DERTIENDE HOOFDSTUK.

Het lichtschijnsel in de oase-stad, dat de aandacht van den Alexandrijn

had getrokken, kwam uit Petrus' woning, en wel uit de kamer van

Polycarpus, die de geheele ruimte van een klein gebouw innam, dat de

senator, als een huisje door het groote huis gedragen, voor zijn zoon

aan de noordzijde op het ruime vlakke dak had laten optrekken.

De jonkman was tegen den middag met de pas geworven slaven aangekomen,

had alles wat in zijne afwezigheid gebeurd was vernomen, en zich na

het avondeten stil in zijn vertrek teruggetrokken. Daar was hij nu

aan het werk. Een bed, een tafel, waarop en waaronder verschillende

wastafeltjes, papyrusrollen, metalen stiften en schrijfrietjes

lagen, benevens een kleine bank met een waterbekken en kan vormden

de meubileering van deze ruimte, tegen welker wit gepleisterde wanden

allerlei figuren van dieren en menschen, en verschillende steenplaten

met relief-voorstellingen in eene lange rij naast elkander stonden

en hingen. In een hoek lag, naast een steenen watervat, een groote

klomp klei glimmende van natheid. Drie lampen, die aan standaards

bevestigd waren, verlichtten meer dan voldoende deze werkplaats,

en vooral een op een hoog voetstuk staand beeld, waaraan Polycarpus'

vingers ijverig bezig waren te vormen.

Phoebicius had den jongen beeldhouwer een heertje naar de mode genoemd,

en niet geheel ten onrechte, want hij hield er van zich goed te

kleeden, en was zeer kieskeurig op vorm en kleur van zijne eenvoudige

gewaden; ook verzuimde hij zelden zijne weelderige lokken zorgvuldig

te ordenen en geurig te zalven. Toch was het hem bijna onverschillig,

hoe anderen over zijn uiterlijk dachten, maar hij kende niets edelers

dan de menschelijke gestalte, en zekere neiging, waaraan hij geen

weerstand bood, drong hem juist zijn eigen lichaam zóo te onderhouden,

als hij dat van een ander wenschte te zien. In dit nachtelijk uur droeg

hij echter niets dan zijn onderkleed van witte wollen stof met donker

roode randen. Zijn gewoonlijk zoo keurig geschikte lokken waren verward

en schenen naar boven te vliegen; in plaats van ze te beteugelen en

neer te strijken, hielp hij ze in hunne weerspannigheid, door vaak

onder zijn arbeid driftig met de hand door zijn haar te strijken.

Een vleermuis, aangetrokken door het helder licht, vloog door

de vensteropening, die alleen van onderen met een donker doek

behangen was, en beschreef eenige cirkels langs de zoldering van het

vertrek. Maar hij merkte het dier niet op, want zijn werk hield hem

naar ziel en lichaam geheel bezig. Terwijl hij zoo hartstochtelijk

en met zooveel inspanning aan den arbeid was, en iedere zenuw,

elke ader scheen mede te werken, zou zijn oor geen hulpgeschreeuw,

zijn oog zelfs geen aan zijne zijde opflikkerende vlam hebben

waargenomen. Zijne wangen gloeiden; over zijn voorhoofd spreidde zich

een net van parelende zweetdruppels uit, en zijne blikken schenen

als vastgekluisterd te zijn aan het beeldwerk, dat zich al meer en

meer begon af te ronden. Soms deed hij eenige schreden achterwaarts

en verhief hij beide handen tot op de hoogte van zijne slapen, als

wilde hij den weg begrenzen, die zijne blikken volgen moesten. Dan

weder naderde hij het model en greep hij in de kneedbare kleimassa,

als ware deze het vleesch van zijn vijand.

Thans arbeidde hij aan de dichte haren van het voorwerp, dat sedert

lang reeds de vormen van een vrouwekop vertoonde, en wierp de brokken

klei, die hij van het achterhoofd wegnam, zoo onstuimig op den grond,

als slingerde hij ze zijne tegenpartij voor de voeten. Nu was hij

met de vingertoppen en de spatel aan den mond, de neus, de wangen

en de oogen bezig, en daarbij nam zijn gelaat eene zachte plooi aan,

die eindelijk overging in eene uitdrukking van dweepzieke verrukking,

toen de trekken die hij vormde meer en meer begonnen te gelijken op

het beeld, naast hetwelk geen ander in dit uur in zijne voorstelling

plaats kon vinden.

Eindelijk had hij, terwijl zijne wangen sterk kleurden, ook de

weeke vormen van de ronde schouders afgewerkt, en toen hij nu weder

terugtrad, om den vollen indruk te ontvangen van zijn voltooid werk,

voer er eene koude rilling door zijne leden en kwam hij in verzoeking

het op te nemen en met alle kracht op den grond te slingeren. Doch

weldra werd hij deze stormachtige aandoening weder meester, streek hij

meermalen met de hand door zijne haren, en plaatste zich ten laatste

met een weemoedig lachje en gevouwen handen vóor zijne schepping.

Terwijl hij daar al dieper in beschouwing verzonken stond, bemerkte

hij niet dat de deur achter hem open ging, hoewel de vlammen zijner

lampen, door den tocht bewogen, heen en weer flikkerden, en zijne

moeder, die de werkplaats binnentrad, volstrekt het voornemen niet had

hem onopgemerkt te naderen en hem te verrassen. Uit zorg voor haren

lieveling, wien de dag van gisteren zoovele illusiën had ontnomen, had

zij den slaap niet kunnen vatten. De kamer van Polycarpus lag boven

haar slaapvertrek, en toen de stappen boven haar hoofd haar zeiden,

dat hij, hoewel de morgen weldra zou aanbreken, zich altijd nog niet

ter ruste had gelegd, was zij zachtkens opgestaan, zonder Petrus, die

scheen te slapen, te wekken. Zij volgde hare moederlijke begeerte, om

Polycarpus met vriendelijke woorden te bemoedigen, toen zij den smallen

trap, die naar het dak leidde, opklom en zijn vertrek binnentrad.

Zij bleef een tijdlang verrast, besluiteloos en zonder te spreken

achter den jongeling staan en beschouwde de helder verlichtte,

schoone trekken van het pas ontworpen beeld, dat maar al te zeer op

het haar welbekende voorbeeld geleek. Eindelijk legde zij de hand op

den schouder van haar zoon, en riep hem bij zijn naam. Polycarpus

ging achteruit en keek zijne moeder aan met verwarde blikken, als

iemand die plotseling uit den slaap wordt gewekt. Zij brak echter de

stamelende woorden af, waarmede hij begon haar te begroeten, en vroeg,

terwijl zij op het beeld wees, niet zonder eenige gestrengheid in

den toon harer stem: "Wat moet dat beteekenen?"

"Ja, moeder, wat moet dat beteekenen?" antwoordde Polycarpus, en

schudde het hoofd. "Vraag mij thans niet verder. Al wildet ge mij

niet met rust laten voor ik een antwoord heb gegeven, en al wilde

ik beproeven u te verklaren, hoe ik heden, juist heden gedrongen en

gedwongen werd het beeld van deze vrouw te boetseeren, zoo zoudt gij,

zoo zouden allen mij toch niet begrijpen!"

"God beware mij, dat ik dat ooit zou begrijpen," riep Dorothea. "Gij

zult niet begeeren uws naasten vrouw! heeft de Heer op dezen berg

bevolen. En gij?--Ik zou u niet kunnen begrijpen, meent gij? Wie zal u

dan anders verstaan dan uwe moeder?--Dat begrijp ik niet, hoe de zoon

van Petrus en mij het voorbeeld en de lessen zijner ouders zoo geheel

in den wind kan slaan. Doch wat gij met dit uw beeld bedoelt is toch,

zoo ik meen, niet zoo moeielijk te raden. Wijl de verbodene vrucht

te hoog voor u hangt, misbruikt gij uwe kunst en vormt gij voor u een

beeld, dat haar gelijkt, naar uw smaak! Kom er maar eenvoudig en rond

voor uit: daar uw oog de vrouw van den Galliër niet meer werkelijk

kan bereiken, en gij den lieflijken aanblik van deze schoone toch

niet kunt missen, maakt gij voor u eene beeltenis van klei, om met

haar te kozen en afgoderij te plegen, gelijk de joden van weleer met

het gouden kalf en den koperen slang."

Polycarpus luisterde zwijgend en onder smartelijke aandoeningen

naar de hevige berisping van zijne moeder. Zoo had vrouw Dorothea

nog nooit tot hem gesproken, en het deed hem onuitsprekelijk leed,

zulke woorden te hooren juist uit een mond, die anders nooit tot hem

pleegde te spreken dan op een toon van innige teederheid. Zij was

tot hiertoe steeds geneigd geweest voor zijne zwakheden en kleine

misslagen eene verschooning te vinden, ja de ijver waarmede zij,

in tegenwoordigheid van vreemden zoowel als van de zijnen, zijne

gaven en zijne werken waardeerde en prees, had hem wel eens pijnlijk

aangedaan. En thans? Voorzeker zij had recht op hem vertoornd te zijn,

want Sirona was de vrouw van een ander, had zijne neiging zelfs nooit

opgemerkt, en was, zooals ten minste allen zeiden, misdadig geworden

ter wille van een vreemde. Het moest den menschen dus wel dwaas en

zondig toeschijnen, juist van hem, dat hij het beste wat hij bezat,

zijne kunst, aan zulk eene vrouw ten offer bracht. Maar hoe weinig

begreep Dorothea, die er toch anders altijd op uit was hem te verstaan,

welk een overmachtig gevoel hem tot dezen arbeid had gedwongen!

Hij beminde en vereerde zijne moeder met geheel zijn hart, en daar

hij gevoelde dat zij door de valsche en onwaardige uitlegging, die

zij aan deze daad gaf, hem onrecht aandeed, antwoordde hij op hare

ernstige toespraak, terwijl hij biddend de handen tot haar ophief:

"Neen, moeder, neen! Zoo waar God mij helpen mag, zóo is het niet! Wel

heb ik dit hoofd geboetseerd, maar niet om het te bewaren en er een

zondig spel mede te drijven, maar om mij los te maken van het beeld,

dat dag en nacht voor het oog mijner ziel staat, in de stad en in de

woestijn, het beeld welks glans mijn verstand benevelt als ik denk,

mijne ziel als ik poog te bidden. Aan wien is het gegeven een mensch

in het hart te lezen? Maar is niet de gestalte en het gelaat van

Sirona eene wonderbare schepping van den Allerhoogste? Sedert ik

haar voor het eerst zag, toen zij in ons huis haar intrek nam, heb

ik mij voorgenomen dit beeld zóo na te bootsen, dat de betoovering,

die de aanblik van de Gallische op mij uitoefende, door ieder zou

moeten worden gevoeld, die mijn werk zou beschouwen. Ik moest naar

de hoofdstad terugkeeren, en daar verkreeg het werk, dat ik scheppen

wilde, meer bepaalde omtrekken, en ik vond elk uur iets te veranderen

en te verbeteren in de houding van het hoofd, den opslag der oogen

en de uitdrukking van den mond. Maar het ontbrak mij aan moed om de

hand aan het werk te slaan, want het scheen mij eene bovenmenschelijke

stoute onderneming, het beeld, dat zoo helder voor mijne ziel stond,

door middel van grauwe klei en bleek marmer zóo tot eene werkelijkheid

te doen worden, dat het voltooide kunstwerk voor de zinnelijke

aanschouwing niet minder uitwerking zou hebben, dan het beeld in

het heiligdom van mijn gemoed voor mijn geestelijk oog. Intusschen

verzuimde ik mijn arbeid niet, won ik den prijs met mijne modellen van

leeuwen, en toen ik den goeden herder die de kudde zegent voor den

lijksteen van Comes gelukkig mocht voltooien, en de meesters in de

kunst de uitdrukking van zelfverloochenende liefde in het beeld van

den Verlosser prezen, toen wist ik--neen, val mij niet in de rede,

moeder, want wat ik ondervonden heb is rein, en ik spot niet!--toen

wist ik, dat ik den steen met liefde kon bezielen, omdat ikzelf van

liefde vervuld was. Ten laatste liet dat beeld mij geen rust, en ook

zonder vaders roepstem zou ik tot u teruggekeerd zijn. Ik zag haar

thans weder en vond haar nog veel schooner, dan de voorstelling die

mijne ziel beheerschte. Bovendien hoorde ik haar spreken en lachen,

met een geluid zoo helder als van eene klok. En toen.... toen.... Gij

weet wat ik gisteren moest vernemen! De onwaardige echtgenoote

van den onwaardigen man, de vrouw Sirona ging voor mij verloren,

en ik beproefde ook haar beeld uit mijne ziel te verwijderen, het

te vernietigen, het op te lossen;--maar te vergeefs! Al meer en meer

werd ik door eene wonderbare kracht gedreven om te boetseeren. Spoedig

maakte ik de lampen gereed, nam de klei ter hand, en bracht daarin

met pijnlijk welgevallen trek voor trek over van het beeld, dat diep

in mijn hart stond gegrift, en meende dat ik op deze wijze alleen

daarvan verlost kon worden. Daar staat nu de vrucht, die hier binnen

gerijpt is; maar daar zij zoo lang verborgen leefde, gevoel ik eene

akelige leegte, en wanneer nu de schalen, die dit beeld zoolang met

teedere liefde hebben omsloten, verdorren en uit elkander vallen,

dan zal het mij niet verwonderen.--Aan dit voorwerp hangt het beste

deel van mijn leven!"

"Genoeg!" viel Dorothea haar zoon in de rede, die diep bewogen en

met bevende lippen vóor haar stond. "Dit moge God verhoeden, dat

dit schijnbeeld u naar lichaam en ziel ten verderve voert. Gelijk ik

niets onreins duld in mijn huis, zoo moogt gij het ook niet dulden in

uw hart! Wat slecht is, kan nooit schoon zijn, en hoe liefelijk dat

gelaat er ook uitziet, zoo heb ik er toch een afkeer van, wanneer ik

bedenk, dat het dien weggeloopen bedelaar misschien nog vriendelijker

heeft toegelachen. Als de Galliër haar weer terugbrengt, dan zet ik

haar mijn huis uit, en ik zal met deze handen het beeld vernielen,

wanneer gij het niet dadelijk hier in stukken slaat!"

Dorothea's oogen zwommen in tranen, terwijl zij deze woorden uitte. Zij

had onder het spreken van haar zoon met trots en ontroering gevoeld,

welk een eigenaardig en edel karakter hij had. De gedachte dat deze

zeldzame en groote schat bedorven, ja misschien vernietigd zou worden,

terwille van eene slechte vrouw, deed haar zichzelve vergeten, en

vervulde haar goedhartig moederhart met hevigen toorn.

Vast besloten hare bedreiging terstond tot waarheid te maken, liep zij

naar het beeld toe. Doch Polycarpus trad haar in den weg, hief smeekend

en afwerend tegelijk zijne armen op, en zeide: "Nog niet, heden niet,

moeder! Ik wil het bedekken en stellig niet weder aanzien voor morgen;

maar eenmaal, een enkele maal wil ik het in het zonlicht beschouwen."

"Opdat morgen de oude dwaasheid opnieuw in u ontwake!" riep

Dorothea. "Ga mij uit den weg, of neem zelf den hamer."

"Gij beveelt het, en gij zijt mijne moeder," antwoordde Polycarpus.

Langzaam naderde hij de kast, waarin zijne werktuigen lagen, en dikke

tranen biggelden langs zijne wangen, terwijl hij den greep van den

zwaren hamer vatte.

Wanneer in den zomer de hemel vele dagen achtereen volmaakt helder is

geweest, en heden zich wolken samenpakken tot een onweder, en de eerste

zwijgende en onheilspellende bliksemstraal, gevolgd door het luid en

statig rollen van den donder, den menschen schrik heeft aangejaagd,

dan volgt er weldra een tweede en een derde weerlicht.

Sedert den stormachtigen nacht van gisteren, die stoornis had gebracht

in het stille, arbeidzame en eentonige leven van Petrus' gezin, was

er veel gebeurd, dat den senator en zijne vrouw met nieuwe onrust

vervulde. In andere huizen was het geen zeldzaamheid, dat een slaaf

de vlucht nam; in dat van Petrus had zich dat sedert twintig jaren

niet voorgedaan. Gisteren was het echter gebleken, dat de herderin

Mirjam was weggeloopen.

Dat was verdrietig, maar de stille droefheid van zijn zoon Polycarpus

maakte den senator meer bezorgd. Het beviel hem niets, dat de

anders zoo levendige jongeling het verbod van Agapitus om zijne

leeuwen te voltooien, zonder tegenspraak, ja bijna onverschillig

had aangehoord. De sombere blik en de matte, gebrokene houding van

zijn zoon kon Petrus maar niet vergeten, toen hij zich eindelijk

ter rust begaf. Het was al laat, maar hij kon zoo min als Dorothea

den slaap vatten. Terwijl de moeder dacht aan den zondige liefde van

haren zoon, en de wonde die zijn jong, bitter bedrogen hart zou doen

bloeden, beklaagde de vader Polycarpus, omdat deze teleurgesteld was

in zijne hoop van zijne kunst in een groot werk te mogen toonen. En

hij herinnerde zich daarbij de zware smartvolle dagen van zijne

eigene jeugd; want ook hij was bij een beeldhouwer te Alexandrië in

de leer geweest; ook hij had de werken der heidenen als verhevene

voorbeelden bewonderd en getracht na te volgen. Zijn meester had hem

zelfs toegestaan zijne eigene ontwerpen uit te voeren. Uit het groot

aantal onderwerpen had hij als symbolische voorstelling van de ziel

die naar verlossing smacht, een Ariadne gekozen, die vol verlangen

naar den terugkeer van Theseus uitziet. Hoe had dit werk zijne ziel

vervuld, hoe genotvol waren voor hem de uren geweest, waarin hij aan

het verwezenlijken van deze schepping zijner verbeelding had gearbeid!

Daar verscheen zijn strenge vader in de hoofdstad, en zag zijn arbeid

vóor die geheel voltooid was. In plaats van het werk te prijzen, spotte

hij er mede, noemde hij het minachtend een heidensch afgodsbeeld, en

beval Petrus terstond met hem terug te keeren en bij hem te blijven;

want zijn zoon en erfgenaam moest een vroom christen zijn en bovendien

een degelijk steenhouwer, geen halve heiden en vervaardiger van

afgodsbeelden. Petrus had zijne kunst zeer liefgehad, maar er viel

tegen het bevel zijns vaders niets in te brengen, wien hij naar de

oase volgde, om daar toe te zien op de werkzaamheden der slaven, die

steenen moesten houwen, en om de voor sarcophagen en zuilen bestemde

granietblokken af te meten en hunne bewerking te leiden.

Zijn vader was van staal en hij een jongeling van ijzer. Toen hij

zich gedwongen zag den vaderlijken wil op te volgen, en de werkplaats

van zijn meester en zijn onvoltooiden lievelingsarbeid vaarwel te

zeggen, om een handwerker, een man van zaken te worden, toen zwoer

hij nooit weder een stuk klei in de hand te zullen nemen, noch den

bijtel te voeren. En hij hield woord, ook na den doods zijns vaders;

maar zijne lust om ontwerpen te maken en zijne liefde voor de kunst

leefde in hem voort, en ging op zijne beide zonen over.

Antonius was een kunstenaar van grooten aanleg, en als de meester van

Polycarpus zich niet vergiste en zijne vaderlijke liefde hem niet

bedroog, dan was zijn tweede zoon op weg om den hoogsten, slechts

voor de uitverkoren bereikbaren trap der kunst te bestijgen. Petrus

kende de modellen van zijn goeden herder en van de leeuwen, en moest

erkennen, dat zij in waarheid, kracht en majesteit niet te overtreffen

waren. Was het wonder dat de jonge kunstenaar vurig begeerde ze in

harden steen uit te voeren, en ze te zien prijken op eene waardige,

zij het ook onheilige plaats, die hem was toegestaan? En nu verbood

den bisschop hem den arbeid, en de arme jongen kon niet anders te

moede zijn dan hijzelf, ongeveer dertig jaren geleden, toen hem

bevolen was zijn eerste werk onvoltooid te laten.

Was de bisschop werkelijk in zijn recht?--Deze en vele dergelijke

vragen verdrongen zich in de ziel van den vader, terwijl hij niet

slapen kon, en zoodra hij hoorde dat zijne vrouw opstond, om haar

zoon op te zoeken, wiens voetstappen ook hij boven zijn hoofd hoorde,

volgde hij Dorothea.

Hij vond de deur van de werkplaats open en werd, zonder gezien of

gehoord te worden, getuige van de hevige woorden zijner vrouw en de

rechtvaardiging van den jongeling, wiens werk, door het licht der

lampen beschenen, daar vóor hem stond. Zijn oog was onafgebroken

op dat kleibeeld gericht. Hij zag en zag altijd, en werd niet moede

het te beschouwen. Zijne ziel werd vervuld met denzelfden eerbied,

dezelfde aandachtige bewondering, die hij had gevoeld, toen hij als

jongeling in het Caesareum voor de eerste maal de werken van de groote

meesters van het oude Athene met zijne oogen had gezien.

En deze kop was het werk van zijn zoon!

Innerlijk geroerd stond hij daar, drukte de handen samen, hield zijn

adem in en slikte een en andermaal met zijn drogen mond, om zijne

tranen te bedwingen. Daarbij luisterde hij in groote spanning, om

toch geen woord uit Polycarpus' mond te verliezen.

"Zoo, ja zóo alleen ontstaan de groote werken der kunst," zeide hij

tot zichzelven. "Had de Heer mij met zulke gaven begenadigd als deze

bezit, waarlijk, geen vader, geen godheid had mij kunnen dwingen

mijne Ariadne onvoltooid te laten. De houding van het lichaam was

toch zoo slecht niet, zou ik meenen, maar de kop, het hoofd..... Ja,

wie zulk een beeld als dat daar vormen kan, diens blikken en handen

worden door heilige geniën der kunst geleid. Hij die dit hoofd heeft

gemaakt, hij zal nog in later dagen geroemd worden naast de groote

meesters van Athene. Hij, ja hij, barmhartige hemel, hij die daar

staat is mijn lijfelijke zoon!

Een zalig gevoel, zooals hij sedert zijne jeugd niet had ondervonden,

vervulde zijn hart, en de ijver van Dorothea scheen hem deels

beklagenswaardig, deels belachelijk toe.

Eerst toen zijn zoon naar den hamer greep, plaatste hij zich tusschen

het beeld en zijne vrouw, en zeide vriendelijk: "Wij kunnen met de

vernietiging van dit kunstwerk toch nog wel wachten tot morgen. Vergeet

het model, mijn jongen, nadat gij er zoo gelukkig gebruik van hebt

gemaakt. Ik weet eene betere geliefde voor u, de kunst, wie alles

toebehoort, wat de Allerhoogste schoons heeft geschapen; de kunst,

waarop een Agapitus niet smalen kan, háar geheel en onverdeeld!"

Polycarpus vloog zijn vader in de armen, en de anders zoo ernstige

man, zichzelven nauwelijks meester, kuste het voorhoofd, de oogen en

de beide wangen van den jongeling.

Homo sum: Roman · 第 20 / 30 题