TWAALFDE HOOFDSTUK.

De baan van elke ster is vast bepaald en scherp afgeteekend;

iedere plant draagt bloesems en vruchten, in vorm en kleur geheel

overeenkomstig haar geslacht; dieren van dezelfde soort blijven in de

grondtrekken van hun aanleg en hunne neigingen, in hunne uiterlijke

zoowel als innerlijke bewegingen geheel aan elkander gelijk, en de

jager, die de herten in de bosschen van zijn vaderland kent, zal in

alle wouden der aarde weten, hoe eene ree zich in ieder bijzonder

geval houden zal. Naarmate eene soort er meer op is aangelegd, om

de verschillende individuën zich in grooter verscheidenheid te doen

ontwikkelen, naar die mate zal zij ook eene hoogere plaats innemen in

de ontwikkelingsgeschiedenis der schepping. En daarom is het juist die

oneindige verscheidenheid van het inwendig leven en zijne openbaringen,

die het menschelijk geslacht de eerste plaats aanwijst onder alle

bezielde wezens. Enkele onzer eigenschappen en werkzaamheden kunnen

de dieren ons ook symbolisch doen aanschouwen. Zoo vindt de moed zijn

symbool in het beeld van den leeuw, de zachtmoedigheid in dat van de

duif. Maar het volmaakt menschenbeeld is voor duizenden geslachten

voldoende geweest, en zal voor duizenden voldoende zijn, waar het geldt

de godheid onze zinnelijke voorstelling nader te brengen. Waarlijk,

evenals wij de zichtbare wereld met ons verstand kunnen omvatten, even

zeker is het ons gegeven God in ons, dat is in ons gemoed te hebben.

Alle eigenschappen van alle eindige dingen vindt men bij den mensch

weder, en geene eigenschap, die wij den Allerhoogste toekennen, is

vreemd aan onze ziel, die ook oneindig en eeuwig is, daar zij bij

elk onderzoek haar voelhoornen vermag uit te breiden tot de uiterste

grenzen van ruimte en tijd. Daarom zijn ook de wegen, die voor de

ziel openstaan, even talloos als voor de godheid. Dikwijls schijnen ze

zonderbaar te zijn, maar het blijft voor den ingewijde niet verborgen,

dat ook hunne baan aan vaste wetten onderworpen is, en dat ook elke,

zelfs de meest ongewone uiting van het zieleleven tot oorzaken is

terug te brengen, die deze en ook deze alleen konden uitwerken.

Slagen doen pijn, schande bezwaart en eene onrechtvaardige straf

verbittert het gemoed; doch de ziel van Paulus had een uitweg gezocht

en gevonden, waarbij deze eenvoudige stellingen niet van toepassing

waren. Hij was mishandeld, beschimpt en vóor hij de oase verliet

geheel onschuldig tot de zwaarste boete veroordeeld. De bisschop

Agapitus had hem, zoodra hij van Petrus had vernomen wat in zijn

huis was voorgevallen, tot zich geroepen, en hem, toen hij op zijne

aanklacht niets antwoordde, uit zijne kudde, waartoe ook de Anachoreten

behoorden, gestooten, hem verboden op de werkdagen de kerk te bezoeken,

en verklaard, dat hij dit oordeel aan de verzamelde gemeente zou

kenbaar maken.

En hoe werkte dit alles op Paulus, toen hij in de gloeiende

middaghitte, eenzaam en geschandvlekt den berg besteeg?

Een visscher uit het zeedorp Pharan, die den Anachoreet halverwege

tegenkwam, dacht bij zichzelven, terwijl hij een groet met hem wisselde

en hem nastaarde: "Die lange grauwbaard ziet er zoo vroolijk uit, alsof

hij een schat heeft gevonden." De man wandelde vervolgens met zijne

geschubde waren verder het dal in, en hem kwam het gelaat van zijn zoon

voor den geest toen diens vrouw hem het eerste zoontje had geschonken.

Bij den wachttoren aan den kant van den korteren heerweg waren eenige

Anachoreten bezig steenen op te stapelen. Zij wisten reeds welk oordeel

Agapitus over den zondaar Paulus had uitgesproken, en groetten hem

niet. Hij merkte het wel op en zweeg; toen zij hem echter niet meer

zien konden, glimlachte hij in zichzelven en prevelde, terwijl hij

met de hand eene der striemen wreef, die de zweep van den centurio op

zijn rug had achtergelaten: "Wanneer die daar denken, dat zulk een

Gallisch pak slagen zeer goed smaakt, dan dwalen zij. Maar ik geef

het toch niet weg voor een zak wijn van Anthylla. Wanneer zij eens

wisten dat ieder hunner ten minste éen van al de striemen toekomt,

die mij hier pijn doen, hoe zouden zij zich verwonderen! Doch geen

hoogmoed! Hoe hebben zij u, mijn Jezus, gegeeseld, en wie ben ik, en

hoe verschoonend zijn zij met mij te werk gegaan, nu ik ook eens voor

anderen mijn rug ontblootte! Er is geen druppel bloed gevloeid. Ik

wenschte wel dat die oude knorrepot wat steviger had geslagen!"

Vroolijk ging hij verder, en hem kwamen de woorden van den centurio

voor den geest, namelijk dat hij hem, indien hij dat verkoos, als

een worm vertreden zou. Wederom moest hij glimlachen, want hij was

zich bewust dat hij tienmaal zoo sterk was als die krijgsman, en

gedacht hoe hij eens den pocher Argesilaus van Cyrene, en zijn neef,

den langen Xenophanes, behendig in het zand van de palaestra had

geworpen. Vervolgens dacht hij aan Hermas, aan diens lieve gestorvene

moeder, aan zijn vader en--dat was wel het beste--aan het groot

verdriet, dat den ouden man door zijne tusschenkomst bespaard bleef.

Hij vond op zijn weg een plantje met roodachtige bloempjes. Sedert

jaren had hij naar geene bloemen omgezien, of gewenscht ze te

bezitten. Heden boog hij zich voorover, om dit vriendelijk sieraad

van de rots te plukken. Maar hij voerde zijn voornemen niet uit, want

eer zijne hand het bereikte dacht hij: "Aan wien zou ik dit bloempje

geven? Die bloemen verblijden zich misschien op hunne worteltjes in het

licht en in hun rustig leven. Hoe klemmen ze zich aan den rotssteen

vast! Verder van den weg bloeien wellicht nog fraaiere, die geen oog

ooit ziet. Als die zich tooien, dan doen zij het slechts voor hun

schepper, en omdat zij zich over zichzelven verheugen. Ik trek mij

thans ook terug van de paden, waarop de menschen zich bewegen. Laten

ze mij lasteren! Als ik maar met mijzelven en mijn God in vrede

leef, dan vraag ik naar niemand. Wie zich vernedert--ja, wie zich

vernedert.... Gewis, ook mijne ure zal slaan! Daar boven vind ik ze

allen weder: Petrus en Dorothea, Agapitus en de broeders, die mij

thans niet welkom willen heeten. En als dan mijn Jezus mij wenkt,

dan zullen zij zien wie ik ben, en naar mij toevliegen, en mij dubbel

vriendelijk begroeten."

Trotsch en gelukkig zag hij er uit, terwijl hij zoo dacht, en zich

de vreugde van het paradijs, waarop hij zich heden een zeker recht

meende verworven te hebben, verder voorspiegelde. Nooit deed hij

zulke haastige en lange stappen, dan wanneer hij zich zoo als nu,

aan dergelijke overpeinzingen overgaf, en toen hij bij de spelonk van

Stephanus was aangekomen, dacht hij dat de weg van de oase naar de

hoogte heden veel korter was geweest dan anders. Hij vond den kranke

in groote bezorgdheid, want hij had tot hiertoe zijn zoon te vergeefs

gewacht en gevreesd dat hij zou verongelukt zijn, of hem zou verlaten

hebben om de wereld in te vluchten.

Paulus bracht hem met vriendelijke woorden tot rust, terwijl hij hem

vertelde, met welk een last hij Hermas naar den anderen oever van de

zee had gezonden.

Wij zijn nooit meer geneigd, om ons eene slechte boodschap te laten

welgevallen, dan wanneer wij eene nog ergere verwacht hadden, daarom

luisterde Stephanus rustig en met instemming naar zijn vriend. Hij

kon het zich niet meer verheelen, dat Hermas niet rijp was voor het

leven van een Anachoreet, en sedert hij wist dat zijne ongelukkige

vrouw, die hij lang verloren had geacht, als eene christin gestorven

was, kon hij zich gemakkelijk vertrouwd maken met de gedachte, zijn

zoon de wereld te laten ingaan. Het was zijn streven geweest door

het boetvaardig leven van zich en zijn zoon Glycera's ziel van de

verdoemenis te redden, thans wist hij echter dat zij zichzelve het

recht op den hemel had verworven.

"Wanneer zal hij terugkeeren?" vroeg hij aan Paulus.

"Binnen vijf of zes dagen," antwoordde deze. "De visscher Ali, dien ik

eens een doorn uit den voet heb getrokken, verhaalde mij in het geheim,

toen ik gisteren naar de kerk ging, dat de Blemmyers zich achter

de zwavelbergen verzamelden. Als zij zich teruggetrokken hebben,

zal het hoog tijd worden Hermas vrijheid te geven naar Alexandrië

te gaan. Mijn broeder leeft nog, en zal hem om mijnentwil als een

bloedverwant ontvangen; want ook deze is gedoopt."

"Hij kan dan de catechetenschool in de hoofdstad bezoeken, en wanneer

hij.... wanneer hij...."

"Dat zal wel terecht komen," hernam Paulus, hem in de rede

vallende. "Allereerst komt het er op aan hem van hier te laten gaan,

om hem zijn weg te doen zoeken. Gij denkt dat er in den hemel een

eerezaal is voor den zoodanigen, die nooit struikelden, en onder deze

zoudt gij Hermas gaarne opgenomen zien. Dat doet mij denken aan een

arts in Corinthe, die zich beroemde dat hij geschikter was dan alle

zijne ambtgenooten, want hij had nog geen enkelen zieke verloren. En

de man had gelijk, want geen mensch of beest had zich ooit aan zijne

handen durven toevertrouwen. Laat Hermas zijne jeugdige krachten

beproeven, en wanneer hij geen priester wordt, maar een dapper

krijgsman als zijne voorvaderen, dan kan hij toch ook als zoodanig

zijn God eerlijk dienen. Maar we hebben nog den tijd eer het zoover

is.--Zoolang hij afwezig is, zal ik in uwe verpleging voorzien. Gij

hebt, gelijk ik zie, nog water in de kruik."

"Deze werd reeds tweemaal voor mij gevuld," antwoordde de oude man. "De

bruine herderin, die zoo vaak de geiten drenkt aan onze bron, kwam

eerst in de vroegte en daarna nauwelijks een uur geleden bij mij. Zij

vroeg naar Hermas en bood zich daarop zelve aan om water voor mij

te scheppen, zoolang hij afwezig zou zijn. Zij is zoo schuw als een

vogel en vloog naar boven, nadat zij de kruik hier neder had gezet."

"Zij behoort aan Petrus, en zal hare geiten niet lang alleen durven

laten," zeide Paulus. "Nu ga ik heen om wat wortelen voor u te zoeken

als toespijs. Met den wijn zal het vooreerst wel uit zijn.--Zie mij

eens goed aan! Voor welk groot zondaar houdt gij mij wel? Denk u

maar het ergste van mij, en toch zult gij wellicht nog erger dingen

hooren.--Doch daar komen twee mannen. Wacht! De eene is Hilarion,

een der acolythen van den bisschop, en de ander Pachomius uit Memphis,

die zich eerst onlangs op den berg heeft neergezet. Zij komen hierheen

en de Egyptenaar draagt een kruikje. Ik zou wel willen dat het weder

wijn bevatte tot uwe versterking."

De beide vrienden zouden niet lang in het onzekere blijven omtrent het

doel der naderenden. Beiden keerden, nadat zij het hol van Stephanus

bereikt hadden, Paulus met merkbare bedoeling den rug toe. Ja, de

acolyth sloeg voor hem een kruis over het voorhoofd, als hield hij

het voor noodig zich tegen booze invloeden te vrijwaren.

De Alexandrijn begreep hem, trad terug en zweeg, toen Hilarion den

kranken Stephanus in naam van den bisschop mededeelde, dat Paulus

schuldig was aan zeer zware zonden, en dat hij als een schurft

schaap van het verkeer met de kudde van den bisschop, en alzoo van

de verpleging van een vroom christen moest uitgesloten blijven,

tot hij volledig boete zou hebben gedaan. "Wij weten, door Petrus,"

zoo eindigde hij zijne rede, "dat uw zoon, mijn vader, over zee is

gezonden; daar gij echter verpleging noodig hebt, zoo zendt Agapitus

u door mij zijn zegen en wijn ter versterking. Deze jongeling zal

bij u blijven en u van het noodige voorzien tot Hermas terugkeert."

Daarop overhandigde hij de kruik met wijn aan den ouden man, die

verstomd en bewogen nu eens hem, dan weder Paulus aanzag.

Het hart van den laatsten brak, toen zich de dienaar van den bisschop

andermaal tot hem richtte, en hem een teeken gaf zich te verwijderen,

terwijl hij uitriep: "weg van hier!"

Hoevele vriendschappelijke banden, hoevele volgaarne bewezene en

dankbaar aangenomene diensten vernietigde dat bevel! Maar Paulus

gehoorzaamde onverwijld en ging den kranke voorbij. Hunne blikken

ontmoetten elkander, en beiden merkten zij op, dat er tranen welden

in het oog van den vriend.

"Paulus!" riep de kranke, terwijl hij den heengaande, wien hij zoo

gaarne elke schuld vergaf, beide handen toestak. Doch de Alexandrijn

sloeg zijne hand niet in de zijne, maar hij wendde zich af en

steeg, in eene richting waar geen gebaande weg was, zonder om te

zien haastig den berg op. Daarna daalde hij weder af naar het dal,

altijd voortgaande tot hem de steile helling van den hollen weg, die

aan de zuidzijde van den berg naar de oase leidt, gebood stil te staan.

De zon stond nog hoog en het was gloeiend heet. Druipnat van zweet

en geheel buiten adem, leunde hij met den rug tegen den gloeienden

porfierwand, bedekte zijn gelaat met de handen, en trachtte tot

zichzelven te komen, te denken en te bidden. Maar lang te vergeefs,

want in plaats van vreugde te gevoelen over het leed, dat hij

vrijwillig op zich genomen had, pijnigde de ellende der eenzaamheid

zijne ziel, en in zijn binnenste weerklonk de klagende roepstem van

den oude als eene vermaning, en deed hem twijfelend vragen of zijn

daad wel goed was, waardoor hij toch de besten en reinsten bedrogen en

gedrongen had onrechtvaardig jegens hem te handelen. Zijn hart kromp

ineen van angst en pijn, doch toen hij zich eindelijk weder bewust

werd, hoezeer hij leed naar lichaam en ziel, begon hij opnieuw moed te

scheppen; en er speelde zelfs een glimlach om zijne lippen, toen hij

in zichzelven prevelde: "Goed zoo, goed zoo; hoe meer het wee doet,

des te zekerder vind ik genade.--En dan! als de oude man van Hermas

had moeten beleven, wat hij van mij moest hooren, gerechte hemel,

ik geloof dat het zeker zijn dood geweest zou zijn! Toch zou ik wel

willen dat het zonder dat.... dat--het is nu eenmaal zoo--zonder dat

bedrog had kunnen geschieden. Ik ben reeds als heiden een voorstander

van waarheid geweest, en heb den leugen in mijzelven en anderen zoo

diep verfoeid, als vader Abraham een moord; hoewel ook deze zijn Izaäk

ter slachting voerde, wijl de Heer het hem gebood. En Mozes, toen hij

den opzichter versloeg, en Elias, en Debora, en Judith?! Ik heb niet

veel minder op mij genomen dan zij, en mijn leugen zal mij wel vergeven

worden, gelijk het hun niet is toegerekend dat zij bloed vergoten."

Zulke overpeinzingen gaven aan Paulus' ziel het verloren evenwicht

terug, en deden hem berusten in zijne daad. Hij begon te overwegen, of

hij in zijn voormalig hol en in de nabijheid van Stephanus terugkeeren,

of naar eene andere woning omzien zou. Hij besloot tot het laatste;

doch vóor alle dingen moest hij frisch water en eenig voedsel opzoeken,

want zijn mond en zijne tong waren geheel verdroogd. Dieper in het

dal ontsprong eene bron, die hij wel kende, en in hare nabijheid

groeiden velerlei kruiden en wortels, waarmede hij meermalen zijn

honger gestild had. Een tijdlang volgde hij de helling aan zijn

voet; vervolgens wendde hij zich links en kwam op een tafelvormige

hoogvlakte, die uit de kloof gemakkelijk te bereiken was, en naar

de zijde van de oase in eene vele vademen diepe loodrechte steilte

uitliep. Tusschen die vlakte en den hoogsten bergtop verhieven zich

talrijke op zichzelf staande klippen, als een legerkamp met tenten

van graniet, als eene zee, die terwijl de golven zich op het hoogst

verhieven, tot hard porfier was versteend. Achter die blokken nu

vloeide de bron, die hij na eenige oogenblikken zoekens vond.

Na zich verkwikt te hebben begaf hij zich naar de hoogvlakte terug,

opnieuw versterkt in zijn voornemen, om ook het zwaarste geduldig

te dragen. Van den rand der steilte zag hij naar beneden in het wijd

uitgestrekt woestijndal aan zijne voeten, op welks laagsten bodem de

oase met hare palmboschjes en tamariskenstruiken, als eene krans op

een grafsteen, zich in scherpe groene omtrekken afteekende. De wit

gepleisterde daken der huizen van het vlek Pharan kwamen helder uit

de takken en het loof te voorschijn. Boven alle stak de nieuwe kerk

uit, waarvan de toegang thans voor hem gesloten was. Een oogenblik

sneed de gedachte hem pijnlijk door de ziel, dat hij uitgesloten

was van de godsdienstoefening der gemeente, van het avondmaal en het

gemeenschappelijk gebed; maar dan vroeg hij zich weer af, of dan niet

ieder rotsblok hier op de bergen een altaar moest heeten; of de blauwe

hemel boven zijn hoofd niet duizendmaal grooter en heerlijker was,

als het stoutste koepeldak door menschenhanden gebouwd, het kolossaal

gewelf van het Serapeum te Alexandrië niet uitgenomen; en hij dacht

aan het 'Amen' van de steenen, dat vernomen was na de prediking van

den blinde.

Toen hij met het hoofd fier opgericht naar de rotswand toeging aan de

zijde der helling, om een hol op te zoeken, dat ledig was, sedert de

grijsaard die het bewoonde eenige weken geleden gestorven was, dacht

hij; "Waarlijk, het komt mij nu voor als werd ik niet nedergedrukt

maar opgeheven door den last mijner schande. Hier tenminste behoef

ik de oogen niet neer te slaan. Want hier ben ik met mijn God alleen,

en voor hem behoef ik mij, naar ik meen toch niet te schamen."

Met zulke gedachten vervuld wrong hij zich door de ruimte tusschen

twee reusachtige porfierblokken, doch weldra bleef hij staan, want in

zijne onmiddellijke nabijheid liet zich het geblaf van een hond hooren,

en eenige oogenblikken later vloog een hazenwindje op hem toe, dat

zijn met een gekleurde lap omwikkeld pootje voorzichtig omhoog hield,

en hem nu eens grimmig aanblafte dan weder schuchter terugweek. Paulus

herinnerde zich de vraag, die Phoebicius betreffende zulk een hondje

tot den Amalekiet Talib had gericht, en vermoedde terstond, dat de

gevluchte Gallische niet ver verwijderd kon zijn. Zijn hart begon

sneller te kloppen, en ofschoon hij zoo dadelijk niet wist, hoe

hij de vrouw, die haren plicht zoozeer had vergeten, ontvangen zou,

gevoelde hij zich toch innerlijk gedrongen haar op te zoeken.

Onverwijld volgde hij de richting, uit welke het hondje tot hem was

gekomen, weldra zag hij een licht gewaad achter de eerste en vervolgens

achter de tweede en derde rots verdwijnen. Eindelijk bereikte hij

de vluchtende. Zij stond vlak aan den rand van den afgrond, tegen

een rots die zich steil en hoog uit de diepte verhief. Dat gezicht

vervulde hem met verbazing en ontzetting. Hare lange goudgele haren

waren verward en hingen half los, half gevlochten over borst en

schouders neer. Zij stond slechts met éen voet op de rotsvlakte;

de andere, die bedekt was met eene dunne en door de scherpe kanten

van de rots gescheurde sandaal, zweefde in de lucht boven den afgrond.

Ieder oogenblik kon zij in de diepte neerstorten. Zij hield zich

wel met de rechterhand vast aan de uitstekende punt van eene rots

aan hare zijde, maar Paulus zag dat deze zich bewoog en met het blok

daaronder volstrekt niet samenhing. Zoo zweefde zij boven den afgrond

als eene maanzieke, als eene door demonen bezetene waanzinnige, en

daarbij was er zulk eene wilde gloed in hare oogen en ging haar adem

zoo koortsachtig snel, dat Paulus, die haar reeds dicht genaderd was,

onwillekeurig achteruit trad. Hij zag dat hare lippen zich bewogen,

maar hoewel hij niet verstond wat zij zeide, begreep hij toch dat

hare toonlooze woorden hem terugwezen.

Wat zou hij doen? Wanneer hij vooruitging, om door een snellen greep

haar te redden, zou zij, indien deze poging mislukte, reddeloos naar

beneden storten. Liet hij haar begaan, dan zou de steen, waaraan

zij zich vasthield, meer en meer losraken, en zoodra deze viel,

was het ook zeker met haar gedaan. Hij had wel eens gehoord, dat

nachtwandelaars naar beneden vallen, wanneer zij hunne namen hooren

noemen. Dat kwam hem thans voor den geest en hij vermeed daarom

zorgvuldig haar te roepen.

Thans wees de ongelukkige hem andermaal af. Zijn hart hield op te

kloppen, want hare bewegingen waren wild en onstuimig, en hij zag hoe

de steen, haar eenige steun, van zijn plaats schoof. Hij verstond

slechts weinig van al de woorden, die zij hem daarbij toeriep met

eene stem, die gisteren nog zoo welluidend was en heden zoo heesch,

bijna geheel zonder klank; toch hoorde hij den naam van Phoebicius

noemen, en het was wel aan geen twijfel onderhevig, dat zij zich aan

dezen steen boven den afgrond had vastgeklemd, om zich als de steenbok,

wanneer hij ziet dat de jager hem elken uitweg heeft afgesneden, liever

in de diepte te werpen, dan zich aan hare vervolgers gevangen te geven.

Paulus zag in haar noch de onschuldige noch de schoone vrouw, maar

slechts een menschenkind, dat in het uiterste gevaar verkeerde, dat

hij tot elken prijs van den dood moest redden, en de gedachte dat

hij toch niets minder was dan een handlanger, die door haar man was

uitgezonden, legde hem de eerste woorden op de lippen, die hij den

moed had de vertwijfelde toe te spreken. Zij waren eenvoudig genoeg,

maar in den vollen vriendelijken klank lag de kinderlijke liefde

van zijn goed hart, en onwillekeurig gaf de Alexandrijn, die in de

stad der redenaars en wel in de voortreffelijkste school was gevormd,

aan zijne rede eene eigenaardige kleur, door de welluidende diepe en

weeke, uit de borst voortkomende toonen, die hem ten dienste stonden.

"Verheug u, gij arme lieve vrouw," zeide hij. "Ik heb u ter rechtertijd

gevonden. Ik ben Paulus, de beste vriend van Hermas, en hoe gaarne

zou ik u helpen in uwe ellende! U dreigt geen gevaar, want Phoebicius

zoekt u op een verkeerden weg. Gij kunt mij vertrouwen! Niet waar, ik

zie er niet uit als kon ik eene arme verdwaalde vrouw bedriegen? Maar

gij staat daar op eene plaats, waar ik liever mijn vijand zou zien

dan u. Leg uw hand maar gerust in de mijne; zij is wel niet aanvallig

meer, doch sterk en eerlijk.--Zoo is het goed, en gij zult het u nooit

berouwen. Zet uw voet hier neder, en wees voorzichtig, wanneer gij

de rots loslaat. Gij weet niet hoe bedenkelijk deze het harde hoofd

heeft geschud over uwe wonderlijke gerustheid.--Pas op, daar stort uw

steunpunt naar beneden. Hoor hoe de steen neerploft en kraakt: hij is

beneden stellig in duizend stukken gebersten, en ik ben maar blijde,

dat gij ten laatste hebt besloten liever mij dan hem te volgen."

Paulus was onder het spreken dezer woorden naar Sirona toe gegaan,

als een meisje, wier vogeltje uit de kooi is gevlogen, en het diertje

met schroomvallige behoedzaamheid nadert, om het weder te vangen. Hij

had haar zijne rechterhand toegestoken, haar, zoodra hij hare hand

in de zijne voelde, voorzichtig gered uit den vreeselijken toestand,

en naar den veiligen bodem van de hoogvlakte geleid. Zoolang zij

hem gedwee volgde, geleidde hij haar naar den berg, zonder plan of

doel. Hij wilde haar alleen van dien afgrond verwijderen. Bij een

vierkant dioriet-blok vertraagde zij hare schreden, en Paulus, wien

het niet ontgaan was, hoe moeielijk haar het loopen viel, noodigde

haar uit om te gaan zitten. Hij haalde een vlak stuk rots, dat hij

met kleine steenen vastzette, om Sirona een steun te geven voor haar

vermoeiden rug.

Zoodra de Alexandrijn dit werk had volbracht, leunde Sirona tegen den

steen, en er lag aanvankelijk reeds eenig gevoel van welbehagen in de

lichte zucht, die als eerste geluid zich deed hooren van hare lippen,

die sedert hare redding vast gesloten waren.

Paulus lachte haar bemoedigend toe en zeide: "Rust nu wat uit. Ik

zie wel wat u schort. Men kan zich niet ongestraft een geheelen dag

aan de stralen der zon blootstellen."

Sirona knikte toestemmend, wees met den vinger naar haar mond, en

smeekte met moeite en zacht: "Water, wat water!"

Paulus sloeg zich met de hand voor het voorhoofd, en riep driftig:

"Ik breng u dadelijk een frisschen dronk. In weinige oogenblikken

ben ik weder bij u."

Sirona zag hem na, terwijl hij wegvloog. Hare oogen kregen meer

en meer eene starende, glazige uitdrukking, en het was haar, alsof

de steen waarop zij zat zich veranderde in het schip, dat haar van

Massilia naar Ostia had overgebracht. Zij gevoelde thans andermaal

elke slingering van het vaartuig, die haar op de onstuimige golven

had doen duizelen. Eindelijk scheen het haar toe dat het schip in

een maalstroom was geraakt, en al sneller en sneller in een cirkel

ronddraaide. Zij sloot de oogen en greep te vergeefs in de lucht naar

een steun. Haar hoofd viel machteloos op zijde, en eer haar wang met

haar schouder in aanraking kwam, liet zij een zachten klaagtoon hooren;

want het was haar als geraakten alle leden van haar lichaam los, gelijk

de bladeren in den herfst van de takken vallen. Zij zonk bewusteloos

achterover tegen den steen, die Paulus voor haar had opgericht.

Het was voor het eerst dat Sirona, overigens volmaakt gezond naar

lichaam en geest, in onmacht viel. Maar zelfs de sterkste onder hare

zusters zou bezweken zijn onder de aandoeningen, de inspanning, de

ontberingen en het lijden, die deze dag over de schoone ongelukkige

had gebracht. Eerst was zij zonder een bepaald doel in den nacht

den berg opgevlogen. De maan bescheen haren weg, en wel een uur lang

klom zij zonder te rusten. Toen hoorde zij de stem van wandelaars,

die haar te gemoet kwamen. Zij verliet den straatweg en trachtte

zich daarvan zoover mogelijk te verwijderen, want zij vreesde dat

haar hazenwindje, dat zij telkens weder op den arm nam, wanneer zij

het hoorde kermen en zag hinken, haar door zijn geblaf verraden zou.

Ten laatste had zij zich op een steen neergezet en zich voor den

geest gebracht, wat er in de laatste uren met haar gebeurd was, en wat

haar verder te doen zou staan. Zij verstond voortreffelijk de kunst

om over het verledene te droomen en schitterende luchtkasteelen te

bouwen. Daarentegen kostte het haar moeite verstandig te overleggen en

ernstig na te denken. Een ding was haar volmaakt duidelijk. Zij wilde

liever verhongeren en versmachten, liever schande en ellende dragen,

ja zelfs den dood ondergaan, dan tot haren echtgenoot terugkeeren. Zij

wist dat zij van Phoebicius niets anders dan mishandeling, hoon en

opsluiting in een afzichtelijk donker vertrek te verwachten had;

maar dat alles scheen haar gemakkelijker te dragen dan de teederheid,

waarmede hij haar nu en dan naderde. Wanneer zij daaraan dacht, voer

haar eene koude rilling door de leden, klemde zij de witte tanden op

elkander, balde zij de kleine handen zoo stevig, dat de nagels harer

vingers in het vleesch drongen.

Maar wat zou zij doen? Wanneer Hermas haar eens tegenkwam?--Doch welke

hulp kon zij van hem verwachten! Wat was hij anders dan een baardelooze

knaap, en de gedachte haar leven ook slechts voor enkele dagen aan

het zijne te verbinden, scheen haar onzinnig en belachelijk. Zij was

wel is waar in genen deele geneigd berouw te gevoelen en zichzelve te

beschuldigen; doch het was toch een dwaasheid van haar geweest, dat

zij hem in huis had geroepen om met hem te spelen. Daarbij dacht zij

aan de harde straf die zij ontvangen had, toen zij als kind, zonder te

weten dat zij kwaad deed, het wateruurwerk van haar vader uit elkander

had genomen en bedorven. Zij gevoelde dat zij veel verstandiger was dan

Hermas, en haar toestand was te ernstig geworden, dan dat zij lust kon

gevoelen nog eens te spelen. Zij dacht wel aan Petrus en Dorothea, maar

bij deze kon zij alleen komen wanneer zij naar de oase terugkeerde,

en zij had alle grond om te vreezen, dat Phoebicius haar ontdekken zou.

Als Polycarpus haar thans eens mocht tegenkomen op zijn terugkeer

van Raïthoe! Maar de weg dien zij verlaten had leidde toch zeker niet

daarheen, maar naar de poort, die meer in het Zuiden was gelegen. Zij

wist dat de zoon van den senator haar welgezind was, want niemand

had haar ooit met zoo innig welgevallen en met zulk een hartelijke

vriendelijkheid in de oogen gezien. Hij was ook geen onervaren knaap,

maar een recht ernstig man, wiens degelijkheid haar nu in een gansch

ander licht verscheen dan voorheen. Hoe gaarne had zij zich thans

aan Polycarpus' steun en leiding overgegeven! Doch hoe zou zij hem

bereiken? Neen, ook van hem had zij niets te wachten. Zij moest zich

op eigene kracht verlaten en besloot, terwijl het morgenrood reeds

was geweken voor het opgaan der zon aan een wolkenloozen hemel, zich

gedurende den dag op den berg schuil te houden, en tegen het aanbreken

van den nacht af te dalen naar de zee, ten einde te beproeven met

een bootje van den een of anderen schipper naar Klysma en van daar

naar Alexandrië te ontkomen.

Zij droeg een ring aan den vinger met een sierlijk gesneden onyx,

keurige oorhangers en een gouden armband aan den linker arm. Dit

sieraad was van gedegen goud, en bovendien bezat zij, behalve eenig

zilvergeld, een groot gouden muntstuk, dat haar vader haar, vóor zij

naar Rome vertrok, als teerpenning van zijne armoede had geschonken,

en dat zij tot hiertoe uiterst zorgvuldig had bewaard, alsof het

een talisman was. Zij bracht thans dit in een stukje linnen genaaid

aandenken aan hare lippen, en dacht aan haar ouderlijk huis en hare

broertjes en zusjes.

De zon steeg intusschen al hooger en hooger. Zij dwaalde van rots

tot rots, om een schaduwrijk plekje en eene bron te zoeken. Doch

zij vond geen water, en toch kwelde haar een hevige dorst en een

onuitstaanbare honger. Tegen den middag verdween ook de schaduwstreep,

waarin zij beschutting had gezocht voor de stralen der zon, die nu

onmeedoogend op haren onbedekten schedel brandde. Haar voorhoofd en

haar nek begonnen hevig pijn te doen, en zij ontvlood de verzengende

lichtstralen als een soldaat de pijlen van zijn vervolger. Achter

de rotsen, die de hoogvlakten omzoomden, waar Paulus haar aantrof,

vond zij eindelijk geheel uitgeput eene half beschaduwde rustplaats.

Het hazenwindje ademde reutelend in haar schoot en stak het gebroken

pootje naar haar uit. Reeds in den morgen, op de eerste plaats waar

zij ruste, had zij dat pootje zorgvuldig verbonden met een stuk

doek, dat zij met behulp van hare tanden van haar onderkleed had

afgescheurd. Thans legde zij een nieuw verband, wiegde het diertje

in hare armen en liefkoosde het als een klein kind. De hond was even

ellendig en lijdend als zij, en tegelijk het eenige wezen waarvoor

zij, ondanks hare hulpeloosheid, iets zijn en waaraan zij iets doen

kon. Maar weldra ontzonk haar ook de kracht om liefkozende woordjes

te spreken en het diertje met de hand te streelen.

Het hondje gleed van haar schoot en hinkte weg, terwijl zij

onbewegelijk voor zich bleef staren, om eindelijk in eene onrustige

sluimering haar lijden te vergeten, tot Jambe's geblaf en de schreden

van den Alexandrijn haar wekten. Half versmacht en met verdroogde tong,

terwijl haar voorhoofd, waarin allerlei verwarde denkbeelden dooreen

joegen, gloeide, meende zij dat Phoebicius haar spoor had gevonden

en nu verscheen om haar te grijpen. Zij had reeds lang den afgrond

gezien, aan welks rand zij was gevlucht, vast besloten zich liever

in de diepte te werpen, dan zich aan hem over te geven.

Paulus had haar van dien val in de diepte gered, doch toen hij nu met

twee platte steenen, in welker een weinig gebogene oppervlakten zich

frisch, zoo even geschept water bevond, en die hij, op zijne teenen

gaande, met moeite in evenwicht hield, tot de Gallische terugkeerde,

meende hij dat de onverbiddelijke dood toch het offer, dat hij hem

ontwrongen had, al te snel had teruggeëischt. Immers Sirona's hoofd

hing machteloos op haar borst, haar aangezicht was naar haar schoot

gekeerd, maar daar, waar zich om haar achterhoofd het dichte haar

in twee vlechten verdeelde, bemerkte Paulus op de blanke hals van

de onmachtige een roode vlek, die veroorzaakt moest zijn door het

branden der zon.

Zijne ziel was vol medelijden met dat jonge, schoone, ongelukkige

schepsel, en terwijl hij haar bij de kin vatte, die op de borst

was neergezonken, haar bleek gezicht oprichtte, haar voorhoofd en

hare lippen met water bevochtigde, bad hij in stilte, dat zij in

het leven mocht blijven. De vlakke holten van zijne steenen, die

hij als nappen gebruikte, konden maar eene zeer kleine hoeveelheid

verfrisschend water bevatten; hij was dus gedwongen meermalen naar

de bron terug te keeren. Terwijl hij zich verwijderde bleef het

hondje bij zijne meesteres, om nu eens hare handen te lekken dan

weder met zijn verstandig neusje haar mond te naderen, en haar zoo

angstig onderzoekend aan te zien, als wilde hij tot zekerheid komen,

hoe het haar ging.

Toen Paulus voor het eerst voor Sirona water ging scheppen had

hij den hond bij de bron gevonden en bij zichzelven gedacht: "Dat

redelooze dier heeft de bron zonder gids ontdekt, terwijl zijne

meesteres schier versmacht is. Wie zijn nu slimmer, wij menschen, of

de dieren?" Het hondje deed van zijne zijde zijn best om deze goede

meening niet te logenstraffen, want terwijl het hem in den beginne

vijandig had aangeblaft, toonde het zich nu vriendelijk jegens hem,

en keek hem van tijd tot tijd in het gezicht, als wilde het vragen:

"Hebt ge hoop dat zij weer beter zal worden?"

Paulus was een vriend van dieren en begreep den hond. Toen Sirona's

lippen zich weder begonnen te bewegen en te kleuren, streelde hij

Jambe's glad, spits kopje en zeide, terwijl hij met een gebogen blad

vol water den mond zijner meesteres naderde: "Let op, mijne kleine,

hoe het haar begint te smaken!--Nog wat, en ook dat en dit nog! Zij

trekt een gezicht als gaf ik haar zoeten Falerner. Kom, ik ga den

steen weder vullen. Blijf gij nu bij haar! Ik ben dadelijk terug, en

eer ik wederkom zal zij hare oogen wel openen. Gij ziet er sierlijker

uit dan ik met mijne stoppelige grauwe baard, en als zij wakker wordt

zal het haar aangenamer zijn u te vinden dan mij."

De voorspelling van Paulus werd vervuld, want toen hij Sirona weder

met het water naderde, zat zij overeind, wreef zij de wijdgeopende

oogen uit, rekte zij hare leden, omhelsde het hondje met beide armen,

om daarna uit te barsten in een vloed van tranen.

De Alexandrijn bleef met het water roerloos ter zijde staan, om

haar niet te storen, en dacht: "Met deze tranen wascht zij hare

ziel voor een goed deel schoon van het lijden."--Eerst toen zij

wat tot bedaren kwam en de oogen begon te drogen, naderde hij haar,

overhandigde haar den steen, waarmede hij geschept had, en sprak hij

haar vriendelijk toe.

Zij dronk met hartstochtelijk welgevallen, at het in het water

gedoopte stuk brood, het laatste dat hij in den zak van zijn

kleed had gevonden, en dankte hem met de haar eigene kinderlijke

vriendelijkheid. Vervolgens beproefde zij op te staan, en liet zich

daarbij gewillig door hem ondersteunen. Zij gevoelde zich wel mat,

haar hoofd deed pijn, maar zij kon toch staan en gaan.

Nadat Paulus zich ook overtuigd had, dat zij zonder koorts was, zeide

hij: "Nu ontbreekt u voor heden niets anders dan een warm gerecht en

een bed, dat u beschut tegen de koelte van den nacht. Voor beiden zal

ik zorgen. Zet u hier neder! De rotsen werpen reeds langer schaduwen:

ik keer terug eer de zon achter de bergen verdwijnt. Laat u, terwijl

ik weg ben, den tijd verdrijven door uw vierbeenigen metgezel."

Met haastige schreden ijlde hij weder naar de bron, in welker nabijheid

zich het verlaten Anachoreten-hol bevond, dat hij zich voorgenomen

had te betrekken in plaats van zijne oude woning. Na een oogenblik

gezocht te hebben, vond hij het, en daarin tot zijne niet geringe

vreugde een goed onderhouden legerstede van gedroogde kruiden, die hij

dadelijk omschudde en op nieuw terecht legde, verder een vuurhaard en

een vuurboor, een waterkruik en in een soort van kelderruimte, die

zijn geoefend oog spoedig ontdekte, hoewel de ingang zorgvuldig met

steenen was bedekt, een aantal ongezuurde brooden, en ten slotte nog

eenige potten. In den eenen lagen goede dadels, in den anderen blank

meel, een derde was half gevuld met sesam-olie en een vierde met zout.

"Welk een geluk," prevelde de Anachoreet in zichzelven, terwijl hij

het hol verliet, "dat die gestorven oude zoo'n slemper is geweest!"

Toen hij tot Sirona terugkeerde, was de zon aan de westerkim

gedaald. Er lag iets in het wezen van Paulus, dat het ieder onmogelijk

maakte hem te wantrouwen, en de Gallische was gaarne bereid hem te

volgen. Maar zij gevoelde zich zoo zwak, dat zij ter nauwernood zich

op de been kon houden. "Het is mij," zeide zij, "alsof ik een klein

kind ben, dat pas moet leeren loopen."

"Laat mij dan uw voedster zijn. Ik heb eens eene Spartaansche baker

gekend, die een baard had bijna even zoo ruw als den mijnen. Leun

gerust op mij, en loop eenige malen met mij hier op de vlakte op en

neer, eer wij daar naar boven stijgen."

Zij vatte zijn arm en langzaam ging hij met haar heen en weer. Daarbij

doken tafereelen uit zijne jeugd in zijne herinnering op. Hij dacht

aan den dag, toen het zijne van eene zware krankheid herstelde zuster

voor de eerste maal vergund werd weder buiten te komen. Zij was op zijn

arm geleund naar de gaanderij van het ouderlijk huis gegaan, en toen

hij nu met de arme, matte, verlatene Sirona op en neder wandelde, nam

zijne verwaarloosde gestalte hoe langer hoe meer de voorname houding

van een edelen Griek aan, en in plaats van op den ruwen rotsgrond,

meende hij op den schoone mozaïek-bodem van het ouderlijk huis te

wandelen. Paulus was weder Menander, en ofschoon de eerste, zoo als

hij zich thans voordeed, bitter weinig deed denken aan den laatste,

dien hij in zich gedood had, zoo vervulde den verachten kluizenaar

met de uitgeworpen zondares aan zijn arm, toch hetzelfde trotsche

gevoel van eene vrouw tot steun te zijn, dat de voornaamste jongeling

der wereldstad had gevoeld, toen hij de dochter, om welker bezit hij

zich zooveel moeite had gegeven, voorbij de jubelende menigte slaven

van haar vader had weggeleid.

Sirona moest Paulus herinneren dat de nacht begon te vallen,

en verschrikte, toen de Anachoreet haar arm met onvriendelijke

driftigheid uit de zijne verwijderde, en haar met zekere ruwheid,

die zij nog niet in hem had opgemerkt, gebood hem te volgen.

Zij gehoorzaamde en werd door hem, zoo vaak men over rotsen moest

klimmen, ondersteund en opgeheven; doch hij sprak nog slechts alleen,

wanneer zij hem vroeg. Toen zij het doel hunner reis bereikt hadden,

wees hij haar de legerstede en verzocht haar wakker te blijven,

totdat hij een warm maal voor haar zou hebben gereed gemaakt. Wat

later bracht hij haar zwijgend het eenvoudig avondmaal en wenschte

haar goeden nacht, zoodra zij het had aangenomen.

Sirona deelde het brood en de gezouten meelbrei met haar hondje,

legde zich vervolgens op het bed neder en zonk dadelijk in een

diepen slaap, zonder te droomen, terwijl Paulus naast den vuurhaard

in zittende houding den nacht doorbracht. Hij deed al zijn best

den slaap door gebeden te verbannen, maar dikwijls overviel hem de

vermoeidheid, en meermalen moest hij aan de Gallische denken, en aan

allerlei dingen die hij, als hij nog de rijke Menander was geweest,

in Alexandrië voor haar genoegen zou hebben gekocht. Hij bracht geen

enkel gebed ten einde, want òf de oogen vielen hem toe voor hij het

'amen' had uitgesproken, òf allerlei wereldsche beelden drongen zich

aan hem op en noodzaakten hem, wanneer het hem gelukt was ze van zich

te zetten, van voren af te beginnen. In dezen half slapenden, half

wakenden toestand, kon hij geen oogenblik tot nadenken of rustige

overweging komen, ook niet wanneer hij opzag naar den sterrenhemel,

of neerzag op de oase, die rustte onder den sluier van den nacht,

ofschoon ook daar menigeen, evenals hijzelf, de rust vruchteloos zocht.

Wie van de burgers van het vlek mocht wel waken bij het licht, dat

hij daar beneden buitengewoon helder zag flikkeren, tot hij zelf,

door vermoeidheid overmand, in slaap viel?

Homo sum: Roman · 第 19 / 30 题