VIERDE HOOFDSTUK.

Petrus beklom met Hermas den berg. De oude man volgde den jongeling

die hem den weg wees, en bewonderde, zoo vaak hij den blik tot hem

ophief, diens breede schouders en de veerkracht zijner ledematen.

Bij eene kleine bergvlakte gekomen werd de weg wat breeder en nadat

beide wandelaars een tijdlang naast elkander waren voortgegaan,

zonder een woord te spreken, vroeg de senator: "Hoe lang woont uw

vader nu reeds op den berg?"

"Al menig jaar," antwoordde Hermas, "maar ik weet niet hoevele. Het

doet er ook weinig toe. Bij ons vraagt niemand naar den tijd."

De senator bleef stilstaan, nam zijn geleider weder met de oogen op

en vroeg: "Zijt gij bij uw vader gebleven, sedert hij hierheen kwam?"

"Hij wil mij niet laten heengaan," antwoordde Hermas met somberen

blik. "Ik ben nog maar tweemalen alleen in de oase geweest, toen ik

naar de kerk ging."

"Gij hebt dus ook geene school bezocht?"

"Welke zou ik bezocht hebben? Mijn vader leerde mij de evangeliën

lezen. Ik heb ook kunnen schrijven, maar dat zal ik wel verleerd

zijn. Waartoe zou het ook dienen? Wij leven als biddende dieren."

Die laatste woorden werden op zeer bitteren toon uitgesproken. Petrus

sloeg een blik in de met spijt en wrevel vervulde ziel van zijn

metgezel, bij wien het verlangen der jeugd, om zijne krachten te

beproeven, zich met alle macht verzette tegen dat verslijten van zijn

leven in ledigheid, waartoe hij veroordeeld was. Hij had medelijden

met Hermas, en was de man niet om een natuurgenoot voorbij te gaan,

zonder hem te helpen. Bovendien gedacht hij zijne eigene zonen, die van

der jeugd waren geoefend en in ernstige plichtsbetrachting opgegroeid,

en hij zeide bij zichzelven, dat die schoone jongeling naast hem niet

minder was dan zij; dat het hem slechts aan de rechte leiding ontbrak.

Nadenkend keek hij nu eens den jongeling aan, dan weder voor zich,

en mompelde daarbij al voortgaande eenige onverstaanbare woorden

achter zijn grijzen baard. Opeens verhief hij zich in al zijne lengte

en knikte toestemmend met het ernstige hoofd. Hij wilde beproeven

Hermas te redden, en volgens zijne gewone manier van handelen, liet

hij de daad onmiddellijk op het voornemen volgen. Aan het einde van

de bergvlakte verdeelde zich de weg. Een pad liep bergopwaarts, het

andere daalde naar het dal af en eindigde bij de steengroeve. Petrus

wilde het laatste volgen, doch Hermas riep hem toe: "Deze weg leidt

niet naar onze spelonk. Gij moet mij volgen."

"Volg gij mij," antwoordde de senator, en legde zulk een bijzonderen

nadruk op het voorlaatste woord, dat de jongeling de tweeledige

beteekenis daarvan niet kon ontgaan. "De dag is nog lang en wij

willen eens zien wat mijne arbeiders uitvoeren. Kent gij de plaats,

waar wij de steenen uithouwen?"

"Hoe zou ik die niet kennen?" vroeg Hermas, en ging den senator als

gids vooruit. "Ik ken alle wegen op onzen berg naar de oase en de

zee. In de kloof achter uwe groeven had een panter zijn leger."

"Dat hebben we ontdekt," zeide Petrus. "Die roover heeft twee mijner

kameelen verworgd. Het volk kon hem noch met strikken vangen, noch

met honden verjagen."

"Gij behoeft niet voor hem te vreezen," zeide de jongeling

lachende. "Ik heb het mannetje van dien rots daarboven met mijn pijl

neergeschoten, en het wijfje vond ik in het hol bij hare jongen. Met

haar had ik het zwaarder te verantwoorden. Mijn dolk is zoo slecht, en

de koperen kling boog toen ik een stoot gaf. Ik moest die gestreepte

duivelin met mijne handen worgen. Zij heeft mij daarbij den schouder

opengekrabd en in den arm gebeten. Zie die litteekens eens! Maar

bij mij gaat de genezing der wonden, goddank sneller dan bij mijn

vader. Paulus zeide dat ik veel op een aardworm geleek, die als men

haar midden doorsnijdt, afscheid neemt van zichzelven, en gezond en

wel, half hierheen, half daarheen kruipt. Die jonge panters waren

zoo jolig en hulpbehoevend tegelijk, dat ik niet besluiten kon

ze te dooden. Ik deed ze in mijn schaapsvel en bracht ze bij mijn

vader. Wat had hij een vermaak in die kleine schepsels! Daarna nam

een Nabateër ze mede naar Klysma, om hen aan kooplieden uit Rome

te verkoopen. Dáar en te Byzantium hebben zij behoefte aan allerlei

levende roofdieren. Ik heb voor die beesten en het vel van den oude

ook geld gekregen, en mocht het als teerpenning behouden, toen ik

met de anderen naar Alexandrië reisde, om den zegen af te smeeken

van den nieuwen patriarch."

"Waart gij dan in de hoofdstad?" vroeg Petrus. "Hebt gij de groote

bouwwerken gezien, die de kust tegen het geweld der zee moeten

beschermen, den grooten vuurtoren, waarvan het licht op zoo grooten

afstand kan worden gezien, de vaste bruggen, de kerken, de paleizen en

tempels met hunne obelisken, zuilen en keurig geplaveide voorhoven! Is

u daarbij nooit in de gedachten gekomen, welk een heerlijk gevoel

het zijn moet zulk een bouw tot stand te brengen?"

Hermas schudde ontkennend het hoofd en antwoordde: "Ik zou wel liever

in een luchtig huis met hooge zuilen leven, dan in onze sombere holen,

maar het te bouwen zou mijn zaak niet zijn. Wat duurt het niet lang

eer de eene steen op den anderen staat! Ik heb geen geduld genoeg,

en als ik mijn vader verlaat, dan wil ik iets doen waardoor ik roem

kan verwerven.--Maar daar zijn wij reeds aan de groeven...."

Petrus liet zijn geleider niet uitspreken, maar viel hem in de rede,

terwijl hij met jeugdig vuur uitriep: "En gij meent dat men met de

bouwkunst geen roem kan inoogsten? Zie daar die blokken en platen en

hier die cylinders van harden steen. Ze zijn allen voor Aïla bestemd,

want daar zal mijn zoon Antonius, de oudste van de twee, die gij zoo

straks gezien hebt, een bedehuis bouwen met vaste muren en zuilen,

veel schooner en grooter dan onze kerk in de oase, die ook reeds zijn

werk is. Hij is niet veel ouder dan gij, maar reeds nu roemt men hem

heinde en ver. Uit deze roode blokken daar beneden zal mijn jongsten

zoon Polycarpus fiere leeuwen beitelen, die bestemd zijn om in de

hoofdstad het edelste bouwwerk te versieren. Wanneer ze mij en u en

alle levenden reeds lang hebben vergeten, zal men nog zeggen: dat

zijn de gewrochten van meester Polycarpus, den zoon van Petrus, den

Pharaniet. Wat hij vermag, is eenig in zijn soort. Niemand, die niet

tot de uitverkorenen behoort, kan zeggen: dat wil ik ook leeren! Maar

gij hebt een helder verstand, sterke handen en opene oogen, wie kan

weten wat er misschien nog in u schuilt! Kondet gij spoedig in de

leer komen, dan zou het toch nog niet te laat zijn om een deugdelijk

meester van u te maken. Maar voorwaar, wie het zoover brengen wil,

die moet geen arbeid ontzien. Gij haakt naar roem? Dat is goed en ik

kan er mij slechts over verheugen. Doch gij moet het weten: wie deze

zeldzame vruchten wil oogsten, die moet haar, gelijk een edel heiden

eens zeide, met zweet besproeien! Zonder moeite, arbeid en strijd is

er geene overwinning en zonder overwinning verwerft men zelden roem."

De levendigheid van den ouden man deelde zich aan de ziel van den

jongeling mede, en vol geestdrift riep hij uit: "Wie zegt u, dat ik

strijd en moeite ontzie? Ik ben bereid alles, zelfs mijn leven er aan

te wagen om roem te verwerven. Maar steenen af te meten, op weerlooze

blokken met hamer en bijtel te slaan, of dezen met veel moeite saam

te voegen, dat kan mij niet aanlokken. Ik zou in de palaestra kransen

willen verwerven en den sterkste ter aarde werpen, of als krijgsman

in den slag anderen voorgaan. Mijn vader was ook een soldaat, en

al spreekt hij van vrede en altijd van vrede, zooveel hij maar wil,

in zijne droomen vertelt hij toch van bloedigen strijd en brandende

wonden. Wanneer gij hem doet herstellen, blijf ik niet langer op

dezen eenzamen berg, en zal ik trachten heimelijk te vluchten. Waartoe

anders gaf God mij deze armen, dan om ze te gebruiken?"

Petrus antwoordde niet op deze woorden, die met stormachtige

gejaagdheid over Hermas' lippen waren gevloeid. Hij streek zijn grijzen

baard en dacht bij zichzelven: "Het jong van een adelaar vangt geene

vliegen. Dit soldatenkind zal ik nimmer voor ons vreedzaam handwerk

winnen. Maar op den berg, onder die zonderlinge ledigloopers, mag

hij niet blijven, want daar kwijnt hij weg; en daarvoor is hij van

te goede afkomst...."

Nadat hij den opzieners van zijn werkvolk eenige bevelen had gegeven,

volgde hij den jongen man naar zijn lijdenden vader.

Reeds eenige uren geleden hadden Hermas en Paulus den kranken

Anachoreet verlaten. Deze laatste lag nog altijd alleen in zijne

spelonk. De al hooger en hooger stijgende zon brandde op de rotsen,

die op hunne beurt gloeiende warmte uitstraalden, en de woning van

den kluizenaar vervulden met eene verstikkende hitte.

De pijnen in de wond van den armen Stephanus namen in hevigheid toe,

de koorts klom en hij versmachtte van dorst. Daar stond de kruik,

die Paulus hem schonk en sedert lang ledig was. Doch noch Paulus noch

Hermas keerden terug.

Angstig luisterde hij in de verte. Eerst kwam het hem voor als hoorde

hij de schrede van den Alexandrijn; daarna meende hij luid spreken en

een zacht gesteun buiten zijn hol te hooren. Stephanus beproefde te

roepen, maar hij kon zelf ternauwernood het zachte geluid hooren, dat

hij aan zijne gewonde borst en zijne uitgedroogde mond ontperstte. Toen

wilde hij bidden, maar eene schrikkelijke inwendige angst belette

hem zijne gedachten te verzamelen.

Al de ellende der verlatenheid greep hem aan. De man die na een leven,

zoo overrijk aan daden, genietingen, teleurstelling en verzadiging,

onverdroten en eenzaam, in volhardenden zielestrijd naar het hoogste

doel streefde, gevoelde zich nu zoo troosteloos verlaten, als een

verdwaald kind, dat zijne moeder verloren heeft. Zacht jammerende lag

hij daar op zijn krankbed. Zoodra hij aan de schaduwen van de rots

bemerkte, dat de zon hare middaghoogte reeds overschreden had, begon

hij bij zijne smart, zijne angst en zijn dorst wrevelig en bitter

te worden. De vuisten ballende, prevelde hij woorden, die klonken

als soldatenvloeken, waarbij hij nu eens den naam van zijn zoon, dan

dien van Paulus noemde. Eindelijk kreeg de angst weder de overhand

over zijn toorn, en kwam het hem voor, als moest hij de pijnlijkste,

ver achter hem liggende uren van zijn bestaan nog eens doorleven.

Hij zag hoe hij wederkeerde van een luidruchtig feest in het keizerlijk

paleis. Zijne slaven hadden zijne borst en zijn voorhoofd ontdaan van

de kransen, uit popelgroen en rozen gevlochten, en hem zijn nachtgewaad

aangetrokken. Daar naderde hij zijn slaapvertrek, met de zilveren lamp

in de hand. Hij glimlachte, want daar wachtte hem zijne jonge vrouw,

de moeder van zijn Hermas. Zij was zoo schoon, en hij had haar zoo

lief! Hij bracht van den keizerlijken disch allerlei aardigheden mede

naar huis. Zoo iemand, dan mocht hij vroolijk zijn. Thans trad hij

het voorvertrek binnen, waarin gewoonlijk twee slavinnen waakten. Hij

vond er maar éene en deze lag in diepen slaap. Lachend lichtte hij

haar in het gezicht. Wat zag zij er dom uit met dien open mond! Het

slaapvertrek werd zacht verlicht door eene albasten lamp. Zachtkens en

steeds lachende naderde hij de elpenbeenen legerstede van Glycera. Doch

toen hij zijne lamp ophief en op het ledige bed zijner vrouw staarde

dat nog niet was aangeroerd, lachte hij niet meer, en sedert dien

avond had hij jaren lang niet weder gelachen, want Glycera had hem

verraden en verlaten, hem en haar kind.

Dat was nu twintig jaren geleden, en heden stond alles, wat hij toen

doorleefd had, hem weder helder voor den geest. Hij zag gelijk toen,

het ledige bed zijner vrouw voor het oog zijner verbeelding, en hij

gevoelde zich zoo eenzaam en verlaten als in dien feestnacht.

Daar vertoonde zich eene schaduw vóor de opening van het hol. Hij

haalde weder vrij adem, nu hij verlost was van dit schrikkelijk

droomgezicht; want hij had Paulus herkend, die aan zijne zijde

nederknielde.

"Water, water!" smeekte Stephanus zacht. De Alexandrijn, wien het

gejammer van den ouden man, dat hij dadelijk bij het binnentreden van

de spelonk hoorde, diep door de ziel sneed, greep de kruik, keek er in,

zag dat zij geheel was uitgedroogd, en vloog toen, als gold het een

wedloop, naar de bron beneden, vulde haar met water, zette haar den

kranke aan de lippen, die met gretige teugen den laafdrank opslurpte,

en diep ademhalende uitriep: "Nu is het weer goed. Waar zijt gij toch

zoolang gebleven? Ik was zoo dorstig!"

Paulus, die naast den grijsaard op de knieën was neergezonken, drukte

zijn voorhoofd in de legerstede en antwoordde niets.

Stephanus zag zijn metgezel verwonderd aan, en toen hij bespeurde

dat deze hevig weende, vroeg hij niet verder.

Gedurende een uur heerschte er doodsche stilte in het hol. Ten laatste

hief Paulus zijn hoofd op en zeide: "Vergeef mij, Stephanus. Terwijl

ik door gebed en geeseling de rust trachtte weer te vinden, die ik

zelf had verspeeld, heb ik uw nood en angst vergeten. Dat zou zelfs

geen heiden gedaan hebben!"

De kranke liet vriendelijk de hand over den arm van zijn verpleger

glijden; deze prevelde echter: "Zelfzucht, ellendige zelfzucht leidt

en bestuurt ons. Wie onzer vraagt naar den nood van anderen? En wij,

wij meenen de wegen van het Lam Gods te bewandelen!"

Hij zuchtte smartelijk en leunde met zijn hoofd tegen de borst van

den kranke, die liefderijk de ruige haren van den ander streelde.

Zoo vond de senator hem, toen hij met Hermas den spelonk betrad. De

tijddoodende ledigheid van de Anachoreten was geheel in strijd met

zijne opvatting van de levensroeping, die de mensch en de christen

te vervullen had. Doch hij hielp waar hij kon, en vroeg niet naar

den persoon des lijders.

De innige vereeniging, waarin hij de beide mannen vond, bewoog zijn

hart, en terwijl hij zich tot Paulus wendde, zeide hij vriendelijk:

"Ik kan u getroost verlaten, want gij schijnt mij een trouw verpleger

te zijn."

De Alexandrijn kreeg een kleur, schudde het hoofd, en antwoordde:

"Ik heb alleen aan mijzelven gedacht en mijn plicht verzuimende hem

laten lijden en versmachten! Maar nu verlaat ik hem niet meer, neen

zeker niet, en met Gods hulp en de uwe zal hij genezen."

Petrus knikte hem vriendelijk toe, want hij geloofde niet aan

de zelfbeschuldiging van den Anachoreet, maar wel aan zijn goeden

wil. Hij beval Hermas, alvorens het hol te verlaten, dat hij hem den

volgenden dag vroeg zou komen opzoeken, om hem bericht te brengen

van den toestand zijns vaders. Hij wenschte niet enkel Stephanus te

genezen, maar wilde ook in betrekking blijven tot den jongeling, die

in zoo hooge mate zijne belangstelling had gewekt. Hij was besloten

hem te helpen, en hem te onttrekken aan het werkeloos leven, waarin

hij wegkwijnde.

Paulus weigerde deel te nemen aan het eenvoudig avondmaal, dat vader

en zoon gingen gebruiken, en verklaarde bij den kranke te willen

blijven. Hij verzocht Hermas, die in de beperkte ruimte van de spelonk

geen plaats meer kon vinden, zich ter ruste te leggen in zijn verblijf.

Voor dezen jongeling was heden een nieuw leven aangebroken, want alle

verzuchtingen en wenschen, die sedert zijne reis naar Alexandrië zich

verward en nevelachtig in zijn ziel verdrongen, hadden heden gedaante

en kleur gekregen, en hij wist nu zeker dat hij geen Anachoreet

wilde blijven, maar zijne opbruischende kracht in het leven zou

beproeven. "Mijn vader," dacht hij, "was een krijgsman, en bewoonde

een paleis, voordat hij zich in ons dompig hol terugtrok. Paulus

was Menander, en heeft ook nu het werpen met den discus nog niet

vergeten. Ik ben jong, sterk en vrijgeboren, evenals zij, en Petrus

zegt dat ik een flink man geworden ben. Ik wil niet evenals zijne

zonen steenen opstapelen en metselen; maar de keizer heeft soldaten

noodig, en onder al de Amalekieten, ja zelfs onder de Romeinen hier

in de oase, vond ik er geen, met wien ik het niet zou durven opnemen."

Terwijl hij zoo dacht, rekte hij zijne leden uit, en bracht hij de

handen aan zijne breede borst. Toen hij ingeslapen was, droomde hij

van wedloopen en van een purperen kleed, dat Paulus hem overhandigde,

van eene krans uit populierenbladeren gevlochten, die op zijne geurige

lokken rustte, en van de schoone vrouw, die hij ontmoet had in het

huis van den senator.

Homo sum: Roman · 第 11 / 30 题