Hoog boven de kloof met de bron lag eene effene rotsvlakte van niet
zeer grooten omvang, aan de achterzijde begrensd door een veelvuldig
gespleten wand van kaal roodbruin porfier. Door den voet liep, als een
groene band, een diorietader, zoo hard als staal, en daaronder zag
men de opening van eene kleine ronde holte, die de scheppende hand
der natuur hier zelve had aangebracht. Vroeger hadden wilde dieren,
panters en wolven hier hun verblijf gehouden, thans diende zij tot
woning voor den jongen Hermas en zijn vader.
Er bevonden zich in den heiligen berg vele dergelijke holen, en de
grootste waren door Anachoreten in beslag genomen. Die van Stephanus
was bijzonder hooggewelfd en diep; toch was er maar eene smalle ruimte
over tusschen de legersteden van gedroogde bergkruiden, waarop hier
de vader, dáar de zoon sliep.
Het middernachtelijk uur was reeds lang voorbij, maar noch de jonge
noch de oude grotbewoner scheen te slapen. Hermas zuchtte luide, en
wierp zich onrustig van de eene zijde op de andere, zonder acht te
geven op den ouden man, die zwak en door smarten gekweld, den slaap
niet ontberen kon, terwijl Stephanus zich de verademing ontzegde
van zich om te wenden of te steunen, toen hij meende te bemerken,
dat zijn krachtige zoon rust gevonden had.
Wat mocht toch den knaap, die anders zoo vast sliep en moeilijk te
wekken was, wel de rust benemen?
"Hoe komt het," dacht Stephanus, "dat de krachtige jeugd zoo zwaar
en lang slaapt, de ouderdom, die behoefte heeft aan rust, ja ook
de kranke, zoo licht en zoo weinig? Moet het waken hun levenstijd,
waarvan zij het einde vreezen, verlengen? Waarom is men toch zoo
kinderachtig gehecht aan dit jammerlijk bestaan, en zou men zich
uit de voeten willen maken en verbergen als de engel ons roept en
de gouden deuren zich voor ons openen? Wij zijn niet ongelijk aan
Saul, den Hebreër, die zich schuil hield, toen men naderde om hem
te kronen.--Hoe smartelijk brandt mijn wond! Had ik maar een teug
water! Als het den armen jongen niet zooveel moeite had gekost den
slaap te vatten, zou ik hem om den kruik vragen."
Stephanus boog zich over naar zijn zoon en luisterde, doch hij wekte
hem niet, toen hij zijne zware regelmatige ademhaling hoorde. Huiverend
trok hij zijne leden samen onder de schapenvacht, die slechts
halverwege zijn lichaam bedekte, want door de opening van de spelonk,
waarin het overdag gloeiend heet was, drong nu eene ijzige nachtlucht.
Zoo verliep er geruimen tijd. Eindelijk meende hij op te merken,
dat Hermas zich oprichtte.
Ja, de slaperige jonkman moest wel ontwaakt zijn, want hij begon te
spreken en Gods naam aan te roepen.
Nu wendde de oude man zich tot zijn zoon en waagde het zacht te vragen:
"Hoort ge mij, kind?"
"Ik kan niet slapen," antwoordde de jonkman.
"Geef mij dan wat drinken," vroeg Stephanus; "mijne wond brandt zoo
ondragelijk."
Hermas stond dadelijk op en stak den lijder de waterkruik toe.
"Dank, dank, mijn kind," sprak de oude, en greep terstond naar de
hals van de kruik. Maar dezen kon hij niet vinden en verwonderd
zeide hij: "Wat is dit vochtig en koud. Dat is leem, en onze kruik
was een pompoen."
"Ik heb haar gebroken," antwoordde Hermas, en "Paulus leende mij
de zijne."
"Zoo, zoo," prevelde Stephanus. Na gulzig gedronken te hebben, gaf
hij de kruik aan zijn zoon terug en wachtte tot deze zich weder op
zijn leger had neergevlijd. Toen drong de bezorgdheid hem te zeggen:
"Gij zijt heden avond lang uitgebleven, de kruik is gebroken, en gij
hebt in uw slaap telkens gedroomd. Wat hebt gij toch ontmoet?"
"Een demon der hel," antwoordde Hermas. "En thans vervolgt mij dit
gedrocht in onze grot en jaagt mij onder allerlei gedaanten schrik
aan."
"Verban het dan en bid," sprak de oude man ernstig. "Voor den naam
van God vlieden alle onreine geesten."
"Ik heb hem aangeroepen," zeide Hermas met een zucht, "doch te
vergeefs. Ik zie vrouwen met roode lippen en vliegende haren,
en witmarmeren beelden met ronde leden en gloeiende oogen, die mij
altijd en altijd weder wenken."
"Neem dan den geesel ter hand," beval de vader, "en zie of ge u
daarmee rust kunt bezorgen."
Dit bevel gehoorzamende stond Hermas andermaal op en ging met den
geesel naar buiten. De beperkte ruimte van de grot belette hem
daarbinnen dit werktuig met krachtigen arm te zwaaien.
Weldra hoorde Stephanus in de stilte der nacht het snorrend geluid
der lederen riemen, de slagen op de veerkrachtige menschelijke spieren
en het smartelijk steunen van zijn zoon. De oude man kromp samen bij
elke striem, als had deze hemzelven getroffen. Eindelijk riep hij,
zoo luid hij kon: "Genoeg, thans is het genoeg!"
Hermas keerde in de grot terug. Zijn vader riep hem aan zijne
legerstede en noodigde hem uit met hem gemeenschappelijk te bidden.
Toen het Amen was uitgesproken, streek hij met de hand over de dichte
haren van zijn zoon en zeide: "Sedert gij in Alexandrië waart, zijt
gij veel veranderd. Ik wenschte, dat ik den bisschop Agapitus geen
gehoor gegeven en u de reis verboden had! Weldra zal mijn Heiland mij
roepen, dat weet ik, en niemand zal hier voor u zorgen. Dan zal de
verzoeker komen, en al die heerlijkheden van de groote stad, die toch
maar lichten als rottend hout, als slangen die een weerschijn geven,
als giftige purperbeziën...."
"Ik verlang ze niet," viel Hermas hem in de reden. "Die woelige stad
bracht mij in verwarring, maakte mij beangst. Nooit, neen nooit zal
ik haar weer betreden."
"Zoo spreekt gij altijd," gaf Stephanus ten antwoord, "en toch zijt
gij sedert de reis veranderd. Vroeger dacht ik zoo dikwijls, als ik u
hoorde lachen: die klank zal den Hemelschen Vader welgevallig zijn. En
thans?--Gij waart den zangvogel gelijk, en nu loopt gij zwijgend
daarheen; somber en mistroostig is uw blik en booze gedachten weren
den slaap van uwe sponde."
"Dat is mijn lijden," antwoordde Hermas. "Wat ik u bidden mag, laat
mijne hand los. De nacht is weldra voorbij, en gedurende den geheelen
langen dag hebt gij tijd mij lessen te geven."
Stephanus zuchtte, en Hermas zocht zijn leger weder op. Zij konden
beiden den slaap niet vatten, en de een wist van den ander, dat hij
waakte. Zij hadden elkander gaarne toegesproken, maar ontevredenheid
en trots sloten de lippen van den zoon, en de vader zweeg omdat hij
maar altijd de juiste woorden niet vinden kon, waarnaar hij zocht,
woorden die doordringen tot het hart.
Eindelijk brak de morgen aan. Eene lichte schemering drong door de
opening naar binnen en het werd langzamerhand helderder in de sombere
ruimte van de spelonk. De jongeling ontwaakte en stond geeuwend op.
Toen hij zijn vader zag liggen met geopende oogen, vroeg hij
onverschillig: "Zal ik hier blijven of naar den morgendienst gaan?"
"Laat ons samen bidden," verzocht Stephanus. "Wie weet hoe kort ons
dit nog maar vergund is. De dag is voor mij niet verre meer, waarop
geen avond zal volgen. Kniel hier neder en laat mij het beeld van
den gekruisigden kussen."
Hermas deed overeenkomstig het verlangen zijns vaders, en toen beiden
hun lofzang ten einde hadden gebracht, sprak een derde stem mede het
Amen uit.
"Paulus!" riep de oude. "De Heiland zij geloofd! Onderzoek mijne wonden
toch eens. De pijlpunt tracht een uitweg te vinden en veroorzaakt
mij onlijdelijke smart."
De zoo even aangekomen Anachoreet, die als eenige kleeding een
soort van hemd van bruine ongevolde stof en een schapenvacht droeg,
onderzocht de wond zorgvuldig, legde er kruiden op en prevelde daarbij
eenige vrome spreuken.
"Nu is het veel beter," zeide de oude man met een zucht. "Terwille
uwer goedheid erbarmt de Heer zich mijner."
"Ik goed? Ik, zondig vat!" hernam Paulus met een diepe metaalstem,
terwijl hij zijne bij uitnemendheid vriendelijke blauwe oogen
opsloeg, als wilde hij de verzekering geven, dat men zich zeer in
hem vergiste. Daarop streek hij met de hand het grijsachtig haar, dat
ongeordend en in groote lokken over zijn hals en zijn gelaat hing, uit
het gezicht en zeide opgewekt: "Een mensch is niet meer dan een mensch,
en velen zijn minder! In de ark was veel vee doch maar éen Noach!"
"In ons scheepje zijt gij de Noach," zeide Stephanus.
"Dan is die groote lummel hier de olifant," hernam Paulus lachende.
"Gij zijt niet kleiner dan hij," antwoordde Stephanus.
"Het is jammer dat deze steenen ark zoo laag van verdieping is,
anders konden wij terstond meten," sprak Paulus. "Ja, als Hermas en
ik zoo vroom en rein waren als wij groot en sterk zijn, dan hadden wij
beiden den sleutel tot het paradijs in handen.--Gij hebt u heden nacht
gegeeseld jonkman; ik hoorde de slagen. Goed zoo! Wanneer het zondige
vleesch zich laat gelden, dan moet men er zich tegen verzetten."
"Hij heeft zwaar gesteund en kon niet slapen," zeide Stephanus.
"Wel, dat zal ik hem afleeren," riep Paulus den jonkman toe, terwijl
hij zijne gespierde armen met gebalde vuisten naar hem uitstrekte. Doch
deze dreigende woorden klonken meer luid dan boos, en hoe wild die
reusachtige man in zijn schaapsvel er ook uitzag, er lag toch zulke
ene onweerstaanbare vriendelijkheid in zijn oogopslag en in zijne stem,
dat niemand gelooven kon, dat hij het met zijn toorn ernstig meende.
"Helsche geesten hebben hem gekweld," zeide Stephanus vergoelijkend,
"en ik zou toch ook zonder zijn steunen geen oog hebben toegedaan. Dit
is nu reeds vijf nachten zoo geweest."
"In den zesden echter," haastte Paulus zich te zeggen, "hebt gij rust
noodig. Sla de schapenvacht om, Hermas. Gij moet beneden in de oase
naar den senator Petrus gaan, en van hem of van zijne vrouw Dorothea,
de diakones, voor onze kranke eene goede slaapdrank halen.--Zie
nu eens aan; de jongen denkt waarachtig nog aan het ontbijt zijns
vaders! Waarlijk, uw eigen maag is een goed raadgever. Steek nu dat
brood bij u, en zet het water hier naast het bed neder. Gedurende
uwe afwezigheid zal ik een frisschen dronk halen. Ga nu met mij mede."
"Wacht nog even," riep Stephanus. "Breng eene nieuwe kruik uit de
stad mede, mijn kind. Gij hebt ons gisteren de uwe geleend, Paulus
en ik wil...."
"Ja, dat had ik haast vergeten," viel deze hem in de rede. "Ik ben dien
onvoorzichtigen jongen dank schuldig, want nu weet ik eerst hoe men
drinken moet, zoolang men gezond is. Voor geen last goud wil ik mijne
kruik terug hebben. Het water smaakt alleen, wanneer men uit de holle
hand drinkt. De pot behoort u toe. Ik zou mijzelven een zeer slechten
dienst bewijzen, als ik dien terug wilde vorderen. Goddank, thans
kan zelfs de slimste dief mij niets ontstelen, behalve mijn vacht."
Stephanus wilde hem bedanken, maar hij greep Hermas bij de hand en
trok hem mede naar buiten.
Beide mannen liepen een tijdlang zwijgend bergopwaarts over klippen
en rotsblokken heen.
Paulus bleef eindelijk stilstaan op eene rotsvlakte, gelegen aan den
weg die van de zee over den berg naar de oase leidde. Hij richtte
zich tot den jongeling en zeide: "Als wij altijd de gevolgen van onze
handelingen konden voorzien, dan zou er geene zonde zijn."
Hermas zag hem vragend aan; Paulus ging echter voort: "Indien gij
bedacht had, hoezeer uw arme vader slaap noodig heeft, zoudt gij
heden nacht doodstil hebben gelegen."
"Ik kon niet," gaf de jonkman knorrig op deze berisping ten
antwoord. "Gij weet toch hoe onzacht ik mij gegeeseld heb."
"Daaraan hebt gij goed gedaan, want als een stoute jongen hebt gij
slagen verdiend!"
Hermas zag den berispenden vriend vragend aan. Schaamrood bedekte zijne
wangen, want hij herinnerde zich het woord der herderin, dat hij haar
bij zijne voedster mocht aanklagen. Daarom antwoordde hij op onwilligen
toon. "Zóo wil ik u niet langer te woord staan; ik ben geen kind meer?"
"Ook niet het kinds uws vaders?" vroeg Paulus, en zag hem daarbij
zoo verwonderd en vragend aan, dat Hermas verlegen de oogen neersloeg.
"Het is toch niet mooi, wanneer iemand juist hem, die alleen om
zijnentwil verlangt te leven, het weinigje leven dat hem rest
verbittert."
"Gaarne had ik stil gelegen, want ik heb mijn vader lief, zoo goed
als ieder ander."
"Gij slaat hem niet," hernam Paulus. "Gij brengt hem brood en water,
en drinkt den wijn niet alleen op, die de bisschop u voor hem van
het avondmaal mede naar huis geeft. Dit is nu wel iets, maar toch
lang niet genoeg."
"Ik ben geen heilig man!"
"Ik ook niet," zeide Paulus weder. "Ik ben vol zwakheden en zonden;
maar wat de liefde is, die de Heiland ons leerde, weet ik en dat kunt
gij ook weten. Hij werd aan het kruis voor u, voor mij, voor de armen
en tollenaren gefolterd. Liefde is zelfopoffering! En gij? Hoe lang is
het geleden sedert gij uw vader voor de laatste maal, een vriendelijk
gelaat hebt getoond?"
"Ik kan niet huichelen."
"Dat behoeft gij ook niet te doen; maar gij zult liefhebben. Inderdaad,
men bewijst geen liefde met hetgeen de hand doet, maar met hetgeen
het hart blijmoedig geeft, of zich weet te ontzeggen."
"Is het dan geen offer, dat ik hier zoo armzalig mijn jeugd
verslijt?" vroeg de jongeling.
Paulus deed verrast een schrede achterwaarts, schudde bedenkelijk
het ruige hoofd en zeide: "Staat het zóo met u? Denkt gij aan
Alexandrië? Voorzeker, het leven vliegt daar sneller voorbij dan op
onze eenzame bergen. Het bruine herderinnetje moogt ge niet lijden,
maar misschien heeft u daar eene mooie blanke Griekin met roode wangen
in de oogen gezien."
"Spreek mij niet van de vrouwen!" hernam Hermas met oprecht gemeenden
weerzin. "Daar waren wel andere dingen te zien."
Bij deze woorden fonkelden de oogen van den jonkman, zoodat Paulus
in groote spanning vroeg: "Wat dan?"
"Gij kent Alexandrië beter dan ik," antwoordde Hermas ontwijkend. "Gij
zijt daar geboren, en men zegt dat gij een rijk jongeling geweest
zijt."
"Zeggen ze dat?" vroeg Paulus. "Misschien hebben ze gelijk. Doch dit
moogt gij weten: ik ben blijde dat ik niets meer bezit van al de
nietswaardige zaken, die daar omlaag mij toebehoorden, en ik dank
den Heiland, dat ik het gekrioel der menschen thans den rug kan
toekeeren. Wat komt u toch in dat gewoel zoo bijzonder uitlokkend
voor?"
Hermas aarzelde. Hij vreesde te spreken, en toch werd hij door eene
onweerstaanbare kracht gedreven, eindelijk eens te bekennen wat zijne
ziel verontrustte.
Indien er onder al de ernstige mannen, die de wereld verachten en
waaronder hij was opgegroeid, zich éen bevond die hem begrijpen
kon, dan, dit wist hij, moest het Paulus zijn. Hem had hij, toen
hij nog klein was, in den ruigen baard gegrepen. Vaak had hij op
zijne schouder gezeten, en hem duizendmaal getoond, hoe lief hij hem
had. Wel was de Alexandrijn een der gestrengste, doch hij was alleen
hard voor zichzelven.
Eens moest Hermas zijn hart ontlasten. Hij nam een haastig besluit
en vroeg den Anachoreet: "Hebt gij dikwijls de baden bezocht?"
"Dikwijls?--Het verwondert mij zeer dat ik in al dat lauwe water niet
ben geweekt en uit elkander gevallen als een stuk wittebrood."
"Waarom drijft gij den spot met hetgeen de schoonheid van den
mensch verhoogt?" vroeg Hermas vol vuur. "Waarom mogen in Alexandrië
christenen de baden bezoeken, terwijl wij hierboven, terwijl gij en
vader en alle Anachoreten het water slechts gebruiken om den dorst
te lesschen? Gij dwingt mij als een uwer te leven, maar ik wil geen
morsig dier gelijk zijn!"
"De Allerhoogste trekt ons enkel aan," gaf Paulus ten antwoord,
"en voor Hem reinigen wij onze zielen."
"Maar de Heer heeft ons ook het lichaam gegeven," viel Hermas hem in
de rede. "Het heet dat de mensch Gods evenbeeld is. En wij? Ik kreeg
een afkeer van mijzelven, alsof ik een leelijke aap was, zoo vaak
ik de jongelingen en mannen uit het groote badhuis bij de Zonnepoort
zag komen, met keurig geschikte welriekende haren en fijne kleederen,
die er zoo frisch en rein uitzagen. Toen zij daarheen gingen, dacht
ik aan mijn schurftig schaapsvel en meer dan verwilderd hoofdhaar;
als ik mijne armen en voeten aanzag, die niet minder fraai of stevig
gevormd zijn dan die van hen, werd ik beurtelings heet en koud, en was
het mij als trok een bittere drank mijne keelspieren samen. Het liefst
ware ik van schaamte, van spijt en verdriet in tranen uitgebarsten. Ik
wil geen vogelverschrikker zijn!"
Hermas had de laatste woorden tandenknarsend uitgesproken, en Paulus
keek hem met onrust aan, toen hij voortging: "Mijn lichaam behoort
God toe, zoo goed als mijne ziel, en wat den christen in de stad
geoorloofd is...."
"Dat mogen wij toch niet doen," viel Paulus hem ernstig in de
rede. "Wie zich eenmaal aan den hemel heeft toegewijd, die moet zich
geheel losmaken van de bekoringen des levens, en den eenen band na den
anderen losrijten, die hem aan het stof gekluisterd houdt. Er is een
tijd geweest, waarin ook ik mijn lichaam heb gezalfd en deze stugge
haren gekapt. Hoe verheugde ik mij, als ik mijn eigen beeld in den
spiegel zag! Toch zeg ik u, Hermas, en bij mijn dierbaren Heiland,
ik zeg het alleen omdat ik het gevoel, hier diep in het hart gevoel:
bidden is beter dan baden, en ik arm nietswaardig schepsel ben met
uren begenadigd, waarin mijne ziel zich vrijgeworsteld heeft, met uren,
waarin het mij vergund werd vol zaligheid en verrukking als eere-gast
deel te nemen aan de feestvreugde des hemels."
Onder het uitspreken dezer laatste woorden had Paulus zijne
wijdgeopende oogen omhoog gericht, terwijl zij straalden met
wonderbaren glans.
Een tijdlang stonden beiden zwijgend en roerloos tegenover
elkander. Ten laatste streek de Anachoreet zich het haar uit het
gezicht, waardoor zijn voorhoofd voor het eerst zichtbaar werd.
Het was schoon gevormd, hoewel niet hoog, terwijl de blanke huidkleur
scherp afstak bij zijn door de zon gebruind gelaat.
"Gij weet niet knaap," sprak hij, na eene diepe ademhaling, "welk
eene vreugde gij zoudt prijs geven voor nietige dingen. Eer de hemel
eene vrome tot zich roept, trekt de vrome den hemel tot zich op
aarde neder."
Hermas verstond den Anachoreet zeer goed, want zijn vader staarde
ook vaak na urenlange gebeden, roerloos ten hemel, zonder te zien of
te hooren wat rondom hem gebeurde. Ook deze was gewoon, als hij uit
zijne ekstátische visioenen ontwaakte, aan zijn zoon te vertellen,
dat hij den Heiland gezien en de koren der engelen gehoord had. Doch
het was hem nooit gelukt zich in zulk een toestand te verplaatsen,
hoewel Stephanus hem niet zelden gedwongen had, vele eindeloos lange
uren op de knieën te liggen en met hem te bidden.
Het was dikwijls gebeurd, dat na zulke oefeningen, die zijne ziel
diep schokten, het zwakke levenslicht van den ouden man dreigde uit
te gaan. Daar Hermas hem liefhad, zou hij hem gaarne verboden hebben
zich aan zulk eene gevaarlijke opwinding over te geven. Maar deze
zinsverrukkingen werden voor buitengewone begenadigingen gehouden,
en hoe zou de zoon het hebben durven wagen, zijn afkeer voor zulke
bij uitnemendheid heilige dingen voor zijn vader uit te spreken?
Tegenover Paulus echter had hij, in de stemming waarin hij verkeerde,
den moed daartoe, daarom zeide hij: "Ik hoop stellig op het paradijs,
doch het wordt ons in elk geval eerst na den dood geopend. De
christen moet geduld hebben; waarom wacht gij niet op den hemel tot
de Heiland u roept, en wilt gij zijne vreugde reeds hier op aarde
genieten? Eerst het eene, en dan het andere! Waartoe heeft God ons
de gaven des lichaams gegeven, dan om ze te gebruiken? Schoonheid en
kracht zijn waarlijk niet gering te achten, en een gek alleen geeft
iemand kostelijke geschenken om ze weg te werpen."
Paulus kon niet nalaten wederom met verbazing den jonkman aan te
zien, die zijn vader en hem tot deze ure in alle geestelijke dingen
zonder tegenspraak was gevolgd, en antwoordde, terwijl hij het hoofd
schudde: "Zoo denken de kinderen dezer wereld, die verre staan van
den Allerhoogste. Gewis, wij zijn evenbeelden Gods, maar welke zoon
kust het beeld zijns vaders, wanneer de vader zelf hem zijne lippen
voorhoudt?"
Paulus had "moeder" in plaats van "vader" willen zeggen; daar hij
echter nog intijds bedacht, dat Hermas reeds zoo vroeg het voorrecht
had moeten missen van eene moeder te kunnen omhelzen, had hij het
verbeterd. Hij behoorde tot de zoodanigen, die het zooveel leed zou
doen anderen te kwetsen, dat zij, als konden zij gissen waar ook
zelfs de meest verborgene wonden van hunne naasten gelegen zijn,
ze nimmer willen aanraken dan om ze te heelen.
In den regel sprak hij niet veel, heden echter ging hij haastig
voort: "Zooveel hooger God staat boven ons erbarmerlijk Ik, zooveel
waardiger is het ook voor een christen aan hem te denken, in plaats
van aan zijn eigen persoon. O, indien het ons gelukken kon dit Ik
geheel te verliezen en op te gaan in God! Maar het loopt ons altijd
achterna, en wanneer de ziel meent zich reeds in den Allerhoogsten
opgelost te hebben, roept het: 'Hier ben ik', en trekt het edelste
deel van ons wezen neer in het stof. Het is ellendig genoeg, dat
wij onze ziel in hare vlucht belemmeren, en ons vergankelijk deel
tot schade van het eeuwige door brood en water en armzalig slapen
onderhouden en versterken moeten, terwijl wij zoo gaarne zouden vasten
en waken. Zullen wij dan het vleesch nog, tot schade der ziel, zulke
eischen toestaan, die zich zoo gemakkelijk laten afwijzen? Slechts
hij, die zijn rampzalig Ik veracht en prijs geeft, zal door de genade
des Verlossers, als hij zichzelven verloren heeft, zich wedervinden
in God."
Hermas had den Anachoreet geduldig aangehoord. Thans schudde hij
het hoofd en zeide: "Ik versta noch u, noch mijn vader. Zoolang ik
op deze aarde wandel ben ik Ik en geen ander. Na den dood echter,
maar ook eerst dan, begint het nieuwe eeuwige leven."
"In geene deele," hernam Paulus, hem met levendigheid in de rede
vallende. "Dat andere hoogere leven, waarvan gij spreekt, begint niet
eerst aan gene zijde des graf voor hem, die hier reeds zonder ophouden
tracht terwijl hij leeft te sterven, zijn vleesch te dooden, de eischen
der zinnelijkheid te overwinnen, de wereld en zijn Ik te verloochenen,
en den Heer te zoeken. Het was velen vergund reeds te midden van dit
leven wedergeboren te worden tot een hooger bestaan. Zie mij aan, den
armsten van alle armen. Ik ben een wezen en toch ben ik voor den Heer
zoo zeker een ander, dan die ik was vóor zijne genade mij aangreep, als
deze palmtwijg, die opschiet uit den wortel van den omgevallen boom,
niet éen is met den verrotten stam. Ik ben een heiden geweest, en elke
lust der zinnelijkheid heb ik met volle teugen genoten. Daarna ben ik
een christen geworden; de genade des Heeren is over mij gekomen; ik
werd opnieuw geboren en andermaal een kind, maar ditmaal mijn Verlosser
zij dank! een kind des Heeren. Midden in het leven stierf ik, stond
ik op, vond ik de vreugde des hemels. Eens was ik Menander, en als
Saulus ben ik Paulus geworden. Alles wat Menander lief was: baden,
gastmalen, tooneelspelen, paarden en wagens, wedstrijden, zalvingen,
rozen en kransen, purperen kleederen, gezang en vrouwenliefde, dat
alles ligt achter mij als een vuil moeras, waaraan de wandelaar met
moeite is ontkomen. Geen ader van den ouden mensch is in den nieuwen
teruggebleven, en gelijk voor mij, zoo is voor alle vromen, midden
op den weg naar het graf, een nieuw leven begonnen. Ook uwe ure zal
slaan ook gij zult afsterven...."
"Ware ik slechts als gij een Menander geweest!" riep Hermas uit, den
ander haastig in de rede vallend. "Hoe kan men iets van zich werpen,
wat men nooit bezeten heeft? Om te kunnen sterven, moet men eerst
leven! Dit jammerlijk leven is verachtelijk in mijn oog, en ik ben
het moede u na te loopen als het kalf de koe. Ik ben een vrij man
en van een edel geslacht, dat heeft mijn vader mij zelf gezegd, en
waarlijk ik ben niet zwakker dan de burgerzonen in de stad, die ik
van het badhuis naar het worstelperk volgde."
"Zijt gij dan in de palaestra geweest?" vroeg Paulus verwonderd.
"In het Timagetische worstelperk!" riep Hermas in geestdrift. "Vóor
de poort zag ik de spelen der jongelingen, hoe zij worstelden en met
zware schijven naar een doel wierpen. De oogen sprongen mij bijna
uit het hoofd, toen ik dit aanzag, en ik zou het luid hebben kunnen
uitschreeuwen van spijt, dat ik daar zoo staan moest met die lompe
vacht en uitgesloten blijven van dien wedkamp. Als Pachomius er niet
op aangekomen was, bij de wonden des Heilands, ik zou in de baan zijn
gesprongen, ik zou den sterksten van allen zeker uitgedaagd en met hem
geworsteld hebben, ik zou den schijf verder hebben geslingerd dan die
welriekende gek, die de overwinning behaalde en dien zij bekransten."
"Dank Pachomius," zeide Paulus lachend, "dat hij u terug hield, want
gij zoudt in het worstelperk slechts bespotting en schande hebben
verworven. Sterk zijt gij zeker, maar het werpen met de schijf moet
geleerd worden, gelijk iedere andere kunst. Hercules zelf zou bij
dit spel moeten onderdoen zonder oefening en kennis der handgrepen."
"Het zou de eerste maal niet geweest zijn, dat ik wierp," hernam de
jongeling. "Zie maar eens wat ik kan!"
Bij deze woorden bukte hij, nam een der platte steenen op, die hier
bij menigte lagen om den weg vast te maken, strekte krachtig den arm
achterwaarts, en slingerde de werpschijf van graniet over de helling
in de diepte.
"Nu ziet gij het!" zeide Paulus, die den worp opmerkzaam en niet
zonder nieuwsgierige spanning gevolgd had. "Hoe sterk uw arm ook zijn
mag, ieder nieuweling werpt verder dan gij, als hij de kunstgrepen
kent. Zóo is het niet goed; de schijf moet met den scherpen kant
als een mes de lucht doorsnijden. Zoo als gij uw hand houdt, werpen
vrouwen. Het handgewricht gestrekt, de linkervoet achterwaarts, de
knie gebogen!--Zie nu dien domoor eens aan! Geef mij den steen!--Dáar,
zoo neemt men den schijf in de hand, zoo trekt men het lijf samen
en drukt de knie naar beneden, gelijk het hout van een boog,
opdat elke spier van het geheele lichaam het werptuig, als ge het
loslaat, helpt voortstuwen.--Ja, zoo zal het beter gaan; maar het
is toch nog het rechte niet. Hef de schijf eens op met uitgestrekten
arm! Houd nu het oog goed op uw doel gericht! Beweeg haar nu hoog naar
achter!--Hola! Nog eens! De arm moet sterker gespannen zijn eer gij
slingert.--Dat was vrij wel; maar de steen moet komen tot gindschen
palm.--Geef mij deze schijf en dien steen dáar. Zoo! De ongelijke
hoeken belemmeren de snelheid! Let nu eens op!"
Paulus had met steeds klimmende levendigheid gesproken, terwijl hij
den jonkman leerde met den discus te werpen. Thans nam hijzelf de
schijf in de hand, gelijk hij jaren geleden gewoon was te doen, toen
geen jongeling in Alexandrië hem in het werpspel kon overtreffen. Hij
boog de knie, bracht het bovenlijf een weinig vooruit, draaide het
handgewricht heen en weer, strekte den arm, waarvan alle spieren
tot het uiterste werden gespannen, zoo ver mogelijk uit, en wierp
den steen met vliegende snelheid in de ruimte, terwijl de gekromde
teenen van zijn rechtervoet in den grond boorden.
De schijf viel vóor den palm neder, waarop hij gemikt had, zonder
hem geraakt te hebben.
"Wacht," riep Hermas, "laat mij nu beproeven of ik den boom treffen
kan!"
Zijn steen snorde door de lucht, maar bereikte niet eens den heuvel,
waarop de palm zich verhief.
Paulus schudde afkeurend het hoofd, greep andermaal een platten
steen, en thans begon er tusschen beiden een levendige wedstrijd. Bij
elken worp vloog de steen van Hermas, die met groote vaardigheid
zijn meester in houding en greep wist na te volgen, een eind verder,
terwijl de arm van den ouden man vermoeid begon te worden.
Daar bereikte de schijf van Hermas reeds voor de tweede maal den
palmboom, terwijl Paulus bij zijn laatste worp zelfs den heuvel
had gemist.
De lust tot den wedkamp overmeesterde den Anachoreet hoe langer hoe
meer. Hij wierp zijn vacht af, en terwijl hij een nieuwen steen
opraapte, riep hij, als stond hij nog onder zijne van zalfolie
glimmende gezellen in het Timagetische worstelperk, waarin hij
zoovele kransen veroverd had: "Bij Apollo met zijn zilveren boog en
de schietlustige Artemis, nu wil ik den palm toch raken!"
Het werptuig doorkliefde de lucht, zijn bovenlijf richtte zich snel
vooruit, zijn linkerarm strekte zich achteruit om zijn wankelend
lichaam het evenwicht weder te geven. Een krak werd gehoord. De boom,
die getroffen was, schudde.
"Verbazend!" riep Hermas juichend uit, "verbazend! Dat was een
worp! De oude Menander is dus nog niet gestorven. Vaarwel, morgen
werpen wij verder!"
Met deze woorden verliet Hermas den Anachoreet en snelde met groote
stappen den berg af naar de oase.
Evenals een slaapwandelaar, wanneer iemand hem wekt door hard zijn naam
uit te roepen, zoo schrikte ook Paulus bij deze woorden op. Verward zag
hij rondom zich, als was hij in eene vreemde wereld verplaatst. Op zijn
voorhoofd parelden heldere zweetdruppels. Beschaamd raapte hij zijn
op den grond liggend kleed op en bedekte daarmede zijne naakte leden.
Een tijdlang staarde hij Hermas na; vervolgens bracht hij in diepe
smart de hand aan zijn voorhoofd, terwijl dikke tranen in zijn baard
rolden. "Wat heb ik gezegd!" prevelde hij in zichzelven. "Elke ader
van den ouden mensch zou hier binnen uitgeroeid zijn? Ik dwaas,
ik ijdele dwaas! Ze noemen mij Paulus en ik ben nog maar een Saulus!"
Bij deze woorden wierp hij zich op de knieën, drukte zijn voorhoofd
tegen de harde rotsen en begon te bidden. Het scheen hem toe alsof
hij uit de hoogte was neergevallen op zwaarden en lansen, als bloedde
zijn hart, terwijl hij wegsmolt in tranen en verzuchtingen, zichzelven
aanklagende en veroordeelende, gevoelde hij niet hoe heet de zon,
die al hooger en hooger rees, brandde, bedacht hij niet hoe de tijd
voorbijging, hoorde hij niet, dat vele pelgrims, die onder leiding
van den Bisschop Agapitus de heilige plaatsen kwamen bezoeken,
hem naderden.
De bedevaartgangers zagen hem bidden, hoorden zijn snikken, bewonderden
zijne vroomheid en knielden op een wenk van hun aanvoerder achter
hem neder.
Toen Paulus eindelijk opstond, bemerkte hij tot zijne verrassing
en schrik de menschen, die getuigen waren geweest van zijne
verootmoediging in het gebed. Hij naderde Agapitus, om diens gewaad
te kussen.
"Niet alzoo!" sprak deze. "De vroomste is de grootste onder ons. Komt
vrienden, buigen wij de knieën voor dezen heiligen man!"
De pelgrims voldeden aan dit bevel.
Paulus bedekte zijn gelaat met de handen en zeide al snikkend: "Ik
arme, ik arme!" Doch de pelgrims prezen zijn deemoed en trokken met
hun aanvoerder verder.