Hermas was voortgesneld, zonder zich op te houden.
Reeds stond hij aan de laatste kromming van den door de bergkloof
gevormden weg, dien hij gevolgd had, en zag aan zijne voeten in het ver
uitgestrekte dal het heldere water van de beek, dat hier den bodem der
woestijn vruchtbaar maakte. Hier verhieven zich hoogstammige palmen
en groeiden ontelbare tamarisken-struiken, waartusschen de huizen
der oase-bewoners, door kleine tuintjes en zorgvuldig bevochtigde
strooken bouwgrond omgeven, overal kwamen uitkijken. Reeds vernam hij
het hanengekraai en het vriendelijk geblaf der honden, hetgeen hem,
wien dag en nacht, ginds op de rotsachtige hoogte, de diepe stilte
der eenzaamheid omgaf, als een groet midden uit het leven, waarnaar
hij smachtte, in de ooren klonk.
Hij bleef staan en volgde met zijne oogen de dunne rookzuilen, die
statig in den helderen glans van de steeds hooger en hooger rijzende
zon, uit de talrijke woningen beneden hem opstegen.
"Daar koken nu," dacht hij, "de vrouwen voor hunne mannen, de moeders
voor hunne kinderen het ochtendmaal, en dáar, waar die donkere rook
zich verheft, wordt misschien voor gasten een heerlijken maaltijd
bereid. Doch ik ben nergens te huis en niemand noodigt mij."
De wedstrijd met Paulus had hem opgewekt en wat vroolijker gestemd,
maar het zien van de stad vervulde zijn jeugdig hart met nieuwe
bitterheid. Zijne lippen beefden, toen hij een blik sloeg op zijn
schapenvacht en zijne onreine ledematen.
Hij stond niet lang na te denken, keerde ijlings de oase den rug toe en
liep den berg op. Bij eene bron, die hem alleen bekend was, wierp hij
zijn harig kleed af, liet het koele water over zijn lichaam stroomen,
wiesch zich zorgvuldig en met welgevallen, streek met zijne vingers
zijne dichte haren in orde en ijlde daarop weder naar het dal terug.
De kloof die hij volgde kwam bij een heuvel uit, die zich te midden
der vlakte verhief en op welks oostelijke helling eerst onlangs een
kerkje was opgetrokken. Overigens werd deze hoogte omgeven door muren
en wallen, waarachter de inwoners van die plaats beschutting vonden,
wanneer roofzuchtige Saracenen de oase bedreigden. Zij wordt nog voor
eene bij uitnemendheid heilige plaats gehouden, want op den top zou
Mozes in den slag tegen de Amalekieten gebeden hebben, terwijl Aäron
en Hur zijne hoog opgehevene armen ondersteunden.
Doch er waren in de nabijheid van deze oase nog andere eerwaardige
plaatsen. Daar zag men, wat verder noordwaarts, de rots, waaruit Mozes
eene bron te voorschijn had doen komen; ginds, iets meer zuidoostelijk
en hooger op, den heuvel waar de Heer met zijn wetgever gesproken had,
waar ook het braambosch had gebrand. Hier werd ook de bron gevonden,
waarbij Mozes de dochters van Jethro had aangetroffen, die de oude
legende Zippora en Ledja noemt.
Naar deze heilige plaatsen gingen vrome pelgrims in grooten getale
ter bedevaart. Onder dezen bevonden zich vele inboorlingen van het
schiereiland, en met name Nabateërs, die weleer den heiligen berg
hadden bezocht, om op zijn top aan hunne goden, de zon, de maan en
de planeten te offeren.
Aan den noordelijken ingang verhief zich een sterkte, waarin, sedert
onder Trajanus de Syrische praefect Cornelius Palma Steenachtig Arabië
had onderworpen, een keizerlijke bezetting lag, die de bloeiende
stad der woestijn moest verdedigen tegen de invallen der Saracenen
en Blemmyers.
Ook de Pharanietische burgers hadden maatregelen genomen voor de
beveiliging van hunne bezittingen. Op den bovensten top van den
veelgespleten bergkroon, het hoogste verblijf wijd en zijd in het
land, onderhielden zij wachters, die dag en nacht in de verte tuurden,
om bij naderend gevaar een waarschuwend teeken te geven.
Elk hunner huizen geleek een burcht, want het was uit vasten steen
opgetrokken, en hunne jonge mannen waren in het boogschieten flink
geoefend.
De voornaamste familiën woonden in de nabijheid van den
kerkheuvel. Daar lagen de huizen van den bisschop Agapitus en van de
raadsheeren van Pharan. Onder de laatste stond de senator Petrus het
hoogst in aanzien, deels wegens zijn ernst en degelijkheid, deels
wegens zijne bezittingen in bergwerken, tuingrond, dadelpalmen en
vee, maar deels ook tengevolge van de zeldzame eigenschappen zijner
vrouw, de diakones Dorothea, de kleindochter van den sedert lang
gestorven waardigen bisschop Chaeremon, die met zijne gade gedurende
de christenvervolging onder Decius hierheen was gevlucht en vele
Pharanieten tot de leer des kruizes had bekeerd.
Het steenen huis van Petrus was stevig gebouwd en net gevoegd; de
palmtuin daarnaast werd zorgvuldig onderhouden. Tot zijne bezittingen
behoorden twintig slaven, vele kameelen en zelfs twee paarden. De
centurio, die het opperbevel voerde over de keizerlijke bezetting,
de Galliër Phoebicius en zijne vrouw Sirona, woonden als huurders
onder zijn dak; hoewel niet tot genoegen van den raadsheer, want de
centurio was geen christen, maar een aanbidder van Mithras. Bij de
mysteriën van deze godheid was de woeste Galliër tot den rang van
"leeuw" opgeklommen, daarom waren de zijnen en ook de Pharanieten
gewoon hem "de leeuw" te noemen. Zijn voorganger was een officier van
veel minder rang, doch een geloovig christen geweest, dien Petrus
had uitgenoodigd zijn intrek te nemen in zijn huis. Toen de leeuw
Phoebicius een jaar geleden den vromen Pancratius verving, kon de
senator den eerstgenoemden het opengevallen verblijf niet weigeren.
Schuw en aarzelend naderde Hermas het erf van Petrus, en zijne
verlegenheid klom, toen hij in de voorzaal van het deftige steenen
huis, dat hij ongehinderd was binnengetreden, niet wist naar welke
zijde hij zich wenden moest. Er was niemand die hem den weg kon
wijzen, en hij waagde het niet de trappen op te klimmen, die naar
de bovenverdieping voerden, ofschoon Petrus zich daar scheen op te
houden. Er was geen twijfel aan, want nu hoorde hij boven zich spreken
en onderscheidde hij duidelijk de zware stem van den senator.
Hermas liep dus naar den trap en zette zijn voet op de eerste
trede. Doch toen hij, beschaamd over zijn blooheid, nauwelijks begonnen
was, minder besluiteloos op te klimmen, hoorde hij boven zich een
deur openvliegen, en daarna stroomde, als bij eene opgehoudene beek,
wanneer de molenaar de sluizen openzet, een vloed van heldere lachende
kinderstemmen hem te gemoet.
Verrast keek hij naar boven, maar hij had geen tijd om te overleggen,
want reeds had de losgelatene jubelende schare den trap bereikt. Een
buitengemeen schoone jonge vrouw, met goud-blonde haren, vloog
vóor allen uit. Zij hield, overluid lachende, eene met veelkleurige
kleederen opgesierde pop in de hoogte. Zij liep achterwaarts naar den
trap toe, en keek met haar blank gelaat, vol ondeugende blijdschap,
de kinderen aan, die in hartstochtelijk verlangen, half dringend,
half smeekend, half lachend, half huilend door elkander riepen:
"Geef ze ons, Sirona!" "Neem ze niet weer meê, Sirona!" "Toe, blijf
toch hier Sirona!" "Sirona" en weder "Sirona!"
Een lieftallig zesjarig meisje vloog op haar toe, om den blanken
gevulden arm, die het speelgoed omhoog hield, te bereiken. Drie
kleintjes, die poogden zich aan haar knie vast te klemmen, hield zij
met de vrijgeblevene linkerhand dapper van zich af, en riep, altijd
achteruitgaande: "Neen, neen, ge krijgt de pop niet weder, voor zij
eene nieuwe jurk aan heeft, die lang zal zijn en even kleurig als
het kleed van den keizer. Laat mij los, Cæcilia, anders valt ge naar
beneden, zooals onlangs met den wilden Nikon is gebeurd."
Onder het spreken dezer woorden was zij aan de bovenste trede
genaderd. Eensklaps keerde zij zich om, en sloot met uitgestrekte
armen den toegang tot den smallen trap af, waarop Hermas stond,
die met open mond het lustig spel boven zijn hoofd aanzag.
Zoodra Sirona zich gereed maakte om naar beneden te vliegen,
merkte zij den jonkman op en schrikte. Doch zoo ras zij bespeurde,
dat de Anachoreet enkel uit verlegenheid geen woorden kon vinden,
om op hare vraag naar hetgeen hij verlangde te antwoorden, barstte
zij op nieuw in een schaterlach uit en riep naar beneden: "Kom maar,
wij zullen u geen kwaad doen; niet waar, kinderen?"
Intusschen had Hermas weder moed gevat, om zijn verlangen, namelijk
den Senator te spreken, te kennen te geven, en de Gallische vrouw,
die met welgevallen de krachtige gestalte van den jonkman opnam,
bood zich aan om hem tot Petrus te brengen.
Deze had zich, terwijl dit alles voorviel, met zijne volwassene oudste
zonen onderhouden, flinke mannen, ofschoon de vader grooter was en
bovendien buitengewoon breed van schouders. Terwijl de jongelingen het
woord voerden, streek hij over zijn korten, grijzen baard, en keek
naar den grond met somberen ernst; zoo moest het den oppervlakkigen
beschouwer althans toeschijnen. Hij die scherper zag werd spoedig
gewaar, dat niet zelden een tevreden, ja meermalen een ondeugend
lachje de lippen plooide van dezen verstandigen, degelijken man.
Hij was een dergenen, die de kunst verstaan om met hunne kinderen als
eene jonge moeder te spelen, en zich het lijden van anderen weten
aan te trekken, alsof het henzelven betrof, die echter zoo donker
kunnen kijken en zulke scherpe woorden durven spreken, dat alleen
zij hen niet miskennen noch vreezen, die geheel met hen vertrouwd
zijn. Er knaagde zeker iets aan de ziel van dezen man, die toch alles
bezat, wat een mensch gelukkig kan maken. Hoewel dankbaar gestemd,
was hij zich toch bewust, dat hij meer had kunnen uitrichten, dan
hem het lot vergund had tot stand te brengen en te zijn. Hij was een
steenhouwer gebleven, maar zijne beide zonen hadden in eene goede
school te Alexandrië hunnen leertijd voleindigd.
De oudste, Antonius, die reeds een eigen huis bezat, benevens vrouw en
kinderen, was bouwmeester en werktuigkundige; de jongste, Polycarpus,
een zeer begaafd jong beeldhouwer. Onder leiding van den oudsten was
het statig kerkje van de oase-stad gebouwd. Polycarpus, die eerst
sedert een maand terugkeerde, was van plan in de steengroeve zijns
vaders werken van grooten omvang te ontwerpen en uit te voeren,
want hij had de opdracht ontvangen om te Alexandrië het nieuwe
voorhof van het prachtig gebouw, dat Sebasteum of Caesareum werd
genaamd, te versieren met twintig leeuwen van graniet. Meer dan
dertig kunstenaars hadden met hem naar den voorrang gedongen; doch
oordeelkundige rechters hadden eenstemmig aan zijne modellen den prijs
toegekend. De bouwmeester, die voor het herstel van de zuilengangen
en vloeren van het voorhof zorg moest dragen, was zijn vriend, en
had hem toegestaan de granietblokken, steenplaten en cylinders, die
hij noodig had, uit de groeven van Petrus, en niet zooals gewoonlijk
geschiedde, uit die van Syëne bij den eersten waterval te halen.
Antonius en Polycarpus stonden thans met hun vader voor een groote
tafel en gaven hem de verklaring van het plan, dat zij te zamen in de
dunne waslaag op een bord hadden gegrifd. De jonge bouwmeester sloeg
voor, over eene diepe doch smalle kloof, die de lastdieren niet konden
ontgaan dan langs een verren omweg, een brug te leggen en vervolgens
den afstand van de brug naar de zee, door een nieuw aan te leggen
weg voor meer dan een derde te bekorten. De kosten voor dit werk
waren spoedig te vinden uit de besparing van arbeidskracht, en wel
stellig en zeker, wanneer men de transportschepen, niet, zooals tot
hiertoe geschiedde, ledig liet terugkomen, maar in Klysma eene lading
winstgevende artikelen uit Alexandrijnsche fabrieken deed innemen.
Petrus, die in de raadsvergadering vaak als redenaar kon schitteren,
sprak in het dagelijksch leven zeer weinig. Bij elken nieuwen voorslag
van zijn zoon, sloeg hij de oogen op, als moest hij onderzoeken of de
jonkman zijn verstand misschien niet verloren had, terwijl hij met
zijne half onder een grijzen knevel verborgene lippen meesmuilde,
ten teeken van bijval. Toen Antonius zijn plan, om namelijk de
kloof, die hem in den weg lag, onschadelijk te maken, begon uiteen
te zetten, bromde de senator: "Laat den slaven vleugels aangroeien;
maak de zwarte maar tot raven en de witte tot meeuwen, dan kunnen
zij daarover vliegen. Wat men al niet in de hoofdstad leert!"
Zoodra het woord "brug" Antonius over de lippen was gekomen, zag hij
den jongeling strak aan en zeide: "Het is maar de vraag of de hemel ons
een regenboog wil leenen." Toen Polycarpus hem daarop voorsloeg, door
zijne Alexandrijnsche vrienden eenige cederbalken uit Syrië te laten
komen, en zijn oudste zoon hem de teekening van den boog verklaarde,
waarmede hij de kloof vast en zeker beloofde te overwelven, volgde
hij zijne woorden met gespannen opmerkzaamheid. Daarbij fronsde hij
zijne wenkbrauwen zóo onheilspellend en zag zóo somber, als vernam
hij het bericht van een misdaad. Toch liet hij zijn zoon geheel
uitspreken en prevelde alleen in den beginne: "kunststukken," of:
"ja, als ik eens de keizer was!"
Eindelijk stelde hij duidelijke en bepaalde vragen, en ontving hij
stellige en doordachte antwoorden. Antonius bewees door getallen,
dat de verdiensten van eene leverantie voor het Caesareum meer dan
drievierde gedeelte der gezamenlijke uitgaven zou dekken. Daarop
nam Polycarpus het woord om te verzekeren, dat het graniet van den
heiligen berg deugdelijker van gehalte en schooner van kleur was,
dan dat van Syëne.
"Wij arbeiden hier goedkooper dan aan den waterval," viel Antonius
hem in de rede. "Het vervoer der steenblokken zal ons niet zoo duur
te staan komen, wanneer de brug en de weg tot aan zee klaar zijn en
wij gebruik maken van den binnen weinige maanden weder bevaarbaren
Trajanusstroom, die de Roode zee met den Nijl verbindt."
"En wanneer mijne leeuwen gelukken," zeide Polycarpus, "en Zenodotus
tevreden is met onzen steen en onzen arbeid, dan zou het weleens kunnen
gebeuren, dat wij boven Syëne den voorrang verwierven, en wij een
deel kregen van de kolossale bestellingen ten behoeve van de nieuwe
residentie voor Constantijn, die thans alleen aan de steengroeven
bij den waterval worden gedaan."
"De verwachting van Polycarpus is niet te hoog gespannen," voegde
Antonius hierbij, "want de keizer zoekt met zekeren koortsachtigen
ijver Byzantium uit te breiden en te verfraaien. Aan ieder die een
nieuw huis bouwt, wordt jaarlijks graan geleverd, en om lieden van
onze soort, waarvan hij er nooit te veel kan hebben, tot zich te
trekken, belooft hij aan bouwmeesters, beeldhouwers, ja zelfs aan
bekwame arbeiders geheelen vrijdom van belastingen. Als wij hier
de blokken en zuilen nauwkeurig en volgens de teekening afwerken,
beslaan zij niet te veel plaats in de schepen, en niemand zal zoo
goedkoop kunnen leveren als wij."
"En ook niet zoo goed," hernam Polycarpus, "want gij zijt zelf een
kunstenaar, vader, en kent de gesteenten beter dan iemand anders. Nooit
zag ik zulk een schoon stuk graniet, zoo gelijkmatig van kleur,
als het stuk dat gij voor den eersten leeuw heb uitgezocht. Ik zal
hem hier op de plaats zelve geheel gereed maken, en ik geloof dat
hij gezien zal mogen worden. 't Is waar, mijn arbeid zal moeielijk
de proef der vergelijking kunnen doorstaan met zoovele andere edele
werken uit den bloeitijd der kunst, waarmede het Caesareum is opgevuld:
doch ik zal mijn best doen."
"Het worden prachtige leeuwen," zeide Antonius, terwijl hij zijn
broeder met trots aanzag. "In de laatste jaren heeft niemand
iets tot stand gebracht dat er bij halen kan, en ik ken mijne
Alexandrijners. Zoo het meesterwerk uit het gesteente van den
heiligen berg geprezen wordt, dan wil de geheele wereld graniet van
dáar en van daar alleen hebben. Het komt er maar op aan te zorgen,
dat het transport van steenen naar zee minder moeilijk en kostbaar
wordt gemaakt."
"Beproeven wij het dan," zeide Petrus, die onder dit gesprek zijner
zonen zwijgend vóór hen op en neder had geloopen. "Beproeven wij
het dan in godsnaam met den bruggebouw. Den weg zullen wij maken,
wanneer de burgerij zich bereid verklaart de helft van de kosten te
dragen, anders niet. Gij moogt het wel weten: gij zijt beiden flinke
mannen geworden!"
De jongste zoon greep zijne hand en bracht haar met innige
hartelijkheid aan zijne lippen.
Petrus liet de hand snel over 's jongelings bruine lokken glijden, stak
daarop zijn oudsten de sterke rechterhand toe en zeide: "Wij zullen het
getal onzer slaven moeten vermeerderen. Roep uwe moeder, Polycarpus!"
Met blijden spoed gaf de aangesprokene gevolg aan deze opdracht. Zoodra
vrouw Dorothea, die met hare dochter Marthana en eenige slavinnen
aan het weefgetouw zat, hem met gloeiende wangen het vrouwenverblijf
zag binnenstormen, stond zij, ofschoon zij tamelijk gezet was, met
jeugdige vlugheid op, en riep Polycarpus toe: "Heeft hij uw plannen
goedgekeurd?"
"Den bruggebouw, moeder, en alles, alles," antwoordde de
jongeling. "Schooner graniet voor mijne leeuwen, dan dat vader voor
mij weet uit te zoeken, kan ik nergens vinden. Gij weet niet hoeveel
genoegen mij dit doet voor Antonius! Maar met den weg zullen wij
geduld moeten hebben. Hij wil terstond met u spreken."
Vrouw Dorothea bracht haar zoon, die reeds haar arm had gegrepen en
trachtte haar met zich mede te trekken, door eene zachte beweging met
de hand tot bedaren. Hoezeer zij echter in den blijmoedigen geestdrift
van haren lieveling deelde, dat bewezen de tranen, die in hare goedige
oogen opwelden.
"Geduld, geduld, ik kom al," zeide zij, terwijl zij haar arm losmaakte,
om haar gewaad en hare grijze haren, die in grooten overvloed en
goed onderhouden haar altijd nog vriendelijk en ongerimpeld gelaat
omlijstten, te ordenen. "Ik heb het u vooruit wel gezegd. Wanneer ge uw
vader verstandige dingen hebt voor te stellen, zal hij u hooren en uwe
wenschen inwilligen, ook zonder mijne tusschenkomst. De vrouw moet zich
niet met het werk der mannen bemoeien. De jeugd hanteert sterke bogen
en schiet dikwijls het doel voorbij. Dat zou mij fraai staan, als ik
uit kinderachtige liefde voor u beproeven wilde de sirene te spelen,
ten einde het wijs verstand van den stuurman van dit huis, uw vader,
door honingzoete woorden te streelen!--Gij lacht om zulk eene grijze
sirene? maar de liefde vergeet wat de jaren deden verloren gaan,
en heeft een goed geheugen voor alles wat er eens aanvallig in ons
was. De mannen hebben bovendien niet altijd als het noodig zou zijn,
was in de ooren. Komt, laat ons nu naar vader gaan!"
Dorothea ging Polycarpus en hare dochter vooruit. De eerste hield
zijne zuster bij de hand terug en vroeg haar: "Was Sirona niet bij u?"
De beeldhouwer wilde geheel onverschillig schijnen; toch kreeg hij
een kleur bij deze vraag.
Marthana merkte het wel op en antwoordde met een schalksch lachje:
"Zij heeft ons haar mooi gezicht laten zien; maar gewichtige bezigheden
riepen haar weg."
"Sirona?" vroeg Polycarpus ongeloovig.
"Wel zeker!" antwoordde Marthana met een lach. "Zij moet voor de pop
van de kinderen eene nieuwe jurk maken."
"Waarom spot gij met hare goedhartigheid?" vroeg Polycarpus een
weinig verwijtend.
"Wat zijt gij prikkelbaar!" zeide Marthana zacht. "Sirona is zoo
vriendelijk en goed als een engel. Maar gij moest haar wat minder
aanzien, want zij behoort niet tot de onzen. Zoo afkeerig als ik
echter ben van dien norschen centurio, zoo...."
Zij voltooide haar volzin niet, want vrouw Dorothea was aan den
drempel van het woonvertrek gekomen, en zag naar hare kinderen om.
Petrus ontving zijne gade niet minder ernstig dan gewoonlijk, maar er
lag toch iets ondeugends in zijne halfgeslotene oogen toen hij vroeg:
"Gij zult zeker wel weten, waarom het te doen is?"
"Gijlieden zijt waaghalzen, hemelbestormers," gaf zij hem vroolijk
ten antwoord.
"Als het werk mislukt," hernam Petrus, terwijl hij op zijne beide
zonen wees, "zoo zullen zij de nadeelige gevolgen daarvan langer
moeten gevoelen dan wij."
"Maar het zal u gelukken!" riep Dorothea. "Met een ouden veldheer en
jonge soldaten moet men den slag winnen."
Opgewekt en vrijmoedig stak zij haren echtgenoot hare kleine gevulde
hand toe. Deze nam haar blijmoedig aan, en zeide: "Ik denk dat ik den
voorslag van den weg er in den senaat wel doorhaal. Voor de bruggebouw
moeten wij nog werkvolk aanwerven, en daartoe hebben wij u noodig,
Dorothea. Onze slaven zullen niet toereikend zijn."
"Wacht eens," haastte zich de huisvrouw te zeggen. Zij liep naar het
venster en riep: "Jethro, Jethro!"
Hij die aldus werd aangesproken, de oude hofmeester des huizes,
verscheen, en Dorothea begon met hem te bespreken, wie van de bewoners
der oase geneigd zou zijn, hun flinke mannen af te staan, en of het
niet uitvoerbaar zou zijn dezen of genen van de huisslaven bij den
bouw te gebruiken.
Wat zij zeide was verstandig en wel overdacht. Zij toonde hare
huishouding tot in het geringste te overzien en gewoon te zijn hier
geheel onbeperkt te gebieden. "De lange Anubis," dus eindigde zij,
"kan zeker in de stal wel gemist worden?"
De hofmeester, die tot dusverre kort en verstandig had gesproken,
draalde thans met zijn antwoord. Daarbij zag hij naar Petrus, die,
geheel in het bouwplan verdiept, hem den rug had toegekeerd. Uit zijn
blik en zekere beweging van zijne hand kon men duidelijk opmaken,
dat hij iets op het hart had, maar aarzelde te spreken in de
tegenwoordigheid van zijn meester.
Vrouw Dorothea was vlug van begrip en verstond ook nu Jethro's
meening. Doch juist daarom zeide zij, meer verbaasd dan knorrig:
"Wat beteekent dat knippen met het oog? Wat ik mag weten, kan ook
Petrus hooren."
De senator keek om en nam den hofmeester met zulk een donkeren blik
van onder tot boven op, dat deze achteruit ging en haastig begon te
spreken. Doch hij werd gestoord door het gejoel der kinderen bij den
trap, en door Sirona, die Hermas naar den senator bracht en lachend
zeide: "Dezen grooten jongen heb ik op den trap gevonden waar hij
u zocht."
Petrus zag den jongeling juist niet zeer vriendelijk aan en zeide:
"Wie zijt gij? Wat boodschap brengt gij?"
Hermas zocht te vergeefs naar woorden, want de aanwezigheid van
zoovele menschen, waaronder zich nog wel drie vrouwen bevonden,
maakte hem bijzonder verlegen. Hij draaide zijne vingers door de
wollige lokken van zijn schaapsvel, en bewoog de lippen zonder geluid
te geven. Eindelijk gelukte het hem stamelend uit te brengen: "Ik ben
de zoon van den ouden Stephanus, die verwond werd bij den laatsten
inval der Saracenen. Mijn vader heeft in vijf nachten weinig of niet
geslapen, en nu zend Paulus mij tot u, de vrome Paulus van Alexandrië,
gij begrijpt het,--opdat ik...."
"Zoo, zoo," viel Petrus hem in den rede met bemoedigende
vriendelijkheid. "Gij verlangt dus eene artsenij voor den ouden
man. Ziet toch eens, Dorothea, wat een flinke jonkman er gegroeid is
uit dien kleinen knaap, die de Antiochiër met zich den berg opsleepte."
Hermas kreeg een kleur en richtte zich in al zijne lengte op. Daarbij
bespeurde hij met groote tevredenheid, dat hij grooter was dan de
zonen van den senator, die ongeveer van zijn leeftijd waren. Toch
had hij een zekeren afkeer van hen, zoodat hij voor hen schuwer was
dan zelfs voor hun strengen vader.
Polycarpus nam hem met zijne oogen op en zeide tot de Gallische,
waarmede hij juist een groet had gewisseld, en van welke hij sedert
zij het vertrek was binnengekomen, den blik niet afgewend had. "Als
wij twintig slaven konden krijgen met zulke schouders, dan zouden
wij vorderen. Er is hier wat te doen, groote jongen...."
"Ik heet niet 'jongen', maar Hermas," zeide de Anachoreet, en de
aderen op zijn voorhoofd begonnen te zwellen.
Polycarpus, die wel eens enkele der oude Anachoreten gezien had,
die op den heiligen berg in overpeinzing en boetedoening hun leven
sleten, in wien het echter niet opkwam, dat ook een krachtig jonkman
tot de kluizenaars kon behooren, begreep nu, dat hij die zijn vader
zocht meer was, dan de eenvoudige kleeding liet vermoeden, en dat
hij hem gekrenkt had. Daarom zeide hij vergoelijkend: "Gij heet dus
Hermas? Wij roeren hier allen de handen en arbeid is geen schande. Wat
is dan uw handwerk?"
Deze vraag bracht den jongen Anachoreet in heftige beweging. Vrouw
Dorothea, die wel merkte wat er in hem omging, haastte zich juist van
pas te zeggen: "Hij verpleegt zijn zieken vader. Niet waar, mijn zoon,
dat doet gij immers? Petrus zal u zijn hulp niet ontzeggen."
"Stellig niet," verzekerde de senator. "Ik zal u straks geleiden,
als gij tot hem gaat. Gij moogt het wel weten, kinderen, de vader
van dezen jongeling was een aanzienlijk heer, die afstand deed van
rijke bezittingen, om de wereld, waarin hij veel bittere ervaringen
had opgedaan, te vergeten en God te dienen op zijne wijze, die niet
de onze is, maar waarvoor we toch eerbied moeten hebben. Ga daar
zitten, mijn zoon. Eerst hebben wij nog eene gewichtige bezigheid te
voleindigen, daarna zal ik u volgen."
"Wij wonen hoog op den berg," stamelde Hermas.
"Des te reiner zal daar de lucht zijn," antwoordde de senator. "Doch
wacht eens! Misschien is de oude man alleen..... Niet? De vrome
Paulus, zegt gij, is bij hem? Dan is hij in goede handen, en hebt
gij den tijd?"
Petrus bleef een oogenblik nadenkend staan, toen wenkte hij zijne
zonen en zeide: "Antonius, ga er dadelijk op uit om slaven te zoeken;
en gij, Polycarpus, zie of gij stevige lastdieren kunt vinden. In den
regel neemt gij 't met het geld al zeer licht op, maar thans komt
het er op aan naar de naaste prijzen te vragen. Hoe eerder gij, na
geslaagd te zijn, terugkeert, des te beter. De daad mag niet achter
het besluit komen aanhinken, maar moet rustig en snel volgen, gelijk
het geluid den hamerslag. Marthana, meng mij de bruine koortsdrank
en leg windsels gereed. Daar hebt gij den sleutel!"
"Ik wil haar helpen," riep Sirona, die gaarne een dienst bewees, en die
oprecht medelijden had met den ouden zieken kluizenaar. Het was ook
of zij met Hermas te zien eene ontdekking had gedaan. Onwillekeurig
beschouwde zij hem met eenige meerdere achting, sedert zij wist dat
hij de zoon was van een voornaam heer.
Terwijl de jonge vrouw en het meisje in de artsenijkist bezig waren,
verlieten Antonius en Polycarpus het vertrek. De laatste stond reeds
met den voet op den drempel, toen hij nog eens omkeerde en Sirona
eenige oogenblikken gadesloeg. Daarop ging hij haastig voort, sloot
de deur en daalde met een diepen zucht den trap af.
Zoodra zijne zonen zich verwijderd hadden, wendde Petrus zich tot
den hofmeester en vroeg: "Wat is er gebeurd met den slaaf Anubis?"
"Hij is...," antwoordde Jethro. "Hij is gewond en zal in de eerste
dagen wel niet te gebruiken zijn. Mirjam, de geitenhoedster, die
wilde kat, heeft hem met den sikkel op het hoofd geslagen."
"En dat kom ik nu eerst te weten!" sprak Dorothea verwijtend. "Wat
heeft men met het meisje gedaan?"
"Wij hebben haar in de hooischuur opgesloten," antwoordde Jethro,
"en daar raast en tiert zij nu."
De vrouw des huizes schudde afkeurend het hoofd en zeide: "Op deze
wijze zal men het meisje niet beter maken. Ga, en breng haar dadelijk
bij mij."
Zoodra de hofmeester het vertrek verlaten had, keerde zij zich tot haar
echtgenoot, zeggende: "Men zou eindelijk onder deze schepsels den moed
kunnen verliezen, als men ziet hoe zij elkander behandelen. Duizendmaal
heb ik het moeten aanzien! Geen oordeel valt zoo hard, als dat door
den eenen slaaf over den ander wordt geveld."
Jethro en eene dienstmaagd brachten Mirjam het vertrek binnen. De
handen van het meisje waren met ruwe touwen gebonden, en zoowel haar
kleedje als hare zwarte verwilderde haren zaten vol hooi. In hare
oogen vonkelde een donkere gloed, en hare gelaatszenuwen vertrokken
zich als bij iemand die den St. Vitus-dans heeft.
Zoodra Dorothea haar aanzag richtte zij het hoofd fier omhoog en
zag het vertrek rond, als wilde zij hare vijanden monsteren. Opeens
kreeg zij Hermas in het oog. Hare lippen werden doodsbleek; met een
heftigen ruk wrong zij hare kleine handen uit de knellende banden,
bedekte haar gelaat en wilde de deur uitvluchten. Doch Jethro trad
haar in den weg en greep haar stevig bij den schouder.
Mirjam gaf een luiden gil. De dochter van den senator, die het
artsenijfleschje uit de hand gezet en elk harer bewegingen met
deelneming gadegeslagen had, vloog nu op de herderin toe, stiet de
hand van den ouden, die haar nog altijd vasthield, terug en zeide:
"Vrees maar niet, Mirjam. Wat gij ook gedaan hebt, vader kan u alles
vergeven."
Deze woorden klonken haar zoo liefelijk in de ooren, alsof ze door
den mond eener innig liefhebbende zuster gesproken waren. De herderin
volgde Marthana zonder verzet naar de tafel, waarop de bouwplannen
lagen uitgespreid, en bleef daar naast haar staan.
Gedurende enkele oogenblikken sprak niemand. Ten laatste trad vrouw
Dorothea op de herderin toe en vroeg: "Wat is u overkomen, arm kind,
dat gij u zelve zoozeer hebt vergeten?"
Mirjam wist waarlijk niet wat er met haar gebeurde. Zij had zich
voorbereid op harde scheldwoorden en slagen, ja op ketens en banden,
en nu deze zachte woorden, deze vriendelijke blikken! Haar trots was
gebroken, hare oogen ontmoetten het liefderijk oog harer meesteres en
zij zeide op zachten toon: "Hij heeft mij reeds zoo lang vervolgd,
en wilde dat gij mij aan hem tot vrouw zoudt geven. Maar ik heb een
hekel aan hem; ik haat hem als al uwe slaven."
Bij de laatste woorden kregen hare oogen hun wilden glans terug, en met
de vurigheid die haar eigen was, ging zij voort: "Ik wenschte wel dat
ik hem met een stok in plaats van met een sikkel had geslagen: doch ik
greep wat voor de hand lag om mij te verweren. Ik kan het niet dulden
dat een man mij aanraakt; dat vind ik afschuwelijk. Gisteren kwam
ik later dan gewoonlijk met de beesten terug, en toen ik de geiten
gemolken had en naar bed ging, sliep alles reeds in huis. Opeens
kwam Anubis op mij aan en praatte mij van liefde. Ik wees hem af;
maar hij pakte mij beet, greep mij met de hand hier bij het hoofd
en wilde mij kussen. Toen vloog mij het bloed naar de keel; ik greep
naar den sikkel, die naast mij hing, en eerst toen hij brullend op den
grond lag, zag ik dat ik kwaad had gedaan. Hoe dat gekomen is, kan ik
niet zeggen. Daar zit iets in mij, iets--hoe zal ik het noemen?--dat
mij drijft, gelijk de wind de bladeren die op den weg liggen, en ik
kan het niet tegenhouden. Misschien ware het maar 't best, dat ge
mij liet sterven; dan waart ge op eens verlost van mijne boosheid en
alles zou voorbij zijn."
"Hoe kunt gij zoo spreken?" viel Marthana haar in de rede. "Gij zijt
wild en wat onstuimig, maar daarom niet slecht."
"Vraag het dien daar!" riep de herderin, en wees met vlammende blikken
op Hermas, die verlegen zijne oogen nedersloeg.
De senator wisselde met zijne vrouw een vluchtigen blik. Zij waren
gewoon elkander ook zonder woorden te verstaan.
"Wie gevoelt," zeide vrouw Dorothea, "dat hij niet is gelijk hij
wezen moet, die is reeds op den weg van beterschap. Wij lieten u bij
de geiten, omdat ge altijd de kudde naliept en in huis geen rust
kondt vinden. Vóor den morgendienst beklimt gij den berg en eerst
na het avondmaal keert gij terug. Voor uw geestelijk welzijn zorgde
niemand. De helft van uw schuld komt op ons hoofd neer, en wij hebben
geen recht u te straffen. Gij behoeft u niet te verwonderen. Ieder
kan struikelen; Petrus en ik zijn menschen als gij, niet meer en niet
minder. Maar wij zijn christenen, en het is onze plicht te waken voor
de zielen dergenen, die God ons heeft toevertrouwd, hetzij kinderen,
hetzij slaven. Gij zult niet meer naar den berg gaan; gij blijft bij
ons tehuis. Gaarne wil ik vergeven, wat gij in overijling hebt gedaan,
wanneer Petrus u ten minste niet verlangt te straffen."
De senator schudde ernstig van neen, waarop Dorothea tot Jethro de
vraag richtte: "Is Anubis zwaar verwond en moet hij verpleegd worden?"
"Hij heeft de koorts en ijlt," luidde het antwoord. "De oude Praxinoa
koelt zijne wond met water af."
"Dan moet Mirjam," beval Dorothea, "hare plaats vervangen en het
kwaad trachten te herstellen, dat zij heeft aangericht. De helft
van uw schuld is uitgedelgd, meisje, als Anubis onder uwe handen is
genezen. Straks kom ik met Marthana bij u, om u te leeren hoe men
compressen maakt."
De herderin sloeg de oogen neer en liet zich werktuigelijk naar den
kranke brengen.
Intusschen had Marthana den bruinen drank gereed gemaakt. Petrus
liet zich zijn staf en zijn vilten hoed geven, overhandigde Hermas
het geneesmiddel en noodigde dezen uit hem te volgen.
Sirona staarde beiden na en kon niet nalaten te zeggen: "Het is jammer
van dien flinken jonkman! Hem stond een purperkleed ook beter dan
dat ellendig schaapsvel."
De vrouw des huizes haalde de schouders op, gaf hare dochter een wenk
en zeide: "Kom aan den arbeid, Marthana, de zon staat reeds hoog aan
den hemel. Wat gaan de dagen toch snel voorbij! Hoe ouder men wordt,
des te spoediger vliegen de uren om!"
"Dan moet ik wel zeer jong zijn," hernam de Gallische, "want voor
mij kruipt de tijd in deze eenzaamheid ontzachlijk langzaam voort. De
eene dag is als de andere, en dikwijls is het mij als stond het leven
geheel stil, en daarmee ook het kloppen van mijn hart. Wat zou ik
zijn zonder uw huis en de kinderen! Altijd dezelfde berg en dezelfde
palmen en dezelfde aangezichten!"
"Maar de berg is grootsch," antwoordde Dorothea, "en de boomen zijn
schoon, en als men de menschen liefheeft, met wie wij dagelijksch in
aanraking komen, dan kan men ook hier tevreden zijn. Wij ten minste
zijn het, zoover de levensomstandigheden het ons toelaten. Maar ik
heb u dikwijls gezegd: u ontbreekt werk!"
"Werk? Maar voor wien dan?" vroeg Sirona. "Ja, als ik kinderen had,
gelijk gij! In Rome was ik ook niet gelukkig, zeker niet; maar daar
viel wat te doen en te denken; nu eens een optocht, dan weder eene
tooneelvoorstelling. Maar hier. Voor wien zal men zich tooien? Mijn
gouden sieraden worden dof in de kast en mijne beste kleederen door de
motten verteerd. Uit mijn veelkleurigen mantel maak ik poppenkleederen
voor uwe kleinen. Als een demon mij in een egel of in een grijzen
uil veranderde, het zou mij onverschillig kunnen zijn!"
"Bezondig u niet," zeide Dorothea ernstig, en zag met welgevallen op
naar de goudgele haren en het wonderschoone en vriendelijke gelaat
van de jonge vrouw. "Het moest u een genot zijn, u sierlijk te kleeden
voor uw echtgenoot!"
"Voor hem?" vroeg Sirona. "Hij ziet mij niet eens aan, en als hij het
doet, dan is het alleen om mij te krenken. Het verbaast mij steeds,
dan ik nog vroolijk kan zijn. Ik ben het ook maar alleen in uw huis,
en ook daar slechts dan, wanneer ik niet aan hem denk."
"Ik mag zulk eene taal niet aanhooren, neen, in het geheel niet," viel
Dorothea haar op strengen toon in de rede.--"Neem het linnen en het
koelwater, Marthana, wij zullen de wonden van Anubis gaan verbinden."