Stephanus had, dank zij het geneesmiddel van den senator, goed
geslapen.
Paulus zat naast hem en verroerde geen lid. Hij hield zijn adem
in en deed zich geweld aan, om toch elken prikkel tot hoesten te
onderdrukken, ten einde de zachte sluimering van den ouden man niet
te storen.
Een uur na middernacht was de oude wakker geworden, en nadat hij langen
tijd met open oogen had liggen nadenken, sprak hij ernstig: "Gij
noemdet u zelven en ons zelfzuchtig. Ik voor mij ben het zeker! Dat
heb ik heden niet voor het eerst maar reeds dikwijls tot mijzelven
gezegd, sedert den tijd dat Hermas uit Alexandrië is teruggekeerd
en het lachen verleerd heeft. Hij is niet tevreden, en zoo vaak ik
mij afvraag wat er van hem worden moet wanneer ik dood ben, als hij
den Heer loslaat en de wellust najaagt, dan huiver ik. Ik meende het
zoo goed met hem, toen ik hem medenam naar den heiligen berg. Maar
dat was toch het eenige niet. Het viel mij te zwaar, mij geheel van
het kind te scheiden. Mijn God, elk jong dier is toch verzekerd van
de trouwe liefde zijner moeder; maar de zijne zag naar hem niet om,
toen zij met haren verleider mijn huis ontvluchtte. Zijn vader,
dacht ik, moet hij ten minste behouden, en wanneer hij opgroeit in
afzondering van de wereld, zal hij bewaard worden voor al de ellende,
waarvan ik zoo ruimschoots mijn deel heb gehad. Ik wilde hem opvoeden
voor den hemel, voor een leven zonder leed. En thans?...... Als hij
ongelukkig wordt, wordt hij het door mij! Bij alle andere smarten
komt nu ook nog deze zorg."
"Gij hebt den weg voor hem gezocht," sprak Paulus, "en het overige
zal vanzelf wel terechtkomen. Hij heeft u lief en zal u zeker niet
verlaten, zoolang gij lijdt."
"Zeker niet?" vroeg de kranke angstig. "Wat heeft hij ook voor wapenen
om zich in het leven te verweren?"
"Gij hebt hem den Heiland tot leidsman gegeven; dat is genoeg," hernam
Paulus, om den ouden wat tot kalmte te brengen. "Het zijn geen effen
wegen die ten hemel voeren; bovendien, niemand kan de zaligheid voor
zijn naasten verwerven."
Stephanus zweeg lang; eindelijk ging hij weder voort: "Het is den
leermeester voor zijn leerling, den vader voor zijn zoon zelfs niet
vergund, de eenvoudigste levenservaringen op te doen. Wij kunnen het
doel aanwijzen, maar de weg daartoe is voor ieder een verschillende."
"Zoo laat ons God danken," riep Paulus, "want Hermas staat reeds op
het pad, dat wij eerst moesten zoeken gij en ik."
"Gij en ik," herhaalde de kranke nadenkend. "Ieder onzer heeft zijn
weg gezocht, doch altijd alleen naar den zijnen, niet naar dien van
den ander gevraagd. Die zelfzucht, die zelfzucht! Hoeveel jaren wonen
wij hier reeds dicht bij elkander, en toch heb ik nog nimmer behoefte
gevoeld u te vragen, wat gij van uw jeugd weet, en hoe de genade
u deelachtig werd. Ik vernam bij gerucht, dat gij uit Alexandrië
afkomstig zijt, dat gij een heiden waart en om het geloof veel hebt
moeten lijden. Daarmede stelde ik mij tevreden. Gij schijnt ook niet
gaarne over die lang vervlogen dagen te spreken. Wij moeten onzen
naasten liefhebben als ons zelven; en wie was mij nader dan gij? O,
die zelfzucht! Er zijn ook afgronden op den weg tot God."
"Ik weet u niet veel te vertellen," zeide Paulus, "maar men vergeet
toch niet wat men eens geweest is. Men zet het van zich, men meent
daarvan los te zijn, maar opeens staat het weer voor ons en groet ons
als een oud bekende. Al komt de kikvorsch ook een enkele maal op den
boom, hij springt toch weder naar het moeras terug."
"Niet waar, de herinnering laat zich niet dooden!" hervatte de
kranke. "Ik kan nu niet meer slapen. Vertel mij wat van uw jeugd,
en hoe gij een christen geworden zijt. Wanneer twee mannen langen
tijd denzelfden weg bewandeld hebben, en de ure van scheiding slaat,
dan vraagt de een den ander toch ook naar zijn afkomst en zijn naam."
Paulus staarde een tijd lang voor zich uit, daarna begon hij:
"Mijn speelgenooten noemden mij Menander, zoon van Herophilus. Verder
weet ik niet veel meer uit mijn jeugd, want ik zeide het u reeds:
sedert lang heb ik mijzelven verboden aan de wereld te denken. Wie de
zinnelijkheid verwerpt en de gedachte eraan behoudt, dien blijft...."
"Dat riekt waarlijk naar Plato," zeide Stephanus lachende.
"Heden komt al dat heidentuig weder bij mij boven," vervolgde
Paulus. "Ja, ik heb hem gekend en dikwijls gedacht, dat zijn gelaat
veel overeenkomst gehad kon hebben met dat van onzen Heiland."
"Toch slechts zooveel, als een schoon gezang met de stemmen der
engelen," hernam Stephanus, blijkbaar van een ander gevoelen.
"Wie zich eens verdiept in de stelsels der wijsgeeren....."
"Zoover is het bij mij eigenlijk nooit gekomen," verzekerde
Paulus. "Wel-is-waar moest ik de geheele school doorloopen: grammatica,
rhetorica, dialectica en muziek...."
"En arithmetica, geometrie en astronomie," vulde Stephanus aan.
"Deze drie liet men reeds sedert eenige jaren aan de geleerden over,"
ging Paulus voort, "en ik was nooit bijzonder leergierig. In de
school van den rhetor bleef ik bij mijne makkers veel ten achter, en
zoo ik Plato leerde lief hebben, dan heb ik dit aan den Atheenschen
paedonomos [2] te danken, een waardig man, dien mijn vader voor ons
in huis had genomen."
"Men zegt dat hij een groot koopman geweest is," zeide de kranke
weder. "Gij zijt toch misschien geen zoon van den rijken Herophilus,
wiens zaken in Antiochië werden waargenomen door den braven jood
Urbib?"
"Welzeker, dat ben ik," antwoordde Paulus, en sloeg verlegen de oogen
neder. "Onze huishouding was inderdaad koninklijk, dat wil ik niet
ontkennen, en 't was zonde zooveel slaven wij hadden! Wanneer ik aan
al die beuzelingen denk, waarvoor mijn vader te zorgen had, dan kan ik
nog duizelen. Hij bezat twintig zeeschepen in de haven van Eunostus, en
tachtig Nijlbooten in het Mareotische meer. Een stad vol armen had hij
kunnen verzorgen uit de winst, die de papyrusfabrieken opleverden. Doch
wij hadden onze inkomsten voor andere dingen noodig. Onze Cyrenaeische
paarden stonden in marmeren stallen, en de groote zaal, waarin vader
zijne vrienden ontving, geleek wel een tempel.--Maar ziet gij wel
hoe de wereld ons aangrijpt, wanneer wij aan haar denken? Laten wij
het verleden liever rusten!--Moet ik toch verder vertellen? Nu dan,
mijne kindsheid ging voorbij als die van duizend andere zonen van
rijke burgers; mijne moeder echter was buitengewoon schoon, lief en
engelachtig goed."
"Voor elk kind is zijne eigene moeder de beste," prevelde de kranke.
"En voor mij was het zeker de mijne," vervolgde Paulus. "Toch is zij
slechts eene heidin geweest. Van haar kreeg ik altijd een goed woord,
een vriendelijken blik, als vader mij leed had gedaan door zijne
strenge berisping. Zeker was er niet veel aan mij te prijzen. Het
leeren viel mij al bijzonder zwaar, en al had ik op de school beter
vorderingen gemaakt, dan zou mij dit toch niet in rekening zijn
gebracht, want mijn broeder Apollonius, die zoowat een jaar jonger
was dan ik, leerde het moeielijkste alsof het maar spelen was. Bij de
oefening in de dialectiek was er weldra geen rhetor in Alexandrië,
die het tegen hem kon uithouden. Geen stelsel was hem vreemd, en
ofschoon men nooit kon merken, dat hij zich bijzonder inspande,
was hij toch de eerste op menig gebied van wetenschap. In twee
dingen alleen was ik zijn meerdere: in de muziek en in athletische
kunsten. Terwijl hij studeerde en disputeerde, won ik kransen in het
worstelperk. Doch de beste rhetor en vechter met woorden was toen de
voortreffelijkste man, en mijn vader, die zelf in de raadsvergadering
wist te schitteren als een vurig en smaakvol redenaar, hield mij
voor een half mislukten domkop. Totdat hem eens een geleerd cliënt
van ons huis een gesneden steen overhandigde met een epigram, waarin
te lezen stond: "Wie de edelste gaven van den Griekschen stam wil
aanschouwen, die moge het huis van Herophilus bezoeken; dáar toch zijn
te bewonderen, in Menander de kracht en bevalligheid des lichaams,
en gelijke eigenschappen des geestes in Apollonius." Deze versregels,
die in de gedaante van eene luit geschreven waren, gingen van mond
tot mond, en bevredigden de eerzucht mijns vaders, die van nu aan
ook een woord van lof sprak, als mijn vierspan in de renbaan had
overwonnen of wanneer ik, met kransen getooid, uit de worstelspelen
of den zangstrijd wederkeerde. Ik bracht mijn leven door in de baden,
de palaestra en in vroolijke drinkgelagen."
"Dat alles weet ik bij ervaring," zeide Stephanus, "en de herinnering
hieraan heeft mij vaak verontrust. Viel het u gemakkelijk deze
tooneelen uit uwe verbeelding te verbannen?"
"In den beginne had ik zwaar te strijden," zuchtte Paulus, "maar
sedert eenigen tijd, nu ik over de veertig heen ben, plagen mij
de verzoekingen der wereld steeds minder. Alleen moet ik zorgen de
boodschaploopers, die den visch uit de vlekken aan het meer en uit
Raïthoe naar de oase brengen, te ontgaan."
Stephanus zag den ander vragend aan; Paulus vervolgde echter: "Ja,
dat is wel vreemd! Of ik mannen of vrouwen zie, de zee of dezen berg:
nooit denk ik aan Alexandrië en altijd aan heilige dingen. Maar
wanneer ik vischlucht ruik, zie ik in mijne verbeelding de markt,
en denk ik aan vischbanken en oesters.--"
"Die van Canobus zijn voortreffelijk," viel Stephanus hem in de rede;
"men bakt daar kleine pasteitjes...."
Paulus veegde zich met de bovenzijde van zijne hand de gebaarde
lippen af en zeide: "Bij den dikken kok Philemon in de Herakleotische
straat!"....
Maar dadelijk brak hij af en vervolgde beschaamd: "Het zou toch beter
zijn als ik ophield te vertellen. De schemering breekt nog niet aan,
en gij moet trachten nog wat te slapen."
"Ik kan niet," zuchtte Stephanus. "Als gij mij liefhebt, voleindig
dan het verhaal uwer geschiedenis."
"Maar val mij dan niet weder in de rede," verzocht Paulus en ging
voort: "Bij al dat vroolijke leven gevoelde ik mij niet gelukkig,
neen waarlijk niet. Wanneer ik soms alleen was, en niet te midden
mijner lustige makkers en, onder aanvallige meisjes met popelgroen
bekranst den beker ledigde, dan was het mij soms als wandelde ik aan
den rand van een zwarten afgrond, of als ware alles in mij en rondom
mij ledig en woest. Uren lang kon ik in zee staren, en als dan de
golven zich verhieven om weder te dalen en geheel te vervloeien,
dacht ik dikwijls dat ik niet ongelijk was aan deze, en dat de
toekomst van mijn nietswaardigheden toch een ijdel niets was. Onze
goden hadden weinig waarde voor ons. Mijne moeder offerde nu eens
in dezen, dan weder in genen tempel, al naar de behoefte van den dag
medebracht. Vader nam deel aan de feesten, maar dreef den spot met het
bijgeloof der menigte, en mijn broeder sprak altijd van het wezen van
licht, waaruit alles ontstaan zou zijn, en was steeds in de weer met
allerlei demonen en tooverformulieren. Hij was een aanhanger van de
leer van Jamblichus, Ablavius en andere Nieuw-Platonische wijsgeeren,
die mij, domkop, voorkwamen nu eens bovenmenschelijk diepzinnig,
dan weder onmenschelijk dwaas te zijn. Menig woord uit zijn mond is
mij bijgebleven, en eerst hier in de eenzaamheid heb ik het leeren
verstaan. Het redelijke buiten ons te zoeken is niets; maar het
hoogste is, wanneer de rede in ons zichzelve mag beschouwen. Zoo
dikwijls de wereld voor mij in het niet wegzinkt en ik in God leef,
hem alleen heb en vasthoud, zijne onmiddellijke nabijheid gevoel,
gedenk ik die leerstelling. Hoe zochten en luisterden al die dwazen,
of zij de waarheid ook vinden en verstaan mochten, de waarheid die
naast hen zoo luide verkondigd werd!
"Overal vond men Christenen, en zij behoefden zich in dien tijd niet
te verbergen; ik had echter niets met hen uit te staan. Maar tweemalen
kruisten zij mijn weg. De eene maal was ik niet weinig verdrietig,
toen in het renperk de paarden van een christen, die een Nazareenschen
zegen had ontvangen, de mijnen overwonnen. De andere keer was ik zeer
vreemd te moede, toen ikzelf zulk een zegen van een ouden christelijken
havenwerker ontving, wiens zoon ik uit het water had gered.
"Er verliepen jaren. Mijne ouders stierven. De laatste blik mijner
moeder was op mij gericht, want van al hare kinderen hield zij toch
het meest van mij. Men zeide ook dat wij veel op haar geleken, ik en
mijne zuster Arsinoë, die spoedig na den dood mijns vaders met den
praefect Pompejus in het huwelijk trad.
"Bij de verdeeling der erfenis liet ik de fabrieken en de leiding
der zaak aan mijn broeder over, ja ook het huis in de stad, ofschoon
het mij als den oudsten toekwam. Daarvoor nam ik het landgoed vóor de
Canobische poort in bezit, en vulde daar de stallen met edele paarden,
en de schuren met niet minder kostelijken wijn. Dien had ik noodig
ook, want de dagen waren aan de baden en het worstelperk gewijd,
maar de nachten werden met drinken doorgebracht, nu eens bij mij,
dan weder bij een vriend, of ook in een der herbergen te Canobus,
waar de gastmalen werden gekruid door gezang en dans van de schoonste
Grieksche meisjes.
"Wat hebben, zult gij vragen, deze plaatsen van ijdel zingenot met
uwe bekeering te maken? Hoor mij slechts aan. Toen Saul uitging om
de ezelinnen zijns vaders te zoeken vond hij eene kroon.
"Op zekeren dag waren wij in onze vergulde booten daarheen gevaren,
en de Lesbische Archidice had voor ons in haar huis een gastmaal
gereed gemaakt, zooals men het zelfs in Rome nauwelijks zou kunnen
toebereiden. Sedert Diocletianus, na den opstand van Achilleus,
onze stad had ingenomen, gedroegen zich de keizerlijke troepen, die
naar Alexandrië waren gekomen, meer dan overmoedig. Al maanden lang
hadden mijne vrienden met eenige jonge officieren uit Romeinsche
patricische familiën telkens weder verschil gehad over paarden,
vrouwen en weet ik wat niet meer. Nu wilde het ongeluk, dat wij juist
deze heertjes in de woning van Archidice aantroffen. Het kwam tot
bitse woorden, die de krijgslieden op hunne manier beantwoordden,
eindelijk tot beleedigingen, ja, toen de wijn hen en ons verhit had,
tot luide bedreigingen.
"De Romeinen verlieten de woning vóor ons. Met kransen getooid,
zingende en geen kwaad vermoedende, volgden wij hen een poos
later. Reeds waren wij dicht bij de haven, toen een schreeuwende troep
uit eene zijstraat te voorschijn kwam, en ons met blanke wapenen op het
lijf viel. Het was maneschijn, zoodat ik enkele van onze aanvallers
kon herkennen. Ik wierp mij op een langen tribuun, worgde hem en
zonk, toen hij viel, met hem op den grond. Wat verder geschiedde,
weet ik niet recht meer, want zwaardhouwen vielen als een slagregen
op mij neer en het werd mij zwart voor de oogen. Ik weet alleen nog
wat ik toen in het aangezicht van den dood heb gedacht."
"Wat dan?" vroeg Stephanus.
"Ik dacht," antwoordde Paulus, terwijl hij een kleur kreeg van
schaamte, "aan mijne kwartels in Alexandrië, die ik onderhield om
te vechten, of zij wel water hadden gehad. Daarna overviel mij eene
diepe en sombere bewusteloosheid. Weken lang heb ik zoo gelegen,
want ik was gehakt als het worstvleesch van den slager. Ik had twaalf
wonden, de kleine niet mede gerekend, ieder van welke zeker een ander
het leven zou hebben gekost. Gij hebt u immers menigmaal over mijne
litteekens verwonderd."
"En wien heeft de Allerhoogste uitverkoren om u te redden?"
"Toen ik ontwaakte," ging Paulus voort, "lag ik in een groot net
vertrek, achter een gordijn van helder doek. Ik kon mij niet oprichten,
en als had ik evenveel minuten als dagen gesluimerd, dacht ik dadelijk
weder het eerst aan mijne kwartels. Bij den laatsten kamp had mijn
beste haan dien van den schoonen Nicander leelijk toegetakeld, en
toch beproefde hij mij den inzet te betwisten. Ik wilde mij evenwel
recht verschaffen. De kwartels moesten althans nog eens tegen elkaar
in het strijdperk, en als Nicander mocht weigeren, dan wilde ik hem
in de palaestra tot een vuistkamp dwingen, en hem ter herinnering aan
zijn schuld een blauw teeken op het oog schilderen. Mijne handen waren
zwak en toch balden zij zich tot vuisten, als ik aan dat ergerlijk
gedrag dacht. Ik zal hem! prevelde ik in mijzelven.
"Daar hoorde ik hoe de deur van het vertrek, waarin ik sliep, werd
geopend, en zag hoe drie mannen eerbiedig een vierden naderden. Deze
laatste begroette hen waardig maar toch vriendelijk, en rolde een
geschrift op, waarin hij gelezen had. Gaarne had ik hem geroepen,
maar ik kon de drooge lippen niet openen. Toch zag en hoorde ik alles
wat er in de kamer bij mij voorviel.
"Dat kwam mij toen vreemd genoeg voor. Reeds de groet dezer mannen was
zoo zonderling. Weldra bespeurde ik, dat hij die op den stoel zat een
rechter was, en dat de anderen als klagers kwamen. Zij waren alle drie
oud en arm, maar goede menschen hadden hun een stuk grond in gebruik
gegeven. Gedurende den tijd van den akkerbouw was de een, een flinke
grijsaard met lange witte haren, ziek geweest, zoodat hij ook bij den
oogst niet had kunnen medehelpen. Nu zullen zij hem zeker, dacht ik
zoo bij mijzelven, zijn aandeel aan het koorn willen onthouden. Doch
het kwam gansch anders, uit. De gezonden hadden den kranke het derde
deel van het gedorschte in huis gebracht, en de grijsaard weigerde
hardnekkig de tarwe aan te nemen, daar hij noch bij het zaaien,
noch bij den oogst had medegeholpen. Hij verlangde van den rechter,
dat deze den anderen aan het verstand zou brengen, dat hij niet
gerechtigd was aan te nemen, wat hij zich inderdaad niet verworven had.
"De rechter had tot hiertoe gezwegen. Thans hief hij zijn verstandig
en vriendelijk gelaat op, en vroeg den grijsaard: 'Hebt gij voor uwe
gezellen en voor het gedijen van den arbeid gebeden?'
"Dat heb ik gedaan," antwoordde de oude.
"Zoo hebt gij hen door uwe voorbidding geholpen," besliste de
rechter. 'Het derde deel van den oogst is het uwe en gij moogt het
behouden!'
"De grijsaard boog; de mannen gaven elkaar de hand, en weldra was de
rechter weder alleen in het vertrek.
"Ik begreep niet recht wat er in mij omging. Zoowel de klacht als de
uitspraak van den rechter schenen mij onredelijk toe. Toch werd ik
door beiden in het hart geroerd. Ik sliep weder in, en toen ik den
volgenden morgen gesterkt ontwaakte, kwam de rechter naar mij toe en
bood mij geneesmiddelen aan, niet enkel voor het lichaam maar ook voor
de ziel, die zeker even diep gewond was als de arme gekwetste leden."
"Wie was die rechter?" vroeg Stephanus.
"Eusebius, de presbyter van Canobus. Christenen hadden mij halfdood op
de straat gevonden en in zijn huis gebracht, want de weduwe Theodora,
zijne zuster, was diakones der stad. Zij beiden hebben mij verpleegd,
als ware ik werkelijk hun broeder. Eerst toen ik krachtiger was
geworden, toonden zij mij het kruis en den doornenkroon van hem, die
ook om mijnentwil zooveel smartelijker lijden ondergaan heeft. Zij
leerden mij zijne wonden vereeren en de mijne met geduld dragen. Aan
het dorre hout der vertwijfeling botte weldra de groene knop der hoop;
in plaats van dat ijdel niets aan het einde des levens, toonden zij
mij den hemel met al zijne vreugde. Ik werd een nieuw mensch en de
toekomst lag voor mij als een eindeloos zalig bestaan. Na den dood,
dit leerde ik nu, zal er niets zijn dan de eeuwigheid. De poorten
des hemels waren wijd voor mij geopend en te Canobus werd ik gedoopt.
"In Alexandrië had men mij reeds als een afgestorvene betreurd, en
mijne zuster Arsinoë had, als mijne erfgename, met haar echtgenoot
den praefect mijn landhuis betrokken. Ik liet het gaarne aan haar
over en woonde van nu aan weder in de stad om, als de vervolgingen
opnieuw mochten beginnen, de broeders te kunnen bijstaan. Dat viel
mij gemakkelijk, want door mijn zwager was de toegang tot alle kerkers
voor mij geopend. Eindelijk moest ik in het openbaar voor mijn geloof
uitkomen en heb ik op de pijnbank en in de porfiergroeven veel moeten
lijden. Doch elke smart was mij welkom, daar zij mij het doel van
mijn vurig verlangen nader scheen te brengen. Als ik hier op den
heiligen berg mij over iets te beklagen heb, dan is het alleen over
dit, dat de Heer mij niet verwaardigt tot meerder lijden, daar toch
zijn eigen beminde zoon voor mij en elken arme, zulke bittere smarten
op zich genomen heeft."
"Gij heilige man!" prevelde Stephanus en kuste deemoedig Paulus'
schaapsvel; deze scheurde het hem echter uit de hand en zeide
mismoedig:
"Ik bid u, laat dat! Wie mij hier in dit leven met eerbewijzen nadert,
die werpt mij steenen in den weg op het pad der zaligheid. Thans ga
ik naar de bron om frisch water voor u te putten."
Toen Paulus met de kruik terugkeerde, vond hij Hermas, die zijn vader
een morgengroet bracht, eer hij weer naar den senator in de oase-stad
ging om nieuwe geneesmiddelen te halen.