Sirona zat voor het open venster van haar slaapvertrek, en liet door
eene oude zwarte slavin, die haar echtgenoot in Rome gekocht had, hare
blonde haren opmaken. Zij zuchtte, terwijl de slavin met welriekende
olie op hare vlakke hand, nu hier dan daar, den glanzenden hoofdtooi
van hare meesteres bestreek.
Thans greep de zwarte krachtig in de volle afhangende haren, waarover
een gouden glans lag gespreid; zij scheidde ze met beide handen,
om met het maken van vlechten te beginnen; doch Sirona weerde haar
af en zeide: "Geef mij den spiegel!"
Een tijdlang staarde zij weemoedig op het gladgepolijste metaal. Toen
zuchtte zij andermaal, tilde het hazewindhondje, dat aan haar voeten
gelegen had, in haar schoot en zeide, terwijl zij het diertje den
spiegel voorhield: "Daar, arme Jambo; als wij beiden binnen deze vier
wanden wat willen zien, dat ons bevalt, dan moeten wij hier inkijken."
Daarop vervolgde zij, terwijl zij zich tot de slavin richtte: "Wat
beeft dat diertje toch! Ik geloof dat het naar Arelate terug verlangt,
en bevreesd is dat wij nog lang hier onder de brandende zon zullen
blijven. Geef mij mijne sandalen."
De zwarte overhandigde hare meesteres twee kleine zolen met gouden
versierselen op de keurige riemen; Sirona wierp het haar met den rug
van haar hand naar achteren en riep: "De oude, niet deze! Een houten
schoen zou thans ook voldoende zijn."
Bij deze woorden wees zij naar den hof onder het venster, en deze
verkeerde inderdaad in zulk een toestand, als hadden hare met goud
geborduurde sandalen dien nog nooit betreden. Hij was van alle zijden
door gebouwen omgeven. Aan de eene zijde verhief zich een muur met
eene ingangspoort, op elk der anderen zijden stond een gebouw, die
te zamen een scherphoekig hoefijzer vormden.
Tegenover den vleugel, waarin Sirona met haar echtgenoot een onderkomen
had gevonden, stond het zooveel hoogere huis van Petrus, en beide waren
op den achtergrond van den hof aan elkander verbonden door een schuur
van roodbruinen steen met palmtakken gedekt. Daar woonden de slaven
van den senator en werd het akkergereedschap bewaard. Daarvóor lag
een hoop zwarte kolen, zooals men ze hier brandde uit het hout van den
doornigen Sayal-acacia, en een niet onaanzienlijke rij goed geslepen
molensteenen, die Petrus in zijne steengroeven liet vervaardigen en
in Egypte verkocht.
In dit vroege morgenuur lag deze geheele ruimte, die er niet
fraai uitzag, en door eene menigte hoenders en duiven bevolkt was,
in diepen schaduw. Sirona's venster alleen werd door de morgenzon
beschenen. Als zij geweten had welk een tooverglans het gouden licht
over hare gestalte, haar blank en blozend gelaat en haar glimmend haar
uitgoot, zou zij de zon vriendelijk hebben dank gezegd, terwijl zij
nu boos op haar was, omdat zij haar zoo vroeg wekte uit den slaap,
haar beste troost in de eenzaamheid.
Behalve over eenige zijvertrekken, had zij nog te beschikken over
een grooter vertrek, de voorkamer, die op den straat uitzag.
Op dit oogenblik hield zij hare hand voor de oogen en zeide:
"Die lastige zon! Zij kijkt bij ons het eerst door de vensters. Als
of ons de dagen niet lang genoeg vielen! De bedden moeten in het
woonvertrek opgemaakt worden; daar sta ik op!"
De slavin schudde het hoofd en antwoordde stamelend: "Dat wil
Phoebicius niet."
In Sirona's oogopslag lag wrevel, en hare bijzonder welluidende stem
trilde een weinig, toen zij vroeg: "Wat heeft hij nu weer?"
"Hij zegt," antwoordde de zwarte, "dat de zoon van den senator,
Polycarpus, uw venster meer voorbij gaat dan hem lief is, en het komt
hem voor, als bemoeit gij u meer dan noodig is met zijne kleine zusjes
en die andere kinderen daarboven."
"Is hij daar nog?" vroeg Sirona, terwijl hare wangen vuurrood werden
en zij dreigend met den vinger naar het woonvertrek wees.
"De heer is weg," stamelde de oude. "Hij ging reeds vóor zonsopgang
uit. Gij moest hem niet met eten wachten: hij komt eerst laat terug."
De Gallische antwoordde niet, maar zij boog het hoofd en hare bloeiende
gelaatstrekken teekenden diepe troosteloosheid.
Het hazewindje scheen het leed zijner meesteres ook te gevoelen,
want het richtte zich tot haar op, als wilde het haar kussen. De
verlatene vrouw drukte het diertje, dat zij uit haar vaderland had
medegebracht, hartstochtelijk aan haar borst, want haar hart werd
beklemd door een buitengewonen angst. Zij gevoelde zich zoo eenzaam,
zoo zonder vrienden, zoo geheel aan zichzelve overgelaten, als dreef
zij alleen in een bootje zonder roer, alleen op de onmetelijke zee.
Huiverend kromp zij ineen. Zij had aan haar echtgenoot gedacht, aan
den man die alles voor haar moest zijn, en wiens tegenwoordigheid
haar toch met weerzin vervulde, wiens onverschilligheid haar niet
meer beleedigde en wiens teederheid zij oneindig meer vreesde dan
zijne wilde prikkelbaarheid. Zij had hem nooit liefgehad.
Zonder zorgen was zij onder vele broeders en zusters opgegroeid. Haar
vader was penningmeester van het college van decurionen in zijne
vaderstad. Hij woonde tegenover het circus; toch had hij, gestreng in
zijne beginselen, zijne dochters nooit veroorloofd de schouwspelen bij
te wonen. Maar hij kon haar niet verbieden de menigte het amphitheater
te zien binnenstroomen en weder verlaten, zonder het gejubel en de
hartstochtelijke kreten van woede en bijval te hooren.
Sirona werd groot, vervuld met het steeds levendiger maar nooit
bevredigd verlangen naar het genot, dat zij dagelijks voor oogen
zag. Zij had echter geen tijd om zich met onnutte dingen bezig te
houden, want hare moeder stierf eer zij tot vollen wasdom was gekomen,
en op haar rustte de taak, om voor hare acht jongere broertjes en
zusjes te zorgen. Dat deed zij dan ook zeer trouw, doch in hare
vrije uren luisterde zij gaarne naar de verhalen van de vrouwen der
beambten, die de heerlijkheden van het gulden Rome hadden gezien en
altijd roemden.
Zij wist dat zij schoon was, want zij behoefde maar even buitenshuis
te komen om het te hooren. Maar wanneer zij heimwee gevoelde naar de
hoofdstad, dan was het niet om bewonderd te worden, maar omdat daar
zooveel heerlijks te zien en te bewonderen was. Toen nu de centurio
Phoebicius, de bevelhebber over de bezetting in hare vaderstad,
naar Rome werd verplaatst, en verlangde haar, de zeventienjarige,
die meer dan veertig jaren jonger was dan hij, als zijne vrouw mede
te nemen naar de keizerstad, volgde zij hem in overmoed en vervuld
van blijde hoop.
Zeer spoedig na de bruiloft stak zij te Massilia in zee, vergezeld
van eene oude bloedverwante, en trok hij over land aan het hoofd
zijner cohorte naar Rome. Zij bereikte het doel der reis veel vroeger
dan haar echtgenoot, en gaf zich, hoewel altijd vergezeld van hare
bloedverwante, van ganscher harte en geheel onbevangen over aan de
vreugde van zooveel schoons te zien en te bewonderen. Daarbij ontging
het haar niet, dat zij overal de aandacht trok, en hoewel haar dit
in den aanvang streelde en behaagde, zoo bedierf het haar toch menig
genot, toen jonge en oude Romeinen begonnen haar na te loopen en het
hof te maken.
Eindelijk kwam ook Phoebicius aan, en toen hij bemerkte dat vele
bewonderaars van zijne vrouw zijn huis wat te dikwerf bezochten,
nam hij tegenover Sirona eene houding aan, alsof zij sedert lang hare
trouwbelofte had geschonden. Dit nam niet weg dat hij haar dwong van
de eene vermakelijkheid naar de andere, nu eens naar deze dan naar
gene vertooning mede te gaan. Want hij vond er behagen in met zijne
mooie jonge vrouw te pronken.
Wat haar betreft, zij was niet geheel vrij van behaagzucht. Maar zij
had van haren strengen vader, als opvoedster van hare broertjes en
zusjes, reeds jong geleerd, recht en onrecht, goed en kwaad juist van
elkaar te onderscheiden, en zij merkte spoedig op, dat de vermaken der
hoofdstad, die haar in den beginne toelachten, als bonte bloemen met
schitterende kleuren en bedwelmenden reuk, bloeiden boven afzichtelijke
moerassen.
Zij had aanvankelijk met welgevallen gezien naar alles wat schoon,
wat lieflijk, wat vreemd was. Doch haar echtgenoot vond slechts
behagen in het gemeene en verfoeielijke, waarvan zij walgde. Hij
bespiedde elk harer blikken, en toch wees hij haar bij voorkeur op
hetgeen het oog eener reine vrouw kwetsen moet. Het genoegen werd
haar tot eene kwelling, want ook van den zoetsten wijn gevoelen wij
een afkeer, wanneer hij wordt aangeroerd door onreine lippen. Na den
afloop van elk feest en ieder schouwspel, overlaadde hij haar met
smadelijke verwijten. Toen zij, zulk eene behandeling moede, eindelijk
weigerde een voet buiten de deur te zetten, dwong hij haar toch hem te
begeleiden, zoo dikwijls de legaat Quintillus, die over hem gesteld was
en haar dagelijks met bloemen en geschenken overlaadde, zulks wenschte.
Tot hiertoe had zij al haar best gedaan hem te verdragen, hem te
verontschuldigen, en zichzelve aansprakelijk te stellen voor veel
dat zij te lijden had. Daar werd haar echter--het was tien maanden na
hare komst in Rome--door Phoebicius iets voorgesteld, iets, dat zich
als een muur van metaal verhief tusschen hem en haar. En daar dit
iets ten gevolge had, dat hij, in plaats van bevorderd te worden,
gelijk hij had gehoopt, verbannen werd naar de afgelegene oase en
gedegradeerd tot aanvoerder van een armzalige handvol soldaten,
begon hij haar met opzet te kwellen. Zij trachtte zich te verweren,
door eene ijskoude onverschilligheid, en bracht het eindelijk zoo ver,
dat de man, voor wien zij niets dan verachting voelde, haar levensgenot
niet meer en niet minder bedierf dan eenig lichamelijk lijden, dat de
kranke veroordeeld is levenslang te dragen. In zijne tegenwoordigheid
zweeg zij, toonde zij zich trotsch en terughoudend, doch zoodra had
hij haar niet verlaten, of de haar van nature eigene goedheid en
kinderlijke vroolijkheid ontwaakte tot een nieuw leven. Haar warm
hart uitte zich in ongekunstelde blijdschap en deed de liefelijkste
bloemen ontluiken in het huis van den senator en onder de kleine
schare, die hare liefde met wederliefde vergold.
Phoebicius behoorde tot de aanbidders van Mithras. De dienst dezer
godheid deed hem nu eens vasten, zóo streng dat hij bijna werd
uitgeput, dan weder zich bedwelmen met de feestgenooten, tot hij zijn
bewustzijn verloor. Ook hier had hij in het Sinaïtisch gebergte een
grot voor het vieren der Mithras-feesten ingericht, en eenige weinige
geestverwanten rondom zich verzameld. Wanneer hij dagen en nachten
achtereen uitbleef, om bleeker dan gewoonlijk terug te keeren, dan
wist zij waar hij geweest was.
Op dit oogenblik stond het beeld van dezen man met zijne nu eens
slaperige, dan weder van brandenden toorn gloeiende oogen, in scherpe
omtrekken voor hare verbeelding, en zij vroeg zich af hoe het mogelijk
was geweest, dat zij er in had toegestemd zijne vrouw te worden. Eene
versnelde ademhaling deed haar borst zwoegen, want zij dacht weder
aan den hoon, die hij te Rome haar had aangedaan, en hare kleine
handen balden zich tot vuisten.
Plotseling hief het hondje zich op in haar schoot en sprong blaffend op
de vensterbank. Zij verschrikte een weinig, maakte haar morgenkleed,
dat van den blanken schouder was gegleden, weder dicht, snoerde de
laatste riemen van haar sandalen vast, en keek in den hof.
Terstond speelde er een glimlach om haren mond, want zij bespeurde
den jongen Hermas, die reeds lang roerloos tegen den wand van het
huis van Petrus had gestaan, en het beeld der schoone vrouw met zijne
blikken als verslonden had. Haar bewegelijk gemoed was als het oog,
waarin de verlammende duisternis geen spoor meer achterlaat zoodra
het een straal van het licht heeft opgevangen. Geen leed was in staat
haar zóo diep te treffen, dat niet de ademtocht van eenig nieuw genot
het naar alle windstreken kon uiteendrijven. Evenals vele rivieren bij
hare bronnen eene andere kleur hebben dan bij hare monding, zoo ging
het niet zelden met hare tranen; zij begon van smart te weenen, en
door overmaat van vreugde viel het haar moeilijk hare oogen te droogen.
Hoe gemakkelijk zou het Phoebicius zijn gevallen, haar het leven te
veraangenamen, want zij was hoogst gevoelig van hart en dankbaar,
ook zelfs voor het kleinste bewijs van liefde. Maar tusschen hem en
haar was elke band verscheurd.
De houding en het gelaat van Hermas bevielen haar. Zij vond dat
hij er voornaam uitzag, ondanks zijne armelijke kleeding. En toen
zij opmerkte dat zijne wangen gloeiden, en zijne hand, waarin hij
het medicijnfleschje hield, beefde, wist zij dat hij haar bespied,
dat haar aanblik zijn jeugdig bloed in beweging gebracht had.
Eene vrouw, en vooral eene die gaarne behaagt, vergeeft alles wat
om harentwil wordt misdreven, en hare stem klonk zelfs vriendelijk
genoeg, toen zij Hermas goeden morgen wenschte en hem vroeg hoe zijn
vader het maakte, en of het geneesmiddel van den senator gewerkt had.
De antwoorden van den jongeling waren kort en verlegen; doch zijne
oogen verrieden, dat hij haar gaarne gansch andere dingen zou gezegd
hebben, dan die zijne ongeoefende tong haar schuchter vermocht te
antwoorden.
"Vrouw Dorothea vertelde mij gisteren avond," zeide zij vriendelijk,
"dat Petrus hoopt uw vader te kunnen herstellen, maar hij is nog
zeer zwak. Misschien zou goede wijn hem helpen; heden nog niet,
maar morgen of overmorgen. Kom maar bij mij, wanneer gij dien noodig
hebt; wij hebben in den kelder ouden Falerner en witten Mareotischen,
die uitnemend en versterkend is."
Hermas dankte, en toen zij hem nogmaals aanmoedigde, om zich gerust
tot haar te wenden, wist hij over zich te krijgen, haar meer stamelend
dan sprekend toe te roepen: "Gij zijt niet minder goed dan schoon."
Deze woorden waren ter nauwernood over zijne lippen, toen de bovenste,
van de naast het slavenverblijf kunstig opgestapelde steenen, met
luid geraas naar beneden rolde.
Sirona schrikte en ging van het venster terug. Het hazenwindje begon
hard te blaffen, en Hermas bracht de hand aan het voorhoofd, alsof hij
uit een droom ontwaakte. Even daarna klopte hij aan de deur van den
senator. Nauwelijks had hij het huis betreden, of de tengere gestalte
van Mirjam kwam, als eene schaduw, achter de steenen te voorschijn,
om snel en zonder eenig geluid te maken, in de woning der slaven
te verdwijnen.
Dit verblijf was thans ledig, daar de bewoners op het veld, of in
huis, of in de steengroeven aan den arbeid waren. Het bestond uit
eenige slecht verlichte vertrekken, met naakte oneffene wanden. De
herderin ging het kleinste binnen, waar de slaaf, dien zij gewond had,
rustte op een bed van palmtakken. Hij bewoog zich even, toen zij in
vliegende haast een nieuwe slordig gevouwen compres scheef op zijne
diepe hoofdwonde legde. Zoodra deze plicht vervuld was, verliet
zij het vertrek weder, plaatste zich achter de halfgeopende deur,
die toegang verleende tot den hof, en zag hijgend nu eens naar het
huis van den senator, dan weder naar de vensters van Sirona.
Eene nieuwe gedachte had haar jeugdig hart in onstuimige beweging
gebracht. Weinige oogenblikken geleden zat zij nog naast den gewonden
man op den grond neergehurkt, met het hoofd rustende op haar hand,
denkende aan den berg en haar geiten. Daar vernam zij aan de zijde van
den hof een zacht gedruisch, dat een ander zeker ontgaan zou zijn. Zij
echter merkte het niet enkel op, maar zij kon ook met volle zekerheid
onderscheiden, wie er de oorzaak van was. In het geluid van Hermas'
schreden kon zij zich niet vergissen, en het werkte op haar met
onweerstaanbare macht.
Snel hief zij het hoofd en den arm op, sprong overeind en ging den
hof in. De molensteenen maakten haar onzichtbaar, maar zij kon Hermas
toch zien, zooals hij daar stond in bewondering verzonken. Zij volgde
zijne blikken en--daar zag zij hetzelfde beeld, dat zijne oogen in
verrukking bracht, de schoone, door het zonlicht beschenen gedaante
van Sirona. Zij zag er uit als sneeuw met rozen en goud bestrooid,
als de engel aan het graf op de nieuwe schilderij in de kerk. Ja, als
de engel! En op eens bedacht zij, hoe bruin en zwart zij zelve was,
en dat hij haar een duivelin had genoemd.
Eene diep smartelijke gewaarwording overmeesterde haar, en zij gevoelde
zich als verlamd naar lichaam en ziel. Spoedig echter ontworstelde
zij zich aan deze betoovering; haar hart begon onstuimig te kloppen,
en zij moest zich met de witte tanden op de lippen bijten, om het
niet luide uit te schreeuwen van toorn en pijn. Hoe gaarne was zij
tegen dat venster opgeklauterd, waaraan Hermas' blikken hingen; was
zij Sirona in de goudgele haren gevlogen; had zij haar op den grond
getrokken en als een vampyr haar het bloed uit de roode lippen gezogen,
tot zij vóor haar uitgestrekt zou liggen, bleek als het lijk van eene
die van dorst was omgekomen.
Thans zag zij hoe het dunne gewaad haar van de schouders gleed,
hoe hij schrikte en de hand aan zijn hart bracht. Wederom welde eene
andere gedachte bij haar op, namelijk om Sirona toe te roepen en te
waarschuwen. Zelfs vijandinnen reiken elkander in den geest de handen,
wanneer het geldt het bedreigde heiligdom van het zedig vrouwelijk
gevoel te beschermen.
Zij bloosde om Sirona's wil, en reeds opende zij de lippen, toen
het hondje aansloeg en het gesprek tusschen beiden begon. Aan haar
scherp gehoor ontsnapte geen woord van hetgeen zij sprak, en toen hij
zeide, dat zij zoo schoon was als goed, gevoelde zij, dat zij begon
te duizelen. De bovenste steen, die weinig steun had, en waaraan zij
zich wilde vasthouden, verloor zijn evenwicht. Zijn val stoorde het
gesprek van de twee en deed Mirjam naar den kranke terug ijlen.
Thans stond zij aan de deur op Hermas te wachten. Dat wachten viel haar
lang, zeer lang. Eindelijk kwam hij met vrouw Dorothea te voorschijn
en zij bemerkte alleen nog, dat hij weder naar Sirona opzag. Een
ondeugend lachje speelde om hare lippen, want het venster was ledig,
en het schoone beeld, dat hij gehoopt had weder te zien, was verdwenen.
Sirona zat thans aan haar weefstoel in het voorvertrek; het geluid van
een naderenden hoefslag had haar daarheen gelokt. De tweede zoon van
den senator, Polycarpus, was op den fieren hengst zijns vaders voorbij
gereden, had haar gegroet en tevens eene roos op den weg geworpen.
Een halfuur later kwam de oude slavin bij Sirona, die met vlugge hand
den weversspoel door den inslag schoot. "Meesteres!" riep de zwarte
met een hatelijk lachje. Zoodra de verlatene vrouw haren arbeid
staakte en haar vragend aanzag, overhandigde de oude haar de roos.
Sirona nam de bloem aan, blies het stof dat haar bedekte weg, schikte
met de vingertoppen de sierlijke blaadjes, en zeide, terwijl zij aan
deze bezigheid hoofdzakelijk hare opmerkzaamheid scheen te wijden:
"Laat voortaan die rozen liggen. Gij kent Phoebicius, en wanneer
iemand het ziet, dan komen er maar praatjes van."
De zwarte vrouw haalde de schouders op en keerde haar den rug
toe. Sirona dacht echter: "Die Polycarpus is toch een schoon en
vriendelijk jonkman. Zulke groote gevoelvolle oogen heeft zeker geen
ander. Als hij maar niet altijd van zijne ontwerpen, teekeningen,
figuren en zulke ernstige dingen spreken wilde, die mij niets aangaan!"