Het lichtschijnsel in de oase-stad, dat de aandacht van den Alexandrijn
had getrokken, kwam uit Petrus' woning, en wel uit de kamer van
Polycarpus, die de geheele ruimte van een klein gebouw innam, dat de
senator, als een huisje door het groote huis gedragen, voor zijn zoon
aan de noordzijde op het ruime vlakke dak had laten optrekken.
De jonkman was tegen den middag met de pas geworven slaven aangekomen,
had alles wat in zijne afwezigheid gebeurd was vernomen, en zich na
het avondeten stil in zijn vertrek teruggetrokken. Daar was hij nu
aan het werk. Een bed, een tafel, waarop en waaronder verschillende
wastafeltjes, papyrusrollen, metalen stiften en schrijfrietjes
lagen, benevens een kleine bank met een waterbekken en kan vormden
de meubileering van deze ruimte, tegen welker wit gepleisterde wanden
allerlei figuren van dieren en menschen, en verschillende steenplaten
met relief-voorstellingen in eene lange rij naast elkander stonden
en hingen. In een hoek lag, naast een steenen watervat, een groote
klomp klei glimmende van natheid. Drie lampen, die aan standaards
bevestigd waren, verlichtten meer dan voldoende deze werkplaats,
en vooral een op een hoog voetstuk staand beeld, waaraan Polycarpus'
vingers ijverig bezig waren te vormen.
Phoebicius had den jongen beeldhouwer een heertje naar de mode genoemd,
en niet geheel ten onrechte, want hij hield er van zich goed te
kleeden, en was zeer kieskeurig op vorm en kleur van zijne eenvoudige
gewaden; ook verzuimde hij zelden zijne weelderige lokken zorgvuldig
te ordenen en geurig te zalven. Toch was het hem bijna onverschillig,
hoe anderen over zijn uiterlijk dachten, maar hij kende niets edelers
dan de menschelijke gestalte, en zekere neiging, waaraan hij geen
weerstand bood, drong hem juist zijn eigen lichaam zóo te onderhouden,
als hij dat van een ander wenschte te zien. In dit nachtelijk uur droeg
hij echter niets dan zijn onderkleed van witte wollen stof met donker
roode randen. Zijn gewoonlijk zoo keurig geschikte lokken waren verward
en schenen naar boven te vliegen; in plaats van ze te beteugelen en
neer te strijken, hielp hij ze in hunne weerspannigheid, door vaak
onder zijn arbeid driftig met de hand door zijn haar te strijken.
Een vleermuis, aangetrokken door het helder licht, vloog door
de vensteropening, die alleen van onderen met een donker doek
behangen was, en beschreef eenige cirkels langs de zoldering van het
vertrek. Maar hij merkte het dier niet op, want zijn werk hield hem
naar ziel en lichaam geheel bezig. Terwijl hij zoo hartstochtelijk
en met zooveel inspanning aan den arbeid was, en iedere zenuw,
elke ader scheen mede te werken, zou zijn oor geen hulpgeschreeuw,
zijn oog zelfs geen aan zijne zijde opflikkerende vlam hebben
waargenomen. Zijne wangen gloeiden; over zijn voorhoofd spreidde zich
een net van parelende zweetdruppels uit, en zijne blikken schenen
als vastgekluisterd te zijn aan het beeldwerk, dat zich al meer en
meer begon af te ronden. Soms deed hij eenige schreden achterwaarts
en verhief hij beide handen tot op de hoogte van zijne slapen, als
wilde hij den weg begrenzen, die zijne blikken volgen moesten. Dan
weder naderde hij het model en greep hij in de kneedbare kleimassa,
als ware deze het vleesch van zijn vijand.
Thans arbeidde hij aan de dichte haren van het voorwerp, dat sedert
lang reeds de vormen van een vrouwekop vertoonde, en wierp de brokken
klei, die hij van het achterhoofd wegnam, zoo onstuimig op den grond,
als slingerde hij ze zijne tegenpartij voor de voeten. Nu was hij
met de vingertoppen en de spatel aan den mond, de neus, de wangen
en de oogen bezig, en daarbij nam zijn gelaat eene zachte plooi aan,
die eindelijk overging in eene uitdrukking van dweepzieke verrukking,
toen de trekken die hij vormde meer en meer begonnen te gelijken op
het beeld, naast hetwelk geen ander in dit uur in zijne voorstelling
plaats kon vinden.
Eindelijk had hij, terwijl zijne wangen sterk kleurden, ook de
weeke vormen van de ronde schouders afgewerkt, en toen hij nu weder
terugtrad, om den vollen indruk te ontvangen van zijn voltooid werk,
voer er eene koude rilling door zijne leden en kwam hij in verzoeking
het op te nemen en met alle kracht op den grond te slingeren. Doch
weldra werd hij deze stormachtige aandoening weder meester, streek hij
meermalen met de hand door zijne haren, en plaatste zich ten laatste
met een weemoedig lachje en gevouwen handen vóor zijne schepping.
Terwijl hij daar al dieper in beschouwing verzonken stond, bemerkte
hij niet dat de deur achter hem open ging, hoewel de vlammen zijner
lampen, door den tocht bewogen, heen en weer flikkerden, en zijne
moeder, die de werkplaats binnentrad, volstrekt het voornemen niet had
hem onopgemerkt te naderen en hem te verrassen. Uit zorg voor haren
lieveling, wien de dag van gisteren zoovele illusiën had ontnomen, had
zij den slaap niet kunnen vatten. De kamer van Polycarpus lag boven
haar slaapvertrek, en toen de stappen boven haar hoofd haar zeiden,
dat hij, hoewel de morgen weldra zou aanbreken, zich altijd nog niet
ter ruste had gelegd, was zij zachtkens opgestaan, zonder Petrus, die
scheen te slapen, te wekken. Zij volgde hare moederlijke begeerte, om
Polycarpus met vriendelijke woorden te bemoedigen, toen zij den smallen
trap, die naar het dak leidde, opklom en zijn vertrek binnentrad.
Zij bleef een tijdlang verrast, besluiteloos en zonder te spreken
achter den jongeling staan en beschouwde de helder verlichtte,
schoone trekken van het pas ontworpen beeld, dat maar al te zeer op
het haar welbekende voorbeeld geleek. Eindelijk legde zij de hand op
den schouder van haar zoon, en riep hem bij zijn naam. Polycarpus
ging achteruit en keek zijne moeder aan met verwarde blikken, als
iemand die plotseling uit den slaap wordt gewekt. Zij brak echter de
stamelende woorden af, waarmede hij begon haar te begroeten, en vroeg,
terwijl zij op het beeld wees, niet zonder eenige gestrengheid in
den toon harer stem: "Wat moet dat beteekenen?"
"Ja, moeder, wat moet dat beteekenen?" antwoordde Polycarpus, en
schudde het hoofd. "Vraag mij thans niet verder. Al wildet ge mij
niet met rust laten voor ik een antwoord heb gegeven, en al wilde
ik beproeven u te verklaren, hoe ik heden, juist heden gedrongen en
gedwongen werd het beeld van deze vrouw te boetseeren, zoo zoudt gij,
zoo zouden allen mij toch niet begrijpen!"
"God beware mij, dat ik dat ooit zou begrijpen," riep Dorothea. "Gij
zult niet begeeren uws naasten vrouw! heeft de Heer op dezen berg
bevolen. En gij?--Ik zou u niet kunnen begrijpen, meent gij? Wie zal u
dan anders verstaan dan uwe moeder?--Dat begrijp ik niet, hoe de zoon
van Petrus en mij het voorbeeld en de lessen zijner ouders zoo geheel
in den wind kan slaan. Doch wat gij met dit uw beeld bedoelt is toch,
zoo ik meen, niet zoo moeielijk te raden. Wijl de verbodene vrucht
te hoog voor u hangt, misbruikt gij uwe kunst en vormt gij voor u een
beeld, dat haar gelijkt, naar uw smaak! Kom er maar eenvoudig en rond
voor uit: daar uw oog de vrouw van den Galliër niet meer werkelijk
kan bereiken, en gij den lieflijken aanblik van deze schoone toch
niet kunt missen, maakt gij voor u eene beeltenis van klei, om met
haar te kozen en afgoderij te plegen, gelijk de joden van weleer met
het gouden kalf en den koperen slang."
Polycarpus luisterde zwijgend en onder smartelijke aandoeningen
naar de hevige berisping van zijne moeder. Zoo had vrouw Dorothea
nog nooit tot hem gesproken, en het deed hem onuitsprekelijk leed,
zulke woorden te hooren juist uit een mond, die anders nooit tot hem
pleegde te spreken dan op een toon van innige teederheid. Zij was
tot hiertoe steeds geneigd geweest voor zijne zwakheden en kleine
misslagen eene verschooning te vinden, ja de ijver waarmede zij,
in tegenwoordigheid van vreemden zoowel als van de zijnen, zijne
gaven en zijne werken waardeerde en prees, had hem wel eens pijnlijk
aangedaan. En thans? Voorzeker zij had recht op hem vertoornd te zijn,
want Sirona was de vrouw van een ander, had zijne neiging zelfs nooit
opgemerkt, en was, zooals ten minste allen zeiden, misdadig geworden
ter wille van een vreemde. Het moest den menschen dus wel dwaas en
zondig toeschijnen, juist van hem, dat hij het beste wat hij bezat,
zijne kunst, aan zulk eene vrouw ten offer bracht. Maar hoe weinig
begreep Dorothea, die er toch anders altijd op uit was hem te verstaan,
welk een overmachtig gevoel hem tot dezen arbeid had gedwongen!
Hij beminde en vereerde zijne moeder met geheel zijn hart, en daar
hij gevoelde dat zij door de valsche en onwaardige uitlegging, die
zij aan deze daad gaf, hem onrecht aandeed, antwoordde hij op hare
ernstige toespraak, terwijl hij biddend de handen tot haar ophief:
"Neen, moeder, neen! Zoo waar God mij helpen mag, zóo is het niet! Wel
heb ik dit hoofd geboetseerd, maar niet om het te bewaren en er een
zondig spel mede te drijven, maar om mij los te maken van het beeld,
dat dag en nacht voor het oog mijner ziel staat, in de stad en in de
woestijn, het beeld welks glans mijn verstand benevelt als ik denk,
mijne ziel als ik poog te bidden. Aan wien is het gegeven een mensch
in het hart te lezen? Maar is niet de gestalte en het gelaat van
Sirona eene wonderbare schepping van den Allerhoogste? Sedert ik
haar voor het eerst zag, toen zij in ons huis haar intrek nam, heb
ik mij voorgenomen dit beeld zóo na te bootsen, dat de betoovering,
die de aanblik van de Gallische op mij uitoefende, door ieder zou
moeten worden gevoeld, die mijn werk zou beschouwen. Ik moest naar
de hoofdstad terugkeeren, en daar verkreeg het werk, dat ik scheppen
wilde, meer bepaalde omtrekken, en ik vond elk uur iets te veranderen
en te verbeteren in de houding van het hoofd, den opslag der oogen
en de uitdrukking van den mond. Maar het ontbrak mij aan moed om de
hand aan het werk te slaan, want het scheen mij eene bovenmenschelijke
stoute onderneming, het beeld, dat zoo helder voor mijne ziel stond,
door middel van grauwe klei en bleek marmer zóo tot eene werkelijkheid
te doen worden, dat het voltooide kunstwerk voor de zinnelijke
aanschouwing niet minder uitwerking zou hebben, dan het beeld in
het heiligdom van mijn gemoed voor mijn geestelijk oog. Intusschen
verzuimde ik mijn arbeid niet, won ik den prijs met mijne modellen van
leeuwen, en toen ik den goeden herder die de kudde zegent voor den
lijksteen van Comes gelukkig mocht voltooien, en de meesters in de
kunst de uitdrukking van zelfverloochenende liefde in het beeld van
den Verlosser prezen, toen wist ik--neen, val mij niet in de rede,
moeder, want wat ik ondervonden heb is rein, en ik spot niet!--toen
wist ik, dat ik den steen met liefde kon bezielen, omdat ikzelf van
liefde vervuld was. Ten laatste liet dat beeld mij geen rust, en ook
zonder vaders roepstem zou ik tot u teruggekeerd zijn. Ik zag haar
thans weder en vond haar nog veel schooner, dan de voorstelling die
mijne ziel beheerschte. Bovendien hoorde ik haar spreken en lachen,
met een geluid zoo helder als van eene klok. En toen.... toen.... Gij
weet wat ik gisteren moest vernemen! De onwaardige echtgenoote
van den onwaardigen man, de vrouw Sirona ging voor mij verloren,
en ik beproefde ook haar beeld uit mijne ziel te verwijderen, het
te vernietigen, het op te lossen;--maar te vergeefs! Al meer en meer
werd ik door eene wonderbare kracht gedreven om te boetseeren. Spoedig
maakte ik de lampen gereed, nam de klei ter hand, en bracht daarin
met pijnlijk welgevallen trek voor trek over van het beeld, dat diep
in mijn hart stond gegrift, en meende dat ik op deze wijze alleen
daarvan verlost kon worden. Daar staat nu de vrucht, die hier binnen
gerijpt is; maar daar zij zoo lang verborgen leefde, gevoel ik eene
akelige leegte, en wanneer nu de schalen, die dit beeld zoolang met
teedere liefde hebben omsloten, verdorren en uit elkander vallen,
dan zal het mij niet verwonderen.--Aan dit voorwerp hangt het beste
deel van mijn leven!"
"Genoeg!" viel Dorothea haar zoon in de rede, die diep bewogen en
met bevende lippen vóor haar stond. "Dit moge God verhoeden, dat
dit schijnbeeld u naar lichaam en ziel ten verderve voert. Gelijk ik
niets onreins duld in mijn huis, zoo moogt gij het ook niet dulden in
uw hart! Wat slecht is, kan nooit schoon zijn, en hoe liefelijk dat
gelaat er ook uitziet, zoo heb ik er toch een afkeer van, wanneer ik
bedenk, dat het dien weggeloopen bedelaar misschien nog vriendelijker
heeft toegelachen. Als de Galliër haar weer terugbrengt, dan zet ik
haar mijn huis uit, en ik zal met deze handen het beeld vernielen,
wanneer gij het niet dadelijk hier in stukken slaat!"
Dorothea's oogen zwommen in tranen, terwijl zij deze woorden uitte. Zij
had onder het spreken van haar zoon met trots en ontroering gevoeld,
welk een eigenaardig en edel karakter hij had. De gedachte dat deze
zeldzame en groote schat bedorven, ja misschien vernietigd zou worden,
terwille van eene slechte vrouw, deed haar zichzelve vergeten, en
vervulde haar goedhartig moederhart met hevigen toorn.
Vast besloten hare bedreiging terstond tot waarheid te maken, liep zij
naar het beeld toe. Doch Polycarpus trad haar in den weg, hief smeekend
en afwerend tegelijk zijne armen op, en zeide: "Nog niet, heden niet,
moeder! Ik wil het bedekken en stellig niet weder aanzien voor morgen;
maar eenmaal, een enkele maal wil ik het in het zonlicht beschouwen."
"Opdat morgen de oude dwaasheid opnieuw in u ontwake!" riep
Dorothea. "Ga mij uit den weg, of neem zelf den hamer."
"Gij beveelt het, en gij zijt mijne moeder," antwoordde Polycarpus.
Langzaam naderde hij de kast, waarin zijne werktuigen lagen, en dikke
tranen biggelden langs zijne wangen, terwijl hij den greep van den
zwaren hamer vatte.
Wanneer in den zomer de hemel vele dagen achtereen volmaakt helder is
geweest, en heden zich wolken samenpakken tot een onweder, en de eerste
zwijgende en onheilspellende bliksemstraal, gevolgd door het luid en
statig rollen van den donder, den menschen schrik heeft aangejaagd,
dan volgt er weldra een tweede en een derde weerlicht.
Sedert den stormachtigen nacht van gisteren, die stoornis had gebracht
in het stille, arbeidzame en eentonige leven van Petrus' gezin, was
er veel gebeurd, dat den senator en zijne vrouw met nieuwe onrust
vervulde. In andere huizen was het geen zeldzaamheid, dat een slaaf
de vlucht nam; in dat van Petrus had zich dat sedert twintig jaren
niet voorgedaan. Gisteren was het echter gebleken, dat de herderin
Mirjam was weggeloopen.
Dat was verdrietig, maar de stille droefheid van zijn zoon Polycarpus
maakte den senator meer bezorgd. Het beviel hem niets, dat de
anders zoo levendige jongeling het verbod van Agapitus om zijne
leeuwen te voltooien, zonder tegenspraak, ja bijna onverschillig
had aangehoord. De sombere blik en de matte, gebrokene houding van
zijn zoon kon Petrus maar niet vergeten, toen hij zich eindelijk
ter rust begaf. Het was al laat, maar hij kon zoo min als Dorothea
den slaap vatten. Terwijl de moeder dacht aan den zondige liefde van
haren zoon, en de wonde die zijn jong, bitter bedrogen hart zou doen
bloeden, beklaagde de vader Polycarpus, omdat deze teleurgesteld was
in zijne hoop van zijne kunst in een groot werk te mogen toonen. En
hij herinnerde zich daarbij de zware smartvolle dagen van zijne
eigene jeugd; want ook hij was bij een beeldhouwer te Alexandrië in
de leer geweest; ook hij had de werken der heidenen als verhevene
voorbeelden bewonderd en getracht na te volgen. Zijn meester had hem
zelfs toegestaan zijne eigene ontwerpen uit te voeren. Uit het groot
aantal onderwerpen had hij als symbolische voorstelling van de ziel
die naar verlossing smacht, een Ariadne gekozen, die vol verlangen
naar den terugkeer van Theseus uitziet. Hoe had dit werk zijne ziel
vervuld, hoe genotvol waren voor hem de uren geweest, waarin hij aan
het verwezenlijken van deze schepping zijner verbeelding had gearbeid!
Daar verscheen zijn strenge vader in de hoofdstad, en zag zijn arbeid
vóor die geheel voltooid was. In plaats van het werk te prijzen, spotte
hij er mede, noemde hij het minachtend een heidensch afgodsbeeld, en
beval Petrus terstond met hem terug te keeren en bij hem te blijven;
want zijn zoon en erfgenaam moest een vroom christen zijn en bovendien
een degelijk steenhouwer, geen halve heiden en vervaardiger van
afgodsbeelden. Petrus had zijne kunst zeer liefgehad, maar er viel
tegen het bevel zijns vaders niets in te brengen, wien hij naar de
oase volgde, om daar toe te zien op de werkzaamheden der slaven, die
steenen moesten houwen, en om de voor sarcophagen en zuilen bestemde
granietblokken af te meten en hunne bewerking te leiden.
Zijn vader was van staal en hij een jongeling van ijzer. Toen hij
zich gedwongen zag den vaderlijken wil op te volgen, en de werkplaats
van zijn meester en zijn onvoltooiden lievelingsarbeid vaarwel te
zeggen, om een handwerker, een man van zaken te worden, toen zwoer
hij nooit weder een stuk klei in de hand te zullen nemen, noch den
bijtel te voeren. En hij hield woord, ook na den doods zijns vaders;
maar zijne lust om ontwerpen te maken en zijne liefde voor de kunst
leefde in hem voort, en ging op zijne beide zonen over.
Antonius was een kunstenaar van grooten aanleg, en als de meester van
Polycarpus zich niet vergiste en zijne vaderlijke liefde hem niet
bedroog, dan was zijn tweede zoon op weg om den hoogsten, slechts
voor de uitverkoren bereikbaren trap der kunst te bestijgen. Petrus
kende de modellen van zijn goeden herder en van de leeuwen, en moest
erkennen, dat zij in waarheid, kracht en majesteit niet te overtreffen
waren. Was het wonder dat de jonge kunstenaar vurig begeerde ze in
harden steen uit te voeren, en ze te zien prijken op eene waardige,
zij het ook onheilige plaats, die hem was toegestaan? En nu verbood
den bisschop hem den arbeid, en de arme jongen kon niet anders te
moede zijn dan hijzelf, ongeveer dertig jaren geleden, toen hem
bevolen was zijn eerste werk onvoltooid te laten.
Was de bisschop werkelijk in zijn recht?--Deze en vele dergelijke
vragen verdrongen zich in de ziel van den vader, terwijl hij niet
slapen kon, en zoodra hij hoorde dat zijne vrouw opstond, om haar
zoon op te zoeken, wiens voetstappen ook hij boven zijn hoofd hoorde,
volgde hij Dorothea.
Hij vond de deur van de werkplaats open en werd, zonder gezien of
gehoord te worden, getuige van de hevige woorden zijner vrouw en de
rechtvaardiging van den jongeling, wiens werk, door het licht der
lampen beschenen, daar vóor hem stond. Zijn oog was onafgebroken
op dat kleibeeld gericht. Hij zag en zag altijd, en werd niet moede
het te beschouwen. Zijne ziel werd vervuld met denzelfden eerbied,
dezelfde aandachtige bewondering, die hij had gevoeld, toen hij als
jongeling in het Caesareum voor de eerste maal de werken van de groote
meesters van het oude Athene met zijne oogen had gezien.
En deze kop was het werk van zijn zoon!
Innerlijk geroerd stond hij daar, drukte de handen samen, hield zijn
adem in en slikte een en andermaal met zijn drogen mond, om zijne
tranen te bedwingen. Daarbij luisterde hij in groote spanning, om
toch geen woord uit Polycarpus' mond te verliezen.
"Zoo, ja zóo alleen ontstaan de groote werken der kunst," zeide hij
tot zichzelven. "Had de Heer mij met zulke gaven begenadigd als deze
bezit, waarlijk, geen vader, geen godheid had mij kunnen dwingen
mijne Ariadne onvoltooid te laten. De houding van het lichaam was
toch zoo slecht niet, zou ik meenen, maar de kop, het hoofd..... Ja,
wie zulk een beeld als dat daar vormen kan, diens blikken en handen
worden door heilige geniën der kunst geleid. Hij die dit hoofd heeft
gemaakt, hij zal nog in later dagen geroemd worden naast de groote
meesters van Athene. Hij, ja hij, barmhartige hemel, hij die daar
staat is mijn lijfelijke zoon!
Een zalig gevoel, zooals hij sedert zijne jeugd niet had ondervonden,
vervulde zijn hart, en de ijver van Dorothea scheen hem deels
beklagenswaardig, deels belachelijk toe.
Eerst toen zijn zoon naar den hamer greep, plaatste hij zich tusschen
het beeld en zijne vrouw, en zeide vriendelijk: "Wij kunnen met de
vernietiging van dit kunstwerk toch nog wel wachten tot morgen. Vergeet
het model, mijn jongen, nadat gij er zoo gelukkig gebruik van hebt
gemaakt. Ik weet eene betere geliefde voor u, de kunst, wie alles
toebehoort, wat de Allerhoogste schoons heeft geschapen; de kunst,
waarop een Agapitus niet smalen kan, háar geheel en onverdeeld!"
Polycarpus vloog zijn vader in de armen, en de anders zoo ernstige
man, zichzelven nauwelijks meester, kuste het voorhoofd, de oogen en
de beide wangen van den jongeling.