den armen jongeling over hem verder
te verplegen. Zeg haar ook dat ik, Paulus, in toorn hem deze wonde
heb toegebracht. Zij moge het mij vergeven, als zij kan, en ook
Petrus. Vergeef ook gij, wat ik jegens u heb misdreven, en zoo ik val
in den strijd die ons wacht, wil dan bidden, dat de Heer niet te streng
met mij in het gericht treedt, want mijne zonden zijn vele en groot."
Op dit oogenblik drong de klank van eene trompet tot in de diepte
van het hol. Sirona verschrikte en riep: "Dat is de Romeinsche tuba:
ik ken den toon. Phoebicius zal hier voorbij trekken!"
"Hij doet zijn plicht," viel Paulus haar in de rede. "En thans nog
dit ééne. Ik zag in den afgeloopen nacht aan uw hand een ring met
een onyx."
"Daar ligt hij," antwoordde Sirona, en wees naar het uiterste einde
van de spelonk, "in het stof van den grond."
"Laat hem daar liggen," zeide Paulus, boog zich nogmaals over den
kranke om zijn voorhoofd te kussen, hief zijne hand naar de Gallische
op om haar te zegenen, en stormde naar buiten.