Toen ik begon te schrijven, heb ik de Narcissen als een hoofdgewas
aangeduid, en niet ten onrechte. Hoofdgewassen toch zijn meestal
dezulke, die zoowel voor cultuur in open grond als om te trekken
geschikt zijn en deze eigenschappen bezitten de Narcissen volkomen. Bij
duizenden worden ze door de buitenlandsche bloemisten gebruikt, bij
duizenden gebruikt men ze tevens voor perken en tusschen heester-,
struik- en houtgewas. Engeland met zijn groote parken en buitens zou
het bezwaarlijk zonder Narcissen kunnen stellen, en men treft ze daar
dan ook bij massa’s aan, vooral los en zonder regelmaat uitgeplant, of
beter gezegd „uitgestrooid”. Men kan dit veilig doen, omdat de
Narcissen, op enkele uitzonderingen na, de winterkoude goed verdragen,
tusschen houtgewas zelfs zonder bedekking.
Wilt ook gij, liefhebbers of liefhebsters, Uw tuin met Narcissen
sieren, en bezit ge een hoekje, dat voor niets anders gebezigd behoeft
te worden, plant ze dan aan. Laat ze kalmpjes uitbloeien, de bollen, en
ze zullen de eerste drie jaren evengoed, misschien nog beter bloeien.
De roem der Narcissen is reeds van zéér ouden datum. Een oostersche
fabel gewaagt er reeds van en schrijft het ontstaan van den naam toe
aan de verliefdheid en verwaandheid van een zekeren jongeling
Narcissus, die voor zijn straf in een bloem veranderde, welke zijn naam
ontving. Plinius schrijft het ontstaan van den naam toe aan het
Grieksche woord „nake” dat verdooving of bedwelming beteekent.
De verschillende secties onderscheidt men gemakshalve in twee klassen,
namelijk de soorten met lange en met korte trompet, door ons kortweg
genoemd „langkrone” of trompet-narcissen en „kortkroningen”. Bij de
eerste is het hart, dus de trompet of kroon even lang als de wijd
uitstaande bloembladen, bij de laatste half zoo lang of korter.
Wat aangaat de grootkronige Narcissen, deze zijn òf geheel geel, òf
tweekleurig, d.w.z. met bloembladen, waarvan de kleur varieert van
lichter geel tot wit. Vandaar de naam: Bicolor = tweekleurig. Ook
geheel witte soorten treft men er bij aan, waarvan „Madame de Graaff”
(No. 63) al bijzonder fraai en daardoor niet de goedkoopste is. De
soorten „Albicans” of „Moschatus” en „William Goldring”, welke laatste
wegens haar gebogen houding den bijnaam draagt van „zwanenhals”, munten
door schoonheid uit.
Van de Bicolor-soorten zijn de gangbaarste: „Bicolor Empress”, „Bicolor
Grandis” en „Bicolor Victoria”, (No. 62). Is de trompet doorgaans van
een naar voren wijder uitloopenden vorm, bij de soort Bicolor Victoria
is deze van rechter bouw. Van de volmaakt gele variëteiten is „Gouden
Spoor” (No. 61) welhaast de meest gewilde. Ze is in potten vroeg in
bloei te krijgen, en de bloem is onberispelijk. Grootbloemig en
zeldzaam mooi zijn bovendien „Emperor” en „Trumpet Maximus”, maar de
kroon spant „King Alfred” met de zeer groote, wijd uitstaande trompet.
Is de keuze in grootkronige soorten groot, niet minder is zulks het
geval bij de kortkronige. Hiervan zijn „Barri Conspicuus” (No. 65) met
zachtgele bloembladen en een dito met oranje-scharlaken gerand
trompetje, en „Incomparabilis Sir Watkin” (No. 64) met zwavelgele
bloembladen en oranjegele trompet, zéér gezocht. De laatstgenoemde
soort behoort tot de grootste onder de kortkronige.
Evenmin als thans bij de Crocussen geheel of gedeeltelijk roode
verscheidenheden worden aangetroffen, evenmin kwam deze kleur vroeger
bij de Narcissen voor. In de laatste jaren is het den vaklieden echter
gelukt nieuwe verscheidenheden te winnen, waarvan de trompetjes
inderdaad rood zijn, wat een fraai contrast levert met het wit der
bloembladen. Men treft het rood alléén nog aan bij de klasse der
kortkronige, dus bij de Barrii-, Incomparabilis-, en
Poëticus-verscheidenheden. Eenig mooi zijn: „Barrii Firebrand”, met
schitterend scharlaken oog, „Incomparabilis Lucifer” bloembladen wit
met schitterend rood trompetje en „Poëticus King Edward VII” (Almira)
met breede aan de punten geronde bloembladen en donkerrood hart.
Uiteraard zijn deze verscheidenheden nog al prijzig, maar ik geloof
dat, wie ze eenmaal heeft gezien, zich niet zal laten weerhouden om
eenige bollen voor potcultuur op te doen. Zéér billijke, maar niettemin
fraaie soorten, zijn nog „Incomparabilis Cynosure” en „Figaro”, beide
geel met orange, zoomede Leedsii „Mrs. Langtry” (No. 67) en „Minnie
Hume”, wit met heel zachtgeel trompetje. Als op den voorgrond tredende
fraaie nieuwigheid valt nog te noemen Leedsii „White Lady”, mooi wit.
Over de Poëticus-klasse heb ik heel in het begin al iets losgelaten. De
Poëticus, het lieve Narcisje met ’t fraaie groen-gele, scharlaken
gerande hartje, dat zoo mooi afsteekt bij het zuivere wit der
bloembladen, en dat nog wel eens bestempeld wordt met den naam van „Kop
en schotel”, dit pracht-narcisje voor den tuin, ’t mag nergens
ontbreken. Plant ze desnoods bij honderden, want ze zijn zóó goedkoop,
dat ge ’t om het geld niet behoeft te laten. Neemt haar echter voor
potcultuur niet, want ge zoudt er geen succes mee hebben. Vraagt dan
Poëticus Ornatus (No. 66). Van deze soort is het hartje iets meer
scharlakenrood, ook is de bloem in haar geheel iets grooter. De leek
zal dit echter niet zoo gemakkelijk uitmaken, wanneer niet beide
welriekende soorten naast elkander staan.