Omstreeks den middag van den volgenden dag trad de senator het
vrouwenvertrek binnen en richtte reeds op den drempel de vraag tot
zijne vrouw, die aan het weefgestoelte zat: "Waar is Polycarpus? Ik
vond hem niet bij Antonius, die bezig is het altaar op te stellen. Ik
dacht hem bij u te vinden."
"Na de kerk bezocht te hebben," antwoordde Dorothea, "heeft hij den
berg bestegen. Loop eens in de werkplaats, Marthana, en zie of uw
broeder al terug is."
Hare dochter gehoorzaamde volgaarne en spoedig aan dit bevel, want
zij had haren broeder innig lief, in wien zij den schoonste en beste
van alle mannen meende te zien.
Zoodra de echtgenooten alleen waren, zeide Petrus, terwijl hij zijne
vrouw vrijmoedig en hartelijk de hand toestak: "Nu, moeder, sla toe!"
Dorothea aarzelde een oogenblik en zag hem aan, als wilde zij vragen:
"Zal eindelijk uw trots u vergunnen, mij niet langer onrecht aan
te doen?"
Dat was een verwijt, maar waarlijk geen streng, anders toch zou men
dien vriendelijken trek om hare lippen niet hebben kunnen opmerken,
waarmede zij als het ware zeggen wilde: "Gij kunt toch niet lang
boos op mij zijn; het is daarom goed dat alles weder wordt gelijk
het wezen moet."
Er had inderdaad eene verkoeling plaats gehad, want sedert dat beide
echtgenooten elkander in de werkplaats huns zoons hadden ontmoet,
gingen zij als twee vreemden naast elkander. In hun slaapvertrek, op
weg naar de kerk en bij het ontbijt hadden zij niets meer met elkander
gesproken, dan wat de welvoegelijkheid vorderde en noodzakelijk scheen,
om hunne tweespalt voor de bedienden en kinderen te verbergen. Tusschen
hem en haar had tot hiertoe,--als iets dat vanzelf sprak en nimmer
onder woorden behoefde gebracht te worden,--eene afspraak bestaan,
waarop nauwelijks eene enkele maal inbreuk was gemaakt, namelijk dat
de eene niets in hare kinderen prees, wat de ander afkeurenswaardig
achtte, en omgekeerd.
En wat was er gebeurd in dezen nacht! Op haar streng doemvonnis was
gevolgd, dat haar man den misdadiger had omhelsd. Zóo hard was zij
nog bij geene gelegenheid, zóo weekhartig en teeder daarentegen was
Petrus, zoo ver zij zich herinneren kon, nog nooit jegens een harer
zonen geweest. Toch had zij over zich kunnen verkrijgen, haar man in
het bijzijn van Polycarpus niet te weerspreken en zwijgend met hem de
werkplaats te verlaten. "Als wij aanstonds in het slaapvertrek alleen
zijn," dacht zij, "zal ik hem doen gevoelen, zooals het behoort,
hoezeer hij onrecht had, en zal hij zich moeten verantwoorden."
Maar zij had dat voornemen niet uitgevoerd, want zij gevoelde, dat er
in haar echtgenoot iets moest omgaan, dat zij niet begreep. Waarom
anders hadden na het gebeurde, toen hij met de lamp in de hand de
smalle trap afdaalde, zijne meestal zoo ernstige oogen thans zoo zacht
en vriendelijk gekeken, zijne strenge lippen zoo recht gelukkig zich
tot lachen kunnen plooien?
Dikwijls had hij tot haar gezegd, dat zij in zijne ziel kon lezen
als in een open boek, maar zij kon zich niet verhelen, dat er in dat
werk toch enkele bladzijden waren, waarvan zij den zin niet vermocht
te vatten. Zonderling! Altijd en altijd weder stuitte zij op die
onverstaanbare aandoeningen zijner ziel, wanneer er sprake was van
afgodsbeelden en onheilige tempels der heidenen, en de ontwerpen
en werken van hare zonen. Petrus was toch ook de zoon van een vroom
christen. Zijn grootvader was echter een Grieksche heiden geweest,
en misschien stroomde er iets van diens bloed in zijne aderen, dat
haar beangstigde, daar zij het niet kon overeenbrengen met de leer van
Agapitus, hoewel zij het niet waagde er tegen op te komen. Want haar
man, die zoo spaarzaam was in woorden, zag er nooit zoo vroolijk en
onbezorgd uit, dan wanneer hij met zijne zonen en hunne vrienden, die
hen dikwijls in de oase vergezeld hadden, over deze dingen spreken kon.
Het kon toch niet iets zondigs zijn, wat het gelaat van haar echtgenoot
thans weder, en juist in dit oogenblik, verjongde en verheerlijkte. "Ze
zijn toch ook mannen," zeide zij tot zichzelve, "en hebben zeker wel
een en ander op ons vrouwen voor. Ziet vader er niet uit als op onzen
bruiloftsdag? Polycarpus is zijn evenbeeld, dat zegt ieder. Doch
wanneer ik thans den ouden man aanzie, en mij voor den geest breng
hoe de jongen er straks uitzag, toen hij mij verklaarde waarom hij
niet laten kon Sirona's beeld te maken, dan moet ik toch zeggen,
dat mij zulk eene gelijkenis nog in mijn leven niet is voorgekomen."
Hij had haar vriendelijk een "goeden nacht" toegeroepen en de lamp
uitgedoofd. Zij had hem gaarne een hartelijk woord gezegd, want het
trof en verheugde haar, dat hij er zoo blijmoedig uitzag. Maar dat
was dan toch te veel geweest, na hetgeen hij haar in de werkplaats
had toegevoegd, onder het oog van haar zoon. In vroeger jaren was het
niet zelden gebeurd dat zij, wanneer de een den ander had ontstemd
en er twist tusschen hen geweest was, onverzoend naar bed waren
gegaan. Maar hoe ouder zij werden, des te minder kwam dit voor, en
sedert langen tijd had geen schaduw de volkomene eenigheid van hun
huwelijksleven verstoord.
Toen zij vóor drie jaren, na het huwelijk van hun oudsten zoon, te
zamen aan het venster stonden, onder het opzien naar den sterrenhemel,
was Petrus dicht aan hare zijde gaan staan en had gezegd: "Zie
hoe die wandelaars daarboven zoo stil en vreedzaam hunne banen
beschrijven, zonder elkander ooit aan te raken of af te stooten! Zoo
vaak ik eenzaam in de stilte van den nacht bij hun vriendelijk
licht uit de steengroeve naar huis ging, heb ik over allerlei dingen
gedacht. Misschien is er eens een tijd geweest, waarin de sterren zich
wild door elkander bewogen. De eene kruist den weg van den ander, en
bij die botsingen zijn er misschien velen in stukken gevlogen. Toen
schiep de Heer de menschen, en de liefde kwam in de wereld en vervulde
hemel en aarde. De Allerhoogste gebood de sterren onze nachten te
verhelderen. Thans begon iedere ster de baan van de andere te ontzien,
en het gebeurde al zeldzamer dat de eene ster tegen de andere stootte,
tot eindelijk ook de kleinste en snelste zich hield aan haar weg en
haar uur, en het schitterende heir daarboven zoo eendrachtig was als
ontelbaar. De liefde en het gemeenschappelijk doel hadden dit wonder
uitgewerkt, want wie een ander liefheeft wil hem geen nadeel doen,
en wie geroepen is met hulp van een ander een werk te voltooien,
die hindert hem niet en houdt hem niet op. Wij beiden hebben reeds
sedert lang de rechte banen gevonden, en gebeurt het soms dat de een
den weg van den ander wil kruisen, dan houdt de liefde, en stellig
ook onze gemeenschappelijke plicht om het levenspad der kinderen met
rein licht te beschijnen, den voet terug."
Dorothea had deze woorden niet vergeten. Zij kwamen haar voor den
geest, toen Petrus haar heden zoo hartelijk de hand toestak, en terwijl
zij nu hare rechterhand in die van haren echtgenoot legde, zeide zij:
"Om des lieven vredes wil moge het dan goed zijn. Eén ding kan ik
toch niet verzwijgen: weekhartige zwakheid is anders uw gebrek niet,
maar Polycarpus zult gij toch geheel en al bederven."
"Laat hem begaan, laten wij hem doen blijven die hij is!" hernam
Petrus en kuste zijne vrouw op het voorhoofd. "Is het niet zonderling,
hoe wij onze rollen verwisselen? Gisteren hebt gij mij tot zachtheid
jegens den jongen aangemaand, en heden...."
"Heden ben ik strenger dan gij," viel Dorothea hem in de rede. "Wie
kón ook vermoeden dat een oude grauwbaard, even als Ezau zijn erfdeel
voor een schotel met linzenbrei, voor een lachend vrouwengezicht van
klei de plichten van zijn vaderlijk rechtersambt zou vergeten?"
"En wien zal het in den zin komen," antwoordde Petrus, om in denzelfden
geest van zijne vrouw te spreken, "dat eene zoo teedere moeder als
gij zijt, haar lijfelijken zoon kan veroordeelen, omdat hij bezig is
door eene daad, eene daad die zijn meester hem zou kunnen benijden,
den vrede zijner ziel terug te vinden?"
"Ik heb het wel opgemerkt," hernam Dorothea, "Sirona's beeld heeft u
getroffen, en gij meent dat onze jongen daar wonder wat groots heeft
tot stand gebracht. Ik heb niet veel verstand van het kneden van klei
en van het beeldhouwerswerk, en wil u dus niet tegenspreken. Maar
indien het gezicht van het blondkopje wat minder aanvallig was, en
Polycarpus eens niets bijzonders had vervaardigd, zou dat zelfs in 't
minste iets veranderen in hetgeen hij berispelijks gedaan en gevoeld
heeft? Zeker niet! Maar zoo zijn de mannen, zij vragen alleen naar
het gevolg."
"En dat met alle recht," antwoordde Petrus, "wanneer dat gevolg niet
al spelende, maar door groote inspanning werd nagestreefd. Wie geeft,
dien zal gegeven worden, en wien God eene ziel heeft gegeven, rijker
aan kostelijke gaven dan die van anderen, wien goeden geesten helpen
om het grootste tot stand te brengen, dien zal veel vergeven worden
van hetgeen ook een zachter rechter ongaarne zal voorbijzien in den
minder begaafde, die zich kwelt en inspant en toch niets goeds weet te
voltooien. Wees nu maar weder vriendelijk tegen den jongen. Weet gij
wel wat u van hem te wachten staat? Gij hebt in uw leven veel goeds
gedaan en vaak wijzen raad gegeven, en ik en de kinderen en niemand
in deze plaats zullen dit ooit vergeten. Maar dat gij aan Polycarpus
het aanzijn hebt gegeven, daarvoor, verzeker ik u, zullen de besten
u danken, die thans en in volgende eeuwen zullen geboren worden!"
"En dan wil men beweren," sprak Dorothea, "dat elke moeder vier
oogen heeft voor de bijzondere gaven harer kinderen. Is dit waar,
dan hebben de vaders er zeker tien, en gij wel zooveel als die Argus,
van wien de heidensche sage vertelt.... Maar daar komt Polycarpus."
Petrus ging zijn zoon te gemoet en gaf hem de hand, doch zeker op eene
andere wijze dan gewoonlijk. Ten minste het scheen Dorothea toe, als
ontving haar echtgenoot den jongeling niet gelijk te voren als vader
en heer, maar als een vriend, die een met hem gelijkstaand vriend en
ambtgenoot begroet.
Zoodra Polycarpus ook haar groette, kleurde zij tot over de ooren,
want in haar gemoed ontwaakte de vrees, dat haar zoon haar voor
onbillijk en dwaas zou houden, wanneer hij aan den avond van
gisteren dacht. Weldra kwam zij weder tot die kalmte en zekerheid,
die haar eigen waren, toen Polycarpus bleek geheel de oude te zijn,
en zij las in zijne oogen, dat hij voor haar hetzelfde gevoelde als
gisteren en altijd. "De liefde," dacht zij, "wordt door het onrecht
niet uitgebluscht, gelijk vuur door water. Ze vlamt nu eens meer,
dan weer minder helder op, al naar den stand van den wind, maar niets
kan haar geheel verstikken, ja zelfs de dood niet."
Polycarpus was op den berg geweest, en Dorothea was geheel
gerustgesteld, toen hij vertelde wat hem derwaarts had gevoerd. Reeds
lang had hij plan gehad een Mozes te ontwerpen. Toen hij gisteren zijn
vader had verlaten, bleef hem het beeld van den verheven, waardigen
man onafgebroken voor den geest staan. Hij meende het rechte model
voor zijn werk ontdekt te hebben. Hij wilde en moest vergeten, en
gevoelde dat hij het eerst zou kunnen, wanneer hij een doel vond,
dat in staat zou zijn om zijne verarmde ziel opnieuw te vervullen. De
gestalte van den grooten godsman, dien hij in beeld wilde brengen,
stond nog slechts in zeer onbestemde omtrekken voor zijn geest. Eene
onweerstaanbare kracht had hem naar buiten gedreven, naar de plaats
der samenspreking, waar volgens de overlevering de Heer met Mozes had
gesproken, werwaarts vele pelgrims ter bedevaart gingen. Polycarpus
was daar lang gebleven, want zoo ergens, dan zou hij daar, waar de
wetgever zelf gestaan had, de ware bezieling ontvangen.
"En hebt gij uw doel bereikt?" vroeg Petrus.
Polycarpus schudde ontkennend het hoofd.
"Ga dan meermalen naar die heilige plaats, dan zult gij er
langzamerhand komen," zeide vrouw Dorothea. "Het begin is altijd het
moeilijkste. Vang maar dadelijk aan met te beproeven het hoofd uws
vaders te vormen!"
"Daarmede heb ik vroeger reeds een begin gemaakt," antwoordde
Polycarpus. "Doch ik ben nog te vermoeid van den afgeloopen nacht."
"Gij ziet er ook bleek uit en er liggen schaduwen onder uwe oogen,"
sprak Dorothea bezorgd. "Ga naar boven en leg u wat ter ruste. Ik
volg u op den voet, om u een beker ouden wijn te brengen."
"Dat zal hem geen kwaad doen," zeide Petrus, en dacht bij zichzelven:
"Een dronk uit den Lethe-stroom zou hem nog beter bekomen."
Toen de senator zijn zoon een uur later in zijne werkplaats
opzocht, vond hij hem slapende, en op de tafel stond de wijn
onaangeroerd. Petrus legde zacht de hand op het voorhoofd van zijn
kind, bevond dat het koel was en hij dus geen koorts had. Vervolgens
liep hij voorzichtig naar Sirona's beeld, lichtte de doek op,
waarmede het bedekt was, en bleef in beschouwing verdiept lang
daarvoor staan. Eindelijk ging hij terug, na het beeld weder gedekt
te hebben, en nam de kleimodellen, die op eene aan den wand hangende
plank stonden. Eene kleine vrouwelijke figuur trok in het bijzonder
zijn aandacht, en toen hij van bewondering in de handen klapte,
werd Polycarpus wakker.
"Dat is het beeld van de godin van het noodlot, dat is eene Tyche,"
zeide Petrus.
"Word niet boos, vader," smeekte Polycarpus. "Gij weet immers dat in de
hand van het standbeeld des keizers, dat voor het nieuwe Constantinopel
bestemd is, de figuur van eene Tyche zal worden geplaatst, en daarom
heb ik ook getracht de godin te vormen. Het gewaad en de houding der
armen, dacht ik, zijn mij gelukt, maar de kop is slecht uitgevallen."
Petrus, die hem opmerkzaam had aangehoord, richtte onwillekeurig
zijn oog op het hoofd van Sirona, en Polycarpus volgde verrast en
bijna met schrik zijne blikken. Vader en zoon verstonden elkander,
en de laatste zeide: "Daaraan heb ik ook reeds gedacht." Daarop
zuchtte hij diep en smartelijk, en zeide tot zichzelven: "Waarlijk,
zij is voor mij de godin van het noodlot." Maar hij waagde het toch
niet dit uit te spreken.
De zucht van den jonkman was Petrus niet ontgaan, daarom zeide
hij: "Laten wij dit rusten. Dit hoofd glimlacht met vroolijke
lieftalligheid, en het aangezicht der godin, die zelfs de daden der
hemelsche goden beheerscht, moet gestreng en ernstig zijn."
Toen kon Polycarpus zich niet langer inhouden, en riep: "Ja, vader,
vreeselijk is het noodlot, en toch beeld ik de godin af met een
glimlach op de lippen, want dat is juist het ontzettendste in haar
wezen, dat zij niet handelt naar ernstige wetten, maar lachend haar
spel met ons speelt."