Petrus beklom met Hermas den berg. De oude man volgde den jongeling
die hem den weg wees, en bewonderde, zoo vaak hij den blik tot hem
ophief, diens breede schouders en de veerkracht zijner ledematen.
Bij eene kleine bergvlakte gekomen werd de weg wat breeder en nadat
beide wandelaars een tijdlang naast elkander waren voortgegaan,
zonder een woord te spreken, vroeg de senator: "Hoe lang woont uw
vader nu reeds op den berg?"
"Al menig jaar," antwoordde Hermas, "maar ik weet niet hoevele. Het
doet er ook weinig toe. Bij ons vraagt niemand naar den tijd."
De senator bleef stilstaan, nam zijn geleider weder met de oogen op
en vroeg: "Zijt gij bij uw vader gebleven, sedert hij hierheen kwam?"
"Hij wil mij niet laten heengaan," antwoordde Hermas met somberen
blik. "Ik ben nog maar tweemalen alleen in de oase geweest, toen ik
naar de kerk ging."
"Gij hebt dus ook geene school bezocht?"
"Welke zou ik bezocht hebben? Mijn vader leerde mij de evangeliën
lezen. Ik heb ook kunnen schrijven, maar dat zal ik wel verleerd
zijn. Waartoe zou het ook dienen? Wij leven als biddende dieren."
Die laatste woorden werden op zeer bitteren toon uitgesproken. Petrus
sloeg een blik in de met spijt en wrevel vervulde ziel van zijn
metgezel, bij wien het verlangen der jeugd, om zijne krachten te
beproeven, zich met alle macht verzette tegen dat verslijten van zijn
leven in ledigheid, waartoe hij veroordeeld was. Hij had medelijden
met Hermas, en was de man niet om een natuurgenoot voorbij te gaan,
zonder hem te helpen. Bovendien gedacht hij zijne eigene zonen, die van
der jeugd waren geoefend en in ernstige plichtsbetrachting opgegroeid,
en hij zeide bij zichzelven, dat die schoone jongeling naast hem niet
minder was dan zij; dat het hem slechts aan de rechte leiding ontbrak.
Nadenkend keek hij nu eens den jongeling aan, dan weder voor zich,
en mompelde daarbij al voortgaande eenige onverstaanbare woorden
achter zijn grijzen baard. Opeens verhief hij zich in al zijne lengte
en knikte toestemmend met het ernstige hoofd. Hij wilde beproeven
Hermas te redden, en volgens zijne gewone manier van handelen, liet
hij de daad onmiddellijk op het voornemen volgen. Aan het einde van
de bergvlakte verdeelde zich de weg. Een pad liep bergopwaarts, het
andere daalde naar het dal af en eindigde bij de steengroeve. Petrus
wilde het laatste volgen, doch Hermas riep hem toe: "Deze weg leidt
niet naar onze spelonk. Gij moet mij volgen."
"Volg gij mij," antwoordde de senator, en legde zulk een bijzonderen
nadruk op het voorlaatste woord, dat de jongeling de tweeledige
beteekenis daarvan niet kon ontgaan. "De dag is nog lang en wij
willen eens zien wat mijne arbeiders uitvoeren. Kent gij de plaats,
waar wij de steenen uithouwen?"
"Hoe zou ik die niet kennen?" vroeg Hermas, en ging den senator als
gids vooruit. "Ik ken alle wegen op onzen berg naar de oase en de
zee. In de kloof achter uwe groeven had een panter zijn leger."
"Dat hebben we ontdekt," zeide Petrus. "Die roover heeft twee mijner
kameelen verworgd. Het volk kon hem noch met strikken vangen, noch
met honden verjagen."
"Gij behoeft niet voor hem te vreezen," zeide de jongeling
lachende. "Ik heb het mannetje van dien rots daarboven met mijn pijl
neergeschoten, en het wijfje vond ik in het hol bij hare jongen. Met
haar had ik het zwaarder te verantwoorden. Mijn dolk is zoo slecht, en
de koperen kling boog toen ik een stoot gaf. Ik moest die gestreepte
duivelin met mijne handen worgen. Zij heeft mij daarbij den schouder
opengekrabd en in den arm gebeten. Zie die litteekens eens! Maar
bij mij gaat de genezing der wonden, goddank sneller dan bij mijn
vader. Paulus zeide dat ik veel op een aardworm geleek, die als men
haar midden doorsnijdt, afscheid neemt van zichzelven, en gezond en
wel, half hierheen, half daarheen kruipt. Die jonge panters waren
zoo jolig en hulpbehoevend tegelijk, dat ik niet besluiten kon
ze te dooden. Ik deed ze in mijn schaapsvel en bracht ze bij mijn
vader. Wat had hij een vermaak in die kleine schepsels! Daarna nam
een Nabateër ze mede naar Klysma, om hen aan kooplieden uit Rome
te verkoopen. Dáar en te Byzantium hebben zij behoefte aan allerlei
levende roofdieren. Ik heb voor die beesten en het vel van den oude
ook geld gekregen, en mocht het als teerpenning behouden, toen ik
met de anderen naar Alexandrië reisde, om den zegen af te smeeken
van den nieuwen patriarch."
"Waart gij dan in de hoofdstad?" vroeg Petrus. "Hebt gij de groote
bouwwerken gezien, die de kust tegen het geweld der zee moeten
beschermen, den grooten vuurtoren, waarvan het licht op zoo grooten
afstand kan worden gezien, de vaste bruggen, de kerken, de paleizen en
tempels met hunne obelisken, zuilen en keurig geplaveide voorhoven! Is
u daarbij nooit in de gedachten gekomen, welk een heerlijk gevoel
het zijn moet zulk een bouw tot stand te brengen?"
Hermas schudde ontkennend het hoofd en antwoordde: "Ik zou wel liever
in een luchtig huis met hooge zuilen leven, dan in onze sombere holen,
maar het te bouwen zou mijn zaak niet zijn. Wat duurt het niet lang
eer de eene steen op den anderen staat! Ik heb geen geduld genoeg,
en als ik mijn vader verlaat, dan wil ik iets doen waardoor ik roem
kan verwerven.--Maar daar zijn wij reeds aan de groeven...."
Petrus liet zijn geleider niet uitspreken, maar viel hem in de rede,
terwijl hij met jeugdig vuur uitriep: "En gij meent dat men met de
bouwkunst geen roem kan inoogsten? Zie daar die blokken en platen en
hier die cylinders van harden steen. Ze zijn allen voor Aïla bestemd,
want daar zal mijn zoon Antonius, de oudste van de twee, die gij zoo
straks gezien hebt, een bedehuis bouwen met vaste muren en zuilen,
veel schooner en grooter dan onze kerk in de oase, die ook reeds zijn
werk is. Hij is niet veel ouder dan gij, maar reeds nu roemt men hem
heinde en ver. Uit deze roode blokken daar beneden zal mijn jongsten
zoon Polycarpus fiere leeuwen beitelen, die bestemd zijn om in de
hoofdstad het edelste bouwwerk te versieren. Wanneer ze mij en u en
alle levenden reeds lang hebben vergeten, zal men nog zeggen: dat
zijn de gewrochten van meester Polycarpus, den zoon van Petrus, den
Pharaniet. Wat hij vermag, is eenig in zijn soort. Niemand, die niet
tot de uitverkorenen behoort, kan zeggen: dat wil ik ook leeren! Maar
gij hebt een helder verstand, sterke handen en opene oogen, wie kan
weten wat er misschien nog in u schuilt! Kondet gij spoedig in de
leer komen, dan zou het toch nog niet te laat zijn om een deugdelijk
meester van u te maken. Maar voorwaar, wie het zoover brengen wil,
die moet geen arbeid ontzien. Gij haakt naar roem? Dat is goed en ik
kan er mij slechts over verheugen. Doch gij moet het weten: wie deze
zeldzame vruchten wil oogsten, die moet haar, gelijk een edel heiden
eens zeide, met zweet besproeien! Zonder moeite, arbeid en strijd is
er geene overwinning en zonder overwinning verwerft men zelden roem."
De levendigheid van den ouden man deelde zich aan de ziel van den
jongeling mede, en vol geestdrift riep hij uit: "Wie zegt u, dat ik
strijd en moeite ontzie? Ik ben bereid alles, zelfs mijn leven er aan
te wagen om roem te verwerven. Maar steenen af te meten, op weerlooze
blokken met hamer en bijtel te slaan, of dezen met veel moeite saam
te voegen, dat kan mij niet aanlokken. Ik zou in de palaestra kransen
willen verwerven en den sterkste ter aarde werpen, of als krijgsman
in den slag anderen voorgaan. Mijn vader was ook een soldaat, en
al spreekt hij van vrede en altijd van vrede, zooveel hij maar wil,
in zijne droomen vertelt hij toch van bloedigen strijd en brandende
wonden. Wanneer gij hem doet herstellen, blijf ik niet langer op
dezen eenzamen berg, en zal ik trachten heimelijk te vluchten. Waartoe
anders gaf God mij deze armen, dan om ze te gebruiken?"
Petrus antwoordde niet op deze woorden, die met stormachtige
gejaagdheid over Hermas' lippen waren gevloeid. Hij streek zijn grijzen
baard en dacht bij zichzelven: "Het jong van een adelaar vangt geene
vliegen. Dit soldatenkind zal ik nimmer voor ons vreedzaam handwerk
winnen. Maar op den berg, onder die zonderlinge ledigloopers, mag
hij niet blijven, want daar kwijnt hij weg; en daarvoor is hij van
te goede afkomst...."
Nadat hij den opzieners van zijn werkvolk eenige bevelen had gegeven,
volgde hij den jongen man naar zijn lijdenden vader.
Reeds eenige uren geleden hadden Hermas en Paulus den kranken
Anachoreet verlaten. Deze laatste lag nog altijd alleen in zijne
spelonk. De al hooger en hooger stijgende zon brandde op de rotsen,
die op hunne beurt gloeiende warmte uitstraalden, en de woning van
den kluizenaar vervulden met eene verstikkende hitte.
De pijnen in de wond van den armen Stephanus namen in hevigheid toe,
de koorts klom en hij versmachtte van dorst. Daar stond de kruik,
die Paulus hem schonk en sedert lang ledig was. Doch noch Paulus noch
Hermas keerden terug.
Angstig luisterde hij in de verte. Eerst kwam het hem voor als hoorde
hij de schrede van den Alexandrijn; daarna meende hij luid spreken en
een zacht gesteun buiten zijn hol te hooren. Stephanus beproefde te
roepen, maar hij kon zelf ternauwernood het zachte geluid hooren, dat
hij aan zijne gewonde borst en zijne uitgedroogde mond ontperstte. Toen
wilde hij bidden, maar eene schrikkelijke inwendige angst belette
hem zijne gedachten te verzamelen.
Al de ellende der verlatenheid greep hem aan. De man die na een leven,
zoo overrijk aan daden, genietingen, teleurstelling en verzadiging,
onverdroten en eenzaam, in volhardenden zielestrijd naar het hoogste
doel streefde, gevoelde zich nu zoo troosteloos verlaten, als een
verdwaald kind, dat zijne moeder verloren heeft. Zacht jammerende lag
hij daar op zijn krankbed. Zoodra hij aan de schaduwen van de rots
bemerkte, dat de zon hare middaghoogte reeds overschreden had, begon
hij bij zijne smart, zijne angst en zijn dorst wrevelig en bitter
te worden. De vuisten ballende, prevelde hij woorden, die klonken
als soldatenvloeken, waarbij hij nu eens den naam van zijn zoon, dan
dien van Paulus noemde. Eindelijk kreeg de angst weder de overhand
over zijn toorn, en kwam het hem voor, als moest hij de pijnlijkste,
ver achter hem liggende uren van zijn bestaan nog eens doorleven.
Hij zag hoe hij wederkeerde van een luidruchtig feest in het keizerlijk
paleis. Zijne slaven hadden zijne borst en zijn voorhoofd ontdaan van
de kransen, uit popelgroen en rozen gevlochten, en hem zijn nachtgewaad
aangetrokken. Daar naderde hij zijn slaapvertrek, met de zilveren lamp
in de hand. Hij glimlachte, want daar wachtte hem zijne jonge vrouw,
de moeder van zijn Hermas. Zij was zoo schoon, en hij had haar zoo
lief! Hij bracht van den keizerlijken disch allerlei aardigheden mede
naar huis. Zoo iemand, dan mocht hij vroolijk zijn. Thans trad hij
het voorvertrek binnen, waarin gewoonlijk twee slavinnen waakten. Hij
vond er maar éene en deze lag in diepen slaap. Lachend lichtte hij
haar in het gezicht. Wat zag zij er dom uit met dien open mond! Het
slaapvertrek werd zacht verlicht door eene albasten lamp. Zachtkens en
steeds lachende naderde hij de elpenbeenen legerstede van Glycera. Doch
toen hij zijne lamp ophief en op het ledige bed zijner vrouw staarde
dat nog niet was aangeroerd, lachte hij niet meer, en sedert dien
avond had hij jaren lang niet weder gelachen, want Glycera had hem
verraden en verlaten, hem en haar kind.
Dat was nu twintig jaren geleden, en heden stond alles, wat hij toen
doorleefd had, hem weder helder voor den geest. Hij zag gelijk toen,
het ledige bed zijner vrouw voor het oog zijner verbeelding, en hij
gevoelde zich zoo eenzaam en verlaten als in dien feestnacht.
Daar vertoonde zich eene schaduw vóor de opening van het hol. Hij
haalde weder vrij adem, nu hij verlost was van dit schrikkelijk
droomgezicht; want hij had Paulus herkend, die aan zijne zijde
nederknielde.
"Water, water!" smeekte Stephanus zacht. De Alexandrijn, wien het
gejammer van den ouden man, dat hij dadelijk bij het binnentreden van
de spelonk hoorde, diep door de ziel sneed, greep de kruik, keek er in,
zag dat zij geheel was uitgedroogd, en vloog toen, als gold het een
wedloop, naar de bron beneden, vulde haar met water, zette haar den
kranke aan de lippen, die met gretige teugen den laafdrank opslurpte,
en diep ademhalende uitriep: "Nu is het weer goed. Waar zijt gij toch
zoolang gebleven? Ik was zoo dorstig!"
Paulus, die naast den grijsaard op de knieën was neergezonken, drukte
zijn voorhoofd in de legerstede en antwoordde niets.
Stephanus zag zijn metgezel verwonderd aan, en toen hij bespeurde
dat deze hevig weende, vroeg hij niet verder.
Gedurende een uur heerschte er doodsche stilte in het hol. Ten laatste
hief Paulus zijn hoofd op en zeide: "Vergeef mij, Stephanus. Terwijl
ik door gebed en geeseling de rust trachtte weer te vinden, die ik
zelf had verspeeld, heb ik uw nood en angst vergeten. Dat zou zelfs
geen heiden gedaan hebben!"
De kranke liet vriendelijk de hand over den arm van zijn verpleger
glijden; deze prevelde echter: "Zelfzucht, ellendige zelfzucht leidt
en bestuurt ons. Wie onzer vraagt naar den nood van anderen? En wij,
wij meenen de wegen van het Lam Gods te bewandelen!"
Hij zuchtte smartelijk en leunde met zijn hoofd tegen de borst van
den kranke, die liefderijk de ruige haren van den ander streelde.
Zoo vond de senator hem, toen hij met Hermas den spelonk betrad. De
tijddoodende ledigheid van de Anachoreten was geheel in strijd met
zijne opvatting van de levensroeping, die de mensch en de christen
te vervullen had. Doch hij hielp waar hij kon, en vroeg niet naar
den persoon des lijders.
De innige vereeniging, waarin hij de beide mannen vond, bewoog zijn
hart, en terwijl hij zich tot Paulus wendde, zeide hij vriendelijk:
"Ik kan u getroost verlaten, want gij schijnt mij een trouw verpleger
te zijn."
De Alexandrijn kreeg een kleur, schudde het hoofd, en antwoordde:
"Ik heb alleen aan mijzelven gedacht en mijn plicht verzuimende hem
laten lijden en versmachten! Maar nu verlaat ik hem niet meer, neen
zeker niet, en met Gods hulp en de uwe zal hij genezen."
Petrus knikte hem vriendelijk toe, want hij geloofde niet aan
de zelfbeschuldiging van den Anachoreet, maar wel aan zijn goeden
wil. Hij beval Hermas, alvorens het hol te verlaten, dat hij hem den
volgenden dag vroeg zou komen opzoeken, om hem bericht te brengen
van den toestand zijns vaders. Hij wenschte niet enkel Stephanus te
genezen, maar wilde ook in betrekking blijven tot den jongeling, die
in zoo hooge mate zijne belangstelling had gewekt. Hij was besloten
hem te helpen, en hem te onttrekken aan het werkeloos leven, waarin
hij wegkwijnde.
Paulus weigerde deel te nemen aan het eenvoudig avondmaal, dat vader
en zoon gingen gebruiken, en verklaarde bij den kranke te willen
blijven. Hij verzocht Hermas, die in de beperkte ruimte van de spelonk
geen plaats meer kon vinden, zich ter ruste te leggen in zijn verblijf.
Voor dezen jongeling was heden een nieuw leven aangebroken, want alle
verzuchtingen en wenschen, die sedert zijne reis naar Alexandrië zich
verward en nevelachtig in zijn ziel verdrongen, hadden heden gedaante
en kleur gekregen, en hij wist nu zeker dat hij geen Anachoreet
wilde blijven, maar zijne opbruischende kracht in het leven zou
beproeven. "Mijn vader," dacht hij, "was een krijgsman, en bewoonde
een paleis, voordat hij zich in ons dompig hol terugtrok. Paulus
was Menander, en heeft ook nu het werpen met den discus nog niet
vergeten. Ik ben jong, sterk en vrijgeboren, evenals zij, en Petrus
zegt dat ik een flink man geworden ben. Ik wil niet evenals zijne
zonen steenen opstapelen en metselen; maar de keizer heeft soldaten
noodig, en onder al de Amalekieten, ja zelfs onder de Romeinen hier
in de oase, vond ik er geen, met wien ik het niet zou durven opnemen."
Terwijl hij zoo dacht, rekte hij zijne leden uit, en bracht hij de
handen aan zijne breede borst. Toen hij ingeslapen was, droomde hij
van wedloopen en van een purperen kleed, dat Paulus hem overhandigde,
van eene krans uit populierenbladeren gevlochten, die op zijne geurige
lokken rustte, en van de schoone vrouw, die hij ontmoet had in het
huis van den senator.