Mirjam had goed gehoord. Terwijl zij bij het avondeten werd opgehouden,
had Hermas de deur van den hof geopend. Hij was gekomen om den senator,
uit erkentelijkheid voor de geneesmiddelen, waaraan zijn vader zooveel
beterschap had te danken, een flinken jongen steenbok te brengen,
dien hij weinige uren geleden geschoten had. Hij had hiermede wel
tot den volgenden morgen kunnen wachten, maar hij vond geen rust
boven op den berg en hij kon noch wilde het zichzelven verhelen,
dat veel minder het verlangen om zijn gevoel van dankbaarheid uit te
spreken hem naar de oase dreef, dan wel de hoop om Sirona te zien en
een woord van hare lippen te hooren.
Sedert zijne eerste ontmoeting had hij haar meermalen gesproken,
en hij was zelfs in haar huis geweest, als zij hem wijn voor zijn
vader gaf en hij de ledige flesschen terugbracht. Eens, terwijl zij de
flesch die hij vasthield uit de groote kan vulde, hadden hare blanke
vingers de zijne aangeraakt, en haar vraag of hij dan bang voor haar
was, of waarom anders zijne hand, die toch zoo sterk scheen te zijn,
zoo angstig beefde, kon hij maar niet vergeten.
Hoe meer hij het huis van Petrus naderde, des te heviger klopte zijn
hart. Hij bleef voor de deur van den hof staan om adem te halen en
weder op zijn verhaal te komen, want hij gevoelde dat het hem, in
zulk een opgewonden toestand, moeielijk zou vallen in behoorlijke
orde zijne gedachten uit te spreken. Eindelijk greep zijne hand den
knop van de deur en trad hij den hof binnen.
De honden kenden hem al en sloegen maar even aan, toen hij den drempel
overschreed. Hij had iets te brengen en wilde niets wegnemen, en
toch scheen het hem toe alsof hij een dief was, toen hij eerst opzag
naar het groote huis, dat door het maanlicht helder werd beschenen,
en dan naar het huis van den Galliër, dat daar, in duisternis gehuld,
in onbestemde omtrekken stond, en eene breede donkere schaduw wierp
op het glad geloopen en glinsterend graniet van het plaveisel. Er was
geen mensch te bespeuren, en de reuk van het feestgebraad zeide hem,
dat Petrus en de zijnen aan den maaltijd zaten.
"Ik zal hun, die daar zitten te smullen, ongelegen komen," sprak hij
in zichzelven, terwijl hij den bok neerlegde op den steenen bank bij de
deur en daarbij naar het hem maar al te goed bekende venster van Sirona
keek. Het was niet verlicht, maar hij zag toch iets wits in het steenen
kozijn, en dit trok zijne blikken met onweerstaanbare toovermacht
aan. Nu bewoog het zich; daar verhief Sirona's hazewindhondje vlak
bij hem zijn schelle stem.
Zij was het, zij moest het zijn! Haar beeld trad hem in al zijn
glans voor de oogen, en opeens kwam het hem in de gedachte, dat zij
alleen was, want hij was Phoebicius en de oude slavin te midden van
de Mithras' aanbidders op den weg in de oase tegengekomen.
Hoe was die vrome jonkman, die de geeselriemen op zijn vleesch deed
nederdalen, om verleidelijke droomgestalten te verbannen, in weinige
dagen veranderd! Om zijn vaders wil had hij den berg nog niet verlaten,
hij was echter besloten de wereld niet langer te ontvluchten, maar
haar veeleer op te zoeken. De verpleging zijns vaders had hij aan den
vromen Paulus overgelaten, en hij had beneden de rots omgezworven. Nu
eens oefende hij zich daar in het werpen met de schijf, dan weder
maakte hij jacht op steenbokken en roofdieren. Soms daalde hij, doch
altijd wel een weinig schroomvallig, in de oase af, om daar rondom
het huis van den senator te loopen, ten einde Sirona te zien.
Thans werd hij met eene onweerstaanbare kracht tot haar getrokken,
daar hij wist dat zij alleen was. Wat hij van haar wilde, wist hij
zichzelven eigenlijk niet te zeggen, en volmaakt duidelijk was hem
niets, dan dat hij wenschte haar vinger nog eens met den zijnen
aan te raken. Of dat zonde moest heeten of niet, dit was hem vrij
onverschillig. Zonde had men ook zijn onschuldig spel genoemd,
zonde elke gedachte aan de wereld, waarnaar hij verlangde, en hij
was geheel besloten de zonde voor zijn rekening te nemen, ten einde
zijn doel te bereiken. Het was ten slotte toch niet anders dan
een schrikbeeld, waarmede men kinderen bang maakt, en de waardige
Petrus had hem verzekerd, dat hij een man was, van wien men daden
moest verwachten. In het gevoel dat hij een ongehoord waagstuk ging
beginnen, naderde hij het venster van de Gallische, en deze herkende
hem terstond, want hij werd beschenen door het licht van de volle maan.
"Hermas!" hoorde hij zacht roepen.
Hem overviel zulk een hevige schrik, dat hij als aan den grond genageld
bleef staan, en meende dat zijn hart ophield te kloppen.
Andermaal riep eene zachte vrouwestem: "Hermas zijt gij het? Wat
brengt u zoo laat in den avond tot ons?"
Hij stamelde onsamenhangende woorden; doch zij zeide: "Ik kan u niet
verstaan; kom wat nader bij."
Onbewust bewoog hij zijn voet en trad in de schaduw van het huis tot
aan haar venster.
Zij droeg een wit gewaad met open mouwen, en hare armen kwamen niet
minder helder dan haar kleed tegen de duisternis uit.
Het hazewindje begon weder te keffen. Zij bracht het tot bedaren en
vroeg vervolgens aan Hermas hoe het zijn vader ging, en of hij ook
wijn noodig had.
Hij antwoordde dat zij goed was, engelachtig goed; dat de kranke
weder geheel bijkwam, en dat zij hem veel te veel van hare goede
gaven had geschonken. Wat beiden verder spraken mocht ieder hooren;
toch fluisterden zij, alsof het over verbodene dingen handelde.
"Wacht even," verzocht Sirona, en verdween in de kamer. Een oogenblik
later verscheen zij weder en zeide op zachten treurigen toon: "Ik
wilde u uitnoodigen binnen te komen, maar Phoebicius heeft de deur
gesloten. Ik ben geheel alleen. Houdt de flesch omhoog, opdat ik haar
door het venster uit de kruik vulle."
Bij deze woorden bukte zij naar de groote wijnkan. Zij was sterk,
maar de kruik scheen haar heden veel moeielijker op te tillen dan op
andere dagen, en zuchtend zeide zij: "De amphora is mij te zwaar."
Hij hief de hand naar het venster op; wederom raakten hare vingers de
zijne aan, en weder had hij hetzelfde zalig gevoel, waaraan hij dag en
nacht had gedacht, sedert hij het voor de eerste maal had ondervonden.
Op dit oogenblik kwam er beweging in het tegenoverliggende huis. De
slaven stonden van den maaltijd op. Sirona wist wat er plaats had. Zij
schrikte en riep, terwijl zij angstig naar de deur van den senator
wees: "Bij alle goden, zij komen, en wanneer zij u hier opmerken,
ben ik verloren."
Hermas overzag, terwijl hij scherp luisterde naar hetgeen er in het
andere huis gebeurde, met een snellen blik den hof. Zoodra hij begreep,
dat het onmogelijk zou zijn de meer en meer naderende slaven van Petrus
te ontloopen, riep hij Sirona gebiedend toe: "Ga achteruit!" en sprong
door het venster in het vertrek van den Galliër.
Op hetzelfde oogenblik ging de deur van den senator open en liepen de
slaven den hof in, Mirjam de eerste van allen. Vol verwachting overzag
zij de groote ruimte, om met hare oogen hem te zoeken. Zij zag zich
teleurgesteld; hij was er niet. Toch had zij hem hooren binnenkomen, en
de deur had zich niet andermaal geopend; dat wist zij stellig en zeker.
Eenige slaven begaven zich naar den stal, anderen gingen de poort
door de straat op, om van de avondkoelte te genieten. Jethro's oog
viel op den steenbok. Hij liet het beest door een der slaven optillen
en in de schuur brengen. Hij onderzocht niet hoe het hier kwam, want
een Amalekietisch jager, wien Petrus een stuk grond in gebruik had
gegeven, was gewoon telkens het beste deel van zijn buit, zonder een
woord er bij te voegen, voor de deur van zijn weldoener neer te leggen.
De slaven zetten zich buiten in groepen op den grond, keken naar
de sterren, babbelden en zongen. De herderin bleef alleen in den
hof achter, en doorsnuffelde dien in alle hoeken, als zocht zij
een verloren kleinood. Zij keek zelfs achter de molensteenen en
de donkere schuur, waarin de werktuigen der steenhouwers bewaard
werden. Eindelijk bleef zij staan en balde de kleine vuisten. In
weinige vlugge sprongen stond zij in den schaduw van het huis, waarin
de Galliërs woonden. Tegenover Sirona's venster bleef zij staan. De
man die daar binnen op en neer liep was hij en geen ander.
Thans wist zij waar hij toefde. Zij beproefde te lachen, omdat de smart
die zij ondervond haar te brandend heet scheen om die door tranen te
kunnen blusschen. Met dit al verloor zij toch hare tegenwoordigheid
van geest niet geheel en al. "Zij zijn in het donker," dacht zij,
"en zullen mij zien wanneer ik onder het venster ga staan om te
luisteren. Toch moet ik weten wat zij samen doen."
Fluks keerde zij de woning van den Galliër den rug toe, trad in
den helderen maneschijn, bleef daar een oogenblik staan, en ging
vervolgens het slavenverblijf binnen. Weinige oogenblikken later
sloop zij achter de molensteenen, en kroop van daar zonder geritsel
als een slang over den grond, langs de in den donkeren schaduw
liggende fundamenten van het huis van den centurio, om onder het
venster van Sirona te blijven liggen. Haar hart klopte zoo luide,
dat het hare scherpe ooren moeielijk viel te luisteren. Maar al kon
zij niet verstaan wat hij zeide, zij onderscheidde toch de klank van
zijne stem. Hij bevond zich niet meer in Sirona's vertrek, maar met
haar in de kamer aan de straat. Zij kon liet dus wagen op te staan,
om door het geopende venster naar binnen te zien.
De deur, die de beide vertrekken van den Galliër verbond, was gesloten,
en eene lichtstreep zeide haar, dat er in Phoebicius' woonkamer, waar
zij samen waren, eene lamp brandde. Reeds strekte zij de hand uit,
om in het donkere slaapvertrek te klimmen, toen een luide schaterlach
van Sirona haar oor trof.
Het beeld harer vijandin trad haar voor de verbeelding, schitterend
en in een stralenkrans van licht, als op dien morgen, toen Hermas
tegenover haar had gestaan, door betoovering als aan den grond
genageld. En thans, thans lag hij zeker aan hare voeten, zeide hij
haar zoete, vleiende woorden, sprak hij haar van liefde, strekte hij
zijn arm naar haar uit. En zij had gelachen!
Daar lachte zij weder!
Waarom werd het nu stil?--Bood zij hem misschien hare lippen aan
tot een kus?--Zeker, zeker!--En Hermas rukte zich niet los uit hare
blanke armen, zooals hij op dien middag aan de bron zich met afschuw
uit de hare had losgewrongen, om niet weder te keeren!
Het koude zweet stond haar op het voorhoofd. Als eene waanzinnige
greep zij in hare dikke zwarte haren, en haar bleeke mond kon een luide
kreet niet terughouden, die geleek op het geschreeuw van een angstig
dier. Eenige oogenblikken later sloop zij door de stallen en de poort,
waardoor men het vee uitdreef, naar buiten, en vloog, zichzelve niet
meer meester, den berg op naar de Mithrasgrot, naar Phoebicius,
Sirona's echtgenoot. De Anachoreet Gelasius zag van verre in de
maneschijn de gedaante van de herderin, die daar den berg opklauterde,
en hoe haar schaduw haar volgde van steen tot steen. Hij wierp zich
ter aarde en sloeg een kruis over zijn voorhoofd, want hij meende
eene spookgestalte gezien te hebben uit de heidensche godenwereld,
eene Oreade [4], door een satyr vervolgd.
Sirona had de kreet van de herderin gehoord.
"Wat was dat?" vroeg zij verschrikt den jonkman, die in den vollen
feestdos van een Romeinsch officier, zoo schoon als een jonge
krijgsgod, maar links en tamelijk onkrijgshaftig in zijne bewegingen
voor haar stond.
"Er heeft een uil gekrast," antwoordde Hermas. "Vader moet mij
eindelijk zeggen uit welk geslacht wij afkomstig zijn, en dan ga ik
naar Byzantium, het nieuwe Rome, om den keizer te zeggen: "Hier ben
ik. Ik wil onder uwe soldaten voor u strijden."
"Zóo bevalt ge mij," riep Sirona.
"Als dat waar is," hernam Hermas, "zoo bewijs het mij, en laat mij
slechts eenmaal mijne lippen op uw gouden haren drukken. Gij zijt zoo
schoon en vriendelijk als eene bloem; zoo vroolijk en schitterend als
een vogel, en toch zoo hard als het gesteente van onzen berg. Als ge
mij niet éen kus toestaat, word ik ziek en kwijn ik weg van smachtend
verlangen, eer ik van hier weg kan komen, om in den krijg mijne kracht
te toonen."
"En willigde ik uw verlangen in," zeide de Gallische lachend, "zoo
zoudt gij steeds meer kussen willen hebben, en ten laatste in het
geheel niet meer weg kunnen komen. Neen, neen, mijn vriend, ik ben
de wijste van ons beiden. Ga nu in de donkere kamer. Ik wil eens
onderzoeken of de lieden weder naar binnen zijn gegaan, en of gij door
het venster aan de straat ongehinderd weg kunt komen; want gij zijt
reeds veel te lang bij mij geweest. Hoort gij, dit verlang ik bepaald!"
Hermas gehoorzaamde met een zucht. Sirona opende intusschen de
vensterluiken en zag naar buiten. De slaven gingen juist in den
hof terug. Zij riep hen eenige vriendelijke woorden toe, die niet
minder vriendelijk beantwoord werden, want de Gallische, die ook met
welgevallen op den geringste neerzag, was bij allen even geliefd. Met
volle teugen dronk zij de koele nachtlucht in, en zag vergenoegd naar
de maan op, want zij was zeer tevreden over zichzelve.
Toen Hermas in haar kamer was gesprongen, was zij verschrikt
achteruitgegaan. Doch hij had haar hand gegrepen en zijne brandende
lippen op haar arm gedrukt. Zij had hem laten begaan, want een
zonderlinge verwarring had zich van haar meester gemaakt. Daar hoorde
zij hoe vrouw Dorothea riep: "Zoo aanstonds, zoo aanstonds! Ik wil
de kinderen eerst goeden nacht zeggen."--Deze eenvoudige woorden
uit dien mond werkten als met een toovermacht op de schoone vrouw,
die zoo mishandeld en gewantrouwd werd, die toch zoo geheel geschapen
was voor geluk, liefde en vreugde, en wier hart zoo warm klopte.
Toen haar echtgenoot haar opgesloten en zelfs hare slavin met zich
medegenomen had, was zij eerst begonnen te razen en te weenen. Zij
dacht aan wraak, aan vluchten, maar was geëindigd met, innerlijk
beleedigd en stil, voor het venster plaats te nemen, om te denken
aan haar schoon vaderland, hare broeders en zusters, en de donkere
olijvenbosschen van Arelate.
Daar verscheen Hermas. Het was haar niet ontgaan, dat de jonge
Anachoreet haar hartstochtelijk bewonderde, en dat verheugde haar,
want hij beviel haar. Het streelde haar en scheen haar van dubbele
waarde, dat hij in verwarring was geraakt toen hij haar aanzag; want
zij wist dat de kluizenaar in het schaapsvel, wien zij den wijn schonk,
toch eigenlijk een aanzienlijk jongeling was. En hoe verdiende de
arme jongen medelijden, daar een harde vader hem zijne jeugd ontstal!
Eene vrouw toont den man, met wiens lot zij begaan is, gemakkelijk
eene teedere toegenegenheid, misschien omdat zij het aan hem te danken
heeft, dat zij zich de sterkere mag gevoelen, en omdat door hem en
zijn leed de edelste begeerte van haar vrouwelijk gemoed, namelijk
om hulp te bewijzen door zorgvuldige verpleging, bevrediging mag
verwachten. In de harten van mannen pleegt de liefde te verflauwen,
als het medelijden begint. Op de ontkiemende plant eener vrouwelijke
neiging werkt de bewondering als de zonneschijn, en het medelijden
is de glans, die van het vrouwelijk gemoed zelve uitstraalt.
Maar noch het een noch het ander had dien avond Sirona aanleiding
gegeven, om Hermas aan haar venster te roepen. Zij gevoelde zich
zoo beangst en verlaten, dat ieder haar welkom moest zijn, uit wiens
mond zij een vriendelijk woord mocht verwachten, een woord dat haar
beleedigd gevoel van eigenwaarde weder kon opwekken. Daar verscheen
nu de Anachoreet, die in hare nabijheid zichzelven, en al het overige
vergat; wiens blikken, wiens bewegingen, wiens zwijgen haar zelfs
scheen te huldigen. En dan zijn dwaze sprong in haar venster, en zijn
hartstochtelijk bedelen om een gunst! Dat is liefde, zeide zij tot
zichzelve. Hare wangen gloeiden, en toen Hermas hare hand greep en
zijne lippen op haar arm drukte, weerde zij hem niet af, totdat de stem
van Dorothea haar herinnerde aan die waardige vrouw en hare kinderen,
en door deze aan hare eigene ver verwijderde broertjes en zusjes.
Als een reinigende stroom vervulde de gedachte aan deze reinen haar
ontroerd gemoed, en opeens stelde zij zich de vraag: Wat zou ik toch
zijn zonder die daar aan de overzijde, en is deze groote verliefde
knaap, die nog pas als een schoolknaap tegenover Polycarpus stond,
dan waard, dat ik om zijnentwil het recht opgeef hun vrij in de
oogen te zien? Zij weerde daarom Hermas, die het voor de eerste maal
waagde met zijne lippen hare welriekende goudgele haren te naderen,
met gestrengheid af, en gebood hem bescheiden te zijn en hare hand
los te laten.
Zij sprak zacht, maar op zulk een beslissenden toon, dat de jongeling,
aan gehoorzaamheid gewend, zich zonder weerstand te bieden door
haar in het woonvertrek liet duwen. Daar stond een brandende lamp
op de tafel, en op de rustbank, geplaatst tegen een der zijwanden,
die met bonte kleuren beschilderd waren, lagen de kleederen, de helm,
de staf van den centurio en de overige deelen van zijne wapenrusting,
die Phoebicius had afgelegd, vóor hij naar het Mithrasfeest was gegaan,
om zich te tooien met het gewaad van een ingewijde in den leeuwengraad.
Het lamplicht deed nu ook Sirona's edele gestalte uit het duister
te voorschijn komen. Toen zij daar zoo in al hare schoonheid, met
blozende wangen, voor hem stond, begon het hart van den jonkman sneller
te kloppen. Opnieuw ontwaakte zijne stoutheid en breidde hij zijne
armen uit om haar te omvatten. Doch de Gallische ging voor hem uit
den weg, trad achter de tafel, legde hare handen op het gepolijste
blad, en verweet hem, door dit meubel als door een schild beschut,
op schier moederlijken toon, zijne meer dan vrije, aanmatigende,
ja onpassende handelwijze. Iemand die het vrouwelijk hart kent, zou
over deze woorden, uit dezen mond en in dit uur, geglimlacht hebben,
doch Hermas sloeg schaamrood de oogen neder, en was niet in staat
een enkel woord tegen te spreken.
Bij de Gallische had eene groote verandering plaats gegrepen. Zij
gevoelde zich trotsch op hare deugd, op de overwinning die zij
over zichzelve had behaald, en wenschte, terwijl zij zich vermeide
in den glans harer eigene voortreffelijkheid, dat ook Hermas deze
mocht opmerken en erkennen. Zij begon hem onder het oog te brengen,
hoeveel zij in de oase te ontbeeren en te lijden had, en sprak
over de eerbaarheid en de plichten van de vrouw, en de slechtheid en
vermetelheid der mannen. Hermas, zeide zij, was niet beter dan de rest,
en omdat zij goed voor hem was geweest, daarom meende hij reeds een
recht op haar hart te hebben. Daarin bedroog hij zich echter zeer, en
als de hof maar vrij was, zou ze hem reeds lang de deur hebben gewezen.
De jonge kluizenaar luisterde maar half naar hare woorden, want
zijne aandacht werd geboeid door de voor hem liggende wapenrusting
van Phoebicius, die aan zijne hartstochtelijke aandoeningen eene
nieuwe richting gaf. Onwillekeurig strekte hij zijne hand uit naar
den blinkenden helm, en viel de schoone spreekster in de rede met de
vraag: "Mag ik hem opzetten?"
Toen lachte Sirona. Zij riep vroolijk en in eene geheel andere
stemming: "Neem hem maar! Gij zoudt wel een soldaat willen zijn?--Wat
staat hij u goed!--Doe nu die leelijke schaapsvacht eens af en laat
zien hoe een Anachoreet er als centurio uitziet."
Hermas liet zich dit geen tweemaal zeggen. Hij kleedde zich met de
wapenrusting van den Galliër, en Sirona hielp hem daarbij.
Het moet toch wel treurig met ons menschen gesteld zijn! Hoe komt het
anders, dat wij reeds van onze jeugd zulk een groote lust plegen te
hebben in verkleedingen, dat is in het prijsgeven van onzen eigen
persoon ten gunste van een ander, wiens gestalte wij borgen? Dit
moeielijk te verklaren genot deelt het kind met den wijze, en de
ernstige man, die het zou willen veroordeelen, zou daarom juist
geen wijze zijn. Want wie zich geheel en al van elke dwaasheid wil
onthouden, is des te zekerder een dwaas, naarmate hij het minder meent
te zijn. Met name voor de vrouwen heeft het verkleeden van anderen iets
buitengemeen bekoorlijks. Men mag dikwijls vragen wie meer geniet, de
kamerjuffer die hare meesteres tooit, of de met zooveel kostbaarheden
opgesierde gebiedster.
Sirona hield van elke vermomming. Indien men naar een grond had
moeten zoeken, waarom de kinderen en kleinkinderen van den senator
haar zoo liefhadden, dat had men zeker niet in de laatste plaats mogen
noemen dat zij zich door dezen gewillig en in opgeruimde stemming met
bontkleurige doeken, linten en bloemen liet opsieren, en dat zij van
hare zijde ook de kunst verstond, om de allergrappigste verkleedingen
uit te denken.
Zoodra zij Hermas met den helm voor zich zag staan, bekroop haar de
lust om de vermomming, die hijzelf begonnen was, te voltooien. Geheel
onbezorgd was zij ijverig in de weer om de wapenrok recht te
trekken. Zij hielp hem het pantser dichtgespen en het zwaard
vastmaken. Onder dezen arbeid, waarbij de Anachoreet zich tamelijk
onbeholpen aanstelde, klonk telkens haar buitengemeen gulle en
vroolijke lach. Zoodra hij, hetgeen trouwens nog al eens gebeurde,
hare hand zocht te grijpen, tikte zij hem gevoelig op de vingers en
zette hem met een krachtig woord op zijn plaats.
Hermas' verlegenheid verdween al meer en meer bij dit genoeglijk
spel, en weldra begon hij haar mede te deelen, hoe hij dat eenzame
leven op den berg verafschuwde. Hij vertelde haar, dat Petrus zelf
hem geraden had zijne kracht in de wereld te beproeven, en deelde
haar in vertrouwen mede, dat hij, als zijn vader genezen zou zijn,
soldaat wilde worden en roemrijke daden verrichten. Zij betuigde
hare ingenomenheid met dit besluit, prees hem en wekte hem er nog
meer toe op. Dan weder berispte zij zijne linksche houding, toonde
hem met komischen ernst hoe een krijgsman moet staan en gaan, noemde
zich zijn drilmeester, en verlustigde zich in den ijver, waarmede
hij zich bereid toonde haar in alles na te volgen.
Met dit spel vloog de tijd om. Hermas gevoelde zich trotsch in zijn
soldaten-uniform, en gelukkig door hare tegenwoordigheid en in het
uitzicht op zijne toekomstige daden. Sirona was echter zoo opgeruimd
als anders bij het spelen met de kinderen, en zelfs de rauwe kreet van
Mirjam, dien de jonkman voor het gekras van een nachtuil had gehouden,
kon haar slechts voor een oogenblik herinneren aan het dreigend gevaar,
waaraan zij zich blootstelde.
De slaven van Petrus waren reeds lang ter ruste gegaan, toen het spel
met Hermas haar begon te vermoeien, en zij hem beval de wapenrusting
van haar man af te leggen en haar te verlaten.
Hermas gehoorzaamde, terwijl zij het vensterluik, dat op de straat
uitkwam, voorzichtig opende, en zich tot hem omkeerende zeide: "Gij
moogt niet door den hof, door dit venster moet gij naar buiten. Doch
daar komt iemand de straat op. Laat hem eerst voorbijgaan. Het zal
wel niet lang duren, want hij schijnt haast te hebben."
Zeer voorzichtig trok zij het luik naar zich toe en lachte weder,
toen zij zag hoe onbeholpen Hermas te werk ging bij het losgespen
der scheenplaten. Maar op hare vroolijke lippen bestierf weldra het
lachen, toen de tuindeur openvloog, en zij de stem van haar echtgenoot
herkende, die de honden het stilzwijgen oplegde.
"Voort, voort, om aller goden wil!" riep zij met bevende stem,
doofde de lamp uit, met eene snelle tegenwoordigheid van geest, die
de natuur aan zwakke vrouwen als wapen heeft verleend, wanneer zich
plotseling een gevaar opdoet, drong Hermas naar het venster en stiet
de luiken open. De jonkman sprong, zonder haar vaarwel te zeggen,
met een vaart op den weg, en vloog, achtervolgd door het geblaf der
honden, die hij in alle huizen deed ontwaken, de straat op in de
richting van het kerkje.
Hij was nog niet halverwege gekomen, toen eene mannelijke gedaante
hem tegemoet kwam. Angstig sprong hij in de schaduw van een huis,
maar de nachtwandelaar verhaastte nu zijne schreden en kwam recht
op hem af. Toen begon hij opnieuw te loopen. De andere vervolgde hem
echter en bleef hem op de hielen, tot hij buiten het bereik der huizen
was gekomen, en het bergpad betreden had. Hermas gevoelde, dat hij
vlugger was dan zijn vervolger, en maakte reeds aanstalte om over een
rotsblok te springen, dat hem in den weg lag, toen hij hoorde dat hij
bij zijn naam werd geroepen. Hij bleef staan, want hij had in de stem
van den man voor wien hij vluchtte, die van den goeden Paulus herkend.
"Gij zijt het dus," zeide de Alexandrijn, en snakte kuchend naar
adem. "Ja, gij zijt vlugger dan ik. De jaren hangen lood aan de
voeten. Doch weet gij wat u zulke snelle vleugels verleent? Gij hebt
het zooeven ondervonden. Ik bedoel een slecht geweten. Van het uwe
is bijzonder veel fraais te vertellen! De honden blaften het luid
genoeg uit in den nacht!"
"Laat ze blaffen," antwoordde Hermas trotsch, en zocht zich te
vergeefs los te wringen uit de sterke hand van den Anachoreet, die
hem vasthield. "Ik heb niets kwaads gedaan!"
"Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw," hernam Paulus met
hoogen ernst op zijn zwaren toon. "Gij zijt bij de schoone vrouw
van den centurio geweest, en uwe samenkomst is gestoord. Waar is
uw schaapsvel?"
Hermas verschrikte, greep naar zijn schouder en riep, terwijl hij
zich met de hand voor het voorhoofd sloeg: "Barmhartige hemel, ik
liet het bij haar liggen. Nu zal die wreedaard het vinden?"
"Heeft hij u zelven dan niet gezien?" vroeg Paulus met ijverige
belangstelling.
"Neen, stellig niet," zeide Hermas zuchtend, "maar dat vel..."
"Zoo, zoo," prevelde Paulus. "Uwe zonde wordt daardoor niet
kleiner. Maar er dient toch iets gedaan te worden. Denk eens, als
dit uw vader ter oore kwam, het zou hem het leven kunnen kosten."
"En de arme Sirona!" zuchtte Hermas.
"Laat dat maar aan mij over," vervolgde Paulus. "Met haar zal ik
den arm wel in 't lid brengen. Daar, neem mijn schaapsvel.--Gij wilt
niet? Waarlijk, wie zich niet ontziet den echt te breken, die maakt er
ook geen gewetenszaak van den moordenaar zijns vaders te worden.--Zóo
is het goed! Hier aan den schouder wordt het saamgebonden. En
gij zult het noodig hebben, want gij moet van hier weg. Niet voor
slechts heden en morgen. Gij verlangdet zoo om de wereld in te gaan;
nu zult gij er een proef van kunnen geven, of gij waarlijk in staat
zijt op eigen beenen te staan. Gij gaat eerst naar Raïthoe en brengt
daar mijn groet aan den vromen Nikon. Deel hem mede, dat ik op den
berg moet blijven; want in mijn langdurig gebed in de kerk ben ik te
weten gekomen, dat ik niet waardig ben het ambt van presbyter, dat zij
mij hebben opgedragen, te aanvaarden. Vervolgens laat gij u door een
schipper over de Roode zee zetten, en zwerft rond langs den Egyptischen
oever. Daar aan de overzijde hebben zich troepen Blemmyers vertoond,
die gij in het oog moet houden. Zoodra die wilde gezellen beproeven
over te steken, om ons opnieuw te overvallen, moet gij de wacht op den
bergtop waarschuwen. Hoe gij de zee weder over en hen vóor komt, dat
is uw zaak. Acht gij u zelven dapper en omzichtig genoeg om deze taak
te volbrengen?--Ja?--Dat had ik verwacht! Nu, zoo moge de Heer met u
zijn. Voor uw vader zal ik zorgen; zijn zegen en die uwer moeder zullen
u geleiden, wanneer gij oprecht berouw toont en thans uw plicht doet."
"Gij zult ondervinden dat ik een man ben," riep Hermas, en zijne oogen
vonkelden. "Mijn boog en mijne pijlen liggen in uw hol; ik ga ze halen,
en dan.... Nu, gij zult het wel zien, of gij den rechten bode hebt
uitgezonden. Groet mijn vader en geef hem nog eenmaal de hand."
Paulus vatte den jongeling bij de rechterhand, trok hem naar zich toe
en kuste zijn voorhoofd met vaderlijke teederheid. Daarop zeide hij:
"In mijn hol, onder den groenen steen naast den haard, vindt gij zes
goudstukken. Neem daarvan drie op de reis mede. Misschien zult gij
ze noodig hebben, al ware het alleen voor de schippers. Nu, maak dat
gij in tijds te Raïthoe zijt!"
Hermas vloog den berg op, geheel vervuld van de moeielijke taak, die
hem was opgedragen. Het heerlijk vooruitzicht van de belangrijke daden
die door hem verricht zouden worden, verduisterde de herinnering aan
de schoone Gallische. Ook was hij zoo gewoon op het verstandig inzicht
en de goedheid van Paulus te vertrouwen, dat hij niet meer voor Sirona
vreesde, sedert zijn vriend hare zaak tot de zijne had gemaakt.
De Alexandrijn zag hem na en deed een kort gebed. Toen ging hij naar
het dal. Het middernachtelijk uur was lang voorbij. Bij het dalen der
maan werd het al koeler en koeler, en sedert hij Hermas zijn vacht had
gegeven, droeg hij niets dan zijn doorzichtig onderkleed. Toch liep
hij langzaam en bleef dikwijls staan de armen bewegende en daarbij
onsamenhangende woorden in zichzelven sprekende. Hij dacht aan Hermas
en Sirona, aan zijne eigene jeugd, en hoe hij te Alexandrië bij de
donkere Aso en de blonde Simaïtha aan de luiken had geklopt.
"Dat kind, die jongen," prevelde hij: "wie had dat wel gedacht? Die
Gallische moet wel zeer mooi zijn, en hij--waarachtig, toen hij
met de schijf wierp, was ik zelf verbaasd over zijn heerlijken
lichaamsbouw. En zijne oogen! Ja, zijne oogen zijn die van
Magdalena. Had de Galliër hem bij zijne vrouw gevonden en hem zijn
zwaard door het hart gejaagd, dan zou hij straffeloos zijn geweest
voor aardsche rechters. Doch zijn vader bleef dit leed bespaard. In de
afzondering, zoo meende de oude man, kon de wereld en hare verleiding
zijn lieveling niet bereiken. Maar thans? Deze braambezie, dacht ik
eens, verdroogt op den bodem en schiet nooit op tot de kroon van den
palm, waar de dadel rijpt. Daar kwam een vogel aangevlogen, plukte
de bezie, en droeg haar in zijn nest boven op den top van den boom.
"Wie kan de wegen van een ander richten en heden zeggen: Zoo en
niet anders zal ik hem morgen zien?--Wij dwazen trekken ons in
de eenzaamheid terug om de wereld te vergeten, en de wereld volgt
ons achterna en blijft aan onze hielen hangen. Waar is de schaar,
die de schaduw van onze voeten afsnijdt? Hoe heet het gebed, dat
in staat zal zijn ons, zinnelijke menschen, van het vleesch geheel
te verlossen? Mijn Heiland, gij Eenige, die dit hebt kunnen doen,
leer het ook mij, den armste van alle armen!"