VIJFDE HOOFDSTUK.

Stephanus had, dank zij het geneesmiddel van den senator, goed

geslapen.

Paulus zat naast hem en verroerde geen lid. Hij hield zijn adem

in en deed zich geweld aan, om toch elken prikkel tot hoesten te

onderdrukken, ten einde de zachte sluimering van den ouden man niet

te storen.

Een uur na middernacht was de oude wakker geworden, en nadat hij langen

tijd met open oogen had liggen nadenken, sprak hij ernstig: "Gij

noemdet u zelven en ons zelfzuchtig. Ik voor mij ben het zeker! Dat

heb ik heden niet voor het eerst maar reeds dikwijls tot mijzelven

gezegd, sedert den tijd dat Hermas uit Alexandrië is teruggekeerd

en het lachen verleerd heeft. Hij is niet tevreden, en zoo vaak ik

mij afvraag wat er van hem worden moet wanneer ik dood ben, als hij

den Heer loslaat en de wellust najaagt, dan huiver ik. Ik meende het

zoo goed met hem, toen ik hem medenam naar den heiligen berg. Maar

dat was toch het eenige niet. Het viel mij te zwaar, mij geheel van

het kind te scheiden. Mijn God, elk jong dier is toch verzekerd van

de trouwe liefde zijner moeder; maar de zijne zag naar hem niet om,

toen zij met haren verleider mijn huis ontvluchtte. Zijn vader,

dacht ik, moet hij ten minste behouden, en wanneer hij opgroeit in

afzondering van de wereld, zal hij bewaard worden voor al de ellende,

waarvan ik zoo ruimschoots mijn deel heb gehad. Ik wilde hem opvoeden

voor den hemel, voor een leven zonder leed. En thans?...... Als hij

ongelukkig wordt, wordt hij het door mij! Bij alle andere smarten

komt nu ook nog deze zorg."

"Gij hebt den weg voor hem gezocht," sprak Paulus, "en het overige

zal vanzelf wel terechtkomen. Hij heeft u lief en zal u zeker niet

verlaten, zoolang gij lijdt."

"Zeker niet?" vroeg de kranke angstig. "Wat heeft hij ook voor wapenen

om zich in het leven te verweren?"

"Gij hebt hem den Heiland tot leidsman gegeven; dat is genoeg," hernam

Paulus, om den ouden wat tot kalmte te brengen. "Het zijn geen effen

wegen die ten hemel voeren; bovendien, niemand kan de zaligheid voor

zijn naasten verwerven."

Stephanus zweeg lang; eindelijk ging hij weder voort: "Het is den

leermeester voor zijn leerling, den vader voor zijn zoon zelfs niet

vergund, de eenvoudigste levenservaringen op te doen. Wij kunnen het

doel aanwijzen, maar de weg daartoe is voor ieder een verschillende."

"Zoo laat ons God danken," riep Paulus, "want Hermas staat reeds op

het pad, dat wij eerst moesten zoeken gij en ik."

"Gij en ik," herhaalde de kranke nadenkend. "Ieder onzer heeft zijn

weg gezocht, doch altijd alleen naar den zijnen, niet naar dien van

den ander gevraagd. Die zelfzucht, die zelfzucht! Hoeveel jaren wonen

wij hier reeds dicht bij elkander, en toch heb ik nog nimmer behoefte

gevoeld u te vragen, wat gij van uw jeugd weet, en hoe de genade

u deelachtig werd. Ik vernam bij gerucht, dat gij uit Alexandrië

afkomstig zijt, dat gij een heiden waart en om het geloof veel hebt

moeten lijden. Daarmede stelde ik mij tevreden. Gij schijnt ook niet

gaarne over die lang vervlogen dagen te spreken. Wij moeten onzen

naasten liefhebben als ons zelven; en wie was mij nader dan gij? O,

die zelfzucht! Er zijn ook afgronden op den weg tot God."

"Ik weet u niet veel te vertellen," zeide Paulus, "maar men vergeet

toch niet wat men eens geweest is. Men zet het van zich, men meent

daarvan los te zijn, maar opeens staat het weer voor ons en groet ons

als een oud bekende. Al komt de kikvorsch ook een enkele maal op den

boom, hij springt toch weder naar het moeras terug."

"Niet waar, de herinnering laat zich niet dooden!" hervatte de

kranke. "Ik kan nu niet meer slapen. Vertel mij wat van uw jeugd,

en hoe gij een christen geworden zijt. Wanneer twee mannen langen

tijd denzelfden weg bewandeld hebben, en de ure van scheiding slaat,

dan vraagt de een den ander toch ook naar zijn afkomst en zijn naam."

Paulus staarde een tijd lang voor zich uit, daarna begon hij:

"Mijn speelgenooten noemden mij Menander, zoon van Herophilus. Verder

weet ik niet veel meer uit mijn jeugd, want ik zeide het u reeds:

sedert lang heb ik mijzelven verboden aan de wereld te denken. Wie de

zinnelijkheid verwerpt en de gedachte eraan behoudt, dien blijft...."

"Dat riekt waarlijk naar Plato," zeide Stephanus lachende.

"Heden komt al dat heidentuig weder bij mij boven," vervolgde

Paulus. "Ja, ik heb hem gekend en dikwijls gedacht, dat zijn gelaat

veel overeenkomst gehad kon hebben met dat van onzen Heiland."

"Toch slechts zooveel, als een schoon gezang met de stemmen der

engelen," hernam Stephanus, blijkbaar van een ander gevoelen.

"Wie zich eens verdiept in de stelsels der wijsgeeren....."

"Zoover is het bij mij eigenlijk nooit gekomen," verzekerde

Paulus. "Wel-is-waar moest ik de geheele school doorloopen: grammatica,

rhetorica, dialectica en muziek...."

"En arithmetica, geometrie en astronomie," vulde Stephanus aan.

"Deze drie liet men reeds sedert eenige jaren aan de geleerden over,"

ging Paulus voort, "en ik was nooit bijzonder leergierig. In de

school van den rhetor bleef ik bij mijne makkers veel ten achter, en

zoo ik Plato leerde lief hebben, dan heb ik dit aan den Atheenschen

paedonomos [2] te danken, een waardig man, dien mijn vader voor ons

in huis had genomen."

"Men zegt dat hij een groot koopman geweest is," zeide de kranke

weder. "Gij zijt toch misschien geen zoon van den rijken Herophilus,

wiens zaken in Antiochië werden waargenomen door den braven jood

Urbib?"

"Welzeker, dat ben ik," antwoordde Paulus, en sloeg verlegen de oogen

neder. "Onze huishouding was inderdaad koninklijk, dat wil ik niet

ontkennen, en 't was zonde zooveel slaven wij hadden! Wanneer ik aan

al die beuzelingen denk, waarvoor mijn vader te zorgen had, dan kan ik

nog duizelen. Hij bezat twintig zeeschepen in de haven van Eunostus, en

tachtig Nijlbooten in het Mareotische meer. Een stad vol armen had hij

kunnen verzorgen uit de winst, die de papyrusfabrieken opleverden. Doch

wij hadden onze inkomsten voor andere dingen noodig. Onze Cyrenaeische

paarden stonden in marmeren stallen, en de groote zaal, waarin vader

zijne vrienden ontving, geleek wel een tempel.--Maar ziet gij wel

hoe de wereld ons aangrijpt, wanneer wij aan haar denken? Laten wij

het verleden liever rusten!--Moet ik toch verder vertellen? Nu dan,

mijne kindsheid ging voorbij als die van duizend andere zonen van

rijke burgers; mijne moeder echter was buitengewoon schoon, lief en

engelachtig goed."

"Voor elk kind is zijne eigene moeder de beste," prevelde de kranke.

"En voor mij was het zeker de mijne," vervolgde Paulus. "Toch is zij

slechts eene heidin geweest. Van haar kreeg ik altijd een goed woord,

een vriendelijken blik, als vader mij leed had gedaan door zijne

strenge berisping. Zeker was er niet veel aan mij te prijzen. Het

leeren viel mij al bijzonder zwaar, en al had ik op de school beter

vorderingen gemaakt, dan zou mij dit toch niet in rekening zijn

gebracht, want mijn broeder Apollonius, die zoowat een jaar jonger

was dan ik, leerde het moeielijkste alsof het maar spelen was. Bij de

oefening in de dialectiek was er weldra geen rhetor in Alexandrië,

die het tegen hem kon uithouden. Geen stelsel was hem vreemd, en

ofschoon men nooit kon merken, dat hij zich bijzonder inspande,

was hij toch de eerste op menig gebied van wetenschap. In twee

dingen alleen was ik zijn meerdere: in de muziek en in athletische

kunsten. Terwijl hij studeerde en disputeerde, won ik kransen in het

worstelperk. Doch de beste rhetor en vechter met woorden was toen de

voortreffelijkste man, en mijn vader, die zelf in de raadsvergadering

wist te schitteren als een vurig en smaakvol redenaar, hield mij

voor een half mislukten domkop. Totdat hem eens een geleerd cliënt

van ons huis een gesneden steen overhandigde met een epigram, waarin

te lezen stond: "Wie de edelste gaven van den Griekschen stam wil

aanschouwen, die moge het huis van Herophilus bezoeken; dáar toch zijn

te bewonderen, in Menander de kracht en bevalligheid des lichaams,

en gelijke eigenschappen des geestes in Apollonius." Deze versregels,

die in de gedaante van eene luit geschreven waren, gingen van mond

tot mond, en bevredigden de eerzucht mijns vaders, die van nu aan

ook een woord van lof sprak, als mijn vierspan in de renbaan had

overwonnen of wanneer ik, met kransen getooid, uit de worstelspelen

of den zangstrijd wederkeerde. Ik bracht mijn leven door in de baden,

de palaestra en in vroolijke drinkgelagen."

"Dat alles weet ik bij ervaring," zeide Stephanus, "en de herinnering

hieraan heeft mij vaak verontrust. Viel het u gemakkelijk deze

tooneelen uit uwe verbeelding te verbannen?"

"In den beginne had ik zwaar te strijden," zuchtte Paulus, "maar

sedert eenigen tijd, nu ik over de veertig heen ben, plagen mij

de verzoekingen der wereld steeds minder. Alleen moet ik zorgen de

boodschaploopers, die den visch uit de vlekken aan het meer en uit

Raïthoe naar de oase brengen, te ontgaan."

Stephanus zag den ander vragend aan; Paulus vervolgde echter: "Ja,

dat is wel vreemd! Of ik mannen of vrouwen zie, de zee of dezen berg:

nooit denk ik aan Alexandrië en altijd aan heilige dingen. Maar

wanneer ik vischlucht ruik, zie ik in mijne verbeelding de markt,

en denk ik aan vischbanken en oesters.--"

"Die van Canobus zijn voortreffelijk," viel Stephanus hem in de rede;

"men bakt daar kleine pasteitjes...."

Paulus veegde zich met de bovenzijde van zijne hand de gebaarde

lippen af en zeide: "Bij den dikken kok Philemon in de Herakleotische

straat!"....

Maar dadelijk brak hij af en vervolgde beschaamd: "Het zou toch beter

zijn als ik ophield te vertellen. De schemering breekt nog niet aan,

en gij moet trachten nog wat te slapen."

"Ik kan niet," zuchtte Stephanus. "Als gij mij liefhebt, voleindig

dan het verhaal uwer geschiedenis."

"Maar val mij dan niet weder in de rede," verzocht Paulus en ging

voort: "Bij al dat vroolijke leven gevoelde ik mij niet gelukkig,

neen waarlijk niet. Wanneer ik soms alleen was, en niet te midden

mijner lustige makkers en, onder aanvallige meisjes met popelgroen

bekranst den beker ledigde, dan was het mij soms als wandelde ik aan

den rand van een zwarten afgrond, of als ware alles in mij en rondom

mij ledig en woest. Uren lang kon ik in zee staren, en als dan de

golven zich verhieven om weder te dalen en geheel te vervloeien,

dacht ik dikwijls dat ik niet ongelijk was aan deze, en dat de

toekomst van mijn nietswaardigheden toch een ijdel niets was. Onze

goden hadden weinig waarde voor ons. Mijne moeder offerde nu eens

in dezen, dan weder in genen tempel, al naar de behoefte van den dag

medebracht. Vader nam deel aan de feesten, maar dreef den spot met het

bijgeloof der menigte, en mijn broeder sprak altijd van het wezen van

licht, waaruit alles ontstaan zou zijn, en was steeds in de weer met

allerlei demonen en tooverformulieren. Hij was een aanhanger van de

leer van Jamblichus, Ablavius en andere Nieuw-Platonische wijsgeeren,

die mij, domkop, voorkwamen nu eens bovenmenschelijk diepzinnig,

dan weder onmenschelijk dwaas te zijn. Menig woord uit zijn mond is

mij bijgebleven, en eerst hier in de eenzaamheid heb ik het leeren

verstaan. Het redelijke buiten ons te zoeken is niets; maar het

hoogste is, wanneer de rede in ons zichzelve mag beschouwen. Zoo

dikwijls de wereld voor mij in het niet wegzinkt en ik in God leef,

hem alleen heb en vasthoud, zijne onmiddellijke nabijheid gevoel,

gedenk ik die leerstelling. Hoe zochten en luisterden al die dwazen,

of zij de waarheid ook vinden en verstaan mochten, de waarheid die

naast hen zoo luide verkondigd werd!

"Overal vond men Christenen, en zij behoefden zich in dien tijd niet

te verbergen; ik had echter niets met hen uit te staan. Maar tweemalen

kruisten zij mijn weg. De eene maal was ik niet weinig verdrietig,

toen in het renperk de paarden van een christen, die een Nazareenschen

zegen had ontvangen, de mijnen overwonnen. De andere keer was ik zeer

vreemd te moede, toen ikzelf zulk een zegen van een ouden christelijken

havenwerker ontving, wiens zoon ik uit het water had gered.

"Er verliepen jaren. Mijne ouders stierven. De laatste blik mijner

moeder was op mij gericht, want van al hare kinderen hield zij toch

het meest van mij. Men zeide ook dat wij veel op haar geleken, ik en

mijne zuster Arsinoë, die spoedig na den dood mijns vaders met den

praefect Pompejus in het huwelijk trad.

"Bij de verdeeling der erfenis liet ik de fabrieken en de leiding

der zaak aan mijn broeder over, ja ook het huis in de stad, ofschoon

het mij als den oudsten toekwam. Daarvoor nam ik het landgoed vóor de

Canobische poort in bezit, en vulde daar de stallen met edele paarden,

en de schuren met niet minder kostelijken wijn. Dien had ik noodig

ook, want de dagen waren aan de baden en het worstelperk gewijd,

maar de nachten werden met drinken doorgebracht, nu eens bij mij,

dan weder bij een vriend, of ook in een der herbergen te Canobus,

waar de gastmalen werden gekruid door gezang en dans van de schoonste

Grieksche meisjes.

"Wat hebben, zult gij vragen, deze plaatsen van ijdel zingenot met

uwe bekeering te maken? Hoor mij slechts aan. Toen Saul uitging om

de ezelinnen zijns vaders te zoeken vond hij eene kroon.

"Op zekeren dag waren wij in onze vergulde booten daarheen gevaren,

en de Lesbische Archidice had voor ons in haar huis een gastmaal

gereed gemaakt, zooals men het zelfs in Rome nauwelijks zou kunnen

toebereiden. Sedert Diocletianus, na den opstand van Achilleus,

onze stad had ingenomen, gedroegen zich de keizerlijke troepen, die

naar Alexandrië waren gekomen, meer dan overmoedig. Al maanden lang

hadden mijne vrienden met eenige jonge officieren uit Romeinsche

patricische familiën telkens weder verschil gehad over paarden,

vrouwen en weet ik wat niet meer. Nu wilde het ongeluk, dat wij juist

deze heertjes in de woning van Archidice aantroffen. Het kwam tot

bitse woorden, die de krijgslieden op hunne manier beantwoordden,

eindelijk tot beleedigingen, ja, toen de wijn hen en ons verhit had,

tot luide bedreigingen.

"De Romeinen verlieten de woning vóor ons. Met kransen getooid,

zingende en geen kwaad vermoedende, volgden wij hen een poos

later. Reeds waren wij dicht bij de haven, toen een schreeuwende troep

uit eene zijstraat te voorschijn kwam, en ons met blanke wapenen op het

lijf viel. Het was maneschijn, zoodat ik enkele van onze aanvallers

kon herkennen. Ik wierp mij op een langen tribuun, worgde hem en

zonk, toen hij viel, met hem op den grond. Wat verder geschiedde,

weet ik niet recht meer, want zwaardhouwen vielen als een slagregen

op mij neer en het werd mij zwart voor de oogen. Ik weet alleen nog

wat ik toen in het aangezicht van den dood heb gedacht."

"Wat dan?" vroeg Stephanus.

"Ik dacht," antwoordde Paulus, terwijl hij een kleur kreeg van

schaamte, "aan mijne kwartels in Alexandrië, die ik onderhield om

te vechten, of zij wel water hadden gehad. Daarna overviel mij eene

diepe en sombere bewusteloosheid. Weken lang heb ik zoo gelegen,

want ik was gehakt als het worstvleesch van den slager. Ik had twaalf

wonden, de kleine niet mede gerekend, ieder van welke zeker een ander

het leven zou hebben gekost. Gij hebt u immers menigmaal over mijne

litteekens verwonderd."

"En wien heeft de Allerhoogste uitverkoren om u te redden?"

"Toen ik ontwaakte," ging Paulus voort, "lag ik in een groot net

vertrek, achter een gordijn van helder doek. Ik kon mij niet oprichten,

en als had ik evenveel minuten als dagen gesluimerd, dacht ik dadelijk

weder het eerst aan mijne kwartels. Bij den laatsten kamp had mijn

beste haan dien van den schoonen Nicander leelijk toegetakeld, en

toch beproefde hij mij den inzet te betwisten. Ik wilde mij evenwel

recht verschaffen. De kwartels moesten althans nog eens tegen elkaar

in het strijdperk, en als Nicander mocht weigeren, dan wilde ik hem

in de palaestra tot een vuistkamp dwingen, en hem ter herinnering aan

zijn schuld een blauw teeken op het oog schilderen. Mijne handen waren

zwak en toch balden zij zich tot vuisten, als ik aan dat ergerlijk

gedrag dacht. Ik zal hem! prevelde ik in mijzelven.

"Daar hoorde ik hoe de deur van het vertrek, waarin ik sliep, werd

geopend, en zag hoe drie mannen eerbiedig een vierden naderden. Deze

laatste begroette hen waardig maar toch vriendelijk, en rolde een

geschrift op, waarin hij gelezen had. Gaarne had ik hem geroepen,

maar ik kon de drooge lippen niet openen. Toch zag en hoorde ik alles

wat er in de kamer bij mij voorviel.

"Dat kwam mij toen vreemd genoeg voor. Reeds de groet dezer mannen was

zoo zonderling. Weldra bespeurde ik, dat hij die op den stoel zat een

rechter was, en dat de anderen als klagers kwamen. Zij waren alle drie

oud en arm, maar goede menschen hadden hun een stuk grond in gebruik

gegeven. Gedurende den tijd van den akkerbouw was de een, een flinke

grijsaard met lange witte haren, ziek geweest, zoodat hij ook bij den

oogst niet had kunnen medehelpen. Nu zullen zij hem zeker, dacht ik

zoo bij mijzelven, zijn aandeel aan het koorn willen onthouden. Doch

het kwam gansch anders, uit. De gezonden hadden den kranke het derde

deel van het gedorschte in huis gebracht, en de grijsaard weigerde

hardnekkig de tarwe aan te nemen, daar hij noch bij het zaaien,

noch bij den oogst had medegeholpen. Hij verlangde van den rechter,

dat deze den anderen aan het verstand zou brengen, dat hij niet

gerechtigd was aan te nemen, wat hij zich inderdaad niet verworven had.

"De rechter had tot hiertoe gezwegen. Thans hief hij zijn verstandig

en vriendelijk gelaat op, en vroeg den grijsaard: 'Hebt gij voor uwe

gezellen en voor het gedijen van den arbeid gebeden?'

"Dat heb ik gedaan," antwoordde de oude.

"Zoo hebt gij hen door uwe voorbidding geholpen," besliste de

rechter. 'Het derde deel van den oogst is het uwe en gij moogt het

behouden!'

"De grijsaard boog; de mannen gaven elkaar de hand, en weldra was de

rechter weder alleen in het vertrek.

"Ik begreep niet recht wat er in mij omging. Zoowel de klacht als de

uitspraak van den rechter schenen mij onredelijk toe. Toch werd ik

door beiden in het hart geroerd. Ik sliep weder in, en toen ik den

volgenden morgen gesterkt ontwaakte, kwam de rechter naar mij toe en

bood mij geneesmiddelen aan, niet enkel voor het lichaam maar ook voor

de ziel, die zeker even diep gewond was als de arme gekwetste leden."

"Wie was die rechter?" vroeg Stephanus.

"Eusebius, de presbyter van Canobus. Christenen hadden mij halfdood op

de straat gevonden en in zijn huis gebracht, want de weduwe Theodora,

zijne zuster, was diakones der stad. Zij beiden hebben mij verpleegd,

als ware ik werkelijk hun broeder. Eerst toen ik krachtiger was

geworden, toonden zij mij het kruis en den doornenkroon van hem, die

ook om mijnentwil zooveel smartelijker lijden ondergaan heeft. Zij

leerden mij zijne wonden vereeren en de mijne met geduld dragen. Aan

het dorre hout der vertwijfeling botte weldra de groene knop der hoop;

in plaats van dat ijdel niets aan het einde des levens, toonden zij

mij den hemel met al zijne vreugde. Ik werd een nieuw mensch en de

toekomst lag voor mij als een eindeloos zalig bestaan. Na den dood,

dit leerde ik nu, zal er niets zijn dan de eeuwigheid. De poorten

des hemels waren wijd voor mij geopend en te Canobus werd ik gedoopt.

"In Alexandrië had men mij reeds als een afgestorvene betreurd, en

mijne zuster Arsinoë had, als mijne erfgename, met haar echtgenoot

den praefect mijn landhuis betrokken. Ik liet het gaarne aan haar

over en woonde van nu aan weder in de stad om, als de vervolgingen

opnieuw mochten beginnen, de broeders te kunnen bijstaan. Dat viel

mij gemakkelijk, want door mijn zwager was de toegang tot alle kerkers

voor mij geopend. Eindelijk moest ik in het openbaar voor mijn geloof

uitkomen en heb ik op de pijnbank en in de porfiergroeven veel moeten

lijden. Doch elke smart was mij welkom, daar zij mij het doel van

mijn vurig verlangen nader scheen te brengen. Als ik hier op den

heiligen berg mij over iets te beklagen heb, dan is het alleen over

dit, dat de Heer mij niet verwaardigt tot meerder lijden, daar toch

zijn eigen beminde zoon voor mij en elken arme, zulke bittere smarten

op zich genomen heeft."

"Gij heilige man!" prevelde Stephanus en kuste deemoedig Paulus'

schaapsvel; deze scheurde het hem echter uit de hand en zeide

mismoedig:

"Ik bid u, laat dat! Wie mij hier in dit leven met eerbewijzen nadert,

die werpt mij steenen in den weg op het pad der zaligheid. Thans ga

ik naar de bron om frisch water voor u te putten."

Toen Paulus met de kruik terugkeerde, vond hij Hermas, die zijn vader

een morgengroet bracht, eer hij weer naar den senator in de oase-stad

ging om nieuwe geneesmiddelen te halen.

Homo sum: Roman · 第 12 / 30 题