VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Het was een heerlijke morgen. Geen wolkje was er aan den hemel, die

zich als een gewelfd koepeldak van donkerblauwe zijde over den berg,

de woestijn en de oase uitbreidde. Het is genotvol op de hoogte van

dit gebergte de reine, dunne, aromatische woestijnlucht in te ademen,

vóor de zonnestralen te krachtig hunne werking doen gevoelen, en de

schaduwen van de gloeiende porfierwanden en steenblokken al korter

en korter worden, om eindelijk geheel te verdwijnen.

Met welk een welgevallen en hoe gretig ademde Sirona deze lucht in,

toen zij na een langen nacht, den vierden dien zij in het bedompte

hol van den Anachoreet had doorgebracht, naar buiten trad. Paulus zat

naast den haard, en was zoo ijverig bezig met snijwerk, dat hij haar

niet eens hoorde komen.

"Die goede man," dacht Sirona, toen zij een dampenden pot op het vuur

zag en de palmtakken bemerkte, die de Alexandrijn aan de zijde van

den ingang der spelonk had geplant, om haar tegen de stralen der zon

te beschutten. Zij wist de bron, waaruit Paulus haar bij de eerste

ontmoeting gedrenkt had, reeds zonder geleide te vinden, en sloop

met een kruikje van gebakken klei in de hand daarheen.

Paulus merkte haar wel op, maar hij nam den schijn aan alsof hij haar

niet zag en hoorde, want hij wist dat zij zich daar beneden wilde

wasschen en--zij was immers eene vrouw?--zoo goed het ging haar

toilet maken.

Toen de Gallische terugkwam, zag zij er niet minder frisch en aanvallig

uit als op den morgen, toen Hermas haar beluisterd had. Wel deed

haar hart pijn, wel was zij angstig en gevoelde zij zich ongelukkig,

maar slaap en rust hadden sedert lang alle sporen van dien dag der

ontvluchting op haar gezond, haar jeugdig en veerkrachtig lichaam

uitgewischt, en het lot, dat ons dikwijls bijzonder welgezind is,

juist wanneer het ons een vijandig gelaat toont, had haar eene kleine

zorg berokkend, om haar voor grootere te bewaren.

Haar hondje was zwaar ziek geworden, en het scheen wel dat het

bij de ondergane mishandeling niet enkel een pootje gebroken had,

maar ook innerlijk gekwetst was. Het vlugge, vroolijke diertje zeeg

krachteloos in elkaar, zoo vaak het poogde te staan, en als zij het

aanpakte, om het in haren schoot in eene gemakkelijke houding neder

te leggen en te koesteren, dan liet het een pijnlijk geluid hooren,

en zag haar klagend en lijdend aan. Het wilde spijs noch drank tot

zich nemen. Het anders zoo koele neusje was brandend heet geworden,

en toen zij het hol had verlaten, was Jambe, zonder haar zelfs na te

zien, reutelend blijven liggen op de schoone wollen deken, die Paulus

over haar leger had gespreid. Eer zij het beest water bracht in de

sierlijke kruik, een tweede geschenk van haar gastvriend, richtte

zij zich tot dezen en begroette hem vriendelijk.

Paulus zag van zijn arbeid op, dankte en vroeg haar, toen zij na

weinige oogenblikken weder naar buiten kwam: "Hoe gaat het met den

kleinen kranke?"

Sirona haalde de schouders op en antwoordde bedroefd: "Hij heeft niets

gedronken en mij niet eens herkend. De reutelende ademhaling gaat nog

even snel als gisteren avond. Ach, als dit diertje sterven moet....!"

Zij was zoo aangedaan van smart, dat zij den zin niet kon

voltooien. Paulus schudde afkeurend het hoofd en zeide: "Het is zonde

zich zoo te kwellen over een redeloos dier."

"Jambe is niet redeloos," antwoordde Sirona. "En al was dit zoo, wat

blijft mij nog over, als dit beestje sterft? Het is groot geworden

in mijns vaders huis, waar allen mij liefhadden. Ik kreeg het toen

het weinige dagen oud was, en heb het door middel van een sponsje

met melk groot gebracht. Dikwijls ben ik, als ik het kleine diertje

hoorde janken, in den nacht met bloote voeten uit bed gestapt om het

te drenken. Daarom was het ook als een kind aan mij gehecht en had

het mij noodig. Niemand kan weten wat een ander voor hem is. Mijn

vader vertelde ons eens van eene spin, die een gevangene het leven

opvroolijkte. En wat is zulk een leelijk stom dier in vergelijking van

mijn verstandig en mooi hondje! Ik heb mijn vaderland vaarwel gezegd,

en hier, hier denkt ieder het ergste van mij, hoewel ik geen mensch

heb beleedigd, en niemand heeft mij lief dan Jambe."

"Toch ken ik iemand, die ieder liefheeft met dezelfde goddelijke

liefde," viel Paulus haar in de rede.

"Van zulk een mensch houd ik niet," antwoordde Sirona. "Jambe volgt

niemand dan mij alleen. Wat geef ik om eene liefde, die ik met de

gansche wereld deelen moet! Meent gij mogelijk dien gekruisigden god

der christenen? Hij mag goed zijn en hulpvaardig; dat zegt vrouw

Dorothea ook. Maar hij is dood; ik zie hem niet en hoor hem niet,

en verlang ook niet naar iemand die mij genade bewijst, maar naar een

voor wien ik iets zijn kan, en die mij noodig heeft voor zijn leven

en geluk."

De Alexandrijn voelde bij deze woorden eene zachte koude rilling over

zijn rug gaan, en terwijl hij hare gestalte met een meewarigen en

tevens bewonderenden blik opnam, dacht hij: "Satan was, voor hij viel,

de schoonste onder de reine geesten, en nog altijd oefent hij macht

uit over hen. Zij is nog in lang niet rijp voor het heil, en toch heeft

zij een goed hart; al dwaalde zij soms, zij is toch zeker niet slecht."

Sirona's blik had den zijnen ontmoet, en zuchtend zeide zij: "Gij

ziet mij zoo medelijdend aan. Als Jambe echter weder gezond werd,

en het gelukte mij Alexandrië te bereiken, dan zou er misschien in

mijn lot nog eene gunstige wending komen."

Terwijl zij sprak was Paulus opgestaan om den pot van het vuur te

nemen, en zeide nu, terwijl hij dien aan zijne gast overhandigde:

"Voor het tegenwoordige moge deze brij u het gemis vergoeden van de

genietingen der hoofdstad.--Het verheugt mij dat hij u smaakt. Maar zeg

mij nu eens: hebt gij er wel eens goed over nagedacht welke gevaren

een schoone jonge vrouw, zonder bescherming, bedreigen in de zondige

Grieksche stad? Zou het niet beter zijn, dat gij de gevolgen van

uwe schuld voor uwe rekening naamt en terugkeerdet tot Phoebicius,

aan wien gij in elk geval toch toebehoort?"

Sirona had bij deze laatste woorden den pot waaruit zij at op den

grond gezet en riep op heftigen toon, terwijl zij haastig opstond:

"Dat zal nooit gebeuren, en in die vreeselijke ure, toen ik bijna

uitgeput daar beneden zat, en uwe schreden voor die van Phoebicius

hield, hebben de goden mij getoond, hoe ik hem, en u en ieder, die

mij tot hem zou willen terugbrengen, ontvluchten kan. Ik was razend

en als in zinsverbijstering, toen ik de wijk nam tot aan den rand

van den afgrond. Doch wat ik toen in waanzin wilde doen, dat zou ik

thans in koele bloede uitvoeren, zoowaar ik hoop mijne betrekkingen

in Arelate nog eens weer te zien. Wie ben ik geweest, en wat is

er door Phoebicius van mij geworden! Het leven lachte mij toe als

een zonnige tuin, met verguld rasterwerk en kristalheldere vijvers,

schaduwrijke boomen met roode bloemen en zingende vogels. Hij heeft

mij het zonlicht benomen, de bronnen troebel gemaakt en de bloemen

geknakt. Alles komt mij thans zoo zwijgend en kleurloos voor, en als de

afgrond mij opneemt, zal niemand mij missen en niemand mij beklagen."

"Arme vrouw," zeide Paulus. "Uw echtgenoot heeft u dan wel weinig

liefde getoond!"

"Liefde?" hernam Sirona lachend. "Phoebicius en liefde! Gisteren heb

ik u immers verteld, hoe hij mij na zijne feesten, als hij dronken

was of uit zijn onmacht ontwaakte, gruwzaam gekweld heeft? Maar hij

heeft mij iets gedaan, iets, dat ook de laatste dunne band tusschen

ons verscheurd heeft. Niemand heeft het nog van mijne lippen gehoord,

zelfs vrouw Dorothea niet, die mij toch zoo dikwijls heeft berispt,

wanneer ik een hard woord over mijn man niet weerhouden kon. Zij

heeft goed praten. Had ik een echtgenoot als Petrus gevonden, dan ware

ik misschien ook eene Dorothea geworden. Het is een wonder, hetwelk

ikzelf niet begrijp, dat ik niet slecht geworden ben aan de zijde van

dien onmensch, die mij, mij--waarom zou ik het verzwijgen--te Rome aan

zijne legaat Quintillus verkocht had, nadat hij in schulden zat en

door diens toedoen hoopte bevorderd te worden. Hij bracht den ouden

man, die mij vaak was nageloopen, zelf in mijn huis; maar de brave

vrouw, bij wie wij inwoonden, had de onderhandelingen afgeluisterd

en mij alles verraden. Dat was zoo laag, zoo schandelijk mogelijk;

ik bevlek mijne ziel als ik er slechts aan denk. De legaat heeft voor

zijne sesterziën [5] weinig vreugde gekocht. Phoebicius gaf echter

dat zondig verworven geld niet terug, en zijne woede tegen mij kende

geene grenzen, toen hij door toedoen van den bedrogen ouden legaat

naar de oase werd overgeplaatst. Thans weet gij alles, en geef mij,

zoo gij kunt, nu andermaal den raad, tot dezen man, aan wien ik

ter kwader ure verbonden werd, terug te keeren.--Hoor toch eens hoe

het arme diertje daar binnen jankt. Misschien wil het bij mij zijn,

en het heeft de kracht niet zich te verroeren."

Paulus zag haar deelnemend na, terwijl zij onder de opening van de rots

verdween, en wachtte met de armen over elkaar gekruist tot zij terug

zou komen. Hij kon het hol niet overzien, want de grootere ruimte,

waarin het nachtleger was gespreid, was met den langen smallen gang,

die naar buiten leidde, aan het einde verbonden, gelijk het mes van

een zeis aan de greep. Zij bleef zeer lang uit, en hij hoorde slechts

nu en dan een teeder woord, waarmede zij het lijdende hondje zocht

te troosten.

Opeens kromp hij ineen van schrik, want Sirona had een luiden kreet van

smart doen hooren. Zeker was de trouwe metgezel van de arme vrouw nu

gestorven, had zij in de matte schemering van den spelonk zijn gebroken

oog gezien en met de handen gevoeld, hoe doodelijke stijfheid de eens

zoo vlugge leden had uitgerekt en verlamd. Hij waagde het niet het hol

binnen te gaan, maar hij gevoelde hoe er tranen in zijne oogen welden,

en zoo gaarne had hij haar een woord tot vertroosting toegesproken.

Eindelijk trad zij met rood bekreten oogen weder naar buiten. Paulus

had zich niet vergist, want zij hield den kleinen Jambe dood in

hare armen.

"Wat doet mij dit leed," zeide Paulus. "Hoe aardig was dit beestje

niet!"

Sirona knikte toestemmend met het hoofd, zette zich neder, maakte

het sierlijk bandje, dat het diertje om den hals droeg, los en zeide

half in zichzelve, half tot Paulus: "Het bandje heeft de kleine Agnes

voor hem geborduurd. Ikzelve had haar geleerd de naald te gebruiken,

en dit was haar eerste eigen werk."

Een oogenblik later hield zij den Anachoreet den halsband voor en

zeide: "Dit slotje is van zuiver zilver; mijn vader heeft het mij

geschonken. Hij had ook pleizier in het vroolijke diertje. Nu zal

het niet meer springen, het arme ding!"

Weemoedig zag zij op het beestje neer. Daarop verzamelde zij al

hare krachten en zeide haastig: "Thans wil ik van hier weg. Niets,

neen niets houdt mij in deze woestijn terug, want het huis van den

Senator, waarin ik zoovele gelukkige uren heb doorleefd, en waar

ieder mij welgezind was, is voor mij gesloten, al ware het alleen

omdat hij daarin woont. Wanneer gij niet goed tegen mij zijt geweest

om mij leed te berokkenen, laat mij dan heden nog vertrekken en help

mij om naar Alexandrië te komen."

"Heden niet, heden in geen geval," antwoordde Paulus. "Eerst moet ik

weten wanneer er een vaartuig naar Klysma of Berenice afvaart en dan

heb ik nog vele andere dingen voor u in orde te brengen. Gij zijt mij

ook het antwoord schuldig op mijne vraag, wat gij hoopt in Alexandrië

te doen en te vinden.--Arm kind! hoe jonger en schooner gij zijt...."

"Ik weet alles wat gij mij zeggen wilt," viel Sirona hem in de

rede. "Waarheen ik ook mijne schreden heb gericht, overal heb ik de

blikken der mannen tot mij getrokken, en als ik in hunne oogen las,

dat ik een goeden indruk op hen maakte, heb ik mij daarover steeds

verheugd. Waarom zou ik dit loochenen? Menigeen heeft mij ook lieve

woordjes gezegd en mij bloemen doen toekomen, en oude vrouwen naar

mijn huis gezonden, om mij voor zich te winnen. Doch ofschoon mij

de een ook beter beviel dan de ander, zoo heeft het mij toch nooit

moeite gekost ze af te wijzen, gelijk het betaamde."

"Totdat Hermas u van zijne liefde sprak," hernam Paulus. "Hij is een

frisch jonkman...."

"Een aardige, onbeholpen knaap is hij, niets meer en niets minder,"

ging Sirona voort. "Het was zeker onbezonnen, dat ik hem bij mij

toeliet; maar geene Vestaalsche maagd zou zich behoeven te schamen

over de gunst, die ik hem bewezen heb. Ik ben zonder schuld en wil

het ook blijven, opdat ik zonder te blozen weder voor mijn vader zal

kunnen verschijnen, wanneer ik mij in de hoofdstad het geld voor de

verre reis zal hebben weten te verschaffen."

Paulus zag haar verbaasd en bijna met schrik in het gelaat. Hij had

dan eene schuld op zich geladen, die zelfs in het geheel niet bestond,

en misschien zou de senator, zonder zijne valsche schuldbekentenis,

Sirona niet zoo spoedig veroordeeld hebben. Hij stond daar tegenover

haar als een kind, dat een kunstig werk wilde herstellen, maar het

uit onhandigheid in stukken brak. Bovendien kon hij aan de waarheid

van alles wat zij zeide niet twijfelen, want reeds lang had er eene

stem luide in zijn binnenste gesproken, die hem zeide, dat deze vrouw

geene gemeene zondares kon zijn.

Een tijdlang stond hij zwijgend tegenover haar. Eindelijk vroeg hij

schuchter: "Wat denkt gij dan in de hoofdstad te gaan doen?"

"Daar," antwoordde zij, "vindt elke goede arbeider, zooals

Polycarpus zegt, koopers, en ik kan zeer fraai weven en borduren

met gouddraad. Misschien kan ik een onderkomen vinden in een huis

met kinderen, die ik gaarne overdag zou bezighouden. In mijne vrije

uren en in den nacht zou ik dan mijne handen kunnen roeren aan mijn

borduurraam, en wanneer ik geld genoeg bijeen heb, vind ik zeker wel

een schip, dat mij naar Gallië tot de mijnen overvoert. Begrijpt gij,

dat ik niet tot Phoebicius terug kan keeren, en kunt ge mij helpen?"

"Gaarne, en beter misschien dan gij denkt," antwoordde Paulus. "Thans

kan ik u dat nog niet verklaren, maar gij behoeft mij niet te smeeken,

integendeel, gij moogt met goed recht van mij vorderen, dat ik u

redden zal."

Zij zag hem verwonderd en vragend aan, doch hij ging voort: "Laat

mij thans eerst den hond wegdragen en daar beneden begraven. Ik zal

een steen op zijn graf plaatsen, opdat gij weten moogt waar hij

ligt. Dat moet geschieden; het dier mag hier niet langer blijven

liggen.--Neem dat ding daar! Ik heb mijn best gedaan het voor u te

snijden, want gij beklaagdet u gisteren, dat uwe haren zoo verward

raakten, omdat gij geen kam hebt. Ik heb beproefd er een uit been

te snijden. Bij de kramers in de oase zijn er geene, en ikzelf ben

een dier der wildernis, een armzalig en bespottelijk dier, dat er

geen gebruikt.--Viel daar niet een steen? Zonder twijfel, dat zijn

de voetstappen van een mensch. Ga spoedig in uw hol, wees stil en

verroer u niet, totdat ik u roep."

Sirona trok zich in haar rotsverblijf terug. Paulus nam

intusschen den dooden hond op den arm, om hem voor den naderende te

verbergen. Besluiteloos zag hij rond, en zocht naar eene plaats waar

hij zich schuil kon houden. Maar op de hoogte boven hem hadden twee

scherpziende oogen hem en zijn lichten last reeds ontdekt, en eer

hij de rechte plaats had gevonden, rolden er steenen van den rotswand

aan de rechterzijde van het hol, krakend naar beneden. Gelijktijdig

sprong een man koen en snel van rots op rots, vloog, zonder acht te

geven op de waarschuwende stem van den Anachoreet, recht op hem af,

en riep, hijgend naar adem en gloeiend van haat en verontwaardiging:

"Dat is, ik zie het wel, dat is Sirona's hazenwindje. Waar is zijne

meesteres? Zeg mij dadelijk waar Sirona is, want ik moet het weten!"

Paulus had van de plaats der boetelingen dikwijls den senator en de

zijnen op hunne plaatsen in de kerk dicht bij het altaar zien zitten,

en herkende tot zijn verbazing in den stoutmoedigen springer, die met

verwarde haren en vonkelende oogen als een razende op hem losstormde,

Polycarpus, den tweeden zoon van Petrus. Het kostte den Anachoreet

moeite om zijne kalmte en tegenwoordigheid van geest te bewaren, want

sedert hij wist dat hij Sirona ten onrechte met eene zware schuld had

beladen, toen hij zichzelven, tegen de waarheid in, haren medeschuldige

had genoemd, gevoelde hij een angst, die al toenemende overging in

bittere smart, en terwijl het loodzwaar op zijne hersenen drukte,

was hij niet in staat snel te denken.

Hij stamelde derhalve in het eerst slechts onverstaanbare woorden. Maar

het was zijn tegenpartij vreeselijke ernst met zijn vraag, want met

hevige verbolgenheid greep hij den Anachoreet aan den kraag van het

grove kluizenaarskleed en schreeuwde met heesche stem: "Waar hebt

gij het dier gevonden? Waar is....?"

Op eens brak hij af, liet den Alexandrijn los, nam hem op met zijne

oogen en vroeg hem zacht en langzaam: "Zou het mogelijk zijn? Zijt

gij Paulus uit Alexandrië?"

De Anachoreet knikte toestemmend.

Polycarpus barstte uit in smartelijk gelach, sloeg zich met de

rechterhand voor het voorhoofd en riep op een toon van den diepsten

afschuw: "Alzoo is het toch waar! En voor zulk een afzichtelijken

aap! Maar ik wil het niet gelooven dat zij u ook slechts een hand

heeft gegeven, want uw aanblik alleen verontreinigt reeds."

Paulus' hart klopte als met hamerslagen tegen zijn borst en het gonsde

en suisde hem in de ooren. Toen Polycarpus opnieuw de hand naar hem

uitstrekte, nam hij onwillekeurig de houding aan van een athleet,

die bij het worstelen met uitgestrekte armen naar een goeden greep

zoekt, en zeide op doffen, diep verontwaardigden toon: "Ga terug,

anders geschiedt hier iets, wat voor uwe beenderen wel eens niet goed

kon zijn."

Hij die zoo sprak was Paulus, en toch niet Paulus; het was Menander,

de roem van het worstelperk, die geen enkel woord van zijne

metgezellen, dat hem niet in alle opzichten behaagde, onopgemerkt

liet voorbijgaan. En toch had hij gisteren in de oase gansch andere

beleedigingen dan die van Polycarpus zwijgend aangehoord, en met kalme

tevredenheid zich laten aanleunen. Van waar dan heden deze onstuimige

prikkelbaarheid, de hevige lust tot vechten?

Toen hij twee dagen geleden naar zijn voormalig hol was gegaan,

om zijne laatste daar verborgene goudstukken te halen, wilde hij den

ouden Stephanus gaan begroeten. Doch de Egyptenaar, die hem verpleegde,

had hem met booze verwenschingen verjaagd, alsof hij een onreine geest

was, en hem steenen nageworpen. Ondanks het verbod van den bisschop,

had hij eene poging gewaagd om de kerk in de oase binnen te treden,

ten einde dáar een gebed te doen; hij toch meende dat het voorportaal

met de bron, waarin de boetelingen gewoonlijk vertoefden, voor hem niet

gesloten zou zijn. Maar de acolythen wezen hem met schimpwoorden af,

en de deurwachter, die hem kort geleden den sleutel van de kerk had

toevertrouwd, spoog hem in het aangezicht.

Toch was hij in staat geweest, zonder toornig te worden of te klagen,

zijnen beleedigers den rug toe te keeren, waarbij het niet eens

noodig was zichzelven te bedwingen. Terwijl hij aan de tafel van een

der kramers den wollen deken, de kruik en nog verschillende andere

dingen voor Sirona kocht, ging er een presbyter voorbij, die, wijzende

op zijne geldstukken, zeide: "De satan vergeet de zijnen niet!" Ook

dezen had Paulus niets geantwoord. Hij was met een opgewekt en een

dankbaar hart wedergekeerd tot haar, wier verzorging hem was opgelegd,

en wederom had hij datzelfde hooghartig gevoel in al zijne volheid

en zaligheid bij zich waargenomen, dat de heerlijkste beloften in

zich bevatte, namelijk dat hij Christus navolgde door voor anderen

smaadheid en lijden te dragen.

Wat was het dan dat hem tegenover Polycarpus zoo uiterst gevoelig deed

zijn, en dat de koorden van zijn geduld, door jarenlange ontbering

zoo stevig bevestigd, opeens dóorsneed? Scheen het den man, die

zijn eigen vleesch martelde om de ziel te verlossen uit de banden

des lichaams, minder zwaar te dragen, dat hij voor een godvergeten

zondaar werd gescholden, dan dat zijn persoon en zijne mannelijke

waardigheid met minachting werden aangerand? Dacht hij misschien

aan de schoone getuige van zijne beschimping, die in het hol zat te

luisteren? Was zijn toorn wellicht ontvlamt, omdat hij in Polycarpus

niet een verontwaardigd geloofsgenoot zag, maar den man die een ander

man met onbeschaamde beleediging in den weg trad?

De jongeling en de athleet met zijne grauwe baard stonden tegenover

elkander als twee doodsvijanden, die ten kamp bereid waren, en

Polycarpus week niet terug, hoewel het hem, gelijk den meesten jongen

christenen, verboden was geweest, aan het worstelspel der jeugd in de

palaestra deel te nemen, en hij wel begreep, dat hij met een sterken

en breedgeschouderden tegenstander te doen had. Ook hij was geen

bloodaard, en terwijl het in zijn binnenste kookte van woede, werd

zijn begeerte geprikkeld om zich met dien gehaten verleider te meten.

"Welaan, grijp toe," riep hij met vlammende oogen, en boog, ook van

zijne zijde tot den kamp bereid, den rug, terwijl hij het hoofd ver

vooruit stak. "Pak aan! Gij zijt mogelijk een gladiator geweest of iets

dergelijks, eer gij dit smerig kleed hebt aangetrokken, om ongestraft

bij nacht de huizen in te breken. Maak nu deze heilige plaats tot

een circus! En wanneer het u gelukken mocht mij van kant te maken,

zoo zal ik u daarvoor danken, want wat mij waarde aan het leven deed

hechten, hebt gij toch reeds vernietigd.--Welaan dan! Of houdt gij

het voor gemakkelijker, het levensgeluk van eene vrouw te storen,

dan uwe kracht te meten met hem die haar verdedigt?--Grijp toe,

zeg ik u, grijp toe.... of...."

"Of gij zult u op mij werpen," zeide Paulus, die onder de woorden

van den jonkman zijne armen had laten zinken, gelaten en met eene

geheele verandering in zijne stem. "Werp u op mij en doe met mij wat

gij wilt, ik zal het u niet beletten. Ik blijf hier staan en mag niet

vechten. Want daarin hebt gij waarheid gezegd: deze heilige plaats

is waarlijk geen circus. Maar de Gallische vrouw behoort noch aan u

noch aan mij, en wie geeft u het recht...."

"Wie mij een recht op haar geeft?" viel Polycarpus hem in de rede,

terwijl hij den vrager met vonkelende oogen nader trad. "Dezelfde,

die den smeekeling veroorlooft van zijn God te spreken. Sirona is

de mijne, gelijk de zon en de maan en de sterren mij toebehooren,

wijl zij met hun helder licht mijne donkere paden verlichten. Mijn

leven is het mijne, en zij is het leven van mijn leven geweest,

daarom zeg ik stout: al waren er twintig Phoebiciussen, zij behoort

mij. En daar ik haar voor mijn eigendom hield, en nog altijd houd,

zoo haat ik u, en zeg u in het aangezicht dat ik u veracht. Want gij

zijt als het hongerige vee, dat in den bloementuin inbreekt, en de

maar eens in eene eeuw bloeiende wonderbloem, door den tuinman zoo

zorgvuldig verpleegd, van den struik steelt. Gij gelijkt de katten, die

de marmeren zalen binnensluipen, en om hunne roofzucht te bevredigen,

den schoonen en zeldzamen vogel verworgen, dien een zeeman uit verre

landen heeft medegebracht. Maar gij schijnheilige roover, die uw eigen

lichaam met dierlijke trots veracht en aan verwildering prijsgeeft,

wat weet gij van de betoovering der schoonheid, die dochter des hemels,

die soms ook onervaren kinderen treft, en voor wie zelfs de goden zich

buigen! Ik heb een recht op Sirona; want waar gij haar ook verbergen

moogt, en al vond de centurio haar weder en klonk hij haar met koperen

ketenen aan zich vast, zoo leeft toch in niemand, in niemand gelijk

in mij het beeld harer schoonheid, dat haar maakt tot het edelste

werk van den Allerhoogste. Deze hand heeft uw slachtoffer nog niet

aangeraakt, en toch heeft de Allerhoogste Sirona aan niemand zoo

geheel in eigendom gegeven als aan mij, omdat zij voor geen ander is,

wat zij voor mij is, en niemand haar zóo zou kunnen liefhebben als

ik! Zij heeft de aantrekkelijkheid van een engel en het hart van een

kind; zij is vlekkeloos en rein, zoo waar als de diamantsteen het is,

en de borst van de zwaan, en de morgendauw in de kelk der roos. En

al liet zij u duizendmaal bij zich toe, en al wezen ook mijn vader

en mijne moeder en allen, allen met den vinger op haar, om haar te

veroordeelen, zoo zal ik toch niet ophouden aan hare reinheid te

gelooven. Gij hebt de schande over haar hoofd gebracht, gij hebt...."

"Ik heb gezwegen, toen zij door de uwen veroordeeld werd," viel Paulus

den jonkman met warmte in de rede, "want ik geloofde aan hare schuld,

gelijk gij gelooft aan de mijne, gelijk ieder van een ander, waarmede

hij niet door banden der liefde verbonden is, veeleer het kwade

gelooft dan het goede. Thans weet ik, en weet ik zeker, dat wij de

arme vrouw onrecht hebben gedaan. Wanneer de glans van het schitterende

droombeeld, dat gij Sirona noemt, door mijn toedoen verbleekt werd..."

"Verbleekt? En door u?" zeide Polycarpus lachend. "Kan dan de

schildpad, die in zee kruipt, hare heldere blauwe kleur verontreinigen,

of de zwarte vleermuis, die 's nachts door de lucht schiet, het reine

licht der volle maan?"

Wederom gevoelde de Anachoreet in zijn binnenste eene opwelling van

toorn, doch hij was meer dan straks op zijne hoede voor zichzelven

en zeide bitter, terwijl hij zich met groote inspanning beheerschte:

"Hebt gij niet gesproken van domme beesten, die eene bloem, een vogel

vernietigen? Met die beesten bedoeldet ge, zoo ik meen, geen derde,

die afwezig is, en nu ontkent gij dat ik in staat zou zijn op uwe

zon eene schaduw te werpen? Gij ziet dat gij in uwe boosheid uzelven

weerspreekt, en de zoon van een wijs man, die zeker nog niet lang

geleden de school van den rhetor heeft verlaten, moest zich hiervoor

weten te wachten. Gij mocht mij wel wat minder vijandig aanzien, want

het is mijne bedoeling niet u te krenken; ja, ik wil zelfs uwe booze

woorden met goed vergelden, met het beste misschien wat gij ooit hebt

gehoord. Sirona is eene brave onschuldige vrouw, en toen Phoebicius

wegreed om haar te zoeken, toen had ik haar nog nooit met deze oogen

gezien, en geen woord van hare lippen met mijne ooren vernomen."

Polycarpus nam bij deze woorden niet langer eene dreigende houding

aan. Hij was niet in staat om te begrijpen, maar toch geneigd om

te gelooven, en daarom zeide hij haastig: "Maar het schaapsvel was

toch van u, en zonder u te verdedigen hebt gij u door Phoebicius

laten mishandelen?"

"Zulk een smerige aap," antwoordde Paulus, terwijl hij de stem van

Polycarpus nabootste, "heeft dikwijls slagen noodig, en op dien morgen

mocht ik mij niet verzetten, omdat... omdat... Maar dat gaat u niet

aan. Gij moet uwe nieuwsgierigheid nog eenige dagen intoomen, en dan

zou het licht kunnen gebeuren, dat gijzelf den man, wiens aanblik

alleen reeds verontreinigt, die vleermuis, dien schildpad....."

"Zwijg daarvan," sprak Polycarpus, "mogelijk heb ik mij tot

onbetamelijke woorden laten verleiden, omdat, toen ik u zag, mijn

gewond en gemarteld hart in oproer kwam. Thans zie ik het wel:

uwe woeste haren omlijsten een goed gevormd gelaat. Vergeef mij

mijn hevigen en onrechtvaardigen aanval. Terwijl ik geheel buiten

mijzelven was, heb ik u geopenbaard al wat er in mijne ziel omging,

en nu gij weet hoe het er in mijn hart uitziet, vraag ik u nogmaals:

waar is Sirona?"

Polycarpus zag Paulus met eene angstige, dringende bede aan, en wees

met zijne hand op het hazenwindje, als wilde hij zeggen: "Gij moet

het wel weten, want hier ligt het bewijs."

De Alexandrijn draalde met het antwoord, wierp als bij toeval een

snellen blik op den ingang van het hol, en toen hij daar achter de

palmtakken het wit gewaad van zijne beschermeling zag schemeren,

zeide hij tot zichzelven, dat Polycarpus, als hij hier nog verwijlde,

de Gallische ontdekken zou, en dat moest vermeden worden. Er bestonden

vele gronden, die hem konden doen besluiten eene samenkomst van den

jongeling met deze vrouw te verhinderen. Doch hij dacht aan geen van

die allen, en al vermoedde hij ook zelfs niet dat een zeker gevoel

van ijverzucht in hem begon te ontwaken, dan was het toch ongetwijfeld

zijn levendige afkeer om beiden onder zijne oogen in elkanders armen

te zien snellen, die hem nu aanleiding gaf zich in een oogwenk om

te keeren, het lijkje van den hond weder in zijne armen te nemen,

en Polycarpus te antwoorden: "Zeker weet ik waar zij zich ophoudt, en

wanneer de tijd daartoe gekomen is zult gij het vernemen. Thans moet

ik het beestje begraven, en wanneer gij wilt, moogt ge mij helpen."

Zonder het antwoord van Polycarpus af te wachten, vloog hij van

steen op steen tot aan de hoogvlakte, bij welker steile afhelling hij

Sirona voor het eerst gezien had. De jonkman volgde hem buiten adem

en bereikte hem eerst, toen hij reeds begonnen was de aarde aan den

voet eener klip met de handen op te krabbelen.

Polycarpus stond thans dicht bij den Alexandrijn en herhaalde zijne

vraag met hartstochtelijke drift; doch de laatste zag van zijn arbeid

niet op en zeide, al sneller en sneller gravende: "Kom morgen op

dezen tijd weder hier, dan kan ik het u mogelijk zeggen."

"Denkt ge mij zoo af te schepen," zeide de jonkman. "Maar gij vergist

u in mij, en wanneer ge mij met uwe zoo goedhartig klinkende woorden

bedriegt, dan zal ik...."

Doch hij voleindigde zijne bedreiging niet. Zij werd afgebroken

door eene heldere en hartstochtelijke roepstem, die maar al

te duidelijk in de eenzaamheid van dit woestijngebergte werd

gehoord. "Polycarpus!--Polycarpus!" zoo klonk het al nader en nader,

en dit stemgeluid werkte met betooverende macht op hem dien het gold.

Zich in al zijne lengte oprichtende en bevende over al zijne leden,

luisterde de jongeling scherp. Vervolgens riep hij: "Ik kom, Sirona,

ik kom!" en zonder zich aan den Anachoreet te storen, zette hij zich

in beweging om haar tegemoet te snellen.

Maar Paulus trad hem in den weg en zeide met vaste stem: "Gij zult

blijven!"

"Uit den weg!" schreeuwde Polycarpus buiten zichzelven. "Zij roept

mij toe uit de schuilplaats, waar gij haar vasthoudt, gij eerroover en

vuige leugenaar. Uit den weg, zeg ik u!--Gij wilt niet? Zoo verweer u

dan, gij hatelijke schildpad, of ik vertreed u, zoo mijn voet althans

niet weigert zich met uw gif te bezoedelen."

Paulus had tot hiertoe met uitgebreide armen roerloos maar onwrikbaar

als een eikenboom tegenover den jongeling gestaan. Thans werd hij

door Polycarpus' vuist getroffen.

Na dezen slag was het geduld van den Anachoreet uitgeput. Zichzelven

niet meer meester, riep hij: "Dat zult gij mij betalen!" En eer

de roepstem van Sirona's lippen ten derde en ten vierde male werd

gehoord, had hij het slanke lichaam van den kunstenaar aangegrepen,

en met een geweldigen zwaai over zijne eigene breede athleten-schouders

geslingerd tegen den steenachtigen grond.

Na deze woeste daad bleef hij wijdbeens, met de armen over elkander

gekruist en rollende oogen, als aan den grond genageld tegenover zijn

slachtoffer staan. Hij wachtte tot Polycarpus zijne krachten weder

verzameld had, en zonder om te zien, als een beschonkene, waggelend

was heengegaan, terwijl hij de handen tegen zijn achterhoofd drukte.

Paulus zag hem na, tot de klippen aan den rand der hoogvlakte hem aan

zijne blikken onttrokken. Hij kon dus niet meer zien hoe Polycarpus

nabij de bron, waaruit zijn vijand Sirona's verdroogde lippen hadden

verfrischt, onder het slaken van pijnlijke kreten, machteloos in

elkander zonk.

Homo sum: Roman · 第 22 / 30 题