ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Gewone naturen worden maar in het voorbijgaan aangegrepen door de

onuitsprekelijk diepe smart, die eene vertwijfelende ziel ondervindt;

maar hoe zwaarder zulk een lijden hen treft, des te zekerder werkt

het met reinigende kracht op hem, die het te doorworstelen heeft.

Paulus dacht niet meer aan de schoone sluimerende vrouw. Door gruwzaam

zielewee gepijnigd, lag hij op den harden steen, en hij gevoelde dat

hij vruchteloos gestreden had. Toen hij Hermas' zonde en straf en

schande op zich nam, beeldde hij zich in dat hij midden op den weg

des Heilands wandelde. En thans? Hij was te moede als een wedlooper,

die dicht bij zijn doel over een steen struikelt en in het zand valt.

"God ziet op den wil, niet op de daad," prevelde hij. "Wat ik ten

opzichte van Sirona al of niet heb misdaan, dat is om 't even. Toen

ik mij over haar heen boog, was ik gansch en al den booze vervallen,

en een bondgenoot van den doodvijand desgenen, dien ik mij met

lijf en ziel heb toegewijd. Wat baat het mij, dat ik de wereld ben

ontvlucht, om werkeloos in deze woestenij voort te leven? Wie steeds

den strijd ontwijkt, kan zich wel beroemen, dat hij tot het laatste

onverwonnen is gebleven; maar is hij daarom een held? Wie te midden

van den strijd en de verzoekingen dezer wereld op het pad blijft

dat ten hemel leidt, en zich niet van den goeden weg laat afdringen,

hem komt den zegepalm toe. Maar ik, ik wandel eenzaam daarheen, en

een knaap en eene vrouw, die mij tegenkomen, dreigen en wenken mij,

en ik vergeet mijn levensdoel en begeef mij in den modderpoel van den

booze. Neen, zóo niet, niet hier kan ik vinden wat ik najoeg! Maar

hoe dan, waar dan?--Verlicht mij, Heer, en zeg mij wat ik doen moet!"

Onder deze gedachten richtte hij zich op, knielde neder en bad uit

den diepsten grond van zijn hart. Toen hij eindelijk 'amen' zeide,

gloeide zijn hoofd en was zijne tong als verdroogd.

De wolkenmassa had zich verdeeld, alleen in het westen hingen er nog

donkere, zware luchten. Van tijd tot tijd flikkerden bliksemstralen

aan den verren horizont, en verlichtten den gespleten bergtop met

vurigen gloed. De maan was opgegaan, maar de afnemende schijf werd

gedurig door zwarte, snel voortschietende wolken bedekt. Verblindend

helder weerlicht, een zacht schijnsel en totale duisternis wisselden

elkander onregelmatig met groote snelheid af, toen Paulus eindelijk

opstond en naar de bron afdaalde, om te drinken en zijn voorhoofd

met frisch water af te koelen.

Van steen tot steen gaande, zeide hij tot zichzelven, dat hij,

alvorens een nieuw leven te beginnen, zich boete, zware boete moest

opleggen. Maar welke?

Thans stond hij voor de door klippen omzoomde bron en boog hij zich

tot haar neder, doch eer hij zijne lippen bevochtigd had, richtte hij

zich weder op, want juist omdat hij dorst had wilde hij zich dezen

dronk ontzeggen. Haastig, bijna heftig keerde hij zich van de bron

af, en na deze kleine overwinning op zichzelven, werd het een weinig

stiller in zijn stormachtig bewogen gemoed.

Het was of hij gedwongen werd om deze plaats te verlaten, te vluchten

uit deze woestijn en van den heiligen berg, en het liefst ware hij

terstond de wijde wereld ingegaan. Waarheen zou hij vluchten? Dat

was hem onverschillig, want hij zocht slechts het lijden, en het leed

wies als onkruid op alle wegen.

Voor wien zou hij vluchten? Deze vraag werd in zijn binnenste herhaald,

als had hij haar uitgeroepen ter plaatse waar de echo haar telkens

weergaf. En het antwoord liet niet op zich wachten. "Hij," zoo luidde

het, "voor wien gij vluchten wilt, zijt gijzelf. Uw eigen ik is uw

vijand, en in welke woestenij gij u ook begraaft, het zal u volgen. Eer

zal het u gelukken u te scheiden van uw schaduw, dan van dat ik."

Hij werd zich volkomen bewust van zijne onmacht, en na de

groote inspanning der laatste uren verviel hij in eene diepe

moedeloosheid. Ontzenuwd, mat, vervuld met afkeer van zichzelven en

van het leven, liet hij zich op een steen neder, en geheel nuchter

overdacht hij de gebeurtenissen der laatste dagen en uren. "Van alle

dwazen die ik ontmoet heb," dacht hij, "heb ik het in dwaasheid wel het

verst gebracht, en daarbij eene verwarring aangericht, die ikzelf,

al ware ik een wijs man, dat ik zoo min ooit worden zal als een

schildpad of een phoenix, nooit weder in orde zal kunnen brengen. Ik

hoorde eens van een kluizenaar vertellen, die, daar er geschreven

stond dat men zijne dooden moest begraven, omdat hij geen lijk had,

een reiziger doodsloeg, ten einde het gebod te kunnen vervullen. Ik heb

juist als deze gehandeld, want om een ander leed te besparen en zijn

schuld op mij te nemen, bracht ik eene onschuldige vrouw in ellende,

en maakte ik mijzelven tot een zondaar. Zoodra de dag aanlicht ga ik

naar beneden in de oase, om aan Petrus en Agapitus alles te belijden

wat ik gedaan heb. Zij zullen mij straffen, en ik zal hen helpen,

zooals billijk is, opdat mij niets worde geschonken van de boete,

die zij mij opleggen. Hoe minder ik mijzelven verschoon, des te eer

zal de eeuwige rechter mij vrijspreken."

Hij stond op, zag naar den stand der sterren, en daar hij bemerkte

dat de morgen niet verre meer zijn kon, maakte hij zich gereed om tot

Sirona terug te keeren, die thans niets meer voor hem was dan eene

ongelukkige vrouw, aan wie hij veel kwaad had goed te maken, toen

een luide klaagtoon in zijne onmiddellijke nabijheid zijn oor trof.

Onwillekeurig bukte hij, om een steen als wapen in zijne hand te

nemen, en luisterde. Hij kende elke rots in de nabijheid der bron,

en toen het zonderling gesteun zich andermaal liet hooren, wist hij

dat het van eene plaats kwam, waar hij vaak had gerust. Want eene

groote vlakke rots, door een stevigen pijler van graniet gesteund,

stak dáar ver boven het andere gesteente uit, en verleende zelfs op

den middag, wanneer nergens een voet breed schaduw was te vinden,

beschutting tegen de zonnestralen. Misschien had een gewond dier

onder dat dak, hetwelk ook de regen afweerde, een schuilplaats gezocht.

Paulus ging behoedzaam vooruit. Daar klonk het steunen luider en

smartelijker dan te voren, en--er viel niet aan te twijfelen, het

was de klaagtoon van een mensch. De Anachoreet slingerde opeens den

steen weg, wierp zich op de knieën en vond weldra op den drogen bodem

onder het steenen afdak, in den uitersten hoek van deze schuilplaats,

een roerloos menschelijk lichaam.

"Misschien een herder, die door den bliksem is getroffen," dacht

hij, terwijl hij het met lange haarlokken bedekte hoofd en de

slap nederhangende, stevige armen van den lijder met de handen

betastte. Toen hij vervolgens het lichaam van den zacht klagenden

kranke opgericht en zijn hoofd tegen zijne breede borst geleund had,

kwam hem uit het haar de aangename geur van fijne zalfolie tegemoet,

en ontwaakte een vreeselijk vermoeden in zijne ziel.

"Polycarpus!" riep hij, terwijl hij de handen vaster klemde rondom het

lichaam van den kranke. Deze bewoog zich en prevelde eenige woorden

zacht en onverstaanbaar, maar toch voor Paulus hard en duidelijk

genoeg, want hij wist nu dat hij zich niet vergist had. Hij slaakte

een luiden kreet, omvatte het lichaam van den jongeling, hief hem in

zijne armen op, en droeg hem als een kind tot aan den rand van de bron,

waar hij zijn kostelijken last nedervlijde in het vochtige gras.

Polycarpus rilde en sloeg de oogen op. De morgen begon reeds te

schemeren, de lichte wolkjes aan den oostelijken horizont werden met

rooskleurige randen omzoomd, en de naderende dag trok den donkeren

sluier op, die de vormen en kleuren van alle voorwerpen omhulde. De

jongeling herkende den Anachoreet, die met bevende hand de wond van

zijn achterhoofd wies. Doch de oogen van Polycarpus verkregen een

vurigen glans, en met inspanning van zijne laatste krachten, stiet

hij den verpleger van zich af.

Paulus week niet terug, maar ontving den slag van zijn slachtoffer

als een groet of een geschenk, en dacht: "Ja, hadt ge slechts een

dolk in de hand, dan zoudt ge mij het zwijgen wel opleggen."

De wond van den kunstenaar was vreeselijk groot en diep, maar het

bloed was in zijne dichte lokken geronnen, en had zich als een stevig

verband op de geopende aderen vastgezet. Het water waarmede Paulus nu

het achterhoofd wies, veroorzaakte eene nieuwe bloeding, en na den

krachtigen stoot, waarmede Polycarpus zijn vijand had aangevallen,

zonk hij onmachtig in diens armen terug. Het vale morgenlicht deed

de bleekheid van het bloedeloos aangezicht, dat met gebrokene oogen

in den schoot van den Anachoreet rustte, nog meer uitkomen.

"Hij sterft," prevelde Paulus en keek in doodsangst, met ingehouden

adem en naar hulp uitziende, naar beneden in het dal en naar de

hoogten boven hem. Daar vóor hem lag de majestueuse bergmassa, door

het morgenrood in gloed gezet, omgeven door fijne lichtende nevelen,

de berg, waar de Heer in steenen tafelen de wet voor zijn volk en alle

volken had gegrift, en het was hem als zag hij de reuzengestalte van

Mozes hoog uitsteken boven den verhevensten wachtpost van den berg,

en als drong uit zijn mond met koperen klank het strengste van alle

geboden: "Gij zult niet dooden!" toornig en krachtig in zijn oor.

Paulus sloeg de handen voor zijn aangezicht en hield in stomme

vertwijfeling zijn slachtoffer in den schoot. Hij had de oogen

gesloten, want hij waagde het niet in het bleeke aangezicht van den

jongeling en evenmin naar den berg op te zien. Maar dat koperen geluid

dier stem uit de hoogte klonk voort, altijd voort, werd luider en

luider. Half verbijsterd van aandoening, vernamen zijne ooren niet

anders dan dat vreeselijk bevel: "Gij zult niet dooden!" en dan dat

andere: "Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw!" en voorts het

derde: "Gij zult niet echtbreken!" en eindelijk het vierde: "Gij

zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben!" Wie éen van

deze geboden overtreedt, die is verdoemd, en hij, hij had ze allen

overtreden, overtreden op het doornig pad tot het zalige leven!

Driftig en wild strekte hij de armen ten hemel, en zag diep ademhalende

naar den berg op.

"Wat was dat?"

Op den top van den Sinaï, vanwaar de Pharanietische wachters

gewoon waren uit te zien, woei een doek, ten teeken dat er vijanden

naderden. Hij bedroog zich niet. En toen hij nu, met het oog op het

naderend gevaar, zijne krachten verzamelde, en weder in staat was

te denken en te overwegen, bemerkte hij, dat de toon, die nog altijd

met verbazende trillingen zijn oor trof, werd voortgebracht door de

metalen schijf, waarop de wachter sloeg, om de burgers van de oase

en de Anachoreten te waarschuwen.

Was Hermas teruggekeerd? Hadden de Blemmyers hem overvleugeld? Van

welke zijde naderden de roofgierige scharen? Mocht hij hier bij zijn

slachtoffer toeven, of gebood zijn plicht hem zijne sterke armen bij

de verdediging van zijne weerlooze metgezellen te gebruiken?

Angstig vragend staarde hij op de bleeke trekken van den jongeling,

en daarbij werd hij vervuld van diep en smartelijk medelijden. Hoe

schoon was deze jonge plant, die zijne hand gebroken had! En de hand

eener moeder had gisteren nog deze bruine lokken gestreeld! Er welden

tranen in de oogen van den Anachoreet, en met vaderlijke teederheid

boog hij zich over het bleeke gelaat en drukte een zachten kus op de

bloedelooze lippen van den jonkman, die daar in onmacht nederlag.

Er voer eene blijde huivering door zijne leden want Polycarpus'

mond was niet koud. Er was geen twijfel aan. En thans, thans bewoog

hij zijne hand. Ja waarlijk! De Heer zij geloofd! Nu sloeg hij de

oogen weder op. "Ik ben geen moordenaar!" jubelden duizend stemmen

in Paulus' hart. "Ik draag hem naar zijne ouders in de oase," dacht

hij vervolgens,--"en dan naar boven, naar de broeders!"

Daar weerklonk met nieuwe kracht de toon van den slag op het metalen

bekken, en de stilte der heilige woestijn werd hier door het geluid

van menschelijke stemmen, daar door het geschetter van trompetten,

elders door dof gejammer verstoord. Het was alsof eene betoovering

de stomme rotsen had bezield en hun stemmen had gegeven, als vlogen

geruisch en tonen, gelijk wilde stortbeken, tegen alle kloven en

holle wegen van den berg op.

"Te laat!" prevelde de Anachoreet, "wanneer ik maar kon, maar wist...."

"Heidaar, vrome Paulus," liet zich op eens, den besluiteloozen

man in zijne overpeinzingen storende, eene juigende, schetterende

vrouwenstem hooren, die hoog uit de lucht scheen te komen. "Hermas

leeft, Hermas is weder hier! Zie op naar de hoogte. Daar wappert de

vaan, hij waarschuwde de wachters. De Blemmyers zijn in aantocht,

en hij heeft mij uitgezonden om u te zoeken. Gij moet in den toren

komen aan de westzijde van den grooten weg. Spoedig! Dadelijk! Hoort

gij wel? Hij heeft mij opgedragen het u te zeggen.--Maar die man in

uw schoot, dat is.... dat is...."

"Dat is," antwoordde Paulus, "Polycarpus, de zoon van uw meester,

die doodziek is. Haast u naar beneden in de oase, en zeg den senator,

zeg vrouw Dorothea...."

"Ik heb thans wel wat anders te doen," viel de herderin hem in de rede,

"Hermas zendt mij naar Galasius, Psoës en Doelas, om ze te roepen. Als

ik beneden in de oase kwam, dan sloten ze mij op, en lieten mij niet

meer naar den berg terugkeeren.--Wat is er toch met dien armen jongen

gebeurd? Maar wat komt het er op aan? Heden is er wat anders voor

u te doen dan over een gat in het hoofd van den zoon des senators

te klagen. Naar boven, naar den toren zeg ik u! Laat hem liggen, of

draag hem daar boven in uw nest, en geef hem uw liefje ter verpleging."

"Duivelin!" riep Paulus, en greep naar een steen.

"Laat hem liggen," schreeuwde Mirjam hem toe. "Wanneer gij niet

doet wat Hermas bevolen heeft, verraad ik aan Phoebicius waar zij

verborgen is. Thans ga ik de anderen roepen. Bij den toren zien wij

elkander weder. En houd u niet te lang op bij uwe blonde gezellin,

gij vrome Paulus, gij heilige Paulus!"

In gelach uitbarstende sprong zij, alsof zij door de lucht gedragen

werd, van rots op rots. De Alexandrijn oogde haar toornig na. Doch

hij begreep dat haar raad toch niet slecht was. Hij nam den gewonde

op zijn schouder en droeg hem haastig den berg op naar zijn hol.

Eer hij dit bereiken kon hoorde hij voetstappen en een luiden kreet

van smart. Weinige oogenblikken later stond Sirona aan zijne zijde en

riep op hartstochtelijken toon: "Ja, hij is het! En zóo, zóo! Maar

hij moet leven, want ware hij dood, dan zou uw god der liefde zóo

onverbiddelijk, zóo hard, zóo wreed zijn, dan zou.... dan zou...."

Zij kon niet meer spreken, want tranen verstikten hare stem. Zonder

op haar klagen te letten, ging Paulus haar haastig voor, trad het hol

binnen, legde den bewustelooze op hare legerstede neder, en zeide,

toen Sirona zich op de knieën wierp en hare lippen op de slappe hand

van den jongeling drukte, ernstig maar vriendelijk: "Wanneer gij hem

waarlijk liefhebt houd dan op met klagen! Hij is hier aan het hoofd

sedert gisteren zwaar gewond. Ik heb zijne wond gewasschen. Verbind

gij haar thans zorgvuldig en koel haar gedurig af met frisch water. Gij

weet de bron te vinden. Wanneer hij wat bijkomt, moet gij hem de voeten

wrijven, hem brood en eenige druppels wijn geven. Dat alles zult gij,

benevens olie--want gij zult ook licht noodig hebben--in den kleinen

kelder hiernaast vinden.

"Ik moet nu naar de broeders, en keer ik vóor morgen niet terug,

laat het dan aan de moeder van den armen jongeling over hem verder

te verplegen. Zeg haar ook dat ik, Paulus, in toorn hem deze wonde

heb toegebracht. Zij moge het mij vergeven, als zij kan, en ook

Petrus. Vergeef ook gij, wat ik jegens u heb misdreven, en zoo ik val

in den strijd die ons wacht, wil dan bidden, dat de Heer niet te streng

met mij in het gericht treedt, want mijne zonden zijn vele en groot."

Op dit oogenblik drong de klank van eene trompet tot in de diepte

van het hol. Sirona verschrikte en riep: "Dat is de Romeinsche tuba:

ik ken den toon. Phoebicius zal hier voorbij trekken!"

"Hij doet zijn plicht," viel Paulus haar in de rede. "En thans nog

dit ééne. Ik zag in den afgeloopen nacht aan uw hand een ring met

een onyx."

"Daar ligt hij," antwoordde Sirona, en wees naar het uiterste einde

van de spelonk, "in het stof van den grond."

"Laat hem daar liggen," zeide Paulus, boog zich nogmaals over den

kranke om zijn voorhoofd te kussen, hief zijne hand naar de Gallische

op om haar te zegenen, en stormde naar buiten.

Homo sum: Roman · 第 25 / 30 题