ZEVENDE HOOFDSTUK.

Toen de zon den volgenden dag hare middaghoogte reeds voorbij was

en het koeler begon te worden, willigden Hermas en Paulus den wensch

van Stephanus in en brachten zij hem naar buiten, want hij begon zich

krachtiger te gevoelen.

Thans zaten de Anachoreten naast elkander op een vlak rotsblok,

dat Hermas voor zijn vader door eene laag van frissche kruiden in

een zacht kussen had veranderd. Beiden zagen zij den jongeling na,

die met pijl en boog den berg opklom, ten einde een steenbok te

schieten. Petrus toch had den kranke krachtige spijs voorgeschreven.

Zij spraken geen woord, tot de jager uit het gezicht was. Toen zeide

Stephanus: "Wat is hij toch veranderd, sedert ik ziek ben! Het is toch

nog zoo lang niet geleden, dat ik hem voor het laatst bij daglicht

zag. Inmiddels schijnt de knaap een man geworden te zijn. Met welk

een gevoel van zelfbewustheid ging hij daarheen!"

Paulus prevelde, terwijl hij naar den grond keek, eenige bevestigende

woorden. Het werpen met den schijf kwam hem weder voor den geest,

en hij dacht: "Zeker heeft hij de palaestra in zijn hoofd. Hij heeft

zich ook gebaad. Reeds gisteren, toen hij uit de oase terugkwam,

stapte hij voort als een jeugdig athleet.

Dan eerst mag de vriendschap eene ware heeten, wanneer twee menschen,

zonder een woord te spreken, zich toch mogen verheugen in elkanders

samenzijn. Stephanus en Paulus zwegen; nochtans bestond er tusschen

hen eene onmerkbare gedachtenwisseling, toen zij, terwijl de zon

begon onder te gaan, naar het westen zagen. Diep beneden hen glansde

in zacht blauw-groene tinten de smalle vlakte der Roode zee, aan

de kusten begrensd door naakte, helder goudgele bergen. In hunne

nabijheid verhief zich de veelgespleten kroon van het reuzengebergte,

die zoodra de dagvorstin achter haar verdween, als omgeven werd met

een stralenkrans van vurige robijnen. Een gloeiend rood overdekte den

westelijken horizont; dunne nevelsluiers begonnen het kustgebergte te

omhullen; de zilveren wolkjes aan den reinen hemel veranderden van

tint, zich kleurende met het zachte rood der pas ontluikende rozen;

en de heuvels aan het strand schitterden met het doorzichtig blauw

van violen en amethysten. Er was geen zuchtje; geen geluid verstoorde

de plechtige avondstilte.

Eerst toen de kleur der zee al donkerder en donkerder werd, toen de

gloed op de bergtoppen en in het westen was uitgedoofd, toen de nacht

zijne schaduwen over hoogten en laagten begon uit te breiden, maakte

Stephanus zijne gevouwen handen los en riep zijn metgezel zacht bij

den naam.

Paulus verschrikte, en zeide als een die uit een droom ontwaakt,

en zich bewust is de woorden van den ander niet verstaan te hebben:

"Gij hebt gelijk! Het wordt donker en koel, en gij moet weder in de

spelonk gaan."

Stephanus verzette zich niet, en liet zich naar zijn leger brengen.

Paulus zuchtte diep, terwijl hij het schaapsvel over den kranke

uitspreidde.

"Wat ontroert uwe ziel?" vroeg de oude man.

"Het is... het was... Wat kan het mij baten!" riep Paulus diep

bewogen. Wij zijn daar getuigen geweest van het heerlijkst wonder

des Allerhoogsten, en ik heb schaamteloos afgoderij gepleegd, want ik

zag den wagen voor mij met de blinkende, vuursnuivende, gevleugelde

rossen van Helios, en den god zelven in de gedaante van Hermas, met

schitterende goudgele haren, en de dansende Horen [3], en de gouden

poorten van den nacht. Vervloekt demonen-tuig!...."

Hier werd de Anachoreet gestoord, want Hermas trad de spelonk binnen,

hield de beide mannen een steenbok voor, dien hij geschoten had,

en riep: "Een flinke borst, en hij heeft mij maar eene enkele pijl

gekost. Ik zal dadelijk vuur ontsteken en de beste stukken braden. Daar

zijn nog bokken genoeg op onze bergen, en ik weet ze te vinden."

Een uur later aten vader en zoon de aan het spit gebraden stukken

vleesch. Paulus weigerde er mede van te nuttigen, want toen hij,

na het werpen met den discus, zich in vertwijfeling en berouwvol had

gegeeseld, had hij zich een streng vasten opgelegd.

"En nu," riep Hermas, toen zijn vader, wien deze lang ontbeerde

krachtige spijs voortreffelijk scheen te smaken, verklaarde dat

hij verzadigd was, "en nu komt het beste! In deze flesch heb ik

versterkenden wijn, en wanneer zij ledig is, wordt zij opnieuw gevuld."

Stephanus greep den houten beker, dien zijn zoon hem toereikte, dronk

een weinig en zeide, terwijl hij den kostelijken smaak van het edel

vocht nog eens met zijne tong keurde: "Dat is wat goeds! Syrische

wijn! Proef eens, Paulus!"

De aangesprokene nam den beker in de hand, snoof de geur van den gulden

drank onderzoekend op, en prevelde toen, zonder er zijne lippen aan te

zetten: "Dat is geen Syrische; het is Egyptische. Ik ken hem wel. Ik

houd hem voor Mareotische!"

"Zoo heeft Sirona hem ook genoemd," zeide Hermas. "En gij herkent

den wijn alleen aan den geur! Ze zeggen dat hij bijzonder heilzaam

is voor zieken."

"Dat is hij," verzekerde Paulus.

"Sirona?" vroeg Stephanus verwonderd. "Wie is dat?"

Het hol werd maar flauw verlicht door het vuur, dat bij den ingang

was ontstoken; de beide Anachoreten konden dus niet opmerken, dat

Hermas kleurde tot over zijn ooren, toen hij antwoordde: "Sirona? De

Gallische Sirona? Kent gij haar niet? Zij is de vrouw van den centurio,

beneden in de oase."

"Hoe komt gij juist aan haar?" vroeg de vader.

"Zij woont in het huis van Petrus," antwoordde de jongeling, "en daar

zij van uwe verwonding hoorde...."

"Breng haar mijn dank over, wanneer gij morgen naar beneden gaat,"

vroeg Stephanus; "haar en ook haar echtgenoot. Is hij een Galliër?"

"Ik geloof ja,... neen stellig," antwoordde Hermas. Zij noemen hem

den leeuw. En hij komt uit Gallië."

Toen de jongeling het hol had verlaten, legde de oude man zich te

slapen neder, en Paulus waakte aan zijne zijde op het bed van zijn

zoon. Maar Stephanus kon den slaap niet vatten. Toen zijn vriend hem

naderde, om hem het geneesmiddel toe te dienen, zeide hij: "De vrouw

van een Galliër heeft mij een weldaad bewezen, en toch die wijn zou mij

beter bevallen zijn, wanneer hij niet van een Galliër afkomstig was."

Paulus zag hem vragend aan, en hoewel er volslagen duisternis heerschte

in de spelonk, zoo gevoelde Stephanus toch dezen blik en zeide: "Ik

ben op niemand boos, en heb mijn naaste lief. Ik ben diep beleedigd;

maar ik heb vergeven, van ganscher harte vergeven. Daar is maar éen,

wien ik kwaad zou gunnen, en dat is een Galliër."

"Vergeef ook hem," smeekte Paulus, "en laat u den slaap niet verstoren

door bittere gedachten."

"Ik ben niet moede," hernam de kranke. "Wanneer u wedervaren was,

wat mij is aangedaan, zou dit ook u de nachtrust bederven!"

"Ik weet het, ik weet het," zeide Paulus, om hem wat neer te

zetten. "Het was een Galliër, die uwe arme vrouw misleid heeft,

zoodat zij uw huis en uw kind heeft verlaten."

"En hoe heb ik Glycera bemind!" sprak de kranke steunend. "Zij werd

behandeld als eene vorstin, en ik wist hare wenschen te voorkomen,

vóor zij ze had uitgesproken. Honderdmaal heeft zij mij gezegd,

dat ik te goed en te zwak voor haar was, en haar niets te wenschen

overbleef. Daar kwam die Galliër in ons huis, een mensch, een

kerel zoo norsch als zure wijn, maar welbespraakt en met vonkelende

oogen. Hoe hij Glycera in zijne strikken heeft gevangen: ik weet het

niet en wil het niet weten. In de hel zal hij er voor boeten. Dag en

nacht bid ik voor de arme verlorene vrouw. Zij is bezweken voor eene

betoovering, doch haar hart bleef in mijn huis achter, want daar was

haar kind, en zij had Hermas zoo lief, en ook aan mij was zij zoo

innig gehecht! Hoe sterk moet wel de begoocheling zijn, die zelfs de

moederliefde kan dooden! Ik arme! Ach ik ongelukkige! Hebt gij ooit

eene vrouw liefgehad, Paulus?"

"Gij moet slapen," zeide de Anachoreet vermanend. "Wie kan, gelijk

ik, bijna een halve eeuw geleefd hebben, zonder te voelen wat liefde

is!--Maar ditmaal spreek ik geen woord meer; neem gij den drank dien

Petrus u gezonden heeft."

Het middel van den senator werkte krachtig, want de kranke sliep in, en

ontwaakte eerst, toen het volle daglicht de spelonk verlichtte. Paulus

zat nog altijd aan zijne legerstede, en overhandigde hem, nadat zij

gemeenschappelijk gebeden hadden, de kruik, die Hermas, alvorens hij

naar de oase ging met frisch water had gevuld.

"Ik gevoel mij versterkt," zeide de oude. "Het geneesmiddel is goed. Ik

heb rustig geslapen en heerlijk gedroomd. Maar gij ziet er zoo bleek

en ontdaan uit."

"Ik!" vroeg Paulus, "Ik heb daar toch op het bed gelegen. Laat mij

nu een oogenblik naar buiten gaan."

Terwijl hij dit zeide ging hij het hol uit. Zoodra hij zich aan

de blikken van Stephanus had onttrokken, haalde hij diep adem,

rekte hij zijne leden en wreef hij de brandende oogen uit. Want,

het was hem als had hij zand onder de oogleden, die hij drie dagen

en nachten achtereen niet had willen sluiten. Bovendien kwelde hem

een hevige dorst, want zijne lippen hadden in dienzelfden tijd spijs

noch drank aangeroerd. Reeds begonnen zijne handen te beven, maar de

zwakheid en de pijn vervulden hem met stille vreugde, en gaarne had

hij zich in zijn hol teruggetrokken ten einde zich, en dat niet voor

de eerste maal, over te geven aan den bitterzoeten waan, dat hij aan

een kruis hing en evenals de Heiland uit vijf wonden bloedde.

Doch Stephanus riep hem, en zonder te talmen ging hij tot hem en

beantwoordde zijne vragen. Het spreken viel hem daarbij gemakkelijker

dan het hooren, want het suisde en gonsde en klonk hem in de ooren,

alsof hij bevangen was door den vurigen wijn.

"Als Hermas nu maar niet vergeet den Galliër te bedanken," zeide

Stephanus.

"Danken, ja danken moeten wij altijd," antwoordde de ander, terwijl

hij de oogen sloot.

"Ik heb van Glycera gedroomd," begon de oude man opnieuw. "Gisteren

zeidet gij, dat de liefde ook u eens het hart heeft bewogen. Gij zijt

toch nooit gehuwd geweest.--Gij zwijgt? Maar antwoord mij dan toch?"

"Ik? Wie heeft mij geroepen?" prevelde Paulus, en staarde den vrager

met strakke blikken aan.

Deze verschrikte, zoodra hij bemerkte, dat Paulus over al zijne leden

beefde, richtte zich op, en gaf hem de flesch met den wijn van Sirona,

die de ander, zichzelven niet meer meester, hem hartstochtelijk uit

de hand rukte en brandend van dorst ledigde.

De vurige drank wekte zijne wegzinkende krachten weder op,

kleurde zijne wangen en verleende aan zijne oogen een eigenaardigen

glans. Daarbij zeide hij, diep ademhalende en zijne hand tegen de

borst drukkende: "Hoe goed heeft mij dat gedaan!"

Stephanus was nu volkomen gerustgesteld, en herhaalde zijne vraag. Doch

hij gevoelde weldra berouw over zijne nieuwsgierigheid, want de stem

van zijn vriend had een geheel vreemden klank aangenomen, toen hij

antwoordde: "Ik was nooit gehuwd, neen nooit. Maar toch heb ik lief

gehad, en ik wil u alles vertellen, alles, van het begin tot het

einde. Gij moogt mij echter niet in de rede vallen, geene enkele

maal! Ik ben zoo zonderling te moede! Misschien komt het van den

wijn. Ik heb dien in lang niet gedronken. Ik heb gevast, sedert,

... sedert... Doch dat doet er niet toe. Zwijg nu stil, doodstil,

en laat mij vertellen."

Paulus zat op Hermas' legerstede. Thans boog hij zich een eind

achterwaarts, leunde met zijn hoofd tegen den rotswand der spelonk,

door welker opening het volle daglicht binnenstroomde, en begon

terwijl hij in de ruimte staarde: "Hoe zij er uitzag wie kan haar

beschrijven? Zij was lang en groot als Hera en toch niet trotsch, en

haar edel Grieksch gelaat was niet minder lieftallig dan schoon. Zij

kon zoo heel jong niet meer zijn, toch had zij de oogen van een

vriendelijk kind. Ik heb haar alleen zeer bleek gekend. Haar

smal voorhoofd kwam als elpenbeen onder de donkerbruine haren te

voorschijn. Blank als haar voorhoofd waren ook hare schoone handen,

handen die als bezielende wezens, eene eigene taal wisten te spreken.

Als zij ze aandachtig samenvouwde, dan was het als spraken zij voor

zichzelve een gebed uit. Zij was buigzaam als een jongen palm, als zij

zich bewoog; toch was er iets voornaams en waardigs in hare houding,

zelfs in de dagen toen ik haar voor het eerst aanschouwde. Dat was

op eene verschrikkelijke plaats, in de ijzingwekkende gevangenkamer

in de Rhakotis. Zij droeg slechts een doorschijnend gewaad, dat eens

kostbaar was geweest. Gelijk een hongerige rat eene gevangene duif, zoo

volgde haar een morsig wijf, dat haar met smaadwoorden overlaadde. Zij

antwoordde niets, maar groote dikke tranen rolden langzaam over hare

bleeke handen, die zij over de borst gekruist hield. Uit hare blikken

spraken leed en angst, maar geene gemoedsbewegingen verstoorden de

regelmatigheid harer trekken. Zelfs de smaadheid wist zij waardig te

dragen, en met welk een taal vervolgde haar de woedende oude!

"Ik was reeds lang gedoopt, en voor mij, den rijken Menander, den

zwager van den praefect Pompejus, stonden alle gevangenissen open,

waarin onder Maximinus zoovele Christenen zouden gedwongen worden

tot afval van hun geloof. Maar zij behoorde niet tot de onzen. Haar

oog ontmoette het mijne; ik maakte het teeken des kruises, maar zij

beantwoordde den heiligen groet niet. Thans voerden de wachters de

oude vrouw weg; zij trok zich echter in een donkeren hoek terug,

hurkte daar neder en verborg het aangezicht met de handen.

"Hoe zonderling het ook was, ik gevoelde deelneming met deze

ongelukkige vrouw tot in het diepst mijner ziel. Het was mij als

behoorde zij aan mij en ik aan haar, en ik stelde vertrouwen in haar,

al vertelde de cipier mij ook in ruwe woorden, dat zij met een Romein

bij dat oude wijf had gewoond, dien zij voor veel geld had opgelicht.

"Den volgenden morgen kon ik niet nalaten weder naar de gevangenzaal te

gaan, om harent- en mijnentwil. Daar vond ik haar weder in denzelfden

hoek, waarin zij den vorigen dag gevlucht was. Haar gevangenkost, een

kruik water en een stuk brood, stond onaangeroerd naast haar. Toen ik

haar nader kwam, merkte ik op, hoe zij een klein stuk van de dunne

snede voor zichzelve afbrak, en vervolgens een christenknaapje, dat

zijne moeder in den kerker gevolgd was, tot zich riep, om dit kind de

rest te geven. Het kind bedankte haar vriendelijk; zij echter greep

en kuste het, ofschoon het er niet mooi en zeer ziekelijk uitzag,

met hartstochtelijke teederheid.

"Wie kinderen zóo lief heeft," zeide ik tot mijzelven, "is niet

bedorven," en ik bood haar aan naar mijn vermogen te helpen. Niet

zonder wantrouwen nam zij mij met de oogen op en zeide, dat zij loon

naar werken ontving, en dat zij alles dragen wilde.

"Eer ik verder bij haar kon aandringen, werden wij door christenen

gestoord. Zij hadden zich geschaard rondom den waardigen Ammonius,

die hen met stichtelijke woorden vermaande en troostte. Zij luisterde

opmerkzaam naar den grijsaard, en den volgenden dag vond ik haar

in gesprek met de moeder van het knaapje, waaraan zij het brood

had geschonken.

"Op zekeren morgen was ik met vruchten gekomen, waarmede ik de

gevangenen en haar in het bijzonder wilde verkwikken. Zij nam een

appel, stond op en zeide zacht: "Thans vraag ik u om een ander

geschenk. Gij zijt een christen; zend mij een priester om mij te

doopen, wanneer hij mij niet voor onwaardig houdt. Want ik ben zoo

zwaar met zonden beladen, zwaarder dan eenige andere vrouw."

"Wederom welden er stille tranen in hare lieve, groote kinderlijke

oogen. Ik sprak haar hartelijk toe en toonde haar de genade van

den Verlosser, zoo goed ik kon. Spoedig daarop heeft Ammonius haar

heimelijk gedoopt. Zij verzocht dat men haar Magdalena zou noemen. Zóo

geschiedde het, en daarna schonk zij mij haar volle vertrouwen.

"Zij had haren echtgenoot en haar kind verlaten, om de wille van een

duivelschen verleider, dien zij naar Alexandrië was gevolgd, en die

haar daar in den steek had gelaten. Alleen, zonder vrienden, in gebrek

en schulden, bleef zij bij eene onmeedoogende en hebzuchtige waardin

achter, door welke zij voor den rechter en in den kerker werd gesleept.

"In welk een afgrond van de diepste zielesmart liet deze vrouw,

die een beter lot waardig was geweest, mij een blik slaan! Wat is

voor eene vrouw het hoogste? Hare liefde, hare moederplicht, hare

eerbaarheid! En Magdalena? Zij had alle drie verspeeld, vergooid door

eigen schuld. De slagen van het lot, waaraan wij niets veranderen

kunnen, laten zich gemakkelijk dragen, maar wee hem die door eigen

toedoen, zijn levensgeluk verstoort!

"Zij was eene zware zondares; zij gevoelde dit met bitter berouw en

wees mijn aanbod haar vrij te koopen, standvastig af. Zij hunkerde

naar de straf, gelijk een koortslijder naar den bitteren drank,

die zijn bloed tot bedaren zal brengen.

"Bij den gekruisigde! Ik heb onder zondaars meer edel menschelijk

gevoel gevonden, dan bij menig rechtvaardige in priesterlijk gewaad!

"De kerker kreeg voor mij door Magdalena zijn heiligheid terug. Vroeger

had ik die plaats dikwijls met diepe verachting verlaten, want onder de

gevangene christenen was veel lui volk, dat den Heiland in het openbaar

had beleden, om zich te doen onderhouden door de liefdegaven der

geloofsgenooten. Ik vond er vloekwaardige misdadigers, die de verbeurde

zaligheid door den marteldood hoopten terug te erlangen. Ik hoorde het

gejammer der blooden, die den dood niet minder vreesden, dan verraad te

plegen jegens den Allerhoogste. Men kon er hartverscheurende tooneelen

aanschouwen, maar ook toonbeelden der verhevenste zielegrootheid. Ik

zag mannen en vrouwen, die in stillen vrede den dood tegengingen,

en wier uiteinde waarlijk edeler was dan de geprezene zelfopoffering

van een Codrus of een Decius Mus.

"Onder alle gevangen was er geene vrouw of geen man kalmer,

vastberadener, meer berustend dan Magdalena. Het woord: 'Er zal

meer vreugde zijn in den hemel over éen zondaar die zich bekeert,

dan over negen en negentig rechtvaardigen', sterkte haar wonderbaar,

en zij heeft boete gedaan, waarlijk dat heeft zij. En ik? God is mijn

getuige, dat geene zinnelijke begeerte, die een man tot eene vrouw

voert, mij tot haar trok. Toch kon ik haar niet verlaten; over dag

was ik bij haar en haar zocht mijne ziel bij nacht. Het kwam mij voor

dat niets heerlijker kon zijn, dan met haar te mogen sterven.

"Het was in den tijd van het vierde vervolgingsdecreet, weinige

maanden nadat het eerste tolerantie-edict werd uitgevaardigd. Wie

offert, zoo luidde het steeds, is straffeloos; wie zich daartegen

echter verzet, zal door alle middelen daartoe gedwongen worden. Zij

die zich hardnekkig toonen, zullen den dood ondergaan. Lang was er met

toegevendheid te werk gegaan; thans joeg men de gevangenen schrik aan,

door de wet opnieuw voor te lezen. Velen verborgen zich, steunende en

weeklagende, anderen baden overluid, en de meesten wachtten angstig

en met bleeke lippen de dingen die komen zouden. Magdalena bleef

volmaakt kalm.

"Thans werden de namen der gevangene christenen opgeroepen, en de

keizerlijke soldaten brachten ze op éene plaats samen. Noch mijn naam,

noch de hare waren genoemd, want ik behoorde niet tot de gevangenen,

en men had haar niet om het geloof in den kerker gezet. Reeds rolde

de beambte zijne lijst op; daar stond Magdalena op, trad naar voren

en zeide met kalme waardigheid: "Ook ik ben eene christin!"

"Als er een engel bestaat met menschelijke gelaatstrekken, dan

moet zijn aangezicht gelijken op het hare, zooals ik het in die ure

aanschouwde. De Romein, een waardig man, zag haar met een vorschend

oog welwillend aan, schudde het hoofd, en zeide luide, terwijl hij

op zijn geschrift wees: "Ik vind uw naam hier niet geschreven!" Zacht

voegde hij er bij: 'en wil haar ook niet vinden.'

"Toen naderde zij hem en zeide luide: 'Gun mij mijne plaats bij

mijne geloofsgenooten, en schrijf nu op: Magdalena, de christin,

weigert te offeren!'

"Mijne ziel werd heftig bewogen en in blijden ijver riep ik: 'Teeken

ook mij op en schrijf: Menander, de zoon van Herophilus, een christen,

weigert desgelijks.'

"De Romein deed zijn plicht. Geen oogenblik van dien dag heeft de

tijd mij doen vergeten. Daar stond het altaar en daarnaast aan de

eene zijde de heidensche priester, aan de andere de keizerlijke

beambte. Twee aan twee werden wij voorgebracht. Magdalena en ik

waren de laatste. Een enkel woord bracht hier leven en vrijheid,

daar marteling en dood. Onder dertig hadden slechts vier den moed

gehad het offer te weigeren; de kleinmoedigen weeklaagden echter

en sloegen zich voor het hoofd, en baden dat de Heer den moed der

anderen mocht sterken.

"Een onbeschrijfelijk rein gevoel vervulde mijne ziel. Het was mij als

zweefden wij te zamen, bevrijd van de banden des lichaams, op lichte

wolken heen. Kalm en gelaten weigerden wij het offer, en dankten

den keizerlijken ambtenaar, die ons goedhartig vermaande. Toen wij

te samen, in hetzelfde vertrek, op hetzelfde uur aan den beul werden

overgegeven, zag zij naar boven en ik slechts op haar. Te midden van

de gruwzaamste pijnen aanschouwde ik den Heiland, mij wenkende, van

engelen omgeven, die op lichte wolkjes zweefden, die aan het oog zich

vertoonden als enkel glansrijk licht en aan het oor als schoone muziek.

"Roerloos verdroeg zij het verschrikkelijkste; slechts eenmaal riep

zij den naam uit van haar zoon Hermeias. Toen richtte ik mijne blikken

op haar en zag, hoe zij met bevende lippen en wijd geopende oogen

ten hemel staarde. Zij leefde nog en toch was zij reeds bij Hem;

zij lag nog op de folterbank en toch gevoelde zij zich zalig.

"Mijn krachtig lichaam bleef mij nog aan het stof binden; zij vond

reeds verlossing bij het begin der marteling. Ikzelf drukte haar

de oogen toe, de liefelijkste oogen, waarin zich ooit de hemel

afspiegelde. Ik trok den ring van hare bloedende, zachte, blanke

hand, en hier, hier onder deze ruwe vacht, bewaar ik hem. En ik bid,

ik bid!... Mijn hart!... God, als het eens zoo ware! Als toch het

einde....!

Paulus bracht de hand aan het voorhoofd en zonk uitgeput, door zijne

aandoeningen overweldigd, geheel onmachtig op zijn leger neder.

De kranke had in ademlooze spanning zijn verhaal gevolgd; sedert

lang had hij zich reeds hoog opgericht, en was, zonder dat de andere

het bemerkt had, op de knieën nedergezonken. Thans sleepte hij zich

voort tot den bewustelooze. Gloeiend en bevend over al zijne leden,

boog hij zich over hem, trok de vacht van zijn borst, zocht driftig

met de handen naar den ring, vond dien, bekeek hem, als wilde hij dien

met zijne oogen verslinden, drukte hem een en andermaal aan zijn hart,

en dan weder aan zijne lippen, bedekte zijn gelaat met beide handen,

en weende bitter. Eerst toen Hermas uit de oase terugkeerde, dacht

hij aan zijn vriend, die daar uitgeput lag ineengezonken, en riep

hem met behulp van zijn zoon in het leven terug.

Paulus weigerde niet spijs en drank te nuttigen, en toen hij, versterkt

en als tot een nieuw leven ontwaakt, in de avondkoelte naast Stephanus

buiten het hol zat, en van den grijsaard had vernomen, dat Magdalena

zijne vrouw was geweest, zeide hij, op Hermas wijzende: "Nu weet ik,

waarom ik dezen van den aanvang zoozeer heb liefgehad."

De oude man drukte hem zacht de hand, want hij gevoelde zich door een

nieuwen teederen band aan zijn verpleger verbonden. De zekerheid dat

zijne altijd nog zoo teerbeminde vrouw, de moeder van zijn zoon, als

christin, als martelares was gestorven en vóor hem den weg ten hemel

had gevonden, vervulde hem met stille zaligheid. Vreedzaam als een

kind sliep hij den volgenden nacht, en toen er 's morgens afgezanten

uit Raïthoe verschenen, om Paulus uit te noodigen den heiligen berg

te verlaten en tot hen te komen, ten einde zich als presbyter aan hun

hoofd te stellen, zeide Stephanus: "Volg gerust deze schoone roeping,

die gij verdient. Ik heb uwe hulp thans waarlijk niet meer noodig,

want ik zal ook zonder verpleging wel genezen."

Maar Paulus, meer verontrust dan verblijd, verzocht de afgezanten

dringend hem een tijd van zeven dagen toe te staan om zich te

bedenken. Hij liep vervolgens rusteloos van de eene heilige plaats

naar de andere, en eindelijk naar de oase, om in de kerk te bidden.

Homo sum: Roman · 第 14 / 30 题