Het was een kostelijke verfrisschende avond. De volle maan verhief zich
statig aan het donkerblauw gewelf van den nachtelijken hemel, en goot
een stroom van licht over de koele aarde uit. Maar de lichtkracht harer
zilveren stralen was niet sterk genoeg om den fijnen blauwachtigen
sluier op te heffen, die de reuzenmassa van den heiligen berg omhulde.
Daarentegen trad de oasen-stad geheel uit de duisternis te
voorschijn. De breede weg van de hoofdstraat viel den wandelaar,
die van de hoogte afdaalde, dadelijk in het oog als een wit marmeren
baan, en de pas gepleisterde wanden van de nieuwe kerk kwamen zoo
schitterend uit, als op den vollen middag. De schaduwen der huizen en
palmen lagen als donkere stukken tapijt over den weg, die niet zeer
bevolkt was, niettegenstaande de avondkoelte, die anders de burgers
naar buiten lokte.
Door de geopende vensters van de kerk klonk het gezang van mannen
en vrouwen. Thans ging de deur open, en de christelijke Pharanieten,
die hier het avondmaal hadden gevierd met brood en den kelk, die van
hand tot hand ging, kwamen buiten. Vóor de ouderlingen en diakenen,
de voorlezer en de zangers, de akolyten en de geheele geestelijkheid
van de plaats, liep de bisschop Agapitus. De leeken werden voorafgegaan
door het opperhoofd van de oase, Obedianus, en den senator Petrus. De
laatste werd vergezeld door zijne vrouw, zijne volwassene kinderen
en een aantal slaven.
Het kerkje was reeds leeg, toen de deurwachter, die de kaarsen
uitdoofde, in een donkeren hoek van het voorportaal, dat voor
de boetelingen bestemd was, en waarin eene altijd springende
bron ruischte, een man gewaar werd, die roerloos op den grond zat
neergehurkt, diep in het gebed verzonken. Eerst toen hij hem aanriep
en met zijn lampje in het gelaat lichtte stond hij op.
De deurwachter sprak hem eerst toe met harde woorden; toen hij echter
in den achterblijvenden Anachoreet Paulus uit Alexandrië herkende,
veranderde hij van toon, en vroeg hij vriendelijk, bijna onderdanig:
"Wil nu niet langer bidden, vrome man! De gemeente heeft de kerk
verlaten, en ik moet haar sluiten ter wille van ons fraai nieuw
kerkgereedschap en die heidensche roovers. Het is mij reeds bekend,
dat de broeders van Raïthoe u tot hun presbyter kozen, en dat hunne
gezanten u hebben bekend gemaakt met den hoogen eer, die u te beurt
viel. Zij hebben ook onze kerk bezichtigd en zeer bewonderd. Vertrekt
gij dadelijk daarheen, of viert gij de hooge feesten nog met ons?"
"Dat zult gij morgen vernemen," antwoordde Paulus, die zich had
opgericht en leunde tegen een der pijlers van de smalle, naakte ruimte
voor de boetelingen. "In dit huis woont Een, aan wien ik raad wil
vragen. Ik bid u, laat mij alleen. Zoo gij wilt, sluit dan de deur
en laat er mij na eenigen tijd, eer gij ter ruste gaat, weder uit."
"Dat kan ik niet doen," antwoordde de andere bedenkelijk. "Mijne vrouw
is ziek, en mijn huis ligt ver van hier aan het einde van het vlek,
bij de kleine poort. Ook moet ik heden den sleutel nog brengen bij
den senator Petrus, wiens zoon, de bouwmeester Antonius, morgen vroeg
wil beginnen met het nieuwe altaar op te stellen. De arbeiders komen
tegen zonsopgang, en wanneer...."
"Laat mij den sleutel zien," viel Paulus hem in de rede. "Tot welk een
zegen kan zulk een klein ding den toegang sluiten of wel openen! Weet
ge wat, vriend; wij kunnen, meen ik, elkander helpen. Gij gaat naar
uwe zieke vrouw, en ik breng den sleutel, wanneer ik mijn gebed
voleindigd heb, naar den senator."
De portier bedacht zich een oogenblik, en willigde toen de bede van den
toekomstigen presbyter van Raïthoe in, ofschoon hij hem verzocht toch
niet lang te vertoeven. Toen hij het huis van den senator voorbijging,
rook hij de geur van gebraden vleesch. Hij was een arm man en dacht
bij zichzelven: "Deze vast als hij er lust in heeft; wij vasten ook,
maar wanneer wij het liefst niet zouden doen."
De heerlijke geur, die deze klacht in hem had doen oprijzen,
werd veroorzaakt door het braden van een hamel, die heden voor
alle huisgenooten van den senator, als een feestschotel, zou
worden opgedragen. Zelfs de slaven namen aan dezen laten maaltijd
deel. Petrus en vrouw Dorothea zaten, naar Grieksche gewoonte,
in een half liggende houding naast elkander op eene eenvoudige
rustbank. Vóor hen stond eene tafel, waaraan niemand anders gezeten
was, waarbij zich echter de zetels voor de volwassene kinderen des
huizes onmiddellijk aansloten. De slaven zaten dichter bij de deur
op den grond neergehurkt, en verdrongen zich in twee kringen om
een tweetal rookende schotels, waaruit zij met de vlakke hand de
bruinachtige linzenbrei aten. Naast ieder lag een rond grauw brood,
dat eerst gebroken werd, nadat de hofmeester Jethro den hamel gesneden
en verdeeld had. Aan Petrus en de zijnen werden de malsche stukken
van den rug en de schenkels van het dier aangeboden om te kiezen;
voor de slaven legde de hofmeester echter eene snede op ieders brood,
voor de mannen eene grootere, voor de vrouwen eene kleinere. Menigeen
zag zeker met nijd naar de lekkere stukken van zijne meer begunstigde
dischgenooten. Doch hij, die het karigst bedeeld werd, mocht niet
klagen. Het was den slaven slechts geoorloofd te spreken, wanneer de
heer hen iets gevraagd had, en Petrus verbood zelfs zijne kinderen
over de spijzen een goed- of afkeurend oordeel te vellen.
Te midden van de dienstboden zat ook Mirjam neergehurkt. Zij at
altijd weinig, en van vleesch had zij een afkeer. Daarom schoof zij
het stuk van de rib, dat men haar gegeven had, een ouden tuinman toe,
die tegenover haar zat, en haar dikwijls eene vrucht of wat honing
schonk; want Mirjam hield van zoetigheid.
Petrus sprak heden met de slaven in het geheel niet, en met de zijnen
maar zeer weinig. Vrouw Dorothea merkte niet zonder bezorgdheid
de diepe rimpels op tusschen zijn ernstige oogen, en hoe hij de
lippen vast op elkaar klemde, wanneer hij, de spijzen vergetende,
in gedachten zat verzonken.
Het maal was geëindigd, maar hij verroerde zich niet en hem
ontgingen de vragende blikken, die uit veler oogen op hem geslagen
werden. Niemand waagde het op te staan, alvorens de heer daartoe het
teeken had gegeven.
Het ongeduldigste van alle aanwezigen volgde Mirjam zijne
bewegingen. Zij schoof onrustig heen en weer; het brood, dat zij
overgelaten had, met hare spitse vingers verkruimelende. Nu eens
versnelde zich hare ademhaling, dan weder scheen deze geheel stil
te staan.
Zij had de deur van den hof hooren kraken en de schreden van Hermas
herkend. "Hij zoekt den heer des huizes; weldra zal hij binnentreden
en mij onder dezen hier vinden," dacht zij, streek onwillekeurig
met hare hand over de verwilderde haren, om ze wat gelijk te maken,
en wierp een blik, waarin zoowel haat als verachting was gelegen,
op de andere slaven.
Maar Hermas verscheen niet. Zij dacht er geen oogenblik aan, dat haar
oor haar bedrogen kon hebben. Wachtte hij thans aan de deur, tot het
maal zou zijn afgeloopen? Gold zijn laat bezoek de Gallische, tot
wie zij hem gisteren weder had zien gaan met de wijnkruik? Sirona's
echtgenoot, Phoebicius, dat wist zij, was op den berg en offerde
daar aan Mithras met zijne gezellen, bij het licht der volle maan,
in een hol, dat haar sedert lang bekend was. Zij had den Galliër
gezien, toen hij, gedurende de avond-godsdienstoefening, den hof
verliet met eenige soldaten. Twee van dezen hadden hem een grooten
kist, waaruit het hengsel van een verbazend grooten mengketel stak,
benevens een zak vol water en allerlei gereedschap nagedragen. Zij
wist dat deze mannen den ganschen nacht in de Mithras-grot zouden
vertoeven, en daar "den jongen god," de opgaande zon, met vreemde
ceremoniën begroeten. Meer dan eenmaal toch had de nieuwsgierige
herderin hen beluisterd, wanneer zij, vóor het krieken van den morgen,
met hare geiten het gebergte optrok, en haar ter oore was gekomen,
dat de Mithras-dienaars hun nachtelijk feest vierden.
Daar viel haar opeens in dat Sirona alleen was, en dat het late
bezoek van Hermas misschien haar en niet den senator gold. Zij
schrikte; haar hart deed haar pijn, en gelijk altijd, wanneer eene
heftige gemoedsbeweging haar aangreep, werd zij door haren hartstocht
medegesleept, zoodat zij alle heerschappij verloor over haren wil. Zij
sprong overeind en stond reeds bij de deur, toen de stem van den
senator haar terughield, om haar het onbetamelijke van haar gedrag
onder het oog te brengen.
De kranke dien zij verpleegde lag nog altijd met de koorts, een
gevolg van de ontsteking der wond. Zij wist dat zij alle berisping
zou ontgaan, wanneer zij op de strenge vraag van haar meester zou
antwoorden, dat Anubis haar hulp noodig had. Doch zij had nog nooit
gelogen, en trotschheid verbood haar ook onwaarheid te zeggen. De
andere slaven verschrikten toen zij den senator ten antwoord gaf:
"Ik kan het hier niet uithouden. De maaltijd duurt zoo lang!"
Petrus keek door het venster naar buiten, en toen hij bemerkte hoe hoog
de maan reeds stond, schudde hij het hoofd, als verwonderde hij zich
over zichzelven, sprak zonder verdere berisping het dankgebed uit,
gaf den slaven door een teeken te verstaan, dat zij de zaal konden
verlaten en trok zich in zijn kamer terug, nadat hij zijne kinderen,
waaronder alleen Polycarpus werd gemist, eene nachtkus had gegeven.
Hij bleef er niet lang alleen, daar Vrouw Dorothea, nadat zij
met hare dochter Marthana en den hofmeester alle beschikkingen had
gemaakt voor den volgenden dag, en in het slaapvertrek harer jongste
kinderen een vriendelijken blik had geslagen op hen, die daar zoo
vreedzaam sluimerden, hier een dekje, daar een klein hoofdkussen
recht schikkende--den drempel van zijn vertrek overschreed en hem
bij den naam riep.
Petrus bleef staan, keek om, en uit zijne ernstige oogen stroomde
thans zijne gade eene overvloed van dankbare teederheid tegemoet.
Dorothea kende het goede hart van den strengen man en knikte hem toe,
ten teeken dat zij hem begreep. Doch eer zij tijd had om te spreken,
zeide hij: "Kom maar dichter bij! Het drukt mij hier zwaar, en uw
deel van den last mag u niet ontgaan."
"Geef het dan maar hier," haastte zij zich te zeggen. "Het slanke
meisje is eene breed geschouderde vrouw geworden, zoodat het haar
lichter zal vallen haren heer de velerlei lasten des levens te helpen
dragen. Maar ik ben inderdaad zeer bezorgd. Reeds vóor wij naar de
kerk gingen is u iets onaangenaams bejegend, en dat niet alleen in
de raadsvergadering. Er moet met de kinderen iets niet in orde zijn."
"Wat gij toch voor oogen hebt!" zeide Petrus.
"Leelijke, grijze," hernam Dorothea, "en ze zijn niet eens bijzonder
scherp. Maar wat ulieden aangaat, de kinderen en u, dat kunnen zij in
donker waarnemen. Gij zijt over Polycarpus niet tevreden. Gisteren,
toen hij naar Raïthoe reed, hebt gij hem aangezien, zoo...zoo...ja,
hoe zal ik het zeggen! Ik kan mij wel begrijpen waarover het is,
maar ik geloof dat gij u noodeloos ongerust maakt. Hij is jong,
en eene zoo wonderschoone vrouw als Sirona...."
Petrus had tot hiertoe zijne vrouw zwijgend aangehoord. Thans vouwde
hij de handen samen en zeide, haar in de rede vallende: "Waarlijk
dat grenst aan het ongeloofelijke;--maar ik moest daar al aan gewend
zijn. Wat ik u in eene stille ure wilde toevertrouwen, dat vertelt
ge mij, alsof het eene lang bekende zaak was."
"Waarom ook niet?" vroeg Dorothea. "Wanneer gij een twijgje op den
boom ent en het is er goed ingegroeid, dan voelt het ook de snede van
den zaag, die den boom doorsnijdt, en de verkwikking van de bron, die
zijne wortels besproeit, alsof het zelf dit leed en deze vreugde had
ondervonden. Gij zijt de boom en ik het twijgje, en de wonderkracht van
het huwelijk heeft uit u en mij een geheel gemaakt. Als uw hart slaat,
klopt ook het mijne; uw denken is het mijne geworden, en daarom weet
ik ook altijd eer gij het mij zegt, wat er in uwe ziel omgaat."
In Dorothea's goedige oogen blonk bij deze woorden een traan; doch
Petrus greep met hartelijkheid hare beide handen en zeide: "En wanneer
de oude knorrige stam menigmaal eene zoete vrucht draagt, dan heeft
hij het te danken aan het twijgje. Ik kan niet gelooven, dat die
Anachoreten daar boven den Heer bijzonder welgevallig zijn, omdat zij
in de eenzaamheid leven. De man wordt eerst volmaakt mensch door vrouw
en kind, en wie deze niet bezit, hij leert nooit de helderste hoogten
en de donkerste diepten des levens kennen. Zoo de man al wat hij is en
wat hij vermag voor iets kan geven, dan is het voor zijn eigen huis."
"Voor ons huis," hernam Dorothea, "hebt gij dit naar uw vermogen
gedaan."
"Voor ons huis," herhaalde Petrus op vasten toon, terwijl zijne
zware stem klonk in al hare volheid. "Twee zijn sterker dan éen,
en hoe lang is het toch wel geleden, sedert wij verleerd hebben
bij alle vragen, die op het gezin en de kinderen betrekking hebben,
'ik' te zeggen. In beide opzichten heeft men ons heden getroffen."
"Wil de senaat dan geen deelnemen aan het aanleggen van den weg?"
"Neen! De Bisschop Agapitus heeft den doorslag gegeven. Ik behoef het
u niet te zeggen, in welke verhouding wij tot elkander staan. Ik wil
geen kwaad van hem spreken, want hij is een rechtschapen man; maar
in vele dingen zullen wij elkander nooit begrijpen. Zooals gij weet,
was hij in zijne jeugd soldaat, en zijne vroomheid heeft wat ruws, ik
zou haast zeggen krijgshaftigs. Als het naar zijn zin was gegaan, en
ons opperhoofd Obedianus mij niet had bijgestaan, dan zouden wij geen
enkel beeld in de kerk hebben, die er dan zou uitzien als een schuur
en niet als een bedehuis. Wij hebben elkander nooit kunnen verstaan,
en sedert ik mij tegen zijn wensch, om Polycarpus tot priester op te
leiden, heb verzet; sedert ik den jongen, die waarlijk reeds als kind
beter teekende dan menig meester in dezen ellendigen tijd, waarin geen
groote kunstenaars geboren worden, bij den beeldhouwer Thalassius in
de leer bracht, spreekt hij over mij alsof ik een heiden ben."
"En toch acht hij u hoog, dat weet ik," hernam vrouw Dorothea.
"Gaarne betaal ik hem met dezelfde munt," antwoordde Petrus. "Dat
wat hem van mij vervreemdt is waarlijk niet iets laags. Hij waant het
zuiver geloof alleen te bezitten, en daarvoor te moeten strijden. Hij
noemt de werken der kunstenaars heidensche gruwelen. Die nimmer de
louterende kracht van het schoone ondervonden heeft, meent dat elke
afbeelding tot afgoderij voert. Polycarpus' engelen en diens goede
herder mochten zijne goedkeuring nog wegdragen, maar over de leeuwen
geraakte de oude krijgsman in woede. Hij noemde ze vervloekte afgoden
en duivelswerk."
"Maar ook in den tempel van Salomo waren leeuwenbeelden te zien,"
sprak Dorothea.
"Dat juist wierp ik hem tegen, en verder nog, dat men in de
catecheten-scholen en in de stichtelijke dierkunde die wij bezitten,
den Heiland zelven bij een leeuw vergelijkt; dat ook Markus de
evangelist, die het evangelie des Heeren naar Alexandrië overbracht,
met een leeuw wordt afgebeeld. Maar hij bestreed mij steeds heftiger,
op grond dat de werken van Polycarpus bestemd zijn niet om eene heilige
plaats, maar het Caesareum te versieren. Want hij ziet daarin niets
anders dan een heidensch gebouw, en de schoone werken der Grieken,
die daar bewaard worden, noemt hij ellendige fratsen, waarmede de
Satan de harten der christenen verleidt. De andere senatoren verstaan
zijne onbeschaafde taal, maar mijne redenen niet, en daarom vielen
zij hem bij en werd mijn voorstel om den weg aan te leggen verworpen,
op grond dat het eene christelijke gemeente niet betaamt de afgoderij
in de hand te werken, en wegen te banen voor den duivel."
"Ik kan het u aanzien, dat gij hun scherp te woord hebt gestaan."
"Dat geloof ik wel," ging Petrus voort met neergeslagen oogen. "Er zal
menig hard woord gevallen zijn, en dat liet men mij ontgelden. Agapitus
was bijzonder ontevreden. Hij toonde een verslag der diakenen met mijne
rekening en verantwoording. Zij misprezen het zeer, dat gij evenveel
brooden aan heiden- als aan christengezinnen had uitgedeeld. Dat is
nu wel waar, maar..."
"Maar," vervolgde Dorothea levendig, "de honger kwelt de ongedoopten
evenzeer. Hunne christelijke buren ondersteunen hen niet, en zij zijn
toch ook onze naasten. Ik zou mijn ambt al zeer slecht uitoefenen,
wanneer ik ze liet verhongeren, omdat zij den besten troost moeten
ontberen."
"Toch," zeide Petrus, "besloot de raad, dat gij in het vervolg
hoogstens een vierde deel van het u toegewezen graan voor hen zoudt
besteden. Gij behoeft niet te schrikken. Wat vroeger van het onze
verkocht werd, zal voortaan ter uwer beschikking zijn. Gij zult
voortaan aan geen van uwe pleegkinderen een enkel brood onthouden. Doch
wat de aanleg van den weg betreft, dat kan nog een poos duren. Er is
echter geen haast met de voltooiing, want Polycarpus zal toch bij ons
zijne leeuwen moeielijk kunnen afwerken. Die arme knaap! Met welk eene
liefde heeft hij de modellen van klei gevormd, en hoe wonderbaar is
het hem gelukt de houding der koninklijke dieren weder te geven! Het
was alsof de geest van de oude meesters van Athene hem bezielde. Wij
zullen nu eens overleggen, of zich te Alexandrië niet...." "Beproeven
wij liever terstond," zeide zijne vrouw hem in de rede vallende,
"Polycarpus over te halen om deze modellen te laten liggen en andere
meer heilige werken uit te voeren. Agapitus ziet scherp, en die
heidensche werken gaan den jongen al te zeer ter harte."
Bij de laatste woorden fronsde de senator het voorhoofd, en zeide niet
zonder opgewondenheid: "Niet alles wat de heidenen hebben gemaakt,
is te verwerpen. Polycarpus moet ernstig en voortdurend aan het werk
blijven, want hij richt zijn oogen op iets, waarvan zij afgewend
moeten blijven. Sirona is de vrouw van een ander, en men mag ook
niet uit scherts de vrouw van zijn naasten voor zich trachten te
winnen. Acht gij de Gallische in staat haar plicht te verzaken?"
Dorothea aarzelde; na een oogenblik nadenkens antwoordde zij: "Zij
is een schoon en ijdel kind, ja een kind! Ik denk daarbij aan hare
geheele manier van zijn, niet aan haar ouderdom, ofschoon zij inderdaad
de kleindochter kon zijn van den wonderlijken man, voor wien zij geen
liefde of achting, neen, niets dan afkeer gevoelt. Wat het is weet ik
niet, maar reeds in Rome moet hij haar iets ontzettends voorgesteld
hebben, en ik doe maar geen pogingen meer om haar hart gunstig voor
hem te stemmen. In alle andere dingen is zij gevoelig en laat zij
zich gemakkelijk leiden, en dikwijls kan ik mij niet begrijpen, hoe
zij zoo uitgelaten kan zijn, wanneer zij met de kinderen speelt. Gij
weet toch hoe de kleinen, zelfs Marthana aan haar gehecht zijn. Ik
wenschte wel dat zij eene christin was, want ook ik, waarom zou ik
het verzwijgen, heb haar lief. Men kan in hare tegenwoordigheid niet
droefgeestig zijn. Zij is mij genegen, zij vreest mijne berisping
en is er altijd op uit mijne goedkeuring te winnen. Het is waar, zij
tracht alle menschen te behagen, zelfs de kinderen; doch Polycarpus,
welk een flink man hij ook is, zoover ik zien kan, niet meer dan de
anderen, stellig niet!"
"Doch de jongen," zeide Petrus, "ziet telkens naar haar om, en
Phoebicius heeft het opgemerkt. Gisteren is hij mij tegengekomen,
toen ik naar huis ging, en hij verzocht mij, op zijne beleefde maar
scherpe manier, mijn zoon den goeden raad te geven, in het vervolg,
als hij rozen wilde schenken, deze liever in de vensters van anderen
dan in het zijne te werpen, want hij was geen vriend van bloemen,
en voor zijne vrouw plukte hij ze liever zelf."
De vrouw van den senator verbleekte, en zeide kortaf en op stelligen
toon: "Wij hebben dien huurder niet noodig, en hoezeer ik zijne vrouw
ook missen zal, geloof ik toch dat het beste zal zijn, wanneer gij
hen verzoekt naar een ander verblijf uit te zien."
"Spreek niet verder, vrouw," zeide Petrus ernstig, terwijl hij met
de hand zijne afkeuring te kennen gaf. "Zullen wij er Sirona voor
laten boeten, dat onze zoon om harentwille eene onbezonnenheid heeft
begaan? Gij hebt echter gezegd, dat het verkeer met de kinderen en
hare achting voor u haar voor afdwalingen zullen bewaren, en nu zouden
wij haar de deur wijzen? Dat nooit. De Galliërs blijven in mijn huis,
zoolang zij niets doen wat mij dwingt hen er uit te zetten. Mijn vader
was wel een Griek, maar van moederszijde heb ik Amalekietisch bloed
in de aderen, en zoo ik hen, met wien ik eens onder mijn dak het brood
deelde, over mijn drempel joeg, zou ik mijzelven onteeren. Polycarpus
moet gewaarschuwd worden en vernemen, wat hij aan ons, aan zichzelven
en aan het gebod des Heeren verschuldigd is. Ik weet zijne uitnemende
gaven te waardeeren en ben zijn vriend, maar ook zijn heer, en zal
weten te voorkomen, dat mijn zoon de losse zeden van de hoofdstad in
zijn eigen vaders huis invoert."
De laatste woorden klonken als hamerslagen, en in de oogen van den
senator stond te lezen, dat hij op dit punt vastbesloten was.
Toch naderde zijne vrouw hem zonder vrees. Zij legde hare hand op
zijn arm en zeide: "Wat is het toch goed dat de man het rechte in
het oog houdt, terwijl wij vrouwen gewoon zijn den eersten indruk van
ons hart te volgen. Ook bij het worstelen bedient gijlieden u enkel
van geoorloofde handgrepen, terwijl vechtende vrouwen soms nagels en
tanden gebruiken. Beter dan wij weet gij het onrecht te voorkomen;
dat hebt ge mij weder getoond. Maar in het ten uitvoer brengen van
hetgeen goed is, zijt gij onzen meerderen niet. De Galliërs mogen in
vrede bij ons blijven, en gij kunt Polycarpus streng in 't verhoor
nemen; doe het echter allereerst als zijn vriend. Of ware het niet
beter, wanneer gij dit aan mij overliet? Hij heeft zich zoozeer
verheugd in het vooruitzicht op het voltooien zijner leeuwen, en zijne
medewerking bij den grooten bouw in de hoofdstad, en daarmede zal het
nu uit zijn! Ik wenschte dat ge hem dit reeds aan het verstand had
gebracht. Doch liefdesgeschiedenissen zijn vrouwenzaken, en gij weet
hoe lief de jongen mij heeft. Een moederlijk woord werkt dikwijls meer
uit, dan de klap eens vaders. Het is in het leven als in den krijg:
eerst brengt men de boogschutters in het veld; de zwaargewapenden
blijven achter en dienen hun tot steun. Eerst als de vijand niet wijken
wil, treden de laatsten vooruit en beslissen den slag. Laat mij vooraf
met den jongen spreken. Het kon toch zijn, dat hij enkel uit scherts
eene roos in het venster der Gallische wierp, die immers met zijne
broertjes en zusjes speelt, alsof zij tot onze familie behoorde. Ik
zal hem in 't verhoor nemen, en is het er zóo mede gesteld, dan zou
het noch billijk, noch verstandig zijn hem te berispen. Zelfs met
eene waarschuwing moet men voorzichtig te werk gaan, want menigeen,
die nooit aan stelen heeft gedacht, is door eene valsche verdenking
een dief geworden. Zulk een jeugdig gemoed dat begint lief te hebben,
is als een wilde knaap, die bij voorkeur langs paden wandelt, waarvoor
men hem gewaarschuwd heeft. Toen ik nog een meisje was, ontwaarde ik
zelve eerst hoe lief ik u had, nadat de vrouw van den senator Aman,
die u voor hare eigene dochter begeerde, mij den raad had gegeven mij
voor u te wachten. Wie zijn tijd te midden van al de verleidingen
van het Grieksche Sodom zoo ernstig heeft besteed als Polycarpus,
wie zich daar zulk een lof van zijne leeraars en meesters heeft
verworven gelijk hij, hem heeft de loszinnigheid der Alexandrijnen
niet geschaad. In de eerste jaren bepaalt de mensch in welke richting
hij gedurende zijn volgend leven zal voortgaan, en die richting heeft
Polycarpus aangenomen, alvorens hij ons huis verliet. Ja, als ik niet
wist hoe braaf hij is, dan zou ik slechts op u hebben te zien, om tot
mijzelven te zeggen: "uit het kind, dat door dezen is groot gebracht,
kan nooit een slecht man groeien."
Petrus haalde bedenkelijk, als hield hij die vleiende woorden zijner
vrouw voor ijdele dwaasheid, en toch lachend de schouders op, en
vroeg: "Bij welken rhetor hebt gij toch school gegaan? Het zij zoo;
spreekt gij met den jongen als hij uit Raïthoe terugkomt. Wat staat
de maan reeds hoog! Kom, laat ons ter ruste gaan, Antonius zal morgen
zeer vroeg het altaar opstellen, en daar wil ik bij zijn."