ZESDE HOOFDSTUK.

Sirona zat voor het open venster van haar slaapvertrek, en liet door

eene oude zwarte slavin, die haar echtgenoot in Rome gekocht had, hare

blonde haren opmaken. Zij zuchtte, terwijl de slavin met welriekende

olie op hare vlakke hand, nu hier dan daar, den glanzenden hoofdtooi

van hare meesteres bestreek.

Thans greep de zwarte krachtig in de volle afhangende haren, waarover

een gouden glans lag gespreid; zij scheidde ze met beide handen,

om met het maken van vlechten te beginnen; doch Sirona weerde haar

af en zeide: "Geef mij den spiegel!"

Een tijdlang staarde zij weemoedig op het gladgepolijste metaal. Toen

zuchtte zij andermaal, tilde het hazewindhondje, dat aan haar voeten

gelegen had, in haar schoot en zeide, terwijl zij het diertje den

spiegel voorhield: "Daar, arme Jambo; als wij beiden binnen deze vier

wanden wat willen zien, dat ons bevalt, dan moeten wij hier inkijken."

Daarop vervolgde zij, terwijl zij zich tot de slavin richtte: "Wat

beeft dat diertje toch! Ik geloof dat het naar Arelate terug verlangt,

en bevreesd is dat wij nog lang hier onder de brandende zon zullen

blijven. Geef mij mijne sandalen."

De zwarte overhandigde hare meesteres twee kleine zolen met gouden

versierselen op de keurige riemen; Sirona wierp het haar met den rug

van haar hand naar achteren en riep: "De oude, niet deze! Een houten

schoen zou thans ook voldoende zijn."

Bij deze woorden wees zij naar den hof onder het venster, en deze

verkeerde inderdaad in zulk een toestand, als hadden hare met goud

geborduurde sandalen dien nog nooit betreden. Hij was van alle zijden

door gebouwen omgeven. Aan de eene zijde verhief zich een muur met

eene ingangspoort, op elk der anderen zijden stond een gebouw, die

te zamen een scherphoekig hoefijzer vormden.

Tegenover den vleugel, waarin Sirona met haar echtgenoot een onderkomen

had gevonden, stond het zooveel hoogere huis van Petrus, en beide waren

op den achtergrond van den hof aan elkander verbonden door een schuur

van roodbruinen steen met palmtakken gedekt. Daar woonden de slaven

van den senator en werd het akkergereedschap bewaard. Daarvóor lag

een hoop zwarte kolen, zooals men ze hier brandde uit het hout van den

doornigen Sayal-acacia, en een niet onaanzienlijke rij goed geslepen

molensteenen, die Petrus in zijne steengroeven liet vervaardigen en

in Egypte verkocht.

In dit vroege morgenuur lag deze geheele ruimte, die er niet

fraai uitzag, en door eene menigte hoenders en duiven bevolkt was,

in diepen schaduw. Sirona's venster alleen werd door de morgenzon

beschenen. Als zij geweten had welk een tooverglans het gouden licht

over hare gestalte, haar blank en blozend gelaat en haar glimmend haar

uitgoot, zou zij de zon vriendelijk hebben dank gezegd, terwijl zij

nu boos op haar was, omdat zij haar zoo vroeg wekte uit den slaap,

haar beste troost in de eenzaamheid.

Behalve over eenige zijvertrekken, had zij nog te beschikken over

een grooter vertrek, de voorkamer, die op den straat uitzag.

Op dit oogenblik hield zij hare hand voor de oogen en zeide:

"Die lastige zon! Zij kijkt bij ons het eerst door de vensters. Als

of ons de dagen niet lang genoeg vielen! De bedden moeten in het

woonvertrek opgemaakt worden; daar sta ik op!"

De slavin schudde het hoofd en antwoordde stamelend: "Dat wil

Phoebicius niet."

In Sirona's oogopslag lag wrevel, en hare bijzonder welluidende stem

trilde een weinig, toen zij vroeg: "Wat heeft hij nu weer?"

"Hij zegt," antwoordde de zwarte, "dat de zoon van den senator,

Polycarpus, uw venster meer voorbij gaat dan hem lief is, en het komt

hem voor, als bemoeit gij u meer dan noodig is met zijne kleine zusjes

en die andere kinderen daarboven."

"Is hij daar nog?" vroeg Sirona, terwijl hare wangen vuurrood werden

en zij dreigend met den vinger naar het woonvertrek wees.

"De heer is weg," stamelde de oude. "Hij ging reeds vóor zonsopgang

uit. Gij moest hem niet met eten wachten: hij komt eerst laat terug."

De Gallische antwoordde niet, maar zij boog het hoofd en hare bloeiende

gelaatstrekken teekenden diepe troosteloosheid.

Het hazewindje scheen het leed zijner meesteres ook te gevoelen,

want het richtte zich tot haar op, als wilde het haar kussen. De

verlatene vrouw drukte het diertje, dat zij uit haar vaderland had

medegebracht, hartstochtelijk aan haar borst, want haar hart werd

beklemd door een buitengewonen angst. Zij gevoelde zich zoo eenzaam,

zoo zonder vrienden, zoo geheel aan zichzelve overgelaten, als dreef

zij alleen in een bootje zonder roer, alleen op de onmetelijke zee.

Huiverend kromp zij ineen. Zij had aan haar echtgenoot gedacht, aan

den man die alles voor haar moest zijn, en wiens tegenwoordigheid

haar toch met weerzin vervulde, wiens onverschilligheid haar niet

meer beleedigde en wiens teederheid zij oneindig meer vreesde dan

zijne wilde prikkelbaarheid. Zij had hem nooit liefgehad.

Zonder zorgen was zij onder vele broeders en zusters opgegroeid. Haar

vader was penningmeester van het college van decurionen in zijne

vaderstad. Hij woonde tegenover het circus; toch had hij, gestreng in

zijne beginselen, zijne dochters nooit veroorloofd de schouwspelen bij

te wonen. Maar hij kon haar niet verbieden de menigte het amphitheater

te zien binnenstroomen en weder verlaten, zonder het gejubel en de

hartstochtelijke kreten van woede en bijval te hooren.

Sirona werd groot, vervuld met het steeds levendiger maar nooit

bevredigd verlangen naar het genot, dat zij dagelijks voor oogen

zag. Zij had echter geen tijd om zich met onnutte dingen bezig te

houden, want hare moeder stierf eer zij tot vollen wasdom was gekomen,

en op haar rustte de taak, om voor hare acht jongere broertjes en

zusjes te zorgen. Dat deed zij dan ook zeer trouw, doch in hare

vrije uren luisterde zij gaarne naar de verhalen van de vrouwen der

beambten, die de heerlijkheden van het gulden Rome hadden gezien en

altijd roemden.

Zij wist dat zij schoon was, want zij behoefde maar even buitenshuis

te komen om het te hooren. Maar wanneer zij heimwee gevoelde naar de

hoofdstad, dan was het niet om bewonderd te worden, maar omdat daar

zooveel heerlijks te zien en te bewonderen was. Toen nu de centurio

Phoebicius, de bevelhebber over de bezetting in hare vaderstad,

naar Rome werd verplaatst, en verlangde haar, de zeventienjarige,

die meer dan veertig jaren jonger was dan hij, als zijne vrouw mede

te nemen naar de keizerstad, volgde zij hem in overmoed en vervuld

van blijde hoop.

Zeer spoedig na de bruiloft stak zij te Massilia in zee, vergezeld

van eene oude bloedverwante, en trok hij over land aan het hoofd

zijner cohorte naar Rome. Zij bereikte het doel der reis veel vroeger

dan haar echtgenoot, en gaf zich, hoewel altijd vergezeld van hare

bloedverwante, van ganscher harte en geheel onbevangen over aan de

vreugde van zooveel schoons te zien en te bewonderen. Daarbij ontging

het haar niet, dat zij overal de aandacht trok, en hoewel haar dit

in den aanvang streelde en behaagde, zoo bedierf het haar toch menig

genot, toen jonge en oude Romeinen begonnen haar na te loopen en het

hof te maken.

Eindelijk kwam ook Phoebicius aan, en toen hij bemerkte dat vele

bewonderaars van zijne vrouw zijn huis wat te dikwerf bezochten,

nam hij tegenover Sirona eene houding aan, alsof zij sedert lang hare

trouwbelofte had geschonden. Dit nam niet weg dat hij haar dwong van

de eene vermakelijkheid naar de andere, nu eens naar deze dan naar

gene vertooning mede te gaan. Want hij vond er behagen in met zijne

mooie jonge vrouw te pronken.

Wat haar betreft, zij was niet geheel vrij van behaagzucht. Maar zij

had van haren strengen vader, als opvoedster van hare broertjes en

zusjes, reeds jong geleerd, recht en onrecht, goed en kwaad juist van

elkaar te onderscheiden, en zij merkte spoedig op, dat de vermaken der

hoofdstad, die haar in den beginne toelachten, als bonte bloemen met

schitterende kleuren en bedwelmenden reuk, bloeiden boven afzichtelijke

moerassen.

Zij had aanvankelijk met welgevallen gezien naar alles wat schoon,

wat lieflijk, wat vreemd was. Doch haar echtgenoot vond slechts

behagen in het gemeene en verfoeielijke, waarvan zij walgde. Hij

bespiedde elk harer blikken, en toch wees hij haar bij voorkeur op

hetgeen het oog eener reine vrouw kwetsen moet. Het genoegen werd

haar tot eene kwelling, want ook van den zoetsten wijn gevoelen wij

een afkeer, wanneer hij wordt aangeroerd door onreine lippen. Na den

afloop van elk feest en ieder schouwspel, overlaadde hij haar met

smadelijke verwijten. Toen zij, zulk eene behandeling moede, eindelijk

weigerde een voet buiten de deur te zetten, dwong hij haar toch hem te

begeleiden, zoo dikwijls de legaat Quintillus, die over hem gesteld was

en haar dagelijks met bloemen en geschenken overlaadde, zulks wenschte.

Tot hiertoe had zij al haar best gedaan hem te verdragen, hem te

verontschuldigen, en zichzelve aansprakelijk te stellen voor veel

dat zij te lijden had. Daar werd haar echter--het was tien maanden na

hare komst in Rome--door Phoebicius iets voorgesteld, iets, dat zich

als een muur van metaal verhief tusschen hem en haar. En daar dit

iets ten gevolge had, dat hij, in plaats van bevorderd te worden,

gelijk hij had gehoopt, verbannen werd naar de afgelegene oase en

gedegradeerd tot aanvoerder van een armzalige handvol soldaten,

begon hij haar met opzet te kwellen. Zij trachtte zich te verweren,

door eene ijskoude onverschilligheid, en bracht het eindelijk zoo ver,

dat de man, voor wien zij niets dan verachting voelde, haar levensgenot

niet meer en niet minder bedierf dan eenig lichamelijk lijden, dat de

kranke veroordeeld is levenslang te dragen. In zijne tegenwoordigheid

zweeg zij, toonde zij zich trotsch en terughoudend, doch zoodra had

hij haar niet verlaten, of de haar van nature eigene goedheid en

kinderlijke vroolijkheid ontwaakte tot een nieuw leven. Haar warm

hart uitte zich in ongekunstelde blijdschap en deed de liefelijkste

bloemen ontluiken in het huis van den senator en onder de kleine

schare, die hare liefde met wederliefde vergold.

Phoebicius behoorde tot de aanbidders van Mithras. De dienst dezer

godheid deed hem nu eens vasten, zóo streng dat hij bijna werd

uitgeput, dan weder zich bedwelmen met de feestgenooten, tot hij zijn

bewustzijn verloor. Ook hier had hij in het Sinaïtisch gebergte een

grot voor het vieren der Mithras-feesten ingericht, en eenige weinige

geestverwanten rondom zich verzameld. Wanneer hij dagen en nachten

achtereen uitbleef, om bleeker dan gewoonlijk terug te keeren, dan

wist zij waar hij geweest was.

Op dit oogenblik stond het beeld van dezen man met zijne nu eens

slaperige, dan weder van brandenden toorn gloeiende oogen, in scherpe

omtrekken voor hare verbeelding, en zij vroeg zich af hoe het mogelijk

was geweest, dat zij er in had toegestemd zijne vrouw te worden. Eene

versnelde ademhaling deed haar borst zwoegen, want zij dacht weder

aan den hoon, die hij te Rome haar had aangedaan, en hare kleine

handen balden zich tot vuisten.

Plotseling hief het hondje zich op in haar schoot en sprong blaffend op

de vensterbank. Zij verschrikte een weinig, maakte haar morgenkleed,

dat van den blanken schouder was gegleden, weder dicht, snoerde de

laatste riemen van haar sandalen vast, en keek in den hof.

Terstond speelde er een glimlach om haren mond, want zij bespeurde

den jongen Hermas, die reeds lang roerloos tegen den wand van het

huis van Petrus had gestaan, en het beeld der schoone vrouw met zijne

blikken als verslonden had. Haar bewegelijk gemoed was als het oog,

waarin de verlammende duisternis geen spoor meer achterlaat zoodra

het een straal van het licht heeft opgevangen. Geen leed was in staat

haar zóo diep te treffen, dat niet de ademtocht van eenig nieuw genot

het naar alle windstreken kon uiteendrijven. Evenals vele rivieren bij

hare bronnen eene andere kleur hebben dan bij hare monding, zoo ging

het niet zelden met hare tranen; zij begon van smart te weenen, en

door overmaat van vreugde viel het haar moeilijk hare oogen te droogen.

Hoe gemakkelijk zou het Phoebicius zijn gevallen, haar het leven te

veraangenamen, want zij was hoogst gevoelig van hart en dankbaar,

ook zelfs voor het kleinste bewijs van liefde. Maar tusschen hem en

haar was elke band verscheurd.

De houding en het gelaat van Hermas bevielen haar. Zij vond dat

hij er voornaam uitzag, ondanks zijne armelijke kleeding. En toen

zij opmerkte dat zijne wangen gloeiden, en zijne hand, waarin hij

het medicijnfleschje hield, beefde, wist zij dat hij haar bespied,

dat haar aanblik zijn jeugdig bloed in beweging gebracht had.

Eene vrouw, en vooral eene die gaarne behaagt, vergeeft alles wat

om harentwil wordt misdreven, en hare stem klonk zelfs vriendelijk

genoeg, toen zij Hermas goeden morgen wenschte en hem vroeg hoe zijn

vader het maakte, en of het geneesmiddel van den senator gewerkt had.

De antwoorden van den jongeling waren kort en verlegen; doch zijne

oogen verrieden, dat hij haar gaarne gansch andere dingen zou gezegd

hebben, dan die zijne ongeoefende tong haar schuchter vermocht te

antwoorden.

"Vrouw Dorothea vertelde mij gisteren avond," zeide zij vriendelijk,

"dat Petrus hoopt uw vader te kunnen herstellen, maar hij is nog

zeer zwak. Misschien zou goede wijn hem helpen; heden nog niet,

maar morgen of overmorgen. Kom maar bij mij, wanneer gij dien noodig

hebt; wij hebben in den kelder ouden Falerner en witten Mareotischen,

die uitnemend en versterkend is."

Hermas dankte, en toen zij hem nogmaals aanmoedigde, om zich gerust

tot haar te wenden, wist hij over zich te krijgen, haar meer stamelend

dan sprekend toe te roepen: "Gij zijt niet minder goed dan schoon."

Deze woorden waren ter nauwernood over zijne lippen, toen de bovenste,

van de naast het slavenverblijf kunstig opgestapelde steenen, met

luid geraas naar beneden rolde.

Sirona schrikte en ging van het venster terug. Het hazenwindje begon

hard te blaffen, en Hermas bracht de hand aan het voorhoofd, alsof hij

uit een droom ontwaakte. Even daarna klopte hij aan de deur van den

senator. Nauwelijks had hij het huis betreden, of de tengere gestalte

van Mirjam kwam, als eene schaduw, achter de steenen te voorschijn,

om snel en zonder eenig geluid te maken, in de woning der slaven

te verdwijnen.

Dit verblijf was thans ledig, daar de bewoners op het veld, of in

huis, of in de steengroeven aan den arbeid waren. Het bestond uit

eenige slecht verlichte vertrekken, met naakte oneffene wanden. De

herderin ging het kleinste binnen, waar de slaaf, dien zij gewond had,

rustte op een bed van palmtakken. Hij bewoog zich even, toen zij in

vliegende haast een nieuwe slordig gevouwen compres scheef op zijne

diepe hoofdwonde legde. Zoodra deze plicht vervuld was, verliet

zij het vertrek weder, plaatste zich achter de halfgeopende deur,

die toegang verleende tot den hof, en zag hijgend nu eens naar het

huis van den senator, dan weder naar de vensters van Sirona.

Eene nieuwe gedachte had haar jeugdig hart in onstuimige beweging

gebracht. Weinige oogenblikken geleden zat zij nog naast den gewonden

man op den grond neergehurkt, met het hoofd rustende op haar hand,

denkende aan den berg en haar geiten. Daar vernam zij aan de zijde van

den hof een zacht gedruisch, dat een ander zeker ontgaan zou zijn. Zij

echter merkte het niet enkel op, maar zij kon ook met volle zekerheid

onderscheiden, wie er de oorzaak van was. In het geluid van Hermas'

schreden kon zij zich niet vergissen, en het werkte op haar met

onweerstaanbare macht.

Snel hief zij het hoofd en den arm op, sprong overeind en ging den

hof in. De molensteenen maakten haar onzichtbaar, maar zij kon Hermas

toch zien, zooals hij daar stond in bewondering verzonken. Zij volgde

zijne blikken en--daar zag zij hetzelfde beeld, dat zijne oogen in

verrukking bracht, de schoone, door het zonlicht beschenen gedaante

van Sirona. Zij zag er uit als sneeuw met rozen en goud bestrooid,

als de engel aan het graf op de nieuwe schilderij in de kerk. Ja, als

de engel! En op eens bedacht zij, hoe bruin en zwart zij zelve was,

en dat hij haar een duivelin had genoemd.

Eene diep smartelijke gewaarwording overmeesterde haar, en zij gevoelde

zich als verlamd naar lichaam en ziel. Spoedig echter ontworstelde

zij zich aan deze betoovering; haar hart begon onstuimig te kloppen,

en zij moest zich met de witte tanden op de lippen bijten, om het

niet luide uit te schreeuwen van toorn en pijn. Hoe gaarne was zij

tegen dat venster opgeklauterd, waaraan Hermas' blikken hingen; was

zij Sirona in de goudgele haren gevlogen; had zij haar op den grond

getrokken en als een vampyr haar het bloed uit de roode lippen gezogen,

tot zij vóor haar uitgestrekt zou liggen, bleek als het lijk van eene

die van dorst was omgekomen.

Thans zag zij hoe het dunne gewaad haar van de schouders gleed,

hoe hij schrikte en de hand aan zijn hart bracht. Wederom welde eene

andere gedachte bij haar op, namelijk om Sirona toe te roepen en te

waarschuwen. Zelfs vijandinnen reiken elkander in den geest de handen,

wanneer het geldt het bedreigde heiligdom van het zedig vrouwelijk

gevoel te beschermen.

Zij bloosde om Sirona's wil, en reeds opende zij de lippen, toen

het hondje aansloeg en het gesprek tusschen beiden begon. Aan haar

scherp gehoor ontsnapte geen woord van hetgeen zij sprak, en toen hij

zeide, dat zij zoo schoon was als goed, gevoelde zij, dat zij begon

te duizelen. De bovenste steen, die weinig steun had, en waaraan zij

zich wilde vasthouden, verloor zijn evenwicht. Zijn val stoorde het

gesprek van de twee en deed Mirjam naar den kranke terug ijlen.

Thans stond zij aan de deur op Hermas te wachten. Dat wachten viel haar

lang, zeer lang. Eindelijk kwam hij met vrouw Dorothea te voorschijn

en zij bemerkte alleen nog, dat hij weder naar Sirona opzag. Een

ondeugend lachje speelde om hare lippen, want het venster was ledig,

en het schoone beeld, dat hij gehoopt had weder te zien, was verdwenen.

Sirona zat thans aan haar weefstoel in het voorvertrek; het geluid van

een naderenden hoefslag had haar daarheen gelokt. De tweede zoon van

den senator, Polycarpus, was op den fieren hengst zijns vaders voorbij

gereden, had haar gegroet en tevens eene roos op den weg geworpen.

Een halfuur later kwam de oude slavin bij Sirona, die met vlugge hand

den weversspoel door den inslag schoot. "Meesteres!" riep de zwarte

met een hatelijk lachje. Zoodra de verlatene vrouw haren arbeid

staakte en haar vragend aanzag, overhandigde de oude haar de roos.

Sirona nam de bloem aan, blies het stof dat haar bedekte weg, schikte

met de vingertoppen de sierlijke blaadjes, en zeide, terwijl zij aan

deze bezigheid hoofdzakelijk hare opmerkzaamheid scheen te wijden:

"Laat voortaan die rozen liggen. Gij kent Phoebicius, en wanneer

iemand het ziet, dan komen er maar praatjes van."

De zwarte vrouw haalde de schouders op en keerde haar den rug

toe. Sirona dacht echter: "Die Polycarpus is toch een schoon en

vriendelijk jonkman. Zulke groote gevoelvolle oogen heeft zeker geen

ander. Als hij maar niet altijd van zijne ontwerpen, teekeningen,

figuren en zulke ernstige dingen spreken wilde, die mij niets aangaan!"

Homo sum: Roman · 第 13 / 30 题