Laat ons nu eens zien, wat er verder nog op het gebied der Narcissen te
vermelden valt. Om te beginnen nemen we de dubbelbloemige, waarvan „Van
Sion” (No. 68) welhaast de gezochtste soort is. In ’t zuiden van
Frankrijk en in Italië treft men ze nog in ’t wild aan, en vooral in ’t
eerstgenoemde land maakt men er nog al werk van om ze voort te kweeken,
mede omdat de bolletjes in Holland gaarne worden geplant.
Wanneer deze soort van een zuiver ras wordt geteeld, heeft de gevulde
bloem den vorm eener trompet, zooals die van de grootkronige enkele
Narcissen. Zéér fraaie dubbelbloemige variëteiten zijn ook „Oranje
Phoenix” (No. 69) geel met oranje, en „Sulphur Phoenix” (No. 70)
prachtig wit. Vooral de laatste soort wordt veel gevraagd. „Albo pleno
odorato”, is de dubbelbloemige, „Poëticus”, derhalve ook welriekend en
zuiver wit. Voor potcultuur is ze echter niet geschikt.
En nu de Jonquillen, het lieve welriekende goedje, dat tot de
kleinbloemige Narcissen behoort, en voor potcultuur uiterst geschikt
is. Men moet er echter voor zorgen, dat ze volop licht, echter geen al
te hooge kamerwarmte krijgen. De enkelbloemige (No. 78) en
dubbelbloemige gele Jonquillen zijn de meest bekende, maar ook de
enkelbloemige „Campernelle” (No. 75) waarvan ook een dubbelbloemige
(No. 76) verscheidenheid bestaat, is voor menigeen geen vreemdelinge.
Deze is niet alleen grooter van bloem, maar ook van bol. Bij cultuur in
open grond drage men des winters zorg voor een flinke bedekking met
riet of stroo, daar ze voor koude veel gevoeliger is dan de hiervoor
genoemde Narcissen.
Zeer gevoelig voor winterkoude zijn mede de Tazetten (Tros- of
Polyanthus Narcissen), maar bij flinke bedekking tegen vorst zijn ook
deze voor den tuin zeer geschikt. Zonder twijfel geniet ook deze klasse
de volkomen sympathie der liefhebbers. De stevige stengels van een
volwassen bol dragen van 8 tot 20 bloemen van 4 à 5 cM. doorsnede van
een kleinen kortkroningen Narcissenvorm. Vandaar den naam Tros-Narcis.
In Zuid-Europa en Noord-Afrika komen ze veel in ’t wild voor, maar
natuurlijk niet in zooveel verscheidenheden, als waarop de Hollandsche
bloembollenstreek kan bogen. Heel veel soorten toch zijn in Holland
gewonnen.
Hoewel ze nu bij flinke bedekking voor buiten zeer geschikt zijn,
worden ze toch veelal voor potcultuur gebruikt. Enkele fraaie soorten
wil ik hier opnoemen. „Grand Monarque” wit met geel hartje, „Jaune
Suprême”, geheel geel, „Gloriosa”, wit met donker oranjehart, „Mont
Cenis”, wit met geel hart, een der grootbloemigste, en „Koningin der
Nederlanden”, wit met citroengeel hart. De soorten „Witte Paul” en
„Staten Generaal” zijn beide geheel wit, maar de mooiste zuiver-witte
is „Paperwhite Grandiflora” (No. 74) ook wel „Dubius” genaamd, die
hier, evenmin als de soort „Constantinopel” of „Marseiller Tazette”
(geel), niet buiten kan worden geteeld of voortgekweekt, maar in
normale tijden uit het zuiden van Frankrijk worden ingevoerd.
Heel wat verscheidenheden werden in den loop der jaren in Holland door
kruisingen gewonnen, zelfs is men er in geslaagd een nieuwe klasse te
scheppen, die grooter is van bloem en minder sterk van geur, twee
eigenschappen, die als een besliste verbetering worden beschouwd. Men
heeft ze den naam van „Poetaz-Narcissen” gegeven, omdat ze ontstonden
door kruising van Tros-Narcissen en de reeds besproken soort
„Poëticus”. De bloemtros is weliswaar slechts met 4 tot 8 bloemen
bezet, maar deze zijn dan ook grooter dan van de Tros-Narcissen; ze
houden het midden tusschen de laatstgenoemde en „Poëticus”. De meest
bekende fraaie soorten zijn: „Elvira”, (No. 73) wit met geel hart;
„Irene” (No. 77) bleekgeel met oranje hart; „Aspacia”, wit met geel
hart; „Alsace”, zuiver wit, het hartje een weinig rood aangeloopen.
Deze laatste soort doet ons het meest aan de „Poëticus” denken.
Zooals alle andere gewassen, zou ik ook de Narcissen breedvoeriger
kunnen behandelen, maar alles heeft zijn grenzen. Wat ge noodzakelijk
weten moest, heb ik U niet onthouden.
Een belangrijk praatje zal aanstonds de wijze van ’t kweeken voor U
zijn, vooraf echter wil ik nog enkele kleinere bolgewassen aanhalen,
die geen echte bloembollenvriend of -vriendin verzuimen zal te koopen.
Om te beginnen de Scilla Sibirica, (No. 110), die reeds bij goed weer
omstreeks half Maart buiten prijken. De dunne, 10–15 cM. lange
stengeltjes zijn dan met 3 à 4 stervormige helder blauwe bloempjes
bezet. De bloeirijkheid hangt af van de grootte van het bolletje, dat
doorgaans 6–10 cM. in omvang is. Veelal brengt een bescheiden bolletje
reeds 2 à 3 bloemstengels voort. Reeds in 1590 werden ze hier uit
Constantinopel ingevoerd, en thans worden ze bij beduidende
hoeveelheden gekweekt, hoofdzakelijk uit zaad. Ook voor potcultuur zijn
ze zéér aan te bevelen.
Even mooi, wellicht nog mooier dan Scilla Sibirica is de Chionodoxa,
(No. 112) vrij vertaald „Roem der sneeuw”, een naam, dien ze daaraan te
danken heeft, dat ze voor ’t eerst gevonden werd bloeiende in de
sneeuw. In de gebergten van Anatolië en den Taurus, op Kreta en Cyprus,
worden ze veel aangetroffen, en in Juli van 1842 vond men ze op 2000
Meter hoogte op den westelijken Timolus. Eerst in het jaar 1877
verkregen ze in de tuinen van Europa burgerrecht, nadat ze toen ook in
het gebergte ten oosten van Smyrna waren gevonden. Er bestaan slechts
enkele soorten van, n.l.: „Luciliae”, „Gigantea” en „Sardensis”,
waarvan de eerstgenoemde het meest gevraagd wordt. De bloempjes, en het
geheele plantje trouwens, vertoonen een merkwaardige overeenkomst met
die van Scilla Sibirica, het hartje is echter witachtig getint, en het
bolletje, witachtig van kleur, is kleiner. De bloeitijd is Maart. Plant
ze in vereeniging met Scilla, Sneeuwklokjes en Crocussen. Iets
liefelijkers is haast niet denkbaar. En dan, ze behoeven alle zoo
weinig zorg, want ze zijn immers tegen de winterkoude bestand!
Ten slotte nog de „Hyacinthus Botrioïdes”, ook wel „Muscari” geheeten.
De bekendste is „Hyacinthus Botrioïdes Coerulea”, het „Blauwe Druifje”
(No. 107), dat in Maart–April buiten bloeit, en dat ook voor het
forceeren aanbeveling verdient. Eerst ontwikkelt zich het smalle,
stijve loof, en wat later ziet men het bloempje geheel aan het
benedeneinde, dus als ’t ware uit den grond, te voorschijn komen. Het
stengeltje is, geheel uitgegroeid, 10–15 cM. lang en draagt een trosje
van ongeveer 3 cM. hoogte, gevormd door een aantal fijne op kraaltjes
of kleine druifjes gelijkende bloempjes, dicht tegen elkander gedrukt.
Gelijk van vorm is de witte verscheidenheid, het „Witte Druifje” (No.
108), dus de „Hyacinthus Botrioïdes albus”.
Wat ik U verder nog wil aanbevelen, is de Muscari Plumosus, die in vorm
geheel van de voorgaande gewassen verschilt. De stengels zijn langer,
en de violet-blauwe bloemen zijn veel grooter en van een pluimachtigen
vorm.
Wilt ge dus iets liefs kweeken, slaat dan vooral de Muscari’s niet
over.