VOORREDE.

Toen ik bezig was mij voor te bereiden tot het schrijven van eene

geschiedenis van het Sinaïtisch schiereiland, hield ik mij geruimen

tijd onledig met de studie van de eerste christelijke eeuwen. Onder de

massa martyrologische en ascetische geschriften, de geschiedenissen

van heiligen en monniken, die ik voor mijn zeer beperkt doel had te

doorworstelen en te ziften, vond ik, en wel in de Ecclesiae graecae

monumenta van Cotelerius, een verhaal dat, hoe weinig beteekenend ook

op zichzelf, mij zeer eigenaardig en roerend toescheen. Het tooneel

der handeling was de Sinaï en de aan zijn voet gelegen oase Pharan.

Toen ik daarna op mijne reis door Petraeïsch Arabië de holen der

Anachoreten van den Sinaï met eigene oogen zag en met mijn eigen

voeten betrad, kwam dit verhaal mij weder voor den geest, en ik kon

het maar niet vergeten, terwijl ik verder door de woestijn trok.

Het kwam mij voor, dat in het eenvoudig verloop der gebeurtenis zich

een zielkundig probleem voordeed, bijzonder eigenaardig in zijn soort.

Een Anachoreet, ten onrechte in plaats van een ander beschuldigd,

neemt, zonder zich te verdedigen, diens straf, de verbanning,

op zich. Eerst door de bekentenis van den misdadiger wordt zijne

onschuld aan het licht gebracht.

Ik gevoelde mij bijzonder aangetrokken, de zielsaandoeningen te

ontleden, die tot zulk eene apathie, zulk eene vernietiging van

het gevoel konden leiden, en terwijl de denk- en handelswijze der

zonderlinge grotbewoners voor mij steeds grooter aanschouwelijkheid

verkreeg, ontstond voor mijne verbeelding de gestalte van

Paulus. Weldra groepeerden zich om deze figuur een kring van

denkbeelden, en eindelijk inzichten, die mij geen rust lieten,

vóor ik eene poging waagde, om ze in het kleed van een verhaal,

in kunstvorm weer te geven.

De naaste aanleiding tot het uitwerken van dezen stof, die reeds lang

bij mij tot volledige aanschouwelijkheid was gerijpt, in een roman,

werd mij gegeven door het lezen van Koptische monniksgeschiedenissen,

waartoe ik gebracht werd door Abel's Koptische Studiën. Later maakte

het kleine maar degelijke werk van R. Weingarten, over den oorsprong

van het monnikwezen, een diepen indruk op mij, die mij ook thans,

bij de studie der eerste eeuwen van het christendom, met name in

Egypte is bijgebleven.

Het is hier de plaats niet om de punten te doen uitkomen, waarin ik

van Weingarten meen te moeten afwijken. Mijn scherpzinnige collega

uit Breslau verwerpt veel, dat geen recht van bestaan heeft, maar

op vele plaatsen van zijn boek schijnt hij mij met een al te ruwen

bezem te vegen.

Het zou mij even gemakkelijk zijn geweest, mijn verhaal van het

dertigste naar het veertigste jaar van de vierde eeuw te verplaatsen;

maar ik heb dit gelaten, omdat ik met zekerheid meen te kunnen

aanwijzen, dat er in het door mij gekozen tijdperk niet slechts

heidensche kluizenaars in de Serapis-tempels, maar ook christelijke

Anachoreten waren. Hierin ben ik het geheel met Weingarten eens,

dat het begin van een georganiseerd christelijk monnikenwezen in elk

geval niet voor het jaar 350 gesteld kan worden.

Mijn Paulus mag niet met den eersten heremiet Paulus van Thebe

verwisseld worden, wiens naam Weingarten terecht op de lijst van

historische personen heeft doorgehaald. Hij is, evenals elke andere

figuur in dit verhaal, een persoon van mijne eigene vinding, de drager

van een idee, niets meer en niets minder.--Voor mijn held heb ik geen

bepaald voorbeeld gekozen, en ik onderstel alleen de mogelijkheid,

dat er in zijn tijd zulk een man bestond. Allerminst heb ik gedacht aan

den heiligen Antonius, die nu ook zijn uitstekenden levensbeschrijver

Athanasius heeft moeten verliezen, en die ons geteekend wordt als een

man met een zeer gezond verstand, maar van zoo gebrekkige ontwikkeling,

dat hij enkel het Egyptisch verstond.

De dogmatische geschillen, die reeds in den tijd van dit verhaal

ontbrand waren, zijn met opzet onvermeld gebleven. In later tijd hebben

de Sinaïeten en de bewoners van de oase er levendig aan deel genomen.

De Sinaï, waar ik den lezer heenvoer, mag niet verwisseld worden met

den berg, die een groote dagreis zuidelijker gelegen is. Deze berg,

aan welks voet het beroemde "klooster der opstanding" ligt, draagt

in ieder geval sedert Justinianus dien naam, en wordt algemeen voor

den Sinaï van den bijbel gehouden. In de beschrijving van mijne

reis door Petraeïsch Arabië [1] heb ik getracht de door Lepsius op

wetenschappelijke gronden uitgesproken zienswijze, dat namelijk de

reusachtige berg, die thans Serbal wordt genoemd, en niet de Sinaï

der monniken, voor den berg der wetgeving gehouden moet worden en

ook in den tijd vóor Justinianus daarvoor gehouden is, door nieuwe

bewijzen te staven.

Wat aangaat het steenen huis van den Senator Petrus, met zijne vensters

aan de straatzijde, iets wat geheel in strijd is met de Oostersche

zeden, moet ik, om gegronde twijfelingen te voorkomen, doen opmerken,

dat nog heden ten dage in de oase Pharan, de bijzonder goed onderhouden

buitenmuren van een tamelijk groot aantal van dergelijke gebouwen

aanwezig zijn.

Maar aan zulke uitwendige dingen ruim ik in dit psychologisch tafereel

slechts eene ondergeschikte plaats in. Terwijl in mijne vroegere

romans de geleerde wel gedwongen was aan den dichter en de dichter

wederom aan den geleerde iets toe te geven, heb ik in dit verhaal,

enkel en alleen aan eene idee, die mijne ziel vervulde, een afgeronden

kunstvorm willen geven, zonder rechts of links te zien, zonder te

willen onderrichten, of de resultaten mijner studiën in gestalten

van vleesch en been te willen omzetten. De eenvoudige figuren, wier

innerlijk wezen ik aan mijne lezers tracht bloot te leggen, vullen

de ruimte van de schilderij, terwijl de stroom der wereldgeschiedenis

zich op den donkeren achtergrond beweegt.

Ik heb den Latijnschen titel gekozen, gedachtig aan een dikwijls

gebruikte spreuk, waarin eene opvatting ligt opgesloten, waartoe ik

gekomen ben door het denken en zijn aller menschen opmerkzaam gade

te slaan, ook van hen die meenen reeds hoogere sporten beklommen te

hebben van den ladder die ten hemel leidt.

In den Heautontimorumenos van Terentius (Act. I, sc. I vs. 77)

antwoordt Chremes zijn buurman Menedemus: "Homo sum, humani nil a me

alienum puto"; hetgeen woordelijk vertaald zeggen wil: "Ik ben mensch,

ik acht niets menschelijks mij vreemd."

Doch reeds Cicero en Seneca gebruiken dezen dichtregel als spreekwoord,

en wel in een zin, die veel verder reikt dan die daarin, volgens den

samenhang van de plaats waar zij voorkomt, schijnt te liggen. Mij

bij hen aansluitende, vertaal ik, doelende op den titel van dit boek:

"Ik ben een mensch, en meen dat ik overal mensch ben."

GEORGE EBERS.

Leipzig, den 11den November 1877.

Homo sum: Roman · 第 7 / 30 题