DE KWEEKWIJZE DER BOLGEWASSEN.

Voor zoover de beperkte ruimte zulks toeliet, heb ik U,

liefhebbers(sters) van „Flora’s kinderen” een kijkje gegund op het

bloembollenbedrijf met al zijn wel en weê. En wat zal nu het gevolg

zijn van mijn causerie? Zullen wij het aantal bezoekers zien

vermeerderen, en mag ik veronderstellen, dat er aanstonds nieuwe

kweekers en kweeksters zullen opstaan?

Ge kunt U natuurlijk ook voornemen om de velden jaarlijks te bezoeken

en om eens bij den een of anderen kweeker een kijkje te gaan nemen,

maar ’t rechte is het dan toch niet. Neen, ge moet zèlf kweeken om het

rechte genot er van te smaken! Ge moet zèlf planten en oppotten, ge

moet de bolletjes zèlf verzorgen en dagelijks hun ontwikkeling

gadeslaan en ze tot bloei brengen! Ge zult het, ik sta er U borg voor,

een goedkoope, leerzame en interessante liefhebberij vinden.

Nu werd menige leek door het mislukken van zijn bolletjes

teleurgesteld, en schreef dan de minder gunstige resultaten toe aan de

slechte kwaliteit van de geleverde waar. Zeker, er wordt helaas nog

heel wat minderwaardig goed geleverd, veelal doordat men de tòch reeds

goedkoope bloembollen tegen den allerlaagsten prijs wil opdoen. In dat

geval is „goedkoop” ten slotte „duurkoop”. In de meeste gevallen echter

is onoordeelkundige behandeling de oorzaak. Ik ken er o.a. wel, die hun

bolletjes direct na het oppotten of op glazen zetten, voor de ramen aan

’t daglicht blootstellen, en het dan nog onbegrijpelijk vinden, dat er

van de boel niets terecht komt. Hoe is ’t mogelijk! Laat ik U, mijn

bloemenvrienden, voor teleurstelling vrijwaren, en U hieronder de voor

U noodzakelijke cultuuraanwijzing neêrschrijven.

Cultuur in open grond. De eerste vragen, die bij den amateur rijzen

zijn: In welken grond moet ik mijn bolletjes planten? Hoe moet ik

bemesten? Ik kan U hierop slechts antwoorden, dat elke goede tuingrond

geschikt is, mits goed omgespit. Zware kleigronden zou men met wat zand

of turfmolm kunnen vermengen om ze wat luchtiger te maken, maar een

volstrekte noodzakelijkheid is zulks niet.

Is Uw tuingrond (zandgrond) voedzaam, dan kunnen de bollen het ’t

eerste jaar heel goed zonder bemesting stellen, in kleigronden zéér

zeker. Mocht ge echter in een armen bodem moeten planten en dus

eenigszins moeten bemesten, draagt er dan zorg voor, dat de bollen niet

met de mest in aanraking komen, daar dat hoogst nadeelig is. Ook heeft

de ondervinding geleerd, dat mest die tè diep is ingespit, niet naar

behooren verteert, of beter uitgedrukt „verzuurt”, doordat de invloed

der zonnewarmte zich op te groote diepte niet doet gelden. Het verdient

daarom aanbeveling om de mest slechts ongeveer 15 cM. onder de

oppervlakte te brengen, zoodat, wanneer de bollen op een diepte van 10

cM. worden geplant, de humuslaag zich 5 cM. daaronder zal bevinden. Een

zandlaagje van 5 cM. zal dus de bollen van de mest scheiden.

Een andere methode, gemakkelijker en veelvuldig toegepast, is het

uitstrooien der mest over het bloembed, nadat het beplant en geheel in

orde gemaakt is. De mest ligt dan geheel aan de buitenlucht

blootgesteld, maar toch dringen de voedende stoffen genoegzaam den

grond in. Gebruikt steeds koemest, liefst oude, en bemest nooit te

sterk. Een dun laagje, luchtigjes uitgestrooid, is ruim voldoende. Denk

er bovendien om, dat Narcissen, Crocussen, Winter-Aconietjes,

Chionodoxa, Scilla en Sneeuwklokjes geen of zoo goed als geen mest

noodig hebben. ’t Is beter ze gewoonweg in een goeden tuingrond te

planten.

Wat nu het in gereedheid brengen der bloemperken, randen of rabatten

betreft, dat is eenvoudig, maar moet niettegenstaande met zorg

geschieden, opdat de bollen zich op gelijke diepte onder de oppervlakte

zullen bevinden. Legt Uw bloembedden bij voorkeur een klein weinigje

bolvormig aan, zoodat het middelpunt iets hooger komt te liggen,

verwijdert dan de aarde tot op de diepte, waarop het bolgewas geplant

moet worden (in de meeste gevallen 10 cM.). Menigeen gaat anders te

werk, verwijdert den grond niet, maar drukt den bol gewoonweg 10 cM.

diep door de losse geëffende aarde heen. Ik beschouw dit als geheel

verkeerd, omdat de grond onder het gewas veel te vast wordt aangedrukt.

En dan, hoe zal op deze manier van een regelmatige beplanting sprake

kunnen zijn? Veelal sluit zich de grond na het indrukken onmiddellijk

boven de bollen, en voor het juiste „in ’t verband planten” mist ge elk

overzicht wat vooral bij twee- of meerkleurige bloembedden zeer

ongeriefelijk is.

Bij het opvolgen van mijn voorschrift overziet ge het geheel, totdat de

laatste bol een plaatsje heeft, en hebt ge dus steeds de zekerheid, dat

alles na het opbrengen der aarde op de vereischte diepte staat, en kunt

ge derhalve een volmaakt gelijk opkomen verwachten.

Minder nauwkeurig behoeft ge te werk te gaan, wanneer ge bol- of

knolgewassen, die daarvoor geschikt zijn, in casu: Crocussen,

Chionodoxa en Sneeuwklokjes in grasvelden of tusschen hout- en

struikgewas zonder regelmaat plant. Wij noemen dat „uitstrooien”. Maakt

met ’t een of ander voorwerp gaatjes tot op de vereischte diepte,

plaatst het gewasje er in en trapt de gaatjes daarna voorzichtig toe.

Natuurlijk kunt ge alles door elkaar, of ook op groepjes bijeen zetten.

Ge zult eens zien, hoe wonderschoon het effect is, dat ge door losjes

uitstrooien verkrijgt. Laat de gewasjes nà den bloeitijd rustig staan,

maait het gras gerust, zooals ge dat gewoon zijt te doen, mits niet àl

te vroeg: ze komen telken jare in volle pracht terug. Bedekking tegen

winterkoude is overbodig.

Even wil ik nu nog terugkomen op de regelmatige plantwijze en raad U

aan den inhoud van het volgende tabelletje in praktijk te brengen:

Hyacinthen: Plantdiepte: 10 c.M.; onderlinge afstand: 12 c.M.

Tulpen: ,, 10 ,, ; ,, ,, : 10 ,,

Narcissen: ,, 10 ,, ; ,, ,, : 10 à 12 ,,

Crocus: ,, 6 à 8 ,, ; ,, ,, : 8 ,,

Sneeuwklokjes: }

Scilla: } ,, 5 ,, ; ,, ,, : 8 ,,

Chionodoxa: }

Winter Aconiet: }

Anemonen: } ,, 5 ,, ; ,, ,, : 1 ,,

Ranonkels: }

Engelsche Iris: } ,, 8 ,, ; ,, ,, : 10 à 12 ,,

Spaansche Iris: }

Gladiolus: ,, 10 ,, ; ,, ,, : 12 à 15 ,,

De vijf laatstgenoemden heb ik nog niet besproken, dat komt nog. ’t

Zijn knolgewassen, evenals Chionodoxa en Winter-Aconietjes, wat ik nog

verzuimde te zeggen. Gladiolussen plante men eerst in het voorjaar, zoo

ongeveer April, wanneer geen nachtvorsten meer te vreezen zijn,

Anemonen en Ranonkels bij open weer van einde Februari tot Maart. Voor

de acht eerste bolgewassen van de tabel is de geschikte planttijd van

October tot eind November. Bij zacht weer kan men desnoods nog heel in

’t begin van December planten. Veelal wordt niet zoo bijster vroeg

geplant, omdat in October in de perken voor de bloembollen bestemd,

menig ander gewas, bijv. Begonia’s, nog in vollen bloei staat. Men

vindt het dan jammer, en niet ten onrechte, om de bloemenschat te

vernietigen.

Is het eenmaal November, dan is de tijd daar om perken, enz. met stroo,

riet of droge bladeren te bedekken, de Hyacinthen, Tulpen en Narcissen

ter dikte van 5 cM., de Tros-Narcissen en Jonquillen van 10 cM.,

aangezien deze den vorst minder goed verdragen. Voor het opwaaien

verdient het verder nog aanbeveling op de rietbedekking eenige takken,

op de bladeren wat sparregroen te leggen.

Of ge, nu Uw schatten het voorloopig geheel zonder U kunnen stellen, de

verzoeking zult kunnen weerstaan, om zoo nu en dan eens te gaan

„neuzen” hoe het er nu eigenlijk meê staat, dat valt nog te

betwijfelen. Maar ge zult goed doen geduld te hebben tot Februari. Is

dan het weer vorstvrij en ligt er geen sneeuw, schuift dan hier en daar

het riet of blad wat op zijde; ge zult dan de geelgetinte spruiten wel

reeds boven den grond zien komen. Ge kunt er nu zoetjesaan aan gaan

denken, de bedekking voor de helft te verwijderen. Ge doet dit het

gemakkelijkst door de geheele laag eraf te nemen, en er deze daarna

opnieuw gedeeltelijk voorzichtig op te brengen. Is in Maart het weer

zachter, neemt dan de geheele bedekking gerust weg. Zooals van zelf

spreekt, hangt hier alles af van de geaardheid van het winterweer, en

waar bij een zachten winter in Februari het wegnemen van de bedekking

toelaatbaar is, daar is het bij strenger koude soms begin Maart nog te

vroeg. Meestal echter is het in Maart de juiste tijd.

Sneeuwklokjes en Winter-Aconietjes bloeien reeds in Februari, en daar

ze winterhard zijn, behoeven ze geen bedekking. Ook Chionodoxa en

Scilla, zoowel als Crocus, die mede tot de vroegstbloeienden behooren,

verdragen de koude vrij goed, en zoo ge ze al bedekt, doet het dan

dunnetjes en verwijdert de bedekking niet te laat. Ge loopt anders de

kans, dat de bloemen door het riet heen komen, zoodat ge ze bij het

verwijderen der bedekking zoudt beschadigen.

En nu wilt ge nog wel weten, wat ge na den bloei met de bollen moet

doen, niet waar? Welnu, wilt ge aan Hyacinthen, Tulpen, enz. ook het

volgende jaar nog iets hebben, dan dient ge ze eerst te rooien, nadat

het loof is afgestorven; dat wordt wel zoo ongeveer Juli. Bewaart dan

de bollen op een droge, luchtige plaats, en plant opnieuw in October of

November. Door het rooien der bollen onmiddellijk na den bloeitijd

worden ze, zooals van zelf spreekt, in hun groei gestuit, en zelfs het

onmiddellijk elders inkuilen kan niet voorkomen, dat ze danig krimpen

en dus vrijwel waardeloos worden. Crocussen, Chionodoxas,

Sneeuwklokjes, Scillas, en Blauwe en Witte Druifjes kunt ge gerust

ongestoord laten staan. Ze komen ’t volgende seizoen desnoods

bloeirijker terug.

En nu de aanwijzingen voor het forceeren, voor de z.g. kamercultuur,

een bezigheid, die wel Uw geheele toewijding vereischt. Van een juiste,

zorgvuldige behandeling hangen toch grootendeels de resultaten af.

Evenals bij de cultuur in open grond rijst Uwerzijds ook hier de vraag:

Welke aarde moet men gebruiken bij ’t oppotten? Is bemesting gewenscht?

Het antwoord kan heel kort zijn. Gebruikt bladaarde vermengd met zand,

of anders goeden, gewonen tuingrond, waarin de bolletjes het

voortreffelijk doen.—Bemesting is geheel overbodig. Ze bevatten immers

alles, wat voor de ontwikkeling der plant noodig is!

Wat de bloempotten betreft, neemt bij voorkeur gebruikte exemplaren.

Nieuwe potten dient men vooraf eenige dagen in een kuipje of emmer met

water te plaatsen, opdat ze goed doortrokken zullen zijn. Elke pot

heeft een gaatje in den bodem, dat vóór het vullen met aarde met een

scherf, een stukje van een ouden bloempot, moet worden bedekt. Hoe dit

geschiedt, toont U onze afbeelding No. 24.

Nadat de pot tot op ongeveer 4 cM. onder den rand met aarde is gevuld,

plaatse men de Tulpen op onderling gelijken afstand er op, drukke ze

iets naar beneden, en bedekke ze dan met aarde, die om de bollen heen

stevig moet worden aangedrukt. Doet men dit laatste niet, dan loopt men

gevaar, dat de bollen zich bij het wortels maken omhoog werken, daar ze

geen tegenstand ontmoeten. Dat nu mag in geen geval gebeuren. Draagt er

zorg voor zóó te planten, dat de bollen van boven juist onder den rand

van den pot komen te staan, zoodat ze slechts met een laagje van ½ cM.

aarde bedekt zijn.

Aangezien afbeelding No. 20 de wijze van planten duidelijk voorstelt,

nam ik de Tulpen ’t eerst. Ik raad U van de „vroege enkele” en „vroege

dubbele” tulpen 3 stuks in één gewonen bloempot te planten, terwijl ge

van de vroegste, de Duc van Thol-variëteiten, 5 stuks kunt nemen, omdat

hiervan de planten kleiner zijn.

Hyacinthen, zoo ook Narcissen, plant men op dezelfde manier, van de

groote, eerste soort, één bol, van de kleinere moeten 3 bollen in één

pot. Narcissen kan men betrekkelijk dicht tegen elkander planten, omdat

het loof zich recht naar boven ontwikkelt, in tegenstelling met dat der

Hyacinthen. Ge zult dus gemakkelijker 3 flinke Narcissenbollen dan 3

Hyacinthen in één pot kunnen planten, doch wanneer ge van de laatsten

bollen kiest van 15 tot 16 cM. omvang, die nog heel mooie bloemen

voortbrengen, dan zult ge, mits ge niet te kleine potten gebruikt, met

geen moeilijkheden te kampen hebben.

Een zeer gezochte wijze van planten is die in groote pannen, groote,

wijde en platte potten, die veelal een middellijn hebben van 25 cM. Ze

kunnen gemakkelijk 6 Hyacinthenbollen en zeker een grooter aantal

Narcissen bevatten. Veelvuldig worden ook benut houten kistjes van

willekeurige lengte en breedte. De gangbaarste maat is wel die van 20 à

25 cM. lengte, 15 à 20 cM. breedte, bij een hoogte van 10 cM.; deze

zijn, wanneer hun inhoud eenmaal bloeit, werkelijk allerliefst. Het

omkleeden van een dusdanig kistje met crêpe-papier e. d. zal het effect

zéér verhoogen.

Onthoudt verder goed, dat voor pannen en kistjes de beste

Hyacinthenbollen zijn die van 15 à 16 en 16 à 17 cM. omvang, daar de

van de grootere bollen de uiteraard ook eenigszins grootere bloemen, en

ook het loof, te veel in het gedrang zouden komen.

Meent nu echter niet, dat een Hyacinthenbol van 16 à 17 cM. omvang geen

flinke bloem kan voortbrengen! Het hangt alles af van den leeftijd van

den bol en of hij met zorg is gekweekt. In menig geval zal een

middelmatig groote bol wat bloem betreft kunnen concurreeren met een

grooter exemplaar. Dit, opdat ge U niet zult laten afschrikken om

bollen van kleinere maten op te doen.

Ik zal U bewijzen, dat ook kleine bollen reeds sterk kunnen bloeien.

Vóór me staan eenige potten, waarin ik zelf z.g. Miniatuur Hyacinthen

tot bloei bracht, bolletjes van 13 à 14 cM. omvang. Naar gelang van den

omvang der te verwachten bloem plantte ik 4 à 5 stuks in één pot.

Welnu, de schitterend roode soort „Roi des Belges” telt, voor den voet

op, 20 nagels aan den stengel, „Lady Derby”, rose, evenveel, en

„Schotel”, porcelein-blauw, 13 stuks. En dàt van zulke kleine bollen!

Is het niet schitterend?

Probeert ze ook eens in pannen of kistjes, waarvan ik de grootte reeds

aangaf. Ge kunt ze met een tusschenruimte van ongeveer 4 cM. daarin

planten. Maar ik zou U nooit aanraden gemengde kleuren in één kistje of

pot te zetten, aangezien niet alle soorten gelijktijdig bloeien of van

gelijke hoogte zijn. Eén soort in elken pot of elk kistje voldoet

beter.

Gaarne zou ik U nu nog een volledige beschrijving geven van de

Hyacinthensoorten, die voor het forceeren zijn aan te bevelen, maar ik

moet met de ruimte rekening houden. Toch wil ik U, omdat ik zulks

eenige bladzijden terug beloofde, eenige soorten noemen, die altijd

succes geven. Ze zijn: Enkel Rood of Rosa: Cardinal Wiseman, Garibaldi,

Gertrude, Gigantea, Lady Derby, La Victoire, Moreno, Queen of the

Pinks, Roi des Belges. Enkel Wit: Arentine Arendsen, Grande Blanche,

Grandeur à Merveille, La Franchise, La Grandesse, l’Innocence, Mina.

Enkel Blauw: Enchantress, Grand Lilas, Grand Maître, Johan, King of the

Blues, Marie, Pieneman, Schotel. Enkel Geel: City of Haarlem, Ida, King

of the Yellows, Yellow Hammer. Enkel Paars: Distinction, Lord Balfour,

Mouwe Queen, Sir William Mansfield. Onder de dubbelbloemige bevinden

zich mede fraaie soorten, doch evenmin als de vroege dubbele tulpen

bloeien ze zoo gemakkelijk als de enkelbloemige, d.w.z. ze zijn niet

zoo vroeg in bloei te krijgen. Ge kunt ze echter gerust probeeren, en

elke betrouwbare leverancier zal voor U een geschikte keuze maken.

Van de Tulpen heb ik U al een geschikte sorteering gegeven, en wat de

Crocussen betreft, zoo ge een prijslijst in handen krijgt, weet dan dat

ze alle geschikt zijn voor het forceeren. Het heeft dus geen zin om

daarover in bijzonderheden te treden.

Terwijl ik dit alles schrijf, staat een groot gedeelte der beschaafde

(?) wereld door den oorlog in vuur en vlam. Het verkeer met het

buitenland is zoo goed als gestremd, maar zoodra de tijden normaal

zullen zijn, kunnen wij er wederom aan gaan denken om de uitheemsche

bolgewassen te importeeren, zooals de Romijnsche witte Hyacinthjes (No.

9) die in het zuiden van Frankrijk worden geteeld. Hier kan men ze

buiten niet kweeken, maar voor het forceeren worden ze bij massa’s

gebruikt, vooral omdat ze, indien vroegtijdig opgepot, reeds met

Kerstmis kunnen bloeien.

Ik durf wel aannemen, dat mijn voorlichting U duidelijk is, zoodat het

oppotten zonder moeite door U kan geschieden. Ik wil U thans iets

vertellen omtrent de verdere behandeling van den opgepotten voorraad.

Den bollen moet nu den tijd gegund worden om hun wortels te maken en

hun spruiten of, om den vakterm te gebruiken, hun „neuzen” tot op

bepaalde hoogte te ontwikkelen.

Het laat zich denken, dat ge de ontwikkeling der bolletjes ’t liefst

onmiddellijk na het oppotten zoudt willen gadeslaan. Ge zult echter wat

geduld moeten oefenen, opdat U teleurstelling bespaard blijve.

Wat ge nu te doen hebt? Kiest in Uw tuin een luw en droog hoekje,

graaft een plekje tot op ongeveer 10 cM. diepte uit, plaatst daarin uw

potten, kistjes of pannen op een rijtje, en bedekt dit alles vervolgens

met een laag aarde van 8 à 10 cM. Een bedekking van het geheel met wat

stroo, riet of wat droge bladeren bovendien, verdient nog aanbeveling.

Bezit ge geen tuin, dan kunt ge ook volstaan met de potten in een

donker hoekje van een drogen kelder te plaatsen, mits ge er zorg voor

draagt, dat de aarde steeds vochtig blijft. In de eerste twee weken na

het opzetten is het gieten niet aan te bevelen, omdat er dan nog niet

voldoende wortels aanwezig zijn om het water te verwerken, terwijl voor

den verderen duur der bewortelingsperiode alleen sprake mag zijn van

vochtig houden.

Laat nu Uw kweekelingen gedurende 5 à 6 weken ingekuild of in den

kelder, in welken tijd zij hun wortels door den geheelen pot zullen

kronkelen, ja zich zelfs door de kleine ruimte onder de potscherf en

door het gat in den bodem van den pot een weg naar buiten zullen banen.

Onze afbeelding No. 21 stelt U dit aanschouwelijk voor.

Om nu te weten, wanneer de bolletjes aan het licht gebracht mogen

worden (No. 22), houde men na de voorgeschreven 5 à 6 weken een

inspectie, en verwijdere voorzichtig de blad- en aardbedekking, zonder

de neuzen, die intusschen meestal een lengte van 3 tot 5 bereikt

hebben, te beschadigen. Wanneer ge nu de spruiten voorzichtig betast,

zult ge bemerken dat de bloemknop zich reeds in de spruit bevindt. Het

is nu tijd om de potten, enz. voor den dag te halen. Er zijn natuurlijk

altijd eenige achterblijvers, zoowel onder de Hyacinthen als onder de

Tulpen. Dit komt vooral voor bij de laatste. Vroege dubbele Tulpen in

’t bijzonder zijn langzamer in hun ontwikkeling.

Nadat ge de bloempotten van buiten hebt gereinigd, plaatst ge er

schotels onder, waarin het water bij voorkeur wordt toegediend. De

wortels, die zich op den bodem van den pot bevinden, zullen ’t gretig

ophalen. Het gieten bovenop de aarde is slechts nu en dan noodig,

wanneer de aarde te droog wordt.

Voorts zou ik U willen raden: Brengt Uw geheelen voorraad, nadat hij

uit de uitkuiling of uit den kelder is gehaald, eenige dagen in een

goed verlicht, doch koel vertrek, opdat de overgang niet te groot zij.

Daarna kunnen de planten naar de verwarmde vertrekken worden

overgebracht. Wilt ge Uw bolletjes achtereenvolgens en bij gedeelten in

bloei hebben, dan moet ge ’t voorbeeld van de echte amateurs volgen, en

de potten, enz. telkens met een tusschenpoos van 4 à 6 dagen naar de

verwarmde vertrekken overbrengen.

Eenmaal overgebracht, verdragen de meeste gewassen een temperatuur van

60–70° Fahr. Geeft veel licht, liefst een zonnig plaatsje, giet

rijkelijk in de schotels en matig boven op de aarde, maar plaatst ze

nooit te dicht bij de kachels of op schoorsteenmantels, want groote en

droge warmte is zéér nadeelig. Het loof of de bloemen moet ge niet

gieten, slechts is het geoorloofd een hyacinthenknop, die zich wat stug

ontwikkelt, met wat water, dat op kamertemperatuur is gebracht, te

besprenkelen.

Ziedaar de beschrijving voor potcultuur, en nu wil ik U nog iets

vertellen omtrent een andere, zeer gezochte en aantrekkelijke

kweekwijze, namelijk op water. Vooral de Hyacinthen worden veel op

water gekweekt, d.w.z. op glazen van wit, bruin, groen of blauw glas,

en van verschillende vormen, daarvoor speciaal in den handel gebracht.

Onze afbeelding No. 11 vertoont een Hyacinth op glas, en wanneer ik

zooeven van „een gezochte kweekwijze” sprak, dan heb ik heusch niet te

veel gezegd. De rechte liefhebber geniet dubbel, wanneer hij zoowel de

ontwikkeling der bloem als van de wortels voortdurend kan gadeslaan.

De afbeelding doet zien, dat het bovenste gedeelte van het glas

zoodanig is ingericht, dat het juist een hyacinthenbol kan bevatten.

Dat bovengedeelte nu mag nimmer met water worden gevuld, daar de bol

zelf nooit in het water mag komen te staan. Vult dus het glas zoover

met helder pomp-, leiding- of regenwater, dat het den onderkant van den

bol juist raakt, en voegt er, om het water frisch te houden, wat

keukenzout bij. Een hoeveelheid, die men tusschen duim en vinger bergt,

dus die van een klein theelepeltje, is voldoende.

Vervolgens hebt ge de glazen in een donkere, koele kast te plaatsen, en

wel zoodanig, totdat de wortels den bodem bereikt hebben, ja zelfs gaan

kronkelen. Dat is na ongeveer 5 weken en dan zullen ook de neuzen zich

voldoende ontwikkeld hebben. Het is dan tijd om ze aan het licht bloot

te stellen. Het water in het glas moet zoo nu en dan worden bijgevuld.

Mocht dit al troebel worden of mochten de wortels er uit gaan zien

alsof er vezels aan zitten (dat komt niet veelvuldig voor) dan kunt ge

den bol voorzichtig uit het glas lichten en de wortels in water, dat op

kamertemperatuur is gebracht, heel voorzichtig afspoelen of met de hand

zachtjes afwrijven. Spoelt het glas flink om, vult het opnieuw met

helder water onder toevoeging van een kleine prise keukenzout, en laat

daarna de wortels voorzichtig in het glas glijden, daarbij zorg

dragende, ze niet te kneuzen.

Heel aardig is ook de cultuur van hyacinthen in mos. Men neme daartoe

een schaal of schotel, plaatse daarop een aantal bollen en vulle de

tusschenruimten aan met losgeplukt mos, dat steeds vochtig gehouden

moet worden. De wortels zullen zich weldra met het mos

dooreenstrengelen, zoodat ze daarmede één geheel gaan vormen, waardoor

het omvallen wordt voorkomen. Ook hierbij wordt het plaatsen gedurende

ongeveer 5 weken in een donkere koele kast vereischt, voordat de bollen

aan het licht gebracht mogen worden. Eenmaal in bloei, maakt zulk een

schaal een aardig effect.

Ook Crocussen zullen het op water alléén aardig doen, hoewel ik de

cultuur in potten of pannen steeds de meest loonende heb bevonden. Men

plaatst de Crocussen gewoonweg dicht tegen elkaar op een bord of

schoteltje, waarin men zooveel water doet, dat de onderkant der

bolletjes bevochtigd wordt. De wortels zullen zich dan weldra

ontwikkelen en dooreenstrengelen. Zorgt, dat het bijvullen met water

niet wordt vergeten, want Crocussen zijn dorstig.

Wilt ge cultuur op water bij Narcissen toepassen, ook goed. Daarvoor

zijn diepe pannen of schotels noodig, die ge met gereinigde sintels en

water zóóver vult, dat de onderkant der bollen juist wordt geraakt. Om

het omvallen der planten te voorkomen zoudt ge de bollen niet òp, maar

tusschen de sintels kunnen plaatsen.

Nu kan ik wel veilig van de cultuur op water afstappen. Het is U wel

duidelijk, dat het den wortels nooit aan water mag ontbreken, maar dat

de bollen zelf nooit daarin mogen staan.

Ten slotte nog een paar wenken:

Wilt ge Flora’s kinderen met begin Januari in bloei hebben, of zelfs

met ’t Kerstfeest, zet ze dan reeds begin of half October op.

Van welk gewas ook, plant bij voorkeur slechts één variëteit in elken

pot, enz., opdat ge van een gelijktijdigen bloei verzekerd kunt zijn.

Zoo ge meerdere kleuren en verscheidenheden in één pot, pan of kistje

wilt planten, raadpleegt dan Uw leverancier, die ter zake kundig is.

Ziet niet op een kleinigheid, maar betrekt Uw waar steeds van een

betrouwbare firma.

De bloemenvelden · 第 7 / 13 题