De baan van elke ster is vast bepaald en scherp afgeteekend;
iedere plant draagt bloesems en vruchten, in vorm en kleur geheel
overeenkomstig haar geslacht; dieren van dezelfde soort blijven in de
grondtrekken van hun aanleg en hunne neigingen, in hunne uiterlijke
zoowel als innerlijke bewegingen geheel aan elkander gelijk, en de
jager, die de herten in de bosschen van zijn vaderland kent, zal in
alle wouden der aarde weten, hoe eene ree zich in ieder bijzonder
geval houden zal. Naarmate eene soort er meer op is aangelegd, om
de verschillende individuën zich in grooter verscheidenheid te doen
ontwikkelen, naar die mate zal zij ook eene hoogere plaats innemen in
de ontwikkelingsgeschiedenis der schepping. En daarom is het juist die
oneindige verscheidenheid van het inwendig leven en zijne openbaringen,
die het menschelijk geslacht de eerste plaats aanwijst onder alle
bezielde wezens. Enkele onzer eigenschappen en werkzaamheden kunnen
de dieren ons ook symbolisch doen aanschouwen. Zoo vindt de moed zijn
symbool in het beeld van den leeuw, de zachtmoedigheid in dat van de
duif. Maar het volmaakt menschenbeeld is voor duizenden geslachten
voldoende geweest, en zal voor duizenden voldoende zijn, waar het geldt
de godheid onze zinnelijke voorstelling nader te brengen. Waarlijk,
evenals wij de zichtbare wereld met ons verstand kunnen omvatten, even
zeker is het ons gegeven God in ons, dat is in ons gemoed te hebben.
Alle eigenschappen van alle eindige dingen vindt men bij den mensch
weder, en geene eigenschap, die wij den Allerhoogste toekennen, is
vreemd aan onze ziel, die ook oneindig en eeuwig is, daar zij bij
elk onderzoek haar voelhoornen vermag uit te breiden tot de uiterste
grenzen van ruimte en tijd. Daarom zijn ook de wegen, die voor de
ziel openstaan, even talloos als voor de godheid. Dikwijls schijnen ze
zonderbaar te zijn, maar het blijft voor den ingewijde niet verborgen,
dat ook hunne baan aan vaste wetten onderworpen is, en dat ook elke,
zelfs de meest ongewone uiting van het zieleleven tot oorzaken is
terug te brengen, die deze en ook deze alleen konden uitwerken.
Slagen doen pijn, schande bezwaart en eene onrechtvaardige straf
verbittert het gemoed; doch de ziel van Paulus had een uitweg gezocht
en gevonden, waarbij deze eenvoudige stellingen niet van toepassing
waren. Hij was mishandeld, beschimpt en vóor hij de oase verliet
geheel onschuldig tot de zwaarste boete veroordeeld. De bisschop
Agapitus had hem, zoodra hij van Petrus had vernomen wat in zijn
huis was voorgevallen, tot zich geroepen, en hem, toen hij op zijne
aanklacht niets antwoordde, uit zijne kudde, waartoe ook de Anachoreten
behoorden, gestooten, hem verboden op de werkdagen de kerk te bezoeken,
en verklaard, dat hij dit oordeel aan de verzamelde gemeente zou
kenbaar maken.
En hoe werkte dit alles op Paulus, toen hij in de gloeiende
middaghitte, eenzaam en geschandvlekt den berg besteeg?
Een visscher uit het zeedorp Pharan, die den Anachoreet halverwege
tegenkwam, dacht bij zichzelven, terwijl hij een groet met hem wisselde
en hem nastaarde: "Die lange grauwbaard ziet er zoo vroolijk uit, alsof
hij een schat heeft gevonden." De man wandelde vervolgens met zijne
geschubde waren verder het dal in, en hem kwam het gelaat van zijn zoon
voor den geest toen diens vrouw hem het eerste zoontje had geschonken.
Bij den wachttoren aan den kant van den korteren heerweg waren eenige
Anachoreten bezig steenen op te stapelen. Zij wisten reeds welk oordeel
Agapitus over den zondaar Paulus had uitgesproken, en groetten hem
niet. Hij merkte het wel op en zweeg; toen zij hem echter niet meer
zien konden, glimlachte hij in zichzelven en prevelde, terwijl hij
met de hand eene der striemen wreef, die de zweep van den centurio op
zijn rug had achtergelaten: "Wanneer die daar denken, dat zulk een
Gallisch pak slagen zeer goed smaakt, dan dwalen zij. Maar ik geef
het toch niet weg voor een zak wijn van Anthylla. Wanneer zij eens
wisten dat ieder hunner ten minste éen van al de striemen toekomt,
die mij hier pijn doen, hoe zouden zij zich verwonderen! Doch geen
hoogmoed! Hoe hebben zij u, mijn Jezus, gegeeseld, en wie ben ik, en
hoe verschoonend zijn zij met mij te werk gegaan, nu ik ook eens voor
anderen mijn rug ontblootte! Er is geen druppel bloed gevloeid. Ik
wenschte wel dat die oude knorrepot wat steviger had geslagen!"
Vroolijk ging hij verder, en hem kwamen de woorden van den centurio
voor den geest, namelijk dat hij hem, indien hij dat verkoos, als
een worm vertreden zou. Wederom moest hij glimlachen, want hij was
zich bewust dat hij tienmaal zoo sterk was als die krijgsman, en
gedacht hoe hij eens den pocher Argesilaus van Cyrene, en zijn neef,
den langen Xenophanes, behendig in het zand van de palaestra had
geworpen. Vervolgens dacht hij aan Hermas, aan diens lieve gestorvene
moeder, aan zijn vader en--dat was wel het beste--aan het groot
verdriet, dat den ouden man door zijne tusschenkomst bespaard bleef.
Hij vond op zijn weg een plantje met roodachtige bloempjes. Sedert
jaren had hij naar geene bloemen omgezien, of gewenscht ze te
bezitten. Heden boog hij zich voorover, om dit vriendelijk sieraad
van de rots te plukken. Maar hij voerde zijn voornemen niet uit, want
eer zijne hand het bereikte dacht hij: "Aan wien zou ik dit bloempje
geven? Die bloemen verblijden zich misschien op hunne worteltjes in het
licht en in hun rustig leven. Hoe klemmen ze zich aan den rotssteen
vast! Verder van den weg bloeien wellicht nog fraaiere, die geen oog
ooit ziet. Als die zich tooien, dan doen zij het slechts voor hun
schepper, en omdat zij zich over zichzelven verheugen. Ik trek mij
thans ook terug van de paden, waarop de menschen zich bewegen. Laten
ze mij lasteren! Als ik maar met mijzelven en mijn God in vrede
leef, dan vraag ik naar niemand. Wie zich vernedert--ja, wie zich
vernedert.... Gewis, ook mijne ure zal slaan! Daar boven vind ik ze
allen weder: Petrus en Dorothea, Agapitus en de broeders, die mij
thans niet welkom willen heeten. En als dan mijn Jezus mij wenkt,
dan zullen zij zien wie ik ben, en naar mij toevliegen, en mij dubbel
vriendelijk begroeten."
Trotsch en gelukkig zag hij er uit, terwijl hij zoo dacht, en zich
de vreugde van het paradijs, waarop hij zich heden een zeker recht
meende verworven te hebben, verder voorspiegelde. Nooit deed hij
zulke haastige en lange stappen, dan wanneer hij zich zoo als nu,
aan dergelijke overpeinzingen overgaf, en toen hij bij de spelonk van
Stephanus was aangekomen, dacht hij dat de weg van de oase naar de
hoogte heden veel korter was geweest dan anders. Hij vond den kranke
in groote bezorgdheid, want hij had tot hiertoe zijn zoon te vergeefs
gewacht en gevreesd dat hij zou verongelukt zijn, of hem zou verlaten
hebben om de wereld in te vluchten.
Paulus bracht hem met vriendelijke woorden tot rust, terwijl hij hem
vertelde, met welk een last hij Hermas naar den anderen oever van de
zee had gezonden.
Wij zijn nooit meer geneigd, om ons eene slechte boodschap te laten
welgevallen, dan wanneer wij eene nog ergere verwacht hadden, daarom
luisterde Stephanus rustig en met instemming naar zijn vriend. Hij
kon het zich niet meer verheelen, dat Hermas niet rijp was voor het
leven van een Anachoreet, en sedert hij wist dat zijne ongelukkige
vrouw, die hij lang verloren had geacht, als eene christin gestorven
was, kon hij zich gemakkelijk vertrouwd maken met de gedachte, zijn
zoon de wereld te laten ingaan. Het was zijn streven geweest door
het boetvaardig leven van zich en zijn zoon Glycera's ziel van de
verdoemenis te redden, thans wist hij echter dat zij zichzelve het
recht op den hemel had verworven.
"Wanneer zal hij terugkeeren?" vroeg hij aan Paulus.
"Binnen vijf of zes dagen," antwoordde deze. "De visscher Ali, dien ik
eens een doorn uit den voet heb getrokken, verhaalde mij in het geheim,
toen ik gisteren naar de kerk ging, dat de Blemmyers zich achter
de zwavelbergen verzamelden. Als zij zich teruggetrokken hebben,
zal het hoog tijd worden Hermas vrijheid te geven naar Alexandrië
te gaan. Mijn broeder leeft nog, en zal hem om mijnentwil als een
bloedverwant ontvangen; want ook deze is gedoopt."
"Hij kan dan de catechetenschool in de hoofdstad bezoeken, en wanneer
hij.... wanneer hij...."
"Dat zal wel terecht komen," hernam Paulus, hem in de rede
vallende. "Allereerst komt het er op aan hem van hier te laten gaan,
om hem zijn weg te doen zoeken. Gij denkt dat er in den hemel een
eerezaal is voor den zoodanigen, die nooit struikelden, en onder deze
zoudt gij Hermas gaarne opgenomen zien. Dat doet mij denken aan een
arts in Corinthe, die zich beroemde dat hij geschikter was dan alle
zijne ambtgenooten, want hij had nog geen enkelen zieke verloren. En
de man had gelijk, want geen mensch of beest had zich ooit aan zijne
handen durven toevertrouwen. Laat Hermas zijne jeugdige krachten
beproeven, en wanneer hij geen priester wordt, maar een dapper
krijgsman als zijne voorvaderen, dan kan hij toch ook als zoodanig
zijn God eerlijk dienen. Maar we hebben nog den tijd eer het zoover
is.--Zoolang hij afwezig is, zal ik in uwe verpleging voorzien. Gij
hebt, gelijk ik zie, nog water in de kruik."
"Deze werd reeds tweemaal voor mij gevuld," antwoordde de oude man. "De
bruine herderin, die zoo vaak de geiten drenkt aan onze bron, kwam
eerst in de vroegte en daarna nauwelijks een uur geleden bij mij. Zij
vroeg naar Hermas en bood zich daarop zelve aan om water voor mij
te scheppen, zoolang hij afwezig zou zijn. Zij is zoo schuw als een
vogel en vloog naar boven, nadat zij de kruik hier neder had gezet."
"Zij behoort aan Petrus, en zal hare geiten niet lang alleen durven
laten," zeide Paulus. "Nu ga ik heen om wat wortelen voor u te zoeken
als toespijs. Met den wijn zal het vooreerst wel uit zijn.--Zie mij
eens goed aan! Voor welk groot zondaar houdt gij mij wel? Denk u
maar het ergste van mij, en toch zult gij wellicht nog erger dingen
hooren.--Doch daar komen twee mannen. Wacht! De eene is Hilarion,
een der acolythen van den bisschop, en de ander Pachomius uit Memphis,
die zich eerst onlangs op den berg heeft neergezet. Zij komen hierheen
en de Egyptenaar draagt een kruikje. Ik zou wel willen dat het weder
wijn bevatte tot uwe versterking."
De beide vrienden zouden niet lang in het onzekere blijven omtrent het
doel der naderenden. Beiden keerden, nadat zij het hol van Stephanus
bereikt hadden, Paulus met merkbare bedoeling den rug toe. Ja, de
acolyth sloeg voor hem een kruis over het voorhoofd, als hield hij
het voor noodig zich tegen booze invloeden te vrijwaren.
De Alexandrijn begreep hem, trad terug en zweeg, toen Hilarion den
kranken Stephanus in naam van den bisschop mededeelde, dat Paulus
schuldig was aan zeer zware zonden, en dat hij als een schurft
schaap van het verkeer met de kudde van den bisschop, en alzoo van
de verpleging van een vroom christen moest uitgesloten blijven,
tot hij volledig boete zou hebben gedaan. "Wij weten, door Petrus,"
zoo eindigde hij zijne rede, "dat uw zoon, mijn vader, over zee is
gezonden; daar gij echter verpleging noodig hebt, zoo zendt Agapitus
u door mij zijn zegen en wijn ter versterking. Deze jongeling zal
bij u blijven en u van het noodige voorzien tot Hermas terugkeert."
Daarop overhandigde hij de kruik met wijn aan den ouden man, die
verstomd en bewogen nu eens hem, dan weder Paulus aanzag.
Het hart van den laatsten brak, toen zich de dienaar van den bisschop
andermaal tot hem richtte, en hem een teeken gaf zich te verwijderen,
terwijl hij uitriep: "weg van hier!"
Hoevele vriendschappelijke banden, hoevele volgaarne bewezene en
dankbaar aangenomene diensten vernietigde dat bevel! Maar Paulus
gehoorzaamde onverwijld en ging den kranke voorbij. Hunne blikken
ontmoetten elkander, en beiden merkten zij op, dat er tranen welden
in het oog van den vriend.
"Paulus!" riep de kranke, terwijl hij den heengaande, wien hij zoo
gaarne elke schuld vergaf, beide handen toestak. Doch de Alexandrijn
sloeg zijne hand niet in de zijne, maar hij wendde zich af en
steeg, in eene richting waar geen gebaande weg was, zonder om te
zien haastig den berg op. Daarna daalde hij weder af naar het dal,
altijd voortgaande tot hem de steile helling van den hollen weg, die
aan de zuidzijde van den berg naar de oase leidt, gebood stil te staan.
De zon stond nog hoog en het was gloeiend heet. Druipnat van zweet
en geheel buiten adem, leunde hij met den rug tegen den gloeienden
porfierwand, bedekte zijn gelaat met de handen, en trachtte tot
zichzelven te komen, te denken en te bidden. Maar lang te vergeefs,
want in plaats van vreugde te gevoelen over het leed, dat hij
vrijwillig op zich genomen had, pijnigde de ellende der eenzaamheid
zijne ziel, en in zijn binnenste weerklonk de klagende roepstem van
den oude als eene vermaning, en deed hem twijfelend vragen of zijn
daad wel goed was, waardoor hij toch de besten en reinsten bedrogen en
gedrongen had onrechtvaardig jegens hem te handelen. Zijn hart kromp
ineen van angst en pijn, doch toen hij zich eindelijk weder bewust
werd, hoezeer hij leed naar lichaam en ziel, begon hij opnieuw moed te
scheppen; en er speelde zelfs een glimlach om zijne lippen, toen hij
in zichzelven prevelde: "Goed zoo, goed zoo; hoe meer het wee doet,
des te zekerder vind ik genade.--En dan! als de oude man van Hermas
had moeten beleven, wat hij van mij moest hooren, gerechte hemel,
ik geloof dat het zeker zijn dood geweest zou zijn! Toch zou ik wel
willen dat het zonder dat.... dat--het is nu eenmaal zoo--zonder dat
bedrog had kunnen geschieden. Ik ben reeds als heiden een voorstander
van waarheid geweest, en heb den leugen in mijzelven en anderen zoo
diep verfoeid, als vader Abraham een moord; hoewel ook deze zijn Izaäk
ter slachting voerde, wijl de Heer het hem gebood. En Mozes, toen hij
den opzichter versloeg, en Elias, en Debora, en Judith?! Ik heb niet
veel minder op mij genomen dan zij, en mijn leugen zal mij wel vergeven
worden, gelijk het hun niet is toegerekend dat zij bloed vergoten."
Zulke overpeinzingen gaven aan Paulus' ziel het verloren evenwicht
terug, en deden hem berusten in zijne daad. Hij begon te overwegen, of
hij in zijn voormalig hol en in de nabijheid van Stephanus terugkeeren,
of naar eene andere woning omzien zou. Hij besloot tot het laatste;
doch vóor alle dingen moest hij frisch water en eenig voedsel opzoeken,
want zijn mond en zijne tong waren geheel verdroogd. Dieper in het
dal ontsprong eene bron, die hij wel kende, en in hare nabijheid
groeiden velerlei kruiden en wortels, waarmede hij meermalen zijn
honger gestild had. Een tijdlang volgde hij de helling aan zijn
voet; vervolgens wendde hij zich links en kwam op een tafelvormige
hoogvlakte, die uit de kloof gemakkelijk te bereiken was, en naar
de zijde van de oase in eene vele vademen diepe loodrechte steilte
uitliep. Tusschen die vlakte en den hoogsten bergtop verhieven zich
talrijke op zichzelf staande klippen, als een legerkamp met tenten
van graniet, als eene zee, die terwijl de golven zich op het hoogst
verhieven, tot hard porfier was versteend. Achter die blokken nu
vloeide de bron, die hij na eenige oogenblikken zoekens vond.
Na zich verkwikt te hebben begaf hij zich naar de hoogvlakte terug,
opnieuw versterkt in zijn voornemen, om ook het zwaarste geduldig
te dragen. Van den rand der steilte zag hij naar beneden in het wijd
uitgestrekt woestijndal aan zijne voeten, op welks laagsten bodem de
oase met hare palmboschjes en tamariskenstruiken, als eene krans op
een grafsteen, zich in scherpe groene omtrekken afteekende. De wit
gepleisterde daken der huizen van het vlek Pharan kwamen helder uit
de takken en het loof te voorschijn. Boven alle stak de nieuwe kerk
uit, waarvan de toegang thans voor hem gesloten was. Een oogenblik
sneed de gedachte hem pijnlijk door de ziel, dat hij uitgesloten
was van de godsdienstoefening der gemeente, van het avondmaal en het
gemeenschappelijk gebed; maar dan vroeg hij zich weer af, of dan niet
ieder rotsblok hier op de bergen een altaar moest heeten; of de blauwe
hemel boven zijn hoofd niet duizendmaal grooter en heerlijker was,
als het stoutste koepeldak door menschenhanden gebouwd, het kolossaal
gewelf van het Serapeum te Alexandrië niet uitgenomen; en hij dacht
aan het 'Amen' van de steenen, dat vernomen was na de prediking van
den blinde.
Toen hij met het hoofd fier opgericht naar de rotswand toeging aan de
zijde der helling, om een hol op te zoeken, dat ledig was, sedert de
grijsaard die het bewoonde eenige weken geleden gestorven was, dacht
hij; "Waarlijk, het komt mij nu voor als werd ik niet nedergedrukt
maar opgeheven door den last mijner schande. Hier tenminste behoef
ik de oogen niet neer te slaan. Want hier ben ik met mijn God alleen,
en voor hem behoef ik mij, naar ik meen toch niet te schamen."
Met zulke gedachten vervuld wrong hij zich door de ruimte tusschen
twee reusachtige porfierblokken, doch weldra bleef hij staan, want in
zijne onmiddellijke nabijheid liet zich het geblaf van een hond hooren,
en eenige oogenblikken later vloog een hazenwindje op hem toe, dat
zijn met een gekleurde lap omwikkeld pootje voorzichtig omhoog hield,
en hem nu eens grimmig aanblafte dan weder schuchter terugweek. Paulus
herinnerde zich de vraag, die Phoebicius betreffende zulk een hondje
tot den Amalekiet Talib had gericht, en vermoedde terstond, dat de
gevluchte Gallische niet ver verwijderd kon zijn. Zijn hart begon
sneller te kloppen, en ofschoon hij zoo dadelijk niet wist, hoe
hij de vrouw, die haren plicht zoozeer had vergeten, ontvangen zou,
gevoelde hij zich toch innerlijk gedrongen haar op te zoeken.
Onverwijld volgde hij de richting, uit welke het hondje tot hem was
gekomen, weldra zag hij een licht gewaad achter de eerste en vervolgens
achter de tweede en derde rots verdwijnen. Eindelijk bereikte hij
de vluchtende. Zij stond vlak aan den rand van den afgrond, tegen
een rots die zich steil en hoog uit de diepte verhief. Dat gezicht
vervulde hem met verbazing en ontzetting. Hare lange goudgele haren
waren verward en hingen half los, half gevlochten over borst en
schouders neer. Zij stond slechts met éen voet op de rotsvlakte;
de andere, die bedekt was met eene dunne en door de scherpe kanten
van de rots gescheurde sandaal, zweefde in de lucht boven den afgrond.
Ieder oogenblik kon zij in de diepte neerstorten. Zij hield zich
wel met de rechterhand vast aan de uitstekende punt van eene rots
aan hare zijde, maar Paulus zag dat deze zich bewoog en met het blok
daaronder volstrekt niet samenhing. Zoo zweefde zij boven den afgrond
als eene maanzieke, als eene door demonen bezetene waanzinnige, en
daarbij was er zulk eene wilde gloed in hare oogen en ging haar adem
zoo koortsachtig snel, dat Paulus, die haar reeds dicht genaderd was,
onwillekeurig achteruit trad. Hij zag dat hare lippen zich bewogen,
maar hoewel hij niet verstond wat zij zeide, begreep hij toch dat
hare toonlooze woorden hem terugwezen.
Wat zou hij doen? Wanneer hij vooruitging, om door een snellen greep
haar te redden, zou zij, indien deze poging mislukte, reddeloos naar
beneden storten. Liet hij haar begaan, dan zou de steen, waaraan
zij zich vasthield, meer en meer losraken, en zoodra deze viel,
was het ook zeker met haar gedaan. Hij had wel eens gehoord, dat
nachtwandelaars naar beneden vallen, wanneer zij hunne namen hooren
noemen. Dat kwam hem thans voor den geest en hij vermeed daarom
zorgvuldig haar te roepen.
Thans wees de ongelukkige hem andermaal af. Zijn hart hield op te
kloppen, want hare bewegingen waren wild en onstuimig, en hij zag hoe
de steen, haar eenige steun, van zijn plaats schoof. Hij verstond
slechts weinig van al de woorden, die zij hem daarbij toeriep met
eene stem, die gisteren nog zoo welluidend was en heden zoo heesch,
bijna geheel zonder klank; toch hoorde hij den naam van Phoebicius
noemen, en het was wel aan geen twijfel onderhevig, dat zij zich aan
dezen steen boven den afgrond had vastgeklemd, om zich als de steenbok,
wanneer hij ziet dat de jager hem elken uitweg heeft afgesneden, liever
in de diepte te werpen, dan zich aan hare vervolgers gevangen te geven.
Paulus zag in haar noch de onschuldige noch de schoone vrouw, maar
slechts een menschenkind, dat in het uiterste gevaar verkeerde, dat
hij tot elken prijs van den dood moest redden, en de gedachte dat
hij toch niets minder was dan een handlanger, die door haar man was
uitgezonden, legde hem de eerste woorden op de lippen, die hij den
moed had de vertwijfelde toe te spreken. Zij waren eenvoudig genoeg,
maar in den vollen vriendelijken klank lag de kinderlijke liefde
van zijn goed hart, en onwillekeurig gaf de Alexandrijn, die in de
stad der redenaars en wel in de voortreffelijkste school was gevormd,
aan zijne rede eene eigenaardige kleur, door de welluidende diepe en
weeke, uit de borst voortkomende toonen, die hem ten dienste stonden.
"Verheug u, gij arme lieve vrouw," zeide hij. "Ik heb u ter rechtertijd
gevonden. Ik ben Paulus, de beste vriend van Hermas, en hoe gaarne
zou ik u helpen in uwe ellende! U dreigt geen gevaar, want Phoebicius
zoekt u op een verkeerden weg. Gij kunt mij vertrouwen! Niet waar, ik
zie er niet uit als kon ik eene arme verdwaalde vrouw bedriegen? Maar
gij staat daar op eene plaats, waar ik liever mijn vijand zou zien
dan u. Leg uw hand maar gerust in de mijne; zij is wel niet aanvallig
meer, doch sterk en eerlijk.--Zoo is het goed, en gij zult het u nooit
berouwen. Zet uw voet hier neder, en wees voorzichtig, wanneer gij
de rots loslaat. Gij weet niet hoe bedenkelijk deze het harde hoofd
heeft geschud over uwe wonderlijke gerustheid.--Pas op, daar stort uw
steunpunt naar beneden. Hoor hoe de steen neerploft en kraakt: hij is
beneden stellig in duizend stukken gebersten, en ik ben maar blijde,
dat gij ten laatste hebt besloten liever mij dan hem te volgen."
Paulus was onder het spreken dezer woorden naar Sirona toe gegaan,
als een meisje, wier vogeltje uit de kooi is gevlogen, en het diertje
met schroomvallige behoedzaamheid nadert, om het weder te vangen. Hij
had haar zijne rechterhand toegestoken, haar, zoodra hij hare hand
in de zijne voelde, voorzichtig gered uit den vreeselijken toestand,
en naar den veiligen bodem van de hoogvlakte geleid. Zoolang zij
hem gedwee volgde, geleidde hij haar naar den berg, zonder plan of
doel. Hij wilde haar alleen van dien afgrond verwijderen. Bij een
vierkant dioriet-blok vertraagde zij hare schreden, en Paulus, wien
het niet ontgaan was, hoe moeielijk haar het loopen viel, noodigde
haar uit om te gaan zitten. Hij haalde een vlak stuk rots, dat hij
met kleine steenen vastzette, om Sirona een steun te geven voor haar
vermoeiden rug.
Zoodra de Alexandrijn dit werk had volbracht, leunde Sirona tegen den
steen, en er lag aanvankelijk reeds eenig gevoel van welbehagen in de
lichte zucht, die als eerste geluid zich deed hooren van hare lippen,
die sedert hare redding vast gesloten waren.
Paulus lachte haar bemoedigend toe en zeide: "Rust nu wat uit. Ik
zie wel wat u schort. Men kan zich niet ongestraft een geheelen dag
aan de stralen der zon blootstellen."
Sirona knikte toestemmend, wees met den vinger naar haar mond, en
smeekte met moeite en zacht: "Water, wat water!"
Paulus sloeg zich met de hand voor het voorhoofd, en riep driftig:
"Ik breng u dadelijk een frisschen dronk. In weinige oogenblikken
ben ik weder bij u."
Sirona zag hem na, terwijl hij wegvloog. Hare oogen kregen meer
en meer eene starende, glazige uitdrukking, en het was haar, alsof
de steen waarop zij zat zich veranderde in het schip, dat haar van
Massilia naar Ostia had overgebracht. Zij gevoelde thans andermaal
elke slingering van het vaartuig, die haar op de onstuimige golven
had doen duizelen. Eindelijk scheen het haar toe dat het schip in
een maalstroom was geraakt, en al sneller en sneller in een cirkel
ronddraaide. Zij sloot de oogen en greep te vergeefs in de lucht naar
een steun. Haar hoofd viel machteloos op zijde, en eer haar wang met
haar schouder in aanraking kwam, liet zij een zachten klaagtoon hooren;
want het was haar als geraakten alle leden van haar lichaam los, gelijk
de bladeren in den herfst van de takken vallen. Zij zonk bewusteloos
achterover tegen den steen, die Paulus voor haar had opgericht.
Het was voor het eerst dat Sirona, overigens volmaakt gezond naar
lichaam en geest, in onmacht viel. Maar zelfs de sterkste onder hare
zusters zou bezweken zijn onder de aandoeningen, de inspanning, de
ontberingen en het lijden, die deze dag over de schoone ongelukkige
had gebracht. Eerst was zij zonder een bepaald doel in den nacht
den berg opgevlogen. De maan bescheen haren weg, en wel een uur lang
klom zij zonder te rusten. Toen hoorde zij de stem van wandelaars,
die haar te gemoet kwamen. Zij verliet den straatweg en trachtte
zich daarvan zoover mogelijk te verwijderen, want zij vreesde dat
haar hazenwindje, dat zij telkens weder op den arm nam, wanneer zij
het hoorde kermen en zag hinken, haar door zijn geblaf verraden zou.
Ten laatste had zij zich op een steen neergezet en zich voor den
geest gebracht, wat er in de laatste uren met haar gebeurd was, en wat
haar verder te doen zou staan. Zij verstond voortreffelijk de kunst
om over het verledene te droomen en schitterende luchtkasteelen te
bouwen. Daarentegen kostte het haar moeite verstandig te overleggen en
ernstig na te denken. Een ding was haar volmaakt duidelijk. Zij wilde
liever verhongeren en versmachten, liever schande en ellende dragen,
ja zelfs den dood ondergaan, dan tot haren echtgenoot terugkeeren. Zij
wist dat zij van Phoebicius niets anders dan mishandeling, hoon en
opsluiting in een afzichtelijk donker vertrek te verwachten had;
maar dat alles scheen haar gemakkelijker te dragen dan de teederheid,
waarmede hij haar nu en dan naderde. Wanneer zij daaraan dacht, voer
haar eene koude rilling door de leden, klemde zij de witte tanden op
elkander, balde zij de kleine handen zoo stevig, dat de nagels harer
vingers in het vleesch drongen.
Maar wat zou zij doen? Wanneer Hermas haar eens tegenkwam?--Doch welke
hulp kon zij van hem verwachten! Wat was hij anders dan een baardelooze
knaap, en de gedachte haar leven ook slechts voor enkele dagen aan
het zijne te verbinden, scheen haar onzinnig en belachelijk. Zij was
wel is waar in genen deele geneigd berouw te gevoelen en zichzelve te
beschuldigen; doch het was toch een dwaasheid van haar geweest, dat
zij hem in huis had geroepen om met hem te spelen. Daarbij dacht zij
aan de harde straf die zij ontvangen had, toen zij als kind, zonder te
weten dat zij kwaad deed, het wateruurwerk van haar vader uit elkander
had genomen en bedorven. Zij gevoelde dat zij veel verstandiger was dan
Hermas, en haar toestand was te ernstig geworden, dan dat zij lust kon
gevoelen nog eens te spelen. Zij dacht wel aan Petrus en Dorothea, maar
bij deze kon zij alleen komen wanneer zij naar de oase terugkeerde,
en zij had alle grond om te vreezen, dat Phoebicius haar ontdekken zou.
Als Polycarpus haar thans eens mocht tegenkomen op zijn terugkeer
van Raïthoe! Maar de weg dien zij verlaten had leidde toch zeker niet
daarheen, maar naar de poort, die meer in het Zuiden was gelegen. Zij
wist dat de zoon van den senator haar welgezind was, want niemand
had haar ooit met zoo innig welgevallen en met zulk een hartelijke
vriendelijkheid in de oogen gezien. Hij was ook geen onervaren knaap,
maar een recht ernstig man, wiens degelijkheid haar nu in een gansch
ander licht verscheen dan voorheen. Hoe gaarne had zij zich thans
aan Polycarpus' steun en leiding overgegeven! Doch hoe zou zij hem
bereiken? Neen, ook van hem had zij niets te wachten. Zij moest zich
op eigene kracht verlaten en besloot, terwijl het morgenrood reeds
was geweken voor het opgaan der zon aan een wolkenloozen hemel, zich
gedurende den dag op den berg schuil te houden, en tegen het aanbreken
van den nacht af te dalen naar de zee, ten einde te beproeven met
een bootje van den een of anderen schipper naar Klysma en van daar
naar Alexandrië te ontkomen.
Zij droeg een ring aan den vinger met een sierlijk gesneden onyx,
keurige oorhangers en een gouden armband aan den linker arm. Dit
sieraad was van gedegen goud, en bovendien bezat zij, behalve eenig
zilvergeld, een groot gouden muntstuk, dat haar vader haar, vóor zij
naar Rome vertrok, als teerpenning van zijne armoede had geschonken,
en dat zij tot hiertoe uiterst zorgvuldig had bewaard, alsof het
een talisman was. Zij bracht thans dit in een stukje linnen genaaid
aandenken aan hare lippen, en dacht aan haar ouderlijk huis en hare
broertjes en zusjes.
De zon steeg intusschen al hooger en hooger. Zij dwaalde van rots
tot rots, om een schaduwrijk plekje en eene bron te zoeken. Doch
zij vond geen water, en toch kwelde haar een hevige dorst en een
onuitstaanbare honger. Tegen den middag verdween ook de schaduwstreep,
waarin zij beschutting had gezocht voor de stralen der zon, die nu
onmeedoogend op haren onbedekten schedel brandde. Haar voorhoofd en
haar nek begonnen hevig pijn te doen, en zij ontvlood de verzengende
lichtstralen als een soldaat de pijlen van zijn vervolger. Achter
de rotsen, die de hoogvlakten omzoomden, waar Paulus haar aantrof,
vond zij eindelijk geheel uitgeput eene half beschaduwde rustplaats.
Het hazenwindje ademde reutelend in haar schoot en stak het gebroken
pootje naar haar uit. Reeds in den morgen, op de eerste plaats waar
zij ruste, had zij dat pootje zorgvuldig verbonden met een stuk
doek, dat zij met behulp van hare tanden van haar onderkleed had
afgescheurd. Thans legde zij een nieuw verband, wiegde het diertje
in hare armen en liefkoosde het als een klein kind. De hond was even
ellendig en lijdend als zij, en tegelijk het eenige wezen waarvoor
zij, ondanks hare hulpeloosheid, iets zijn en waaraan zij iets doen
kon. Maar weldra ontzonk haar ook de kracht om liefkozende woordjes
te spreken en het diertje met de hand te streelen.
Het hondje gleed van haar schoot en hinkte weg, terwijl zij
onbewegelijk voor zich bleef staren, om eindelijk in eene onrustige
sluimering haar lijden te vergeten, tot Jambe's geblaf en de schreden
van den Alexandrijn haar wekten. Half versmacht en met verdroogde tong,
terwijl haar voorhoofd, waarin allerlei verwarde denkbeelden dooreen
joegen, gloeide, meende zij dat Phoebicius haar spoor had gevonden
en nu verscheen om haar te grijpen. Zij had reeds lang den afgrond
gezien, aan welks rand zij was gevlucht, vast besloten zich liever
in de diepte te werpen, dan zich aan hem over te geven.
Paulus had haar van dien val in de diepte gered, doch toen hij nu met
twee platte steenen, in welker een weinig gebogene oppervlakten zich
frisch, zoo even geschept water bevond, en die hij, op zijne teenen
gaande, met moeite in evenwicht hield, tot de Gallische terugkeerde,
meende hij dat de onverbiddelijke dood toch het offer, dat hij hem
ontwrongen had, al te snel had teruggeëischt. Immers Sirona's hoofd
hing machteloos op haar borst, haar aangezicht was naar haar schoot
gekeerd, maar daar, waar zich om haar achterhoofd het dichte haar
in twee vlechten verdeelde, bemerkte Paulus op de blanke hals van
de onmachtige een roode vlek, die veroorzaakt moest zijn door het
branden der zon.
Zijne ziel was vol medelijden met dat jonge, schoone, ongelukkige
schepsel, en terwijl hij haar bij de kin vatte, die op de borst
was neergezonken, haar bleek gezicht oprichtte, haar voorhoofd en
hare lippen met water bevochtigde, bad hij in stilte, dat zij in
het leven mocht blijven. De vlakke holten van zijne steenen, die
hij als nappen gebruikte, konden maar eene zeer kleine hoeveelheid
verfrisschend water bevatten; hij was dus gedwongen meermalen naar
de bron terug te keeren. Terwijl hij zich verwijderde bleef het
hondje bij zijne meesteres, om nu eens hare handen te lekken dan
weder met zijn verstandig neusje haar mond te naderen, en haar zoo
angstig onderzoekend aan te zien, als wilde hij tot zekerheid komen,
hoe het haar ging.
Toen Paulus voor het eerst voor Sirona water ging scheppen had
hij den hond bij de bron gevonden en bij zichzelven gedacht: "Dat
redelooze dier heeft de bron zonder gids ontdekt, terwijl zijne
meesteres schier versmacht is. Wie zijn nu slimmer, wij menschen, of
de dieren?" Het hondje deed van zijne zijde zijn best om deze goede
meening niet te logenstraffen, want terwijl het hem in den beginne
vijandig had aangeblaft, toonde het zich nu vriendelijk jegens hem,
en keek hem van tijd tot tijd in het gezicht, als wilde het vragen:
"Hebt ge hoop dat zij weer beter zal worden?"
Paulus was een vriend van dieren en begreep den hond. Toen Sirona's
lippen zich weder begonnen te bewegen en te kleuren, streelde hij
Jambe's glad, spits kopje en zeide, terwijl hij met een gebogen blad
vol water den mond zijner meesteres naderde: "Let op, mijne kleine,
hoe het haar begint te smaken!--Nog wat, en ook dat en dit nog! Zij
trekt een gezicht als gaf ik haar zoeten Falerner. Kom, ik ga den
steen weder vullen. Blijf gij nu bij haar! Ik ben dadelijk terug, en
eer ik wederkom zal zij hare oogen wel openen. Gij ziet er sierlijker
uit dan ik met mijne stoppelige grauwe baard, en als zij wakker wordt
zal het haar aangenamer zijn u te vinden dan mij."
De voorspelling van Paulus werd vervuld, want toen hij Sirona weder
met het water naderde, zat zij overeind, wreef zij de wijdgeopende
oogen uit, rekte zij hare leden, omhelsde het hondje met beide armen,
om daarna uit te barsten in een vloed van tranen.
De Alexandrijn bleef met het water roerloos ter zijde staan, om
haar niet te storen, en dacht: "Met deze tranen wascht zij hare
ziel voor een goed deel schoon van het lijden."--Eerst toen zij
wat tot bedaren kwam en de oogen begon te drogen, naderde hij haar,
overhandigde haar den steen, waarmede hij geschept had, en sprak hij
haar vriendelijk toe.
Zij dronk met hartstochtelijk welgevallen, at het in het water
gedoopte stuk brood, het laatste dat hij in den zak van zijn
kleed had gevonden, en dankte hem met de haar eigene kinderlijke
vriendelijkheid. Vervolgens beproefde zij op te staan, en liet zich
daarbij gewillig door hem ondersteunen. Zij gevoelde zich wel mat,
haar hoofd deed pijn, maar zij kon toch staan en gaan.
Nadat Paulus zich ook overtuigd had, dat zij zonder koorts was, zeide
hij: "Nu ontbreekt u voor heden niets anders dan een warm gerecht en
een bed, dat u beschut tegen de koelte van den nacht. Voor beiden zal
ik zorgen. Zet u hier neder! De rotsen werpen reeds langer schaduwen:
ik keer terug eer de zon achter de bergen verdwijnt. Laat u, terwijl
ik weg ben, den tijd verdrijven door uw vierbeenigen metgezel."
Met haastige schreden ijlde hij weder naar de bron, in welker nabijheid
zich het verlaten Anachoreten-hol bevond, dat hij zich voorgenomen
had te betrekken in plaats van zijne oude woning. Na een oogenblik
gezocht te hebben, vond hij het, en daarin tot zijne niet geringe
vreugde een goed onderhouden legerstede van gedroogde kruiden, die hij
dadelijk omschudde en op nieuw terecht legde, verder een vuurhaard en
een vuurboor, een waterkruik en in een soort van kelderruimte, die
zijn geoefend oog spoedig ontdekte, hoewel de ingang zorgvuldig met
steenen was bedekt, een aantal ongezuurde brooden, en ten slotte nog
eenige potten. In den eenen lagen goede dadels, in den anderen blank
meel, een derde was half gevuld met sesam-olie en een vierde met zout.
"Welk een geluk," prevelde de Anachoreet in zichzelven, terwijl hij
het hol verliet, "dat die gestorven oude zoo'n slemper is geweest!"
Toen hij tot Sirona terugkeerde, was de zon aan de westerkim
gedaald. Er lag iets in het wezen van Paulus, dat het ieder onmogelijk
maakte hem te wantrouwen, en de Gallische was gaarne bereid hem te
volgen. Maar zij gevoelde zich zoo zwak, dat zij ter nauwernood zich
op de been kon houden. "Het is mij," zeide zij, "alsof ik een klein
kind ben, dat pas moet leeren loopen."
"Laat mij dan uw voedster zijn. Ik heb eens eene Spartaansche baker
gekend, die een baard had bijna even zoo ruw als den mijnen. Leun
gerust op mij, en loop eenige malen met mij hier op de vlakte op en
neer, eer wij daar naar boven stijgen."
Zij vatte zijn arm en langzaam ging hij met haar heen en weer. Daarbij
doken tafereelen uit zijne jeugd in zijne herinnering op. Hij dacht
aan den dag, toen het zijne van eene zware krankheid herstelde zuster
voor de eerste maal vergund werd weder buiten te komen. Zij was op zijn
arm geleund naar de gaanderij van het ouderlijk huis gegaan, en toen
hij nu met de arme, matte, verlatene Sirona op en neder wandelde, nam
zijne verwaarloosde gestalte hoe langer hoe meer de voorname houding
van een edelen Griek aan, en in plaats van op den ruwen rotsgrond,
meende hij op den schoone mozaïek-bodem van het ouderlijk huis te
wandelen. Paulus was weder Menander, en ofschoon de eerste, zoo als
hij zich thans voordeed, bitter weinig deed denken aan den laatste,
dien hij in zich gedood had, zoo vervulde den verachten kluizenaar
met de uitgeworpen zondares aan zijn arm, toch hetzelfde trotsche
gevoel van eene vrouw tot steun te zijn, dat de voornaamste jongeling
der wereldstad had gevoeld, toen hij de dochter, om welker bezit hij
zich zooveel moeite had gegeven, voorbij de jubelende menigte slaven
van haar vader had weggeleid.
Sirona moest Paulus herinneren dat de nacht begon te vallen,
en verschrikte, toen de Anachoreet haar arm met onvriendelijke
driftigheid uit de zijne verwijderde, en haar met zekere ruwheid,
die zij nog niet in hem had opgemerkt, gebood hem te volgen.
Zij gehoorzaamde en werd door hem, zoo vaak men over rotsen moest
klimmen, ondersteund en opgeheven; doch hij sprak nog slechts alleen,
wanneer zij hem vroeg. Toen zij het doel hunner reis bereikt hadden,
wees hij haar de legerstede en verzocht haar wakker te blijven,
totdat hij een warm maal voor haar zou hebben gereed gemaakt. Wat
later bracht hij haar zwijgend het eenvoudig avondmaal en wenschte
haar goeden nacht, zoodra zij het had aangenomen.
Sirona deelde het brood en de gezouten meelbrei met haar hondje,
legde zich vervolgens op het bed neder en zonk dadelijk in een
diepen slaap, zonder te droomen, terwijl Paulus naast den vuurhaard
in zittende houding den nacht doorbracht. Hij deed al zijn best
den slaap door gebeden te verbannen, maar dikwijls overviel hem de
vermoeidheid, en meermalen moest hij aan de Gallische denken, en aan
allerlei dingen die hij, als hij nog de rijke Menander was geweest,
in Alexandrië voor haar genoegen zou hebben gekocht. Hij bracht geen
enkel gebed ten einde, want òf de oogen vielen hem toe voor hij het
'amen' had uitgesproken, òf allerlei wereldsche beelden drongen zich
aan hem op en noodzaakten hem, wanneer het hem gelukt was ze van zich
te zetten, van voren af te beginnen. In dezen half slapenden, half
wakenden toestand, kon hij geen oogenblik tot nadenken of rustige
overweging komen, ook niet wanneer hij opzag naar den sterrenhemel,
of neerzag op de oase, die rustte onder den sluier van den nacht,
ofschoon ook daar menigeen, evenals hijzelf, de rust vruchteloos zocht.
Wie van de burgers van het vlek mocht wel waken bij het licht, dat
hij daar beneden buitengewoon helder zag flikkeren, tot hij zelf,
door vermoeidheid overmand, in slaap viel?