Het was stikdonker in Sirona's hol, akelig donker, en hoe zwarter
de nacht, die haar omgaf, zich vertoonde, des te hooger steeg haar
angst. Van tijd tot tijd sloot zij de oogen zoo stijf dicht als zij
kon, want dan was het haar als zag zij een purperkleurig schijnsel, en
gelijk een drenkeling naar den oever, zoo smachtte zij in dit uur naar
licht. Daarbij kwelden schrikbeelden van allerlei aard hare ziel. Als
Paulus haar nu eens verlaten en aan haar lot prijs gegeven had? Als
Polycarpus bij het onweder den berg eens doorzocht had om haar te
vinden, en door de duisternis misleid in een afgrond was gestort of
door een bliksemstraal gedood? Als eens de rotsmassa, die over den
ingang van het hol hing, door den storm losraakte, en nederstortte, en
haar den ingang naar buiten versperde? Dan was zij levend begraven; dan
moest zij eenzaam versmachten zonder hem die zij liefhad, wedergezien
en hem gezegd te hebben, dat zijn vertrouwen hem niet bedroog.
Door zulke gedachten vreeselijk gekweld, verzamelde zij al hare
krachten, en ging zij al tastend naar buiten in de vrije lucht,
terwijl de wind haar tegenwoei. In die sombere eenzaamheid, in dat
akelig donker, kon zij het niet langer uithouden. Reeds had zij den
uitgang der spelonk bereikt, toen zij voetstappen hoorde, die haar
schuilplaats schenen te naderen.
Zij verschrikte opnieuw. Wie waagde het in dezen pikdonkeren nacht van
de eene rots op de andere te klimmen? Kwam Paulus misschien terug? Was
hij het, ofwel Polycarpus, die haar zocht?
Als verbijsterd drukte zij beide handen tegen haar hart. Zij gevoelde
zich gedrongen om te roepen, maar waagde het toch niet. Hare tong
weigerde haar den dienst. Met angstige spanning luisterde zij naar
het geluid der stappen, die recht vóor haar uit meer en meer naderden.
De nachtelijke wandelaar merkte de schemering op van haar wit gewaad
en riep haar bij den naam.
Het was Paulus. Zij gevoelde zich verlicht en haalde weder adem,
toen zij zijne stem herkende en zijne groet beantwoordde.
"Bij zulk noodweer," zeide de Anachoreet, "is het, geloof ik, beter
hier binnen dan buiten; want dat het in de open lucht niet bijzonder
aangenaam is, heb ik ondervonden."
"Maar ook hier in het hol," antwoordde Sirona, "is het verschrikkelijk
geweest. Ik heb mij vreeselijk bang gemaakt, want ik was zoo alleen
in het akelig donker. Had ik mijn hondje nog maar bij mij gehad,
dat was ten minste een levend wezen."
"Ik heb mij gehaast zooveel ik kon," hernam Paulus. "De paden zijn
hier minder effen dan de wandelwegen te Alexandrië in de Canobische
straat, en daar ik niet evenals de Cerberus, die aan de voeten van
Serapis zit, drie halzen heb, zoo zou het wijzer van mij geweest zijn,
indien ik wat minder haastig tot u ware terug gekeerd. De stormvogel
heeft alle sterren opgeslokt, alsof het muggen waren, en de oude
berg is daarover zoo boos, dat hem overal de tranen bij beken over
de steenen wangen loopen. Ook hier is het nat. Ga thans in het hol
terug en laat mij wat ik hier voor u op den arm draag in den drogen
gang leggen. Ik breng goede tijding. Morgen avond breken wij op,
tegen dat de duisternis valt. Ik heb voor een vaartuig gezorgd,
dat ons naar Klysma zal brengen, en vandaar geleid ikzelf u naar
Alexandrië. In het schaapsvel dat ik hier heb zult gij de kleederen
en den sluier van eene Amalekietische vrouw vinden. Als uw spoor
voor Phoebicius verborgen zal blijven, dan moet gij u deze vermomming
laten welgevallen, want zoodra de lieden daarbeneden u zien, zooals
ik u heden zag, zouden zij meenen dat Aphrodite zelve weder uit het
schuim der zee was opgerezen, en de tijding dat eene blonde schoone
hun verschenen was, haastig verder verspreiden tot in de oase."
"Maar ik meen dat ik hier goed verborgen ben," antwoordde Sirona. "Ik
ben bang voor dien zeetocht. En al gelukte het ons ook zonder
tegenspoed Alexandrië te bereiken, dan weet ik toch niet...."
"Het is mijne zaak dan voor u te zorgen," viel Paulus haar in de
rede, met eene zekerheid, die bijna overmoedig scheen en Sirona
verontrustte. "Gij kent den fabel van den ezel in de leeuwenhuid; daar
zijn echter ook leeuwen, die het vel van een ezel of een schaap--dat
komt zoowat op hetzelfde neer--over de schouders dragen. Gisteren
verteldet ge mij van de heerlijke paleizen der burgers, die gij in
de hoofdstad hebt gezien, en hebt gij hen die ze bezitten gelukkig
geprezen. Welnu, gij zult in een dier marmeren huizen wonen en
daarin als meesteres gebieden, en mijn eerste zorg zal zijn u slaven
en een draagstoel, dragers, en een wagen met witte muildieren te
verschaffen. Twijfel er niet aan, want ik beloof niets, wat ik niet
zou kunnen houden.--De regen houdt op en ik wil nu beproeven vuur
te ontsteken.--Zijt ge reeds verzadigd? Nu, dan wensch ik u goeden
nacht. Het overige zullen wij morgen wel vinden."
Sirona had de beloften van den Anachoreet met verbazing aangehoord. Hoe
dikwijls had zij hen benijd, die dat alles bezaten, wat haar
zonderlinge beschermer haar toezegde! Thans echter hadden al deze
dingen voor haar niet de minste aantrekkelijkheid, en met het vaste
voornemen Paulus, dien zij begon te mistrouwen, in geen geval te
volgen, antwoordde zij, terwijl zij zijn groet koel beantwoordde:
"Vóor morgen avond verloopen nog vele uren, waarin wij dit alles
overleggen kunnen."
Terwijl de Alexandrijn met veel moeite vuur ontstak, bleef zij weder
alleen, en opnieuw begon zij zich in die donkere ruimte angstig te
maken. Zij riep den Alexandrijn en zeide: "Het donker maakt mij zoo
benauwd. Heden morgen had gij nog olie in de kruik; mogelijk gelukt
het u voor mij een lampje gereed te maken. Het is zoo akelig in donker
te blijven."
Paulus nam terstond eene scherf, trok een draad uit zijn gescheurd
wollen kleed, draaide dien in elkander, legde hem als een pit in de
vette vloeistof, stak hem aan zijn langzaam opflikkerend vuurtje
aan, en gaf Sirona dit meer dan eenvoudige lichtje in de hand met
de woorden: "Hiermede zult gij geholpen zijn. In Alexandrië zal ik
echter voor lampen zorgen, die beter gezien mogen worden en door
knapper kunstenaars gemaakt zijn."
Sirona plaatste het lampje in eene holte van den rotswand boven hare
legerstede, en vlijde zich vervolgens neder.
Het licht verjaagt niet enkel de roofdieren maar ook de vrees van de
rustplaatsen der menschen, en het verwijderde thans van de Gallische
elke sombere gedachte. Klaar en duidelijk overzag zij haren toestand,
en zij besloot het hol niet eerder te verlaten en zich aan den
Anachoreet toe te vertrouwen, voor zij Polycarpus wedergezien en hem
gesproken had. Hij wist toch nu waar hij haar zoeken moest, en hij
zou zeker, dacht zij, reeds tot haar teruggekeerd zijn, wanneer het
onweder en de bewolkte hemel het bestijgen van den berg uit de oase
niet onmogelijk hadden gemaakt.
"Morgen zie ik hem weder, en dan open ik voor hem mijn hart," zeide zij
tot zichzelve. "Dan laat ik hem in mijne ziel lezen als in een boek,
en op elke bladzijde, in elken regel zal hij zijn naam vinden. Ik
wil hem ook zeggen, dat ik tot zijn 'goeden herder' heb gebeden,
en hoe goed mij dat gedaan heeft, en dat ik eene christin wil zijn,
gelijk zijne zuster Marthana en zijne moeder. Vrouw Dorothea zal zich
zeker zeer verheugen wanneer zij dat hoort, en zij ten minste heeft
stellig niet kunnen gelooven dat ik slecht ben. Want zij heeft mij
toch altijd lief gehad, en de kinderen, de kinderen...."
De vroolijke gestalten van de kleine schare kwamen haar lachend voor de
verbeelding, en onopgemerkt gingen hare voorstellingen over in droomen,
en de vriendelijke slaap raakte haar hart aan met eene zachte hand,
en blies elken schaduw van zorg uit hare ziel weg. Glimlachend en
onbekommerd sluimerde zij in als een kind, op welks zacht geslotene
oogen beschermengelen hunne kussen drukken.
Intusschen was haar zonderlinge beschermer bezig met nu eens het
rookende hout op den vochtigen haard om te keeren, en met een vuurrood
gezicht in de smeulende kolen te blazen, dan weder onrustig op en
neder te wandelen, en telkens wanneer hij den ingang van het hol
voorbijging, zijne schreden te vertragen, om een verlangenden blik
te slaan naar de lichtschemering, die uit Sirona's rotsvertrek te
voorschijn kwam. Sedert hij Polycarpus op den grond had geslingerd,
was Paulus niet tot nadenken gekomen. Geen oogenblik had hij berouw
gevoeld over zijne daad, want hij had in de verte niet bedacht, dat
een val op den ijzerharden steen van den heiligen berg meer pijn deed,
dan het neerstorten in het zand van het worstelperk. Die onbeschaamde,
meende hij, had in alle opzichten verdiend aldus weggezonden te
worden. Wie toch gaf hem meer recht op Sirona dan hij, Paulus, bezat,
die haar leven gered en op zich genomen had haar te beschermen?
Hare buitengewone schoonheid had hem sedert de eerste ontmoeting
goed gedaan, doch geene enkele onreine gedachte was er in zijn hart
opgeweld, als hij haar met welgevallen aanzag, en met aandoening
luisterde naar hare kinderlijke taal. De gloeiende ontboezeming van
Polycarpus had het eerst ook in zijne ziel vonken geworpen, die de
jaloezie en de bezorgdheid, dat hij Sirona aan een ander zou moeten
overlaten, spoedig tot een verterend vuur aanbliezen. Hij wilde deze
vrouw niet prijsgeven; hij wilde ook verder voor haar zorgen. Zij
zou alles aan hem en aan hem alleen te danken hebben.
Derhalve wijdde hij zich, zonder verzuim, met hart en ziel aan de
voorbereiding tot hare vlucht. De drukkende onweerslucht, donder en
bliksem, de bij stroomen neervallende regen en de duisternis van
den nacht hielden hem niet tegen, en terwijl hij doornat en dood
moede, onder allerlei gevaren al tastend van rots tot rots opsteeg,
dacht hij aan niets dan aan haar, en hoe hij haar het zekerst naar
Alexandrië kon overbrengen en dáar met alles omgeven, wat maar ooit
eene vrouw aangenaam kan zijn. Niets, volstrekt niets begeerde hij voor
zichzelven, en wat hij overlegde en de plannen die hij maakte, hadden
enkel en alleen betrekking op hetgeen hij voor haar zou kunnen doen.
Toen hij voor haar de lamp gereed gemaakt en aangestoken had, zag
hij haar weder, en hijzelf was verbaasd over de schoonheid van dat
door de flikkerende vlam verlicht gelaat. Hij had haar maar enkele
oogenblikken kunnen zien, toen was zij verdwenen, en hij moest alleen
in nacht en regen achterblijven. Rusteloos wandelde hij op en neer,
en een pijnigend verlangen om dat door het lamplicht beschenen gelaat
en dien blanken arm, die zich naar het licht had uitgestrekt, nog
eens te zien, begon zich steeds krachtiger te doen gevoelen, en deed
zijn hart al sneller en sneller kloppen.
Zoo vaak hij het hol voorbijging en de schemering van licht uit haar
slaapvertrek waarnam, werd hij als door eene onweerstaanbare kracht
gedreven om naar haar toe te sluipen en haar nog eens te zien. Aan
gebed en geeseling, zijne oude middelen tegen zondige denkbeelden,
dacht hij niet; maar wel overlegde hij of hij niet om eene of
andere reden naar binnen kon gaan, zonder daarom schuldig te zijn in
zijne eigene oogen. Daar viel hem in dat het koel was, en dat er een
schaapsvel in het hol lag. Dat wilde hij gaan halen, niettegenstaande
hij de gelofte had afgelegd het niet meer te gebruiken. En wanneer
hij haar dan tevens zien kon, wat zou dat?
Zoodra hij den drempel van den ingang overschreden had, vermaande eene
stem in zijn binnenste hem om terug te keeren, en zeide hem dat hij
op een verkeerden weg was, want hij sloop als een dief op de teenen
voort. Doch haastig liet hij er het verontschuldigend antwoord op
volgen: "Dit is opdat zij niet wakker zal worden, zoo zij slaapt." En
hiermede had hij elke verdere bedenking tot zwijgen gebracht, want
reeds was hij doorgedrongen tot de plaats waar, aan het einde van de
rotsgang, haar slaapvertrek begon.
Daar lag zij, betooverend schoon, op hare harde legerstede te
sluimeren. Rondom was alles stikdonker, en het zwakke schijnsel van
het lampje verlichtte slechts een klein gedeelte van de naakte akelige
ruimte. Maar het bestraalde het hoofd, den hals en de armen, die met
een eigen licht schenen te schitteren, en het lichtend vermogen van
de zwakke vlam te verhoogen en te wijden.
Paulus bleef met ingehouden adem op zijne knieën liggen, en zijne
blikken vestigden zich met klimmende aandoening op het lieflijk beeld
der slapende. Sirona droomde. Haar met blonde lokken omgeven hoofd
rustte op een hoog kussen van kruiden, en haar zacht blozend gelaat
was naar het gewelf van het hol toegekeerd. Hare even gesloten lippen
bewogen zich zacht. Nu verroerde zij ook den gebogen arm en de blanke
hand, die geheel door de lamp verlicht, half op hare glanzige haren
en half op haar voorhoofd lag.
"Zeide zij iets?" vroeg Paulus zich, en hij drukte zijne slapen zoo
stevig tegen een vooruitstekend stuk rots, als wilde hij zijn bloed,
dat al sneller en sneller begon te vloeien, verhinderen zich in zijne
bedwelmde hersenen uit te storten.
Daar bewoog zij opnieuw hare lippen. Had zij toch gesproken? Had
zij hem misschien geroepen? Maar dat kon niet zijn, want zij
sliep immers. Hij wilde het echter gelooven en geloofde het ook,
en sloop al dichter naar haar toe, en boog zich over haar heen, en
beluisterde de zachte regelmatige ademhaling die hare borst bewoog,
terwijl hemzelven de kracht ontbrak om lucht te scheppen. Geen meester
meer over zichzelven, raakte hij met zijne gebaarde lippen eerst haar
blanke arm aan, dien zij al slapend terugtrok. Vervolgens vestigden
zich zijne oogen op hare lippen en de twee, maar half door deze bedekte
rijen witte tanden, en het verlangen om haar mond te kussen greep hem
aan met onweerstaanbare macht. Bevend boog hij zich over haar heen,
en reeds was hij op het punt zijn verlangen vervuld te zien, toen hij,
als door eene plotselinge verschijning verschrikt, achteruit ging, en
zijne blikken, in plaats van op den rooden mond, op de hand vestigde,
die op het voorhoofd van de slapende rustte. Het licht van het lampje
weerspiegelde zich in een gouden ring aan Sirona's vinger en bestraalde
helder een onyx, waarin het beeld van de godin der stad Antiochië,
Tyche, die een bol op het hoofd en de hoorn van Amalthea in de hand
draagt, gesneden was.
Eene zonderlinge gewaarwording overmeesterde den Anachoreet hij het
zien van dezen steen. Met bevende vingers greep hij in de borstopening
van zijn gescheurd kleed, tastte rond en bracht eindelijk een klein
ijzeren kruis en den ring te voorschijn, dien hij van de koude hand
van Hermas' moeder had getrokken. Deze gouden ring droeg een onyx,
waarop juist hetzelfde beeld te zien was als op dien aan de hand van
de Gallische. Het snoertje met zijn dierbaarst kleinood ontzonk den
Anachoreet; met beide handen greep hij in zijne wilde haren, steunde
smartelijk en herhaalde gedurig, alsof hij om vergeving moest bidden,
den naam Magdalena.
Eindelijk riep hij Sirona met luider stem, en toen zij hevig verschrikt
ontwaakte, vroeg hij dringend: "Wie gaf u dien ring daar?"
"Phoebicius heeft mij dien ring geschonken," antwoordde de
Gallische. "Hij zeide dat hij dien, vele jaren geleden, in Antiochië
ten geschenke had gekregen, en dat hij door een groot kunstenaar
gesneden was. Maar ik ben er niet meer op gesteld, en wanneer hij u
bevalt, moogt gij hem hebben."
"Werp hem weg," riep Paulus, "want hij brengt u geen geluk!"
Daarop herstelde hij zich, ging met gebogen hoofd naar buiten, wierp
zich daar op den natten steenbodem vóor den haard neder en riep:
"Magdalena, gij reinste! Uit eene Glycera zijt gij eene heilige
martelares geworden en hebt gij den weg ten hemel gevonden. Ook ik
had mijne reis naar Damascus, en vermeette mij den naam van Paulus
aan te nemen, en nu.... nu....?"
Door vertwijfeling aangegrepen sloeg hij zich vóor het voorhoofd en
zuchtte: "Alles, alles te vergeefs!"