EERSTE HOOFDSTUK.

Rotsen, aan alle zijden niets dan naakte, harde, roodbruine

rotsen; geen struik, geen grasscheutje, zelfs geen zich vastklemmend

mosplantje, dat de natuur soms op de steenvlakte van het hoog gebergte

heeft doen wassen, als ware een ademtocht van hare scheppende

levenskracht over den onvruchtbaren bodem gegaan. Niets dan kaal

graniet, en daarboven een hemel zoo arm aan wolken, als de rotsblokken

aan planten en halmen.

Toch leven er menschen in gindsche holte van den bergwand. Twee kleine

grijze vogels zweven in de reine, fijne, door de middagzon verhitte

woestijnlucht, en verdwijnen achter eene rij klippen, die eene diepe

kloof begrenzen, als een muur door menschenhanden opgetrokken.

Dáar is het uit te houden, want een bron bevochtigd den steenachtigen

bodem, en gelijk overal waar het water de woestijn besproeit, zoo

bloeien er ook welriekende kruiden en groeien er vriendelijke struiken.

Toen Osiris,--zoo verhaalt ons de mythe der Egyptenaren,--de

godin der woestijn omarmde, liet hij zijn groenen krans op hare

legerstede achter. Doch in den tijd en in de kringen, waarin onze

geschiedenis speelt, kent men de oude sage niet meer, of wil ze

niet meer kennen. Wij verplaatsen onze lezers in het begin van het

dertigste jaar van de vierde eeuw onzer jaartelling, en wel op het

Sinaïtisch gebergte, op welks geheiligden bodem sedert eenige jaren

enkele Anachoreten, die der wereld zijn afgestorven en zich geheel

aan boete willen wijden, nog zonder orde of regel samenwonen.

Naast de bron in de dalkloof, waarvan wij spraken, groeit

een veelgetakte waaierpalm, maar hij beschut haar niet voor de

zonnestralen, die op deze breedte loodrecht nederdalen. Hij schijnt

alleen zijne eigene wortels te beschaduwen. Toch zijn de gevederde

takken veerkrachtig genoeg om een blauwgazen doek te dragen, dat als

een zonnescherm het aangezicht van een meisje overdekt. Zij ligt

lang uitgestrekt op den verhitten steenbodem en droomt, terwijl

eenige geelachtige klipgeiten, naar voeder zoekende, zoo vroolijk

van den eenen steen op den anderen klimmen en springen, alsof hun

de middaghitte recht welkom was. Het meisje grijpt van tijd tot tijd

naar een herdersstaf, die naast haar ligt, en lokt de geiten met een

fluitend geluid, dat ver in het rond kan worden gehoord. Een jong

geitje nadert haar huppelend. Weinige dieren zijn in staat hunne

opgeruimdheid uit te drukken, maar deze kleine dieren kunnen het.

Ziet, daar strekt het meisje den naakten slanken voet uit, en stoot

er het lustig met haar spelende geitje vol dartelen luim mede terug,

en altijd weder terug, wanneer het opnieuw komt aanhuppelen. Het

herderinnetje buigt daarbij de teenen zoo sierlijk, als noodigde zij

een toeschouwer uit hunne fijnheid te bewonderen.

Het sikje springt wederom toe, ditmaal met den kop voorover

gebogen. Zijn voorhoofd raakt haar voetzool, maar als het zijn kromme

neusje zachtkens wrijft aan den voet van het herderinnetje, stoot

zij het beestje zoo hevig terug, dat het ineen krimpt en onder luid

geblaat het spel opgeeft.

Het scheen als had het meisje het rechte oogenblik afgewacht, om

het dier gevoelig te treffen, want zij had het met kracht, zelfs

met zekere boosheid dien stoot gegeven. Het blauwe doek hield de

gelaatstrekken der herderin verborgen, doch zeker hadden hare oogen

gefonkeld, toen zij zoo opeens aan dit spel een einde maakte.

Gedurende eenige minuten bleef zij nu roerloos liggen, maar de doek,

die op baar gezicht neerhing, golfde zachtkens heen en weer, bewogen

door hare snelle ademhaling. Zij luisterde met groote inspanning,

met hartstochtelijk ongeduld; dat kon men ook bespeuren aan de wijze,

waarop zij krampachtig hare teenen samentrok.

Daar liet zich eenig gedruisch hooren. Het kwam uit de richting van

de ruwe, uit onbehouwen steenblokken gevormde trappen, die van den

steilen wand naar de bron beneden leidden.

Eene huivering voer door de teedere, nog maar half ontwikkelde

leden der herderin; doch zij verroerde zich niet. De grijze vogels,

die naast haar op den doornstruik zaten, vlogen op, doch zij hadden

slechts eenig geluid vernomen, en konden niet onderscheiden wie het

had voortgebracht.

Het oor der herderin was scherper dan dat der vogels. Zij hoorde dat

iemand haar naderde, en wist dat er maar een was, wiens voetstap dit

zijn kon.

Zij strekte de hand uit naar een steen die naast haar lag, en wierp

dien in de bron, waardoor het water dadelijk troebel werd. Daarop

ging zij op de zijde liggen, met het hoofd rustende op den arm, alsof

zij sliep. Duidelijker, steeds duidelijker lieten zich krachtige

voetstappen hooren.

Hij die de trappen afkwam was een jongeling, lang van gestalte. Naar

zijne kleeding te oordeelen behoorde hij tot de Anachoreten van

den Sinaï, want hij droeg niets dan een hemd-rok van grof linnen,

waaraan hij ontgroeid scheen te zijn, en ruwe lederen voetzolen,

die om zijne voeten vastgesnoerd waren met banden van palmbast.

Zoo armelijk als deze er uitzag zou geen heer zijn slaaf kleeden,

en toch zou niemand hem voor een onvrije hebben gehouden, want met

opgerichten hoofde schreed hij voort, zich blijkbaar bewust van zijne

beteekenis. Hij kon niet veel ouder zijn dan twintig jaren; zulk een

leeftijd verried althans het zachte pas te voorschijn komende haar

op zijn bovenlip, om zijn kin en op zijne wangen. In zijne groote

blauwe oogen las men echter niet de frischheid der jeugd, maar zekere

onvoldaanheid. Hij hield zijne lippen als uit trots stijf op elkaar

gedrukt.

Thans bleef hij staan en streek zich de ongeordende bruine lokken,

die in dichte massa, als de manen van een leeuw, zijn hoofd omgaven,

uit het gezicht. Vervolgens naderde hij de bron. Zoodra hij bukte,

met de groote gedroogde schaal van een pompoen in de hand, om water

te scheppen, bemerkte hij eerst dat de bron troebel was; toen zag

hij de geiten en eindelijk ook de sluimerende herderin.

Mismoedig zette hij de schaal voor zich op den grond, en riep daarop

het meisje met luider stem. Zij verroerde zich echter niet voordat hij

haar met zijn voet vrij onzacht aanstiet. Toen rees zij plotseling

op, als had haar een adder gestoken. In haar jeugdig, door de zon

gebruind gelaat vlamden twee oogen, zwart als de nacht, die op den

jonkman waren gericht. De sierlijke vleugels van haar scherp gebogen

neus bewogen zich snel, en hare sneeuwwitte tanden schitterden,

terwijl zij hem toeriep: "Ben ik dan een hond, dat gij mij zóo wekt?"

Hij kreeg een kleur, wees onwillig op de bron en zeide norsch: "Uw

vee heeft het water als altijd troebel gemaakt. Ik zal hier moeten

wachten tot het weer helder wordt en ik er uit scheppen kan."

"De dag is lang," gaf de herderin ten antwoord, en rolde, terwijl

zij opstond, als geschiedde het bij ongeluk, een nieuwen steen in

het water.

De zegevierende blik, waarmede zij in den bron had neergezien, was den

jongeling niet ontgaan en toornig hernam hij: "Hij heeft gelijk! Gij

zijt eene vergiftige slang, een demon der hel."

Lachend keerde zij zich tot hem, en zette een gezicht, alsof zij

wilde toonen, dat zij werkelijk een schrikkelijk monster was; en

dit viel haar gemakkelijk bij het buitengewoon scherpe van hare licht

bewegelijke, jeugdige trekken. Zij bereikte dan ook volkomen haar doel,

want onder allerlei teekenen van ontzetting week hij terug, strekte de

armen uit als wilde hij haar van zich weren, riep den naam van God aan,

en zeide heftig, toen hij haar zag lachen, steeds uitgelatener lachen;

"Terug, demon, terug! In den naam des Heeren vraag ik u, wie zijt gij?"

"Mirjam ben ik, wie anders?" antwoordde zij overmoedig.

Hij had een ander antwoord verwacht. Hare dartelheid verdroot hem, en

met weerzin zeide hij: "Hoe gij dan ook heet, gij zijt een monster,

en ik zal Paulus verzoeken u te verbieden, uw vee te drenken uit

onze bron."

"Wat mij betreft mocht gij naar uw voedster loopen en mij bij haar

aanklagen, als ge er eene hadt," hernam zij, terwijl zij verachtelijk

de lippen optrok.

Het bloed steeg hem naar het hoofd, doch zij ging onbevreesd en met

levendig gebarenspel voort: "Gij behoordet een man te zijn want gij

zijt sterk en groot, maar gij laat u als een kind of als een hulpeloos

meisje leiden. Uw dagelijksche bezigheid is wortels en bessen te

zoeken, en met dat armzalige ding water te scheppen. Dat heb ik

geleerd, toen ik zóo klein was." Bij deze laatste woorden duidde zij

met de lang uitgestrekte spitse vingers harer beide handen, die niet

minder bewegelijk waren dan hare gelaatstrekken, eene bespottelijke

kleine maat aan. "Schaam u toch! Gij zijt sterker en schooner gebouwd,

dan al die Amalekieten-knapen daar beneden, doch beproef het eens u

met hen te meten in het pijlschieten of in het werpen met de lans!"

"Kon ik maar doen wat ik wilde," zeide hij, haar in de rede vallende,

terwijl hij rood werd tot over de ooren. "Ik zou wel tien van die

schrale wichten kunnen staan!"

"Dat wil ik gaarne gelooven," hernam het meisje, en met haar levendig

oog monsterde zij vol fierheid de breede borst en de sterk gespierde

armen van den jongeling. "Dat geloof ik wel; maar waarom durft gij

niet? Zijt gij de slaaf van dien man daarboven?"

"Hij is mijn vader, en dan...."

"Wat dan!" riep zij, met de hand zwaaiende, als wilde zij een

vleermuis verjagen. "Het zou een mooi gewemel worden in het nest,

als geen vogel wilde uitvliegen! Zie mijne jonge geiten daar: zoolang

zij de moeder noodig hebben loopen zij haar achterna, maar zoodra

zij zelve hun voedsel kunnen opsporen, zoeken zij 't waar zij het

vinden kunnen. Die eenjarige ginds, dat verzeker ik u, weet niet

eens meer of zij door de gele of door de zwarte gezoogd is.--En wat

voortreffelijks doet uw vader dan voor u?"

"Zwijg!" viel de jongeling haar in de rede, met kennelijken onwil. "Er

spreekt een booze geest uit u. Ga weg van mij, want ik mag niet

aanhooren, wat ik niet zou durven uitspreken."

"Durven, durven, durven," brauwde zij hem na. "Wat durft gij dan? Gij

durft niet eens luisteren."

"Allerminst naar de dingen, die gij zegt, gij duivelin!" riep hij op

heftigen toon. "Ik haat je stem, en als ik je weder bij de bron vind,

zal ik je met steenen wegjagen."

Zij staarde hem zwijgend aan, terwijl hij deze woorden sprak. Hare

lippen waren doodsbleek geworden en hare kleine handen balden zich tot

vuisten. Hij wilde haar voorbijgaan om water te scheppen, maar zij trad

hem in den weg en hield hem staande met den strakken blik harer oogen.

Eene kille huivering voer hem door de leden toen zij met bevende

lippen en eene doffe stem vroeg: "Wat heb ik u gedaan?"

"Laat mij met rust," sprak hij, en hief zijne hand op om haar van

het water weg te dringen.

"Gij zult mij niet aanraken," riep zij buiten zichzelve van toorn. "Wat

heb ik u toch gedaan?"

"Gij weet niets van God," antwoordde hij, "en wie God niet toebehoort

is des duivels."

"Dat zegt gij niet uit uw zelf," hernam zij, en wederom klonk er iets

spottends in haar stem. "Wat zij u laten gelooven, dat brengt uw tong

in beweging, evenals de hand het koord van een ledepop. Wie heeft u

gezegd, dat ik des duivels ben?"

"Waarom zou ik het voor u verbergen?" antwoordde hij trotsch. "De

vrome Paulus heeft mij voor u gewaarschuwd, en ik mag er hem dankbaar

voor zijn. Uit uw oog, zeide hij, blikt de booze. En hij heeft gelijk,

duizendmaal gelijk. Als gij mij aanziet is het mij, als moet ik alles

met voeten treden wat mij heilig is. In den afgeloopen nacht heb ik

gedroomd, dat ik met u rondzweefde in luchtigen dans..."

Bij deze woorden verdwenen ernst en boosheid uit Mirjam's oogen. Zij

klapte in de handen en riep: "Ware het maar werkelijkheid geweest

en geen droom! Schrik nu niet weder, gij gek! Weet ge wat het is,

als de snaren klinken bij de tonen der fluiten, en de voeten zich in

de maat opheffen, als hadden ze vleugels?"

"De vleugels van den Satan," hernam Hermas op strengen toon. "Gij

zijt eene duivelin, eene verstokte heidin!"

"Zoo zegt de vrome Paulus," sprak Mirjam lachende.

"Ook ik zeg dat!" zeide de jongeling. "Wie heeft u ooit in de

vergadering der vromen gezien? Bidt gij? Dankt gij den Heer en

Heiland?"

"Waarom zal ik toch danken?" vroeg Mirjam. "Daarvoor misschien,

dat de vroomste onder u mij voor een boozen geest uitmaakt?"

"Juist omdat gij eene zondares zijt, onthoudt de hemel u het goede."

"Neen, neen, duizendmaal neen!" riep Mirjam uit. "Geen godheid heeft

zich ooit om mij bekommerd. Ben ik niet goed, hoe zou ik het kunnen

zijn, daar mij nooit anders dan het kwade ten deel viel. Weet gij

wie ik ben, en hoe ik zoo werd? Was ik misschien reeds slecht, toen

zij op den pelgrimstocht hierheen mijne beide ouders doodsloegen? Ik

was toen nog slechts zes jaren oud, en wat beteekent een kind van

dien leeftijd! Maar ik herinner mij nog zeer goed, dat bij ons huis

vele kameelen weidden, en ook paarden, die ons toebehoorden, en dat

een groot edelgesteente schitterde aan de hand--zeker wel die mijner

moeder,--die mij zoo vaak streelde. Ik bezat ook eene zwarte slavin,

die mij gehoorzaamde. Als zij niet wilde gelijk ik, dan ging ik aan

hare grijzende wollige haren hangen, en mocht haar zelfs slaan. Wie

weet wat er van haar geworden is? Toen had ik haar niet lief, maar als

zij nu bij mij was, hoe goed zou ik voor haar zijn! Nu eet ik zelve

sedert twaalf jaar het brood der slavernij en hoed de schapen van den

senator Petrus. Waag ik het op het feestterrein mij bij de overige

meisjes te voegen, dan jagen ze mij weg en rukken mij de krans uit

het haar.--En ik zou dankbaar zijn! Waarvoor dan? En vroom! Welke God

heeft dan voor mij gezorgd? Noem mij een booze demon, noem mij vrij

aldus, doch wanneer Petrus en uw Paulus zeggen, dat Hij daarboven,

die mij tot zulk een lot liet opgroeien, goed is, dan liegen zij. God

is boos, en het komt geheel met zijn karakter overeen, wanneer hij

u in het hart geeft mij met steenworpen van de bron te verjagen."

Bij deze woorden barstte zij in een smartelijk snikken uit, en op

haar gelaat vertoonden zich allerlei hevige zenuwtrekkingen.

Hermas gevoelde medelijden met de weenende Mirjam. Honderdmaal had

hij haar ontmoet, en altijd had zij zich hetzij overmoedig, hetzij

ontevreden betoond. Nu eens was zij hem uitdagend, dan weder toornig

tegengetreden, maar nooit had hij haar week of bedroefd gezien.

Heden ontsloot zij voor het eerst haar hart voor hem, en de tranen,

die nu haar gelaat zoo veranderden, gaven haar persoon voor hem eene

waarde, die zij tot hiertoe niet bezeten had. Hermas gevoelde thans dat

zij eene vrouw was, en terwijl hij hare zwakheid zag en hoe zij onder

leed gebogen ging, schaamde hij zich over zijne hardheid, naderde hij

haar vriendelijk en sprak: "Gij behoeft niet te weenen. Kom altijd

maar weder aan de bron, ik zal u niet weren."

Zijn zware stem klonk zacht en vriendelijk bij het uitspreken

dezer woorden; zij begon echter nog heviger, bijna krampachtig te

snikken. Zij wilde maar kon niet spreken. De slanke herderin stond

daar voor hem, bevende over al hare teedere leden, diep geschokt,

als wegsmeltende in hare tranen, en het was of eene inwendige stem

hem zeide, dat hij haar helpen moest.

Tot in het diepst zijner ziel gevoelde hij medelijden, en zijne niet

zeer buigzame tong was als verstijfd. Toen hij geenerlei troostwoorden

kon vinden, nam hij de waterkruik in de linkerhand, waardoor de

rechter vrij werd, die hij vriendelijk op haar schouder legde.

Zij kromp ineen, maar verroerde zich niet.

De warme adem van haar mond gleed over hem heen. Hij wilde zich

terugtrekken, maar gevoelde zich als vastgekluisterd. Nauwelijks wist

hij of zij weende of lachte, terwijl hij zijne hand op hare zwarte

lokken liet rusten.

Zij verroerde zich niet. Ten laatste hief zij het hoofd op. Hare vurige

oogen ontmoetten de zijne, en op hetzelfde oogenblik gevoelde hij,

hoe twee teedere armen zijn hals omsloten.

Toen was het hem als vernamen zijne ooren de branding der zee,

als flikkerden vlammen op voor zijn blik. Naamlooze angst greep hem

aan. Met geweld scheurde hij zich van haar los, en vloog onder een

luiden gil, alsof de geesten der hel hem vervolgden, naar den trap

die tot de bron leidde. Hij gaf er zelfs geen acht op, dat hij zijn

kruik tegen den rotswand in duizende stukken verpletterde.

Zij bleef als aan den grond genageld staan en keek hem na. Daarop

sloeg zij zich met de kleine hand voor het voorhoofd, wierp zich

weder bij de bron neer en staarde in de ruimte.

Roerloos lag zij daar; haar mond bleef gestadig in beweging. Eerst

toen de schaduwen der waaierpalmen langer werden sprong zij overeind,

lokte de geiten en richtte scherp luisterend den blik naar den trap,

waarlangs hij verdwenen was.

In de nabijheid van den keerkring is de schemering kort, en zij wist

dat zij op den steenachtigen weg naar het dal, die zoo rijk was aan

kloven, door de duisternis zou kunnen overvallen worden, wanneer zij

langer toefde.

Zij was ook bang voor de schrikbeelden van den nacht, voor geesten en

demonen en ontelbare gevaren, van welker aard zij zich geen rekenschap

kon geven. Doch zij week niet van de plek en hield niet op te luisteren

en naar zijn terugkomst uit te zien, tot dat de zon achter den heiligen

berg was verdwenen en de gloed in het westen verbleekte.

Rondom haar was alles doodelijk stil; zij kon hare eigene ademhaling

hooren. Huiverend kromp zij ineen, bij het gevoel van de kilheid

der nacht.

Daar hoorde zij boven haar hoofd een luid gerucht. Een troep

steenbokken, die gewoon waren op dit uur hun dorst te lesschen,

kwam nader en nader, maar week terug bij het bespeuren van eene

menschelijke gedaante. De aanvoerder van de kudde alleen was aan den

rand van de kloof blijven staan, en zij wist dat deze wachtte tot

zij zou opgebroken zijn, om de overigen voor te gaan naar de bron.

Reeds hief zij, eene vriendelijke opwelling van haar hart volgende,

den voet op, om voor de dieren plaats te maken. Doch opeens herinnerde

zij zich de bedreiging van Hermas, dat hij haar van de bron verjagen

zou, en onwillekeurig nam zij een steen op, waarmede zij naar den bok

wierp, die van schrik ijlings wegsprong, gevolgd door de geheele kudde.

Mirjam hoorde ze vluchten, en dreef nu met gebogen hoofd de kudde

in de duisternis huiswaarts, terwijl zij met hare voeten al tastende

den weg zocht.

Homo sum: Roman · 第 8 / 30 题