"Zij zal nog de aandacht wekken van Damianus of Salatiël, of een
ander van die daar boven wonen," dacht Paulus, toen de roepstem van
Sirona zich opnieuw deed hooren. Het geluid van haar stem volgende,
steeg hij haastig en in spanning den berg op.
"Heden," prevelde hij verder in zichzelven, "en misschien ook morgen
hebben wij van dien onbeschaamden jongen ten minste niets te vreezen;
zijne blauwe plekken zullen hem aan mij doen denken. Men vergeet toch
niet gemakkelijk wat men eens heeft geleerd! De greep, waarmede ik
hem in de hoogte tilde, heb ik--hoe lang is dat al geleden?--van den
gymnasiarch Delphis geleerd. Nog is het merg in mijne gebeenten niet
verdroogd; dat zal ik den knaap met deze vuisten bewijzen, al keerde
hij met drie of vier van zijn slag terug."
Maar Paulus had niet lang tijd om zijne verwarde denkbeelden na te
gaan, want midden op den weg naar zijn hol vond hij Sirona.
"Waar is Polycarpus?" riep zij hem toe.
"Ik heb hem weggezonden," gaf hij ten antwoord.
"En heeft hij uw bevel opgevolgd?" vroeg zij verder.
"Ik liet het niet ontbreken aan afdoende gronden," antwoordde hij
levendig.
"Doch zal hij niet terugkomen?"
"Voor heden heeft hij hier boven genoeg vernomen. Wij zullen thans
aan uw reis naar Alexandrië moeten denken."
"Ik geloof toch," antwoordde Sirona blozend, "dat ik in uw hol veilig
geborgen ben, en te voren hebt gijzelf gezegd...."
"Ik waarschuwde u voor de gevaren der hoofdstad," viel Paulus
haar in de rede. "Sedert heb ik mij echter bedacht, dat ik toch
een onderkomen en een beschermer voor u weet, op wien ge u verlaten
kunt. Daar zouden wij weder te huis zijn. Ga thans in de spelonk, want
men heeft misschien uw geroep gehoord, en wanneer andere Anachoreten
u hier ontdekten, zouden ze mij dwingen u naar uw echtgenoot terug
te brengen."
"Ik ga al," zeide de Gallische met een zucht. "Maar verklaar mij
eerst--want ik heb alles gehoord, wat gij met elkander gesproken
hebt"--en wederom kreeg zij eene kleur, "hoe het toch gekomen is,
dat Phoebicius het schaapsvel van Hermas voor het uwe hield, en waarom
ge u, zonder u te verantwoorden, door hem hebt laten mishandelen?"
"Omdat mijn rug nog breeder is dan die van den grooten knaap,"
haastte de Alexandrijn zich te antwoorden. "In rustiger oogenblikken
zal ik u dit alles vertellen; misschien reeds op onzen overtocht naar
Klysma. Ga thans in het hol, anders kunt gij alles nog bederven. Ik
weet ook wat gij, sedert die fraaie woorden van den zoon des senators,
het meest noodig hebt."
"En dat is?" vroeg Sirona.
"Een spiegel," riep Paulus lachend.
"Hoezeer vergist ge u!" antwoordde de Gallische, en dacht, terwijl
zij zich in het hol terug trok: "Wien Polycarpus zoo aanziet als mij,
die heeft nooit meer een spiegel noodig!"
In het visschersdorp aan de westelijke helling van den berg woonde
een oude joodsche koopman, die de kolen, welke men in de dalen van het
schiereiland uit de sayal-akasia brandde, naar Egypte verscheepte, en
die reeds voor de papyrus-fabrieken van Paulus' vader de brandstoffen
geleverd had, die men in de droogzalen gebruikte. Thans deed hij zaken
met zijn broeder, en de Alexandrijn had zelf met hem omgegaan. Hij
was verstandig en niet onbemiddeld. Zoo dikwijls hij den Anachoreet
ontmoette, had hij dezen verweten dat hij der wereld ontvlucht was,
en hem verzocht ten allen tijde op zijne gastvrijheid te rekenen,
en over zijn goed te beschikken alsof het zijn eigendom was. Deze man
moest Paulus nu een boot verschaffen, en hem de middelen aan de hand
doen tot Sirona's vlucht.
Hoe langer de Alexandrijn hierover nadacht, des te onvermijdelijker
scheen het hem, dat hij de Gallische zelf begeleidde, om haar te
Alexandrië in eigen persoon een goed onderkomen te bezorgen. Hij
wist dat hij vrije beschikking had over het kolossaal vermogen van
zijn broeder, dat voor de helft ook het zijne was, en sedert vele
jaren begon hij zich voor het eerst weder te verheugen in zijn
rijkdom. Weldra hield hij zich in den geest bezig met te zorgen
voor het in orde brengen van het huis, dat hij der schoone vrouw
tot verblijf wilde aanwijzen. Eerst dacht hij aan eene eenvoudige
en burgerlijke woning, maar langzamerhand begon hij in zijne
verbeelding het voor haar bestemde huis met schitterend goud, met
wit en veelkleurig marmer, met bonte Syrische tapijten, ja zelfs
met het schandelijkste heidenwerk, met beelden en een weelderig bad
te versieren.
Zoo besteeg hij, steeds onrustiger, de eene rots voor, de andere na,
en bleef bij dat op en neer loopen telkens staan voor het hol, waarin
Sirona vertoefde. Eens zag hij haar wit gewaad, en de helderheid
daarvan bracht hem tot de overtuiging, dat het onvoorzichtig zou
zijn haar in zulk eene kleeding in het armzalig visschersvlek te
brengen. Wanneer hij haar spoor voor de navorschingen van Phoebicius
en Polycarpus geheel verborgen wilde houden, dan moest hij haar eerst
een eenvoudig kleed bezorgen, en sluiers die het glanzend haar en het
blanke gelaat konden bedekken, dat zelfs in de hoofdstad zijns gelijken
nauwelijks vond. De Amalekiet, van wien hij reeds tweemalen geitenmelk
voor haar gekocht had, woonde in eene hut, die Paulus spoedig bereiken
kon. Hij bezat nog eenige drachmen, en daarvoor kon hij gemakkelijk van
de vrouw en de dochters van den herder aanschaffen, wat hij noodig had.
Niettegenstaande de hemel met nevelen bedekt werd, en een drukkend
heete zuidewind was opgestoken, ging hij terstond op weg. Men zag
de zon niet meer, maar gevoelde haar verzengenden gloed. Doch Paulus
lette niet op dit voorteeken van een naderenden storm. Haastig, en zóo
verstrooid, dat hij in den kleinen voorraadkelder het eene voorwerp
met het andere verwisselde, legde hij brood, de melkkruik en eenige
dadels voor den ingang van het hol neer, riep zijne gast toe dat hij
spoedig zou terugkeeren, en snelde met gejaagde schreden den berg op.
Sirona antwoordde hem met een nauw verstaanbaren groet, en zag niet
eens naar hem op, want zij verheugde zich in hare eenzaamheid, en gaf
zich, zoodra zijne voetstappen niet meer hoorbaar waren, weder over
aan den geweldigen stroom van nieuwe en verhevener gewaarwordingen,
die na Polycarpus' gloeiende liefdeshymne zich in hare ziel had
uitgestort. Paulus was in de laatste uren Menander geworden; de
verlatene vrouw dáar in het hol, de oorzaak van deze omkeering, de
vrouw van Phoebicius, had eene nog grootere verandering ondergaan. Zij
was nog Sirona, en toch Sirona niet meer.
Toen de Anachoreet haar bevolen had zich in de spelonk terug te
trekken, zou zij hem gaarne gevolgd zijn; ja, zij zou ook zonder zijn
gebod zich verwijderd en de eenzaamheid opgezocht hebben, want zij
ondervond dat er iets groots, iets buitengewoons, iets dat zijzelve
niet begreep, in hare ziel omging, en dat iets machtigs, waaraan zij
geen naam kon geven, zich in haar hart gevormd, losgewrongen en leven
en beweging gekregen had. En dat onbekende was haar vreemd en toch
welkom, vervulde haar met angst en scheen haar toch zoo zoet, deed
haar pijnlijk aan en bracht haar toch in zulk eene onuitsprekelijke
verrukking!
Eene ongekende aandoening had zich van haar meester gemaakt, en het
was haar sedert Polycarpus' woorden, als vloeide er nieuw en reiner
bloed in sneller loop door hare aderen. Elk harer zenuwen trilde
als de bladen der populieren in haar vaderland, wanneer zij bewogen
werden door den wind, die tegen den stroom der Rhône opwoei, en het
viel haar moeielijk de rede van Paulus te volgen en nog moeielijker
het rechte antwoord op zijne vragen te vinden. Zoodra zij alleen was,
zette zij zich op haar nachtleger neder, liet den elleboog op hare
knie rusten, legde haar hoofd in de hand, en nu barstte de steeds
geweldiger aanwassende en zwellende vloed der hartstocht, die haar had
aangegrepen, in eene, in een overvloedigen en warmen tranenstroom uit.
Zóo had zij nog nooit geweend! Dit reine, verkwikkende tranenvocht
was met geen smart of bitterheid vermengd. Het was of in de ziel der
weenende, wonderbloemen van ongekende pracht en heerlijkheid hare
kelken openden. En toen hare tranen eindelijk verdroogden, werd het al
stiller en stiller, maar ook helderder en helderder in haar en rondom
haar heen. Zij was te moede als een mensch, die is opgegroeid in een
onderaardsch verblijf, waarin geen straal van het daglicht vermocht
door te dringen, en die eindelijk aan de hand van zijn bevrijder den
blauwen hemel aanschouwt, het glanzende licht der zon, en de duizende
bladen en bloemen in het groene woud en op de weide. Zij gevoelde
zich diep ongelukkig, en toch was zij eene gelukkige vrouw.
"Dat is liefde," klonk het als gezang in haar hart, en als zij dan
in het verleden terugzag, en aan de bewonderaars dacht, die haar
in Arelate, toen zij nog half een kind was, en vervolgens in Rome,
met vriendelijke oogen en zoete woordjes genaderd waren, dan schenen
deze allen haar schaduwbeelden toe, die dunne kaarsen droegen, welker
armzalig licht geheel verbleekte, nu Polycarpus optrad met de zon
zelve in de handen.
"Gene en hij!" prevelde zij in zichzelve, en zij zag eene weegschaal
voor zich. Op de eene zijde lagen de bewijzen van hulde, waarnaar zij
in hare ijdelheid zoo begeerig was geweest. Een voor een waren zij aan
stroohalmen gelijk, en te zamen aan eene lichte garve, die hoog in de
lucht vloog, toen Polycarpus zijne liefde, als een centenaars-gewicht
van rein goud, op de andere legde.
"En al brachten alle volken en koningen hunne schatten samen,"
dacht zij, "en legden ze voor mijne voeten, dan zouden ze mij toch
zoo rijk niet kunnen maken als hij mij gemaakt heeft. Al vielen alle
sterren samen, dan zou de kolossale lichtbal, die hieruit ontstond,
toch niet helderder schitteren, dan de vreugde die thans mijne ziel
vervult. Laat nu komen wat wil, na deze ure zal ik niet klagen!"
Vervolgens dacht zij aan elke harer vroegere ontmoetingen met
Polycarpus, en dat hij haar nooit van zijne liefde gesproken had. Wat
moet het hem gekost hebben zich zoo te beheerschen! De gedachte dat ook
zij rein was en zijner niet onwaardig, vervulde hare ziel met vreugde,
en een gevoel van dankbaarheid zonder wederga welde in hare ziel op.
De liefde, die zich op dien éenen man had gericht, schoot nu vleugelen
aan, breidde zich uit over al wat leefde in het heelal, en ging
over in een gebed. Na eene diepe ademhaling hief zij de oogen en de
handen op. Zij verlangde ieder schepsel, al het geschapene liefde te
bewijzen, en met zeker heimwee zocht zij naar die goede en hoogere
macht, waaraan zij zulk een geluk te danken had. Haar vader had haar
als meisje zeer streng gehouden, maar haar toch veroorloofd bij den
optocht der maagden op het feest van Venus te Arelate,--aan welke
godin alle vrouwen in hare geboorteplaats, wanneer hun hart van
liefde vervuld was, gebeden en offers brachten,--met de meisjes van
haar leeftijd, keurig uitgedost en met een krans getooid, door de
straten der stad te trekken naar den tempel der godin. Zij beproefde
thans tot Venus te bidden. Maar daarbij kwamen haar af en toe de
uitgelaten aardigheden van de mannen, die de meisjes begeleidden,
voor den geest, en herinnerde zij zich hoe zijzelve gretig naar de al
te veelvuldige uitroepen van bewondering geluisterd, de zwijgers door
een blik uitgedaagd, en de luidruchtigste door een lachje gedankt had.
Doch naar zulk een spel stond haar heden waarlijk het hoofd niet,
en zij gedacht de strenge taal, die zij uit Dorothea's mond over
den Venus-dienst had gehoord, toen zij haar eens verteld had, hoe
de inwoners van Arelate de kunst verstonden om feest te vieren. En
Polycarpus, wiens hart zoo vol liefde was, dacht gewis als zijne
moeder, en zij zag hem daar vóor haar zooals hij, achter zijne ouders
en naast zijne zuster Marthana, en vaak met deze hand in hand, naar de
kerk ging. De zoon van den senator had altijd een vriendelijken blik
voor haar, doch niet bij deze wandeling naar den tempel van den god,
van wien zij zeiden, dat hij de liefde zelve was. Zijne vereerders
waren dan ook waarlijk niet arm in liefde, want zoo ergens, dan
verbond in het gezin van Petrus een teedere neiging aller harten.
Bij deze gedachte viel haar in, dat Paulus haar kort geleden geraden
had, zich tot den gekruisigden god der christenen te wenden, die
met gelijke liefde jegens allen vervuld was. Voor dezen boog ook
Polycarpus de knieën, misschien juist in deze ure, en wanneer zij
hetzelfde deed, zou haar gebed met het zijne samensmelten, en dan
was zij toch met den geliefden jonkman, van wien alles haar scheidde,
aan dezelfde plaats vereenigd.
Zij knielde neder en vouwde de handen, zooals zij het dikwijls van
de christenen had gezien, en dacht aan de smarten, die de arme man,
toen hij met zijne doorboorde handen aan een kruis hing, zoo geduldig,
ofschoon hij onschuldig gemarteld werd, had gedragen. Zij gevoelde
innig medelijden met hem en zeide zacht, terwijl zij de oogen tot het
lage gewelf van de spelonk opsloeg: "Gij arme, goede zoon van God,
gij weet hoe smartelijk het is, wanneer alle menschen iemand ten
onrechte veroordeelen, en gij kunt mij zeker verstaan, wanneer ik u
zeg hoe het hart mij pijn doet.
"Maar zij zeggen ook dat uw hart van alle harten het meeste liefheeft,
en daarom zult gij weten hoe het komt, dat het bij al mijn leed toch
voorkomt, als ware ik eene gelukkige vrouw. Het moet zalig zijn den
adem eener godheid te gevoelen, en dat hebt gij zeker ondervonden,
toen zij u mishandelden en scholden. Want gij hebt uit liefde geleden.
"Zij zeggen dat gij volmaakt rein en geheel onschuldig zijt geweest. Ik
heb wel velerlei dwaasheden gedaan, maar eene zonde, eene werkelijke
zonde heb ik niet begaan, neen zeker niet! Dat zult gij wel weten, want
gij zijt een god, en kent het verledene en leest in de harten. Maar
ik zou ook gaarne zonder schuld blijven, en hoe kan dat, wanneer ik
mij aan Polycarpus moet overgeven, terwijl ik toch de vrouw ben van
een ander man?
"Maar was ik dan werkelijk de echte en rechte vrouw van dien
afzichtelijken booswicht, die mij aan een ander heeft verkocht? Hij
is zóo vreemd aan mijn hart, zóo vreemd, als had ik hem nooit met de
oogen gezien. En toch, geloof mij, ik wensch hem geen kwaad toe, en
wil tevreden zijn, wanneer ik slechts niet weder tot hem terug moet
keeren. Als kind was ik bang voor kikvorschen. Mijne broertjes en
zusjes wisten dat, en eens legde mijn broeder Licinius mij zulk een
groot beest, dat hij gevangen had, op den hals. Ik kreeg eene rilling
en schreeuwde zoo hard ik kon, want het was zoo afschuwelijk nat en
koud, dat ik het niet beschrijven kan. En zóo, juist zoo is het mij
sedert dien dag in Rome altijd geweest, als Phoebicius mij aanraakte,
en toch durfde ik niet schreeuwen als hij het deed.
"Doch Polycarpus! Ja was hij maar hier en kon hij slechts mijne handen
grijpen!--Hij zeide dat ik de zijne was, en toch heb ik hem nooit
aangemoedigd. Maar thans! Als een gevaar hem dreigde of eenig leed,
en ik kon het daardoor van hem afwenden, zeker, o zeker liet ik mij,
hoewel ik niet gaarne pijn lijd en bang ben voor den dood, zonder
klagen voor hem aan het kruis nagelen, gelijk gij hebt gedaan voor alle
menschen. Maar hij zou moeten weten dat ik voor hem stierf. En wanneer
hij mij dan met zijn diepen betooverenden blik in de brekende oogen
zag, dan zou ik hem zeggen, dat ik hem innig dank voor zijne groote
liefde, die zoo geheel anders is en veel verhevener dan alle liefde,
die ik vroeger leerde kennen. Wat zich zoozeer verheft boven alles,
wat de menschen gewoonlijk gevoelen, dat moet wel goddelijk zijn,
zou ik meenen. Kan zulk eene liefde een onrecht zijn? Ik weet het
niet maar gij moet het weten. Gij, dien zij den goeden herder noemen,
brengt gij ons te zamen, of voer ons van elkander, zooals gij dit het
best oordeelt voor hem! Maar als het zijn kan, vereenig ons toch, al
ware het ook slechts voor eene enkele ure. Als hij maar weet dat ik
niet slecht ben, en dat de arme Sirona hem en hem alleen zou willen
toebehooren en geen ander, dan zou ik gaarne sterven. Gij goede,
goede herder, neem mij op onder uwe kudde en leid mij!"
Alzoo bad Sirona, en voor het oog harer ziel zweefde daarbij het
beeld van eene vriendelijke, schoone jongelingsgestalte.
Zij had het model van Polycarpus' in verheven arbeid uitgevoerden
"goeden herder" gezien en de aanminnige trekken van dat gelaat niet
vergeten. Dat beeld was haar zóo wel bekend, zij was er zóo mede
vertrouwd, als wist zij, wat zij toch niet vermoedde, dat zijzelve
voor een deel dat werk had doen slagen.
De liefde die twee harten verbindt is den oceaan van Homerus gelijk,
die de twee aardhelften in een cirkel besluit. Hij woelt en golft. Waar
is de plaats van zijn oorsprong te zoeken: of hier of daar? Wie zal
het zeggen?
Vrouw Dorothea had de Gallische met moederlijke trots in de werkplaats
van haar zoon gebracht. Thans dacht Sirona ook aan haar en haren
echtgenoot en zijn huis, boven welks deur een spreuk in steen gebeiteld
stond, die zij dagelijksch uit haar slaapkamer had gezien. Zij kon
geen Grieksch lezen, doch Polycarpus' zuster, Marthana, had haar meer
dan eens gezegd wat zij beduidde. "Beveel den Heer uw wegen en hoop
op hem," luidde het opschrift. Deze woorden zeide zij zichzelve nu
een- en andermaal voor, en daarbij teekende zij allerlei schoone
droombeelden voor de toekomst, die steeds scherper omtrekken en
helderder kleuren aannamen.
Zij zag zich met Polycarpus vereenigd als de dochter van Petrus en
Dorothea in het huis van den senator. Nu had zij een recht op de
kinderen, die haar liefhadden en die haar zoo dierbaar waren. Zij
stond de diakones ter zijde bij al hare bezigheden, en ontving
lof en tevreden blikken tot dank. In het huis haars vaders had zij
geleerd de handen te roeren, en hier kon zij weder toonen wat zij
vermocht. Polycarpus zag met verbazing en bewondering toe en zeide
haar, dat zij even handig als schoon was, en beloofde eene tweede
Dorothea te worden. Vervolgens ging zij met hem in zijne werkplaats,
en bracht daar orde in alles wat zoo wild door elkander lag, en stofte
het af, terwijl hij elk harer bewegingen met zijne blikken volgde,
en dan voor haar bleef staan en zijne armen opende, wijd--wijd....
Zij verschrikte, drukte de handen voor hare oogen en wierp zich aan
zijne geliefde borst, die zoo vol liefde vóor haar was. Zij wilde
onder het storten van heete tranen hare armen slaan om den hals van den
dierbaren jonkman. Doch daar verdween reeds het vriendelijk droombeeld,
want een vluchtig schijnsel van licht verlichtte de donkere ruimte
der spelonk, en spoedig daarop hoorde zij het door de rotswanden van
haar verblijf getemperde, doffe rollen van een donderslag.
Geheel tot de werkelijkheid teruggekeerd, luisterde zij naar buiten,
terwijl zij zich aan den ingang van het hol plaatste. Het begon reeds
donker te worden, en uit de duistere wolken, die rondom de toppen
van den berg als een ontzaglijke sluier van zwart floers schenen
te hangen, vielen zware regendruppels neder. Paulus was nergens te
zien, maar daar stond de maaltijd nog, die hij voor haar had gereed
gemaakt. Zij had sedert het ontbijt niets gegeten; zij wilde nu de
melk opdrinken, maar deze was zuur geworden en niet te gebruiken,
doch zij had aan een stukje brood en eenige dadels volkomen genoeg.
Toen de bliksemstralen en donderslagen steeds korter op elkander
begonnen te volgen, en de duisternis hand over hand toenam, overviel
haar een groote angst, zij schoof het eten ter zijde en zag tegen
den berg op, welks toppen nu eens geheel in nacht gehuld werden,
dan weder, als badende in een zee van licht, duidelijker dan bij
dag te zien waren. Dikwijls scheidde een bliksemschicht, met eene
scherp geteekende vurige snede, het wolkgordijn met ongelooflijke
snelheid vaneen; vaak klonk de donder door de stille woestenij als
bazuingeschal, dat zich dreunend, ratelend en langzaam wegstervend
van rots tot rots voortplantte.
Opeens schenen het licht en de slag tegelijk van den hemel neder te
dalen. De rots, waarin hare spelonk was, beefde. In gebogen houding
en bevende trok zij zich in het binnenste hoekje van haar hol terug,
en telkens, wanneer de enge ruimte plotseling verhelderd werd,
verschrikte zij.
Eindelijk volgden de bliksemstralen elkander na langere tusschenpoozen
op; de stem van den donder verloor hare vrees aanjagende kracht, en
toen de stormwind het onweder verder en verder naar het zuiden joeg,
stierf die stem geheel weg.