DE AFZANDING DER DUINEN.

Evenals de mensch, van wiens krachten door gestadigen, harden arbeid

wat veel gevergd werd, ten behoeve van zijn gezondheid zoo nu en dan

eens uit zijn dagelijkschen sleur wil losgerukt zijn, zoo ook hebben

onze bolletjes hun eischen, die den kweeker wel eens zorg baren. Een

bloembol tiert nu eenmaal niet, wanneer ze voortdurend in denzelfden

bodem wordt geplant, en ’t is er den kweeker toch maar om te doen om

zijn partijen gezond en voordeelig te kweeken.

Dat bij de enorme uitbreiding der kweekerijen in de laatste 20 jaren

het gebrek aan teeltgronden, vooral lichtere zandgronden, zich deed

gevoelen behoeft wel geen betoog. Wel tracht men het euvel eenigszins

te ondervangen door de zwaardere gronden door vermengen met duinzand

luchtiger en lichter te maken, maar dat is en blijft, hoewel een goede

maatregel, tóch slechts half werk; alleen verwisseling van bodem kan de

bolletjes zoowel als hun meesters in goeden doen houden.

Allengs is men begonnen duingronden, vooral de z.g. binnenduinen, af te

zanden, waardoor veel bruikbare gronden werden verkregen. Vooral te

Hillegom en Lisse is dit gebeurd, vaak ten koste van veel natuurschoon,

en wanneer wij er straks doorpeddelen, zal ik U aanwijzen, waar weleer

fraai beboschte binnenduinen te vinden waren.

Om een afzanding te zien, daarvoor zouden wij echter zoo ver niet

behoeven te gaan, want ook hier te Overveen knaagt men, hoewel op

bescheiden wijze, aan den voet der duinen. Tusschen het zoo straks door

mij genoemde „Brouwerskolkje” en „Kraantjelek” toch bevindt zich een

kleine afzanding (No. 26) waarheen, naast de schoone buitenplaats

„Duinlust”, een vaart van helder water voert. Hier kunnen wij de

schuiten vinden van meestal 2 tot 3 M3. inhoud, waarin het duinzand,

aangebracht in over planken loopende kruiwagens, wordt gestort. Wanneer

de afstand tusschen afzanding en schuit wat groot wordt, maakt men

zelfs gebruik van kipkarren, die over smalspoor gemakkelijk

voortbewogen worden.

Laat ons hopen, dat men hier niet al te veel zal tornen aan de duinen

zóó nabij de „Blinkert”, waarop Witte van Haemstede in 1304 zijn banier

plantte.

Thans willen wij onzen tocht voortzetten en kiezen daartoe den fraaien

weg langs „Elswout” om vervolgens langs den Oosterduin-weg en

Zandvoortschen straatweg Heemstede te bereiken. Ook hier weêr veld op

veld bestaande uit groote vakken van de meest uiteenloopende kleuren,

iets wat wij op onze geheele excursie zullen aantreffen. Zie, daar zijn

ook reeds de vroegste der enkelbloemige Tulpen, de Duc van

Thol-variëteiten en ook enkele andere, rood, wit en geel. Van de

Narcissensoorten vinden we reeds in bloei „Golden Spur” en „Van Sion”,

terwijl we van de andere variëteiten de geel-groene knoppen bespeuren,

die zich weldra van haar dun omhulsel zullen bevrijden om met haar gele

en witte pracht de schoonheid van onze streek te verhoogen. Mij dunkt,

ge voelt wel lust om Uw bezoek te herhalen, wanneer binnen enkele weken

de Tulpen, zoo vroeg- als Meibloeiende, zijn ontloken, en ge U aan de

schoonheid der Narcissen zult kunnen vergasten! Ge kent nu den weg, en

zult dus, indien ge daartoe in de gelegenheid zijt, naar hartelust van

alles kunnen genieten.

Neemt voorloopig een bundeltje bloemen meê naar huis, waarvan ge hier

voor 5 of 10 cents bezitter(ster) wordt. Het is vooral onze jeugd, die

in den bloeitijd een „levendige handel” drijft in „Flora’s kinderen”.

Ziet, ze loopen ons reeds met een bouquet in de opgeheven hand

tegemoet, luid hun koopwaar aanprijzend, want uitgelaten als ge zijt

over den verrukkelijken tocht, begrijpen zij, dat ge bezoekers zijt.

Zij kennen hun luidjes, die kleine peuters, en ge moet des avonds bij

het tellen der vele witjes, vermengd met (o, schande) vele

koperstukken, hun glundere gezichten eens zien. Wee U, zoo ge U té

vroeg op den dag door de kleine schalken tot koopen laat verleiden,

want door het gestadig bengelen van den verkregen schat om Uw hals of

aan het stuur van de fiets, zult ge des avonds als tastbaar bewijs van

Uw bezoek aan de bolletjes hoogstwaarschijnlijk het geraamte van de

bouquet, slechts de stengels zonder bloemen thuisbrengen. O, die

oolijke Amsterdammers, uitgelaten als ze steeds zijn, wat hebben we om

hen al een pret gehad! Ze kunnen op één dag wel tien ruikers aan, zoo

ze ten minste des avonds nog iets bruikbaars willen meêvoeren!

Heemstede met het aan den Meerweg gelegen „Oude Slot”, en het naburige

Bennebroek en Vogelenzang, in welk laatste kleine plaatsje zich Graaf

Floris V gaarne ophield, behooren tot de meest landelijke uit onze

streek. Men vindt er vele fraaie buitens en dus uit den aard der zaak

ook prachtige bosschen. Wie te Heemstede komt, verzuime niet het voor

het publiek toegankelijke „Groenendaal” met ingang aan de Van

Merlenlaan te bezoeken. Een bijzonderheid is nog „De Naald” juist bij

de buitenplaats ’t Manpad. Dit gedenkteeken in den vorm van een 4 à 5

Meter hooge, vierkante, eenigszins spits-toeloopende zuil, werd

opgericht op de plaats, waar de voor Witte van Haemstede zegerijke slag

tegen de Vlamingen werd geleverd.

Bennebroek, het aardige kleine plaatsje met haar lief, oud kerkje,

waarvan wij links van ons slechts den kleinen kerktoren zien, doet niet

onder voor de andere dorpen van ons district. Aan aardige

dorpsgezichten is hier geen gebrek, en overal zult ge den indruk van

netheid krijgen.

Nu nog ongeveer tien minuten en wij bevinden ons op Hillegoms

grondgebied, en op de eerste brug, de hooge Oosteinderbrug stappen we

af, getroffen door den schoonen aanblik der velden, die zich aan beide

zijden van den vóór ons liggenden straatweg bevinden. Welk een

bloemenschat, welk een ongeëvenaarde pracht! Is het een wonder, dat ons

district jaarlijks duizenden buitenlanders, waaronder zelfs veel

Amerikanen, tot zich trekt?

Met Overveen, de bakermat der oude en bekende bloemenkweekers, schijnt

Hillegom steeds tot de meest welvarende dorpen behoort te hebben, wat

ik mede afleid uit het volgende gedichtje, gedateerd 1799:

„’t Vermaak’lijk Hillegom, omringd aan alle zijden”,

„Met laanen, duinen en voortreffelijke weiden”,

„Geeft haar bewooneren, den grootsten overvloed”,

„Van boom en veldgewas, ’t geen hun voor armoê hoed”.

Inderdaad was Hillegom vroeger vermaard om zijn groenten- en ooftteelt,

en ook aan kapitale boerderijen heeft het hier niet ontbroken. Dit

alles heeft nu echter plaats gemaakt voor de cultuur van bloembollen,

en dat ook dit bedrijf loonend is (ik spreek hier van normale tijden,

en laat de misère in ons vak tengevolge van den wereldoorlog buiten

beschouwing) daarvan getuigen de vele villa’s en villatjes, zoo ook de

reuzen-bollenschuren, ware paleizen.

Tevergeefs zullen wij echter zoeken naar de duinen (binnenduinen)

waarvan het bovenstaande gedicht gewaagt. Waar zijn de indertijd zoo

aardig beboschte duinen, waartoe ons de thans nog bestaande

Pastoorslaan toegang gaf? Waar is het heuvelachtige terrein van de oude

buitens Elsbroek, Veenenburg en Rustenburg, doorsneden door de

Veenenburgerlaan, gebleven? Afgezand, alles afgezand, alles opgeofferd

aan de belangen van het bloembollenbedrijf! De kleine afzanding, die we

te Overveen zagen, ze is slechts kinderspel bij wat hier is geschied,

en voor een deel althans, al heel lang geleden. Ik heb zoo juist een

oude kroniek vóór me, en op de daarbij behoorende kaart van Hillegom

van het jaar 1746, waarop de binnenduinen in massa voorkomen, vind ik

zoowaar reeds een afzanderij ter plaatse van de buurt „Weeresteyn” met

„Afgesand” aangeduid.

Ondertusschen naderen wij Lisse, waar zoowaar een zandsteenfabriek, „De

Arnoud”, tot bloei kon komen, wat wel is toe te schrijven aan de

aanwezigheid van de grondstof: het zand, door de binnenduinen geleverd.

Alweer aardige villa’s en reuzenschuren, alweer de enorme aanplantingen

van onze gewassen, zoodat ge ’t wel met me eens zult zijn, dat Lisse

niet voor Hillegom behoeft onder te doen. Ik wil niet in bijzonderheden

treden, het zou me te ver voeren. Laat het U genoeg zijn, dat we ons

hier in ’t centrum van het district bevinden, en dat Lisse nog dat op

Hillegom voor heeft, dat het nog een stukje ongerept natuurschoon bezit

in het oude en fraaie buiten „Keukenhof”, dat we als jongen nooit

verzuimden te bezoeken, mede omdat daar in ’t voorjaar de Belgische

Hyacinthjes (No. 116) ook wel Bosch-Hyacinthen genaamd, in ’t wild te

bewonderen waren. Het was de azuurblauwe verscheidenheid, wier

eigenlijke botanische naam is Scilla Nutans Coerulea. Deze variëteit

bestaat ook in rose en wit, maar de blauwe heb ik altijd de mooiste

gevonden. Noteert het even, dat het zulk dankbaar goedje is, dat

tusschen struikgewas altijd welig tiert, en laat ze in Uw tuintje niet

ontbreken. Ze zijn goedkoop, zoodat ge ’t om het geld niet behoeft te

laten.—Vergeet echter niet, dat ze voor het kweeken in potten, dus voor

het forceeren, niet geschikt zijn.

Thans rest ons nog één plaats, waar we eens een kijkje willen nemen,

het dorp Sassenheim, waar ons nationaal product al evenzeer de hoofdrol

vervult als in de plaatsen, waar we reeds doortrokken. Hier worden de

Narcissen op eenigszins uitgebreider schaal gekweekt dan in andere

gemeenten, en iemand, met de plaatselijke gesteldheid bekend, zal in

den bloeitijd aan deze cultuur zijn oogen kunnen verlustigen.

Een bezienswaardigheid in deze gemeente is voorts nog de ruïne van „Het

slot van Teijlingen” (No. 88) waar Jacoba van Beyeren de laatste jaren

van haar leven in gevangenschap doorbracht. Ze heeft wel nooit kunnen

vermoeden, dat het slot na ongeveer 5 eeuwen zulk een fleurige omgeving

zou hebben.

Zoo is dan het laatste dorp, dat op ons programma stond, bezien. Meent

echter niet, dat we nu met het geheele bollenland hebben kennis

gemaakt. Zeker, we hebben de belangrijkste en bloeiendste plaatsen, het

hartje van de streek bezichtigd, maar ’t is toch slechts een gedeelte

van wat er in werkelijkheid bestaat.—Noordwijk, Katwijk, Wassenaar,

enz. in de omgeving van Leiden; Beverwijk, Castricum, Limmen, Egmond en

Heiloo in de streek tusschen Haarlem en Alkmaar, al deze plaatsen staan

in het teeken der bloembollencultuur.

Maar het meest bezienswaardige gedeelte, het hartje van het district,

en bijgevolg de meest aanbevelenswaardige route voor bezoekers, is en

blijft de streek tusschen Haarlem en Leiden.

Zie zoo, nu is ’t welletjes voor vandaag! Nog enkele uren, en de dag is

ten einde, zoodat we niet moeten talmen, willen we althans niet

verplicht zijn de terugreis op een andere wijze dan per fiets te maken.

Opgestapt dus; ginds willen we iets gebruiken; niet alleen omdat de

inwendige mensch er naar vraagt, maar ook, opdat wij straks er een

flink gangetje zullen kunnen inzetten.

„Hallo jongens, wacht even, want m’n paard is kreupel”! Het is deze

noodkreet achter ons, die ons onmiddellijk doet afstappen, ’t Was

anders den geheelen dag zoo goed gegaan, en nu juist op het scheiden

van de markt valt er een slachtoffer.

Gelukkig, dat dicht in de buurt een rijwielhersteller te vinden is,

zoodat we althans niet genoodzaakt zijn zelf daarvoor te fungeeren. We

willen onze hongerige magen bevredigen, onze dorstige kelen laven, en

intusschen zal het euvel wel verholpen zijn.

’t Gaat echter met de reparatie niet zoo vlot als gewenscht was en dies

besluit een gedeelte van ons koppeltje om maar vast den terugweg

zachtjes aan te nemen, hetgeen geschiedt met een sarcastische opmerking

over ’t kreupele paard en de beste wenschen voor zijn spoedig herstel.

Wacht maar, spotter, ’t zal je er straks naar vergaan!

Eindelijk komt ook de beurt aan ons om op te stijgen. Onze confraters

hebben er toch bepaald een stevig gangetje ingezet, anders hadden we ze

al achterhaald.

Maar zeg, zie eens, wat voert hij daar uit? Zie hem eens pompen; ’t

lijkt wel of z’n leven er van afhangt. O leedvermaak, ’t is onze

collega, die zoo straks met de beste wenschen voor het „kreupele paard”

opsteeg.

Zoo amice, wat voer jij daar uit? Ons dunkt, dat jouw „bles” het ook

aardig te pakken heeft! Verbruik toch niet zooveel lucht, kerel, je

zult ons doen stikken!

Je kunt gerust je aardigheden voor je houden, hoor! Jij hadt tenminste

straks nog hulp, en ik kan ’t karweitje alleen opknappen, ’t Is nu al

de tweede maal, dat ik er den band uit gehad heb; je moet toch maar

„Pech” (No. 59) hebben!

Al zuchtend en steunend pompt onze makker na die ontboezeming met

nieuwe kracht door, zoodat het zweet hem van ’t gelaat druppelt. Als

hij ten slotte tot de overtuiging komt dat de pleister ditmaal houdt,

kijkt hij lachend op en wijzende op zijn partner, zegt hij: En wat zeg

jelui nu wel van hem? Zit hij niet aardig in de blommetjes? Hij heeft

zich daar straks door zoo’n kleine „bollendame” een ruiker en een

slinger laten aanpraten, en als ik het niet verhoed had, zou hij

zoowaar de geheele mand hebben leeggekocht. Er lag daar trouwens een

schuit vol manden met bloemen (No. 90); ’t is toch zonde, dat die lui

hier dat moois afsnijden en weg doen.

Als mijn vriend met bouquet en slinger zich niet onbetuigd latende,

onder ’t opstappen uitroept: Zoo is ’t „Elk wat wils”. Ik kocht bloemen

en jij pompt—dan kunnen wij een hartelijken lach niet onderdrukken.

Weldra, hebben wij onze vooruit gereden vrienden te pakken, en als we

eindelijk de laatste velden passeeren (No. 60), voeren we alle een

heerlijken ruiker mede, dien we als bewijs van ons bezoek aan de streek

willen thuis brengen. Dat wij echter niet slechts gevoel hebben voor

Poëzie maar ook voor Proza, daarvan zou de baas van „IJsco” kunnen

getuigen. Zijn wafeltjes waren heerlijk!

„DE TULPEN, HAAR GESCHIEDENIS EN VOORTTEELT” EN „DE VOORTTEELT

DER HYACINTHEN”.

Reeds hebben wij van een der hoofdgewassen, de Hyacinthen, een

bescheiden stukje geschiedenis leeren kennen. Het gaat natuurlijk

wegens beperkte ruimte niet aan om alles zoo uitvoerig te behandelen,

maar in elk geval willen wij den Tulpen een plaats inruimen. Haar

geschiedenis toch is tè belangrijk, het geheele ras, zoo rijk aan

kleurschakeeringen, zoo uitgebreid aan sorteering, is tè vermaard, dan

dat we er niet een poosje bij zouden stilstaan.

Vanwaar de Tulpen eigenlijk stammen? Dit is nog een open vraag. Het is

echter niet aan te nemen, dat men ze in de oudheid niet heeft gekend,

ofschoon wij ze, in tegenstelling met de Hyacinthen, in de oude

geschiedenis niet vermeld vinden, of het zou moeten zijn onder een

anderen, ons onbekend gebleven naam.

De een meent, dat ze uit de Oriënt, de ander weêr, dat ze uit China en

Tartarije afkomstig zijn. Als zeker kan echter wel worden aangenomen,

dat ook de oude Grieken, de bezitters der moderne tuinen, de tulpen

kenden. Nog heden ten dage treft men in de omgeving van Byzanthium, de

Tulipa Gesneriana, (No. 42) purperrood met blauw-violet hart, in het

wild aan. Men beweert ook, dat Ovidius tijdens zijn verbanning op zijn

wandeling door de bosschen van Thracië vele tulpenvariëteiten heeft

aangetroffen. Sporadisch komen ze ook in Zuid-Europa voor.

Zoo is het dus niet uitgemaakt, vanwaar de Tulpen gekomen zijn. Hoe het

ook zij, Conrad Gesner trof ze in den tuin van Dr. Harwarts te Augsburg

aan, en beschreef ze reeds in 1559. Volgens hem zouden de bollen uit

Constantinopel, dus uit Turkije gekomen zijn, en wij meenen daaraan den

naam van Tulp, in het Turksch „Toulipan” of Turksche hoed, te moeten

toeschrijven.

In België dankt men de invoering der tulpen aan den bekenden botanist

Charles de l’Ecluse (Clusius) uit Weenen, die in 1575 zaden van

Busbecq, den gezant van keizer Ferdinand I, in Turkije gekregen heeft.

Van hieruit (België) verbreidde zich de tulpen in Frankrijk.

Bij de eerste verschijning der tulpen, vooral van Tulipa Gesneriana,

wonnen ze de harten der bloemenliefhebbers, en ontstond er zelfs een

geestdrift voor dit artikel, die later in dwaasheid ontaardde.

Hollanders en Vlamingen betaalden enorme sommen voor het alléénbezit

van een soort, die we thans zelfs het aankijken niet waardig keuren.

Zoo vermeldt de geschiedenis, dat een rijk koopman een tulp bezat,

waarvan hij zich den eenigen bezitter waande. Toen hij echter vernam,

dat ook een liefhebber te Parijs een bol van dezelfde soort in zijn

bezit had, reisde hij derwaarts, kocht den bol voor 1000 ducaten en ...

vertrapte hem met loof en al.

Soms werd een enkele bol met 5000 gulden betaald, o.a. van de toenmaals

hooggeschatte soort „Admiraal Liefkens”. Tulpenbollen schenen wel hun

gewicht in goud waard te zijn, ja zelfs méér, en men ging er tenslotte

inderdaad toe over om ze per gewicht te verkoopen, en wel per „aas”,

hetwelk overeenkomt met 1⁄20 gram; een tulpenbol van 527 azen woog dus

ongeveer 25​8⁄10 gram.

Twee honderd azen van de soort „semper Augustus” werden voor 5500

gulden verkocht, één bol van „Viceroy” bracht 3000 gulden op, en voor

de erven van een zekeren Walther Bartholomeus werden den 5en Februari

1637 te Alkmaar 120 bollen publiek geveild, die de kapitale som van

90000 gulden konden bedingen. Een enkel persoon te Amsterdam verdiende

met deze handel binnen vier maanden 60000 gulden.

Ofschoon de tulpen overal geliefd waren en nieuwe verscheidenheden met

ware geestdrift werden begroet, zoo zou men zich toch vergissen,

wanneer men meende, dat haar deze warme ontvangst uitsluitend werd

bereid door liefhebbers, wien het om de bloem te doen was. Integendeel,

de handelaars waren geen bloemisten of bloemenvrienden, die met het

gewas wilden pronken, het waren slechts speculanten, lieden van

allerlei slag: edellieden, kooplieden, boeren, schippers, knechts en

dienstmaagden, die allen meenden aan de bollen een kapitaaltje te

kunnen verdienen, hetgeen hun menigmaal is gelukt.

En hier begint nu de ontaarding van liefhebberij in zwendel. Men scheen

wel de meening te zijn toegedaan, dat de waarde der tulpenbollen nooit

zou verminderen, en zoo ontstond de dwaze tulpenhandel, U allen uit de

vaderlandsche geschiedenis welbekend.

In de steden Amsterdam, Utrecht, Rotterdam, Leiden, Haarlem, zoo ook in

verschillende kleine plaatsen, kwamen de koopers en verkoopers in

koffiehuizen en herbergen bijeen, en verhandelden daar hun „schatten”

tegen fabelachtige prijzen. Wie geen geld bezat en door de

tulpenhandel-koorts was aangetast, verkocht vaak z’n geheele „hebben en

hoûen” om toch óók maar mede te kunnen doen en spoedig rijk te worden.

Voor millioenen guldens werden te dien tijd door speculanten

verhandeld. Men kocht bollen zonder ze te ontvangen en verkocht zelfs

bollen, die men niet eens bezat, in de hoop, dat de markt de

eerstvolgende weken een gunstig verloop zou hebben. In dergelijke

gevallen ging het dus alléén om verschil in prijs; daalde de markt, dan

betaalde de kooper het verschil bij, steeg deze daarentegen, dan

behaalde hij een zoet winstje. ’t Hing op die beurs, een beurs in

optima forma, waar de bezoekers hun bezinning schenen verloren te

hebben, alles dus slechts af van markt-koers.

Zooals reeds vermeld: alles wilde aan de speculatie meêdoen, en zoolang

de „koorts” aanhield, bracht de handel vrijwel elkeen gewin, omdat de

prijzen steeds stegen. Dat was nog het geval tusschen 1634–1637. De

nuchtersten onder de nuchtere Hollanders leefden in de overtuiging, dat

de tulpen voortaan door geheel Europa gevraagd zouden worden, zoodat de

markt wel aan geen daling onderhevig kon zijn. Het onvermijdelijke

gevolg van deze veronderstelling was, dat vele lieden de weelde niet

konden verdragen en in een kort tijdsbestek enorme sommen verkwistten.

Er was immers geen opkomen aan, want hun tulpjes zouden aanstonds hun

beurzen opnieuw vullen!

Zoo was de oorspronkelijke gezonde handel door de deelname van een

groot gedeelte des volks, dat buiten het vak stond, ontaard in een

dwaas kansspel, en dat de ontgoocheling ten laatste niet kon

uitblijven, behoeft nauwelijks betoog.

Toen men in het jaar 1637 eindelijk tot bezinning kwam en begreep, dat

ettelijke duizenden guldens, een koets met twee paarden of een paar

akkers land, die men eenige maanden geleden voor een enkelen tulpenbol

had gegeven, toch eigenlijk méér waarde vertegenwoordigden, toen kwam

er een ommekeer, die menigen speculant of bezitter van tulpenbollen

noodlottig werd. Rijke lieden waren arm geworden, maar zij, die

eertijds arm waren, aan de speculatie hadden medegedaan en bijtijds

hadden afgezet, waren rijk. Hij, die ten slotte met de tulpenbollen

bleef zitten, door hem tot hooge prijzen gebracht, zag zijn hoop in

rook opgaan. Men heeft getracht er nog een tijd lang den gang in te

houden en hoewel dit aanvankelijk scheen te gelukken, was toch niemand

zoo dwaas meer om zijn goede geld aan soms enkele tulpenbollen te

besteden.

Op het bloemistencongres, den 24en Februari 1637 te Amsterdam gehouden,

waar vele groote handelssteden en kleine plaatsen van Holland

vertegenwoordigd waren, werd bepaald, dat alle contracten in 1636

afgesloten, geldig zouden zijn; dat echter koopen in 1637 gedaan met 10

procent rouwgeld zouden kunnen worden afgekocht. Dit besluit werd zelfs

door de Staten van Holland bekrachtigd, maar niemand dacht er meer aan

om tegen ongekende prijzen tulpen te koopen, zoodat voor den „dwazen”

handel het sterfuur geslagen had. Ik zeg opzettelijk „dwazen” handel,

want handel bleef er tenslotte bestaan tusschen bloemisten en

liefhebbers onderling, maar op gezonderen grondslag, en zoo ontstond

voor ons land een tak van nijverheid die een wereldsche vermaardheid

zou krijgen.

Zoo werd dus uit dien bespottelijken handel toch nog iets goeds

geboren. Lieden, die zich speciaal op de cultuur van bloembollen gingen

toeleggen, hadden gelegenheid tè over om uit hun ondervindingen

practische kennis op te doen, en zoo zullen zij zich ook wel veel

moeite gegeven hebben om uit te vinden op welke wijze zij hun voorraad

het vlugst konden vermeerderen of ook wel nieuwe verscheidenheden

winnen, opdat zij den volke steeds méér en steeds wat nieuws konden

aanbieden.

Hoe men nieuwe soorten wint en hoe vermeerdering plaats vindt? Het zou

moeilijk zijn U dit te zeggen, zonder meer van het „Tulpen-thema” af te

dwalen. Vergun me dus dat ik dit even doe.

Allereerst iets over het winnen van nieuwe verscheidenheden uit zaad,

waartoe men van een aantal Hyacinthen en Tulpen de bloemen niet plukt

of afsnijdt, hetgeen anders ter wille van de volkomen ontwikkeling der

bollen veelal wordt gedaan. Bevlogen door onze nijvere bijtjes, die het

stuifmeel van bloem op bloem overbrengen, vormen de uitgezochte

exemplaren spoedig zaadknoppen. Bij voorkeur echter brengt de kweeker

zelf met een klein penseel het stuifmeel over, waarbij hij niet aan een

enkele soort gebonden is, en bij eenig overleg gemakkelijk de

resultaten van zijn kruisingen zal kunnen controleeren.

Bij voldoende rijpheid worden de zaadknoppen afgesneden, het zaad

gedroogd om later te worden uitgezaaid in groote pannen, die een warm

hoekje in onzen tuin verlangen. Firma’s, die veel aan het winnen van

nieuwe verscheidenheden doen, gebruiken ook vaak zaadkastjes, die goed

schijnen te voldoen. Niet altijd komt het zaad vlug op, in welk geval

wij spreken van „slapen”, en des liefhebbers geduld wordt niet zelden

danig op proef gesteld. Echter acht men zich rijkelijk beloond, wanneer

zich onder de talrijke zaailingen slechts enkele verbeteringen

bevinden, d.w.z. bloemen, die de bestaande soorten in hoedanigheid,

vorm en kleur overtreffen of die althans iets bijzonders genoemd kunnen

worden. Menige fraaie Darwin Tulpensoort werd in de laatste jaren door

kruising uit zaad verkregen.

De tweede wijze van nieuwe aanwinst is er een, waaraan wij part nog

deel hebben: het zoogenaamde „verloopen”, hetgeen vooral nog al eens

plaats vindt bij Tulpen en Hyacinthen. We treffen dan ook menigmaal

tusschen een volmaakt zuivere partij een vreemdeling in Jeruzalem aan,

hoewel de bol het vorige jaar een volmaakt gelijkkleurige bloem gaf.

Nemen we eens de witte tulp „La Reine”, zacht rose getint. Danken wij

aan deze soort niet „Flamingo”, een ware rose prachttulp? Is ook niet

de zuiver witte soort „Witte Valk” (No. 14) uit haar voortgekomen? En

er zijn nog meerdere variëteiten, die „La Reine” tot moeder hebben. Ook

de dubbele vroege tulp „Murillo” (No. 32) zacht rose-wit, heeft veel

nieuws geleverd, o.a. „Schoonoord” (No. 35) zuiver wit, en „Theeroos”,

zwavelgeel. Uit de enkele vroege tulp „Duc van Thol”, scharlakenrood,

is de fraaie zustertulp „Vermilion Brillant” voortgekomen.

Wat nu de Hyacinthen betreft, eigenaardig is het te zien, hoe sommige

bloemen uit een groote partij bij tijd en wijle verbasteren, of beter

gezegd „verloopen”. Zoo stond ik indertijd voor eenige bedden beplant

met de chocolade-violet-kleurige soort „Lord Balfour” en ontdekte, dat

van eenige bloemen een paar nagels voor de helft donker-rose waren. Het

volgende jaar ontdekten wij opnieuw eenige bloemen, die deze afwijking

vertoonden, en hoewel nóg een jaar daarna bij sommige van de

verbastering niets meer te bespeuren was, en deze zoogenaamd

„teruggeloopenen”, dus tot de oorspronkelijke kleur waren teruggekeerd,

nam bij andere het verloopen dermate toe, dat een nieuwe variëteit

ontstond, de „Lord Balfour”, donker-rose.

Hoewel dit alles slechts voor den vakman waarde heeft, is het toch voor

buitenstaanders wel aardig te weten, hoe vaak nieuwe soorten ontstaan,

en zoo twijfel ik er niet aan, of ge zult eveneens iets willen weten

omtrent de voortteelt, de vermeerdering der bloembollen.

Beschouwt eens ons plaatje No. 19, voorstellende eenige Tulpenbollen,

die hun leeftijd hebben bereikt, dit is de tijd, waarop de bol èn voor

den kweeker èn voor de koopers de meeste waarde heeft. Zulk een bol

heeft veelal reeds eenige aangroeisels, dus kleine jongen

voortgebracht, die na ettelijke jaren telens, op hun beurt weêr

leverbaar zullen zijn. De allerdikste onder de leverbare tulpen noemen

wij om de vakterm te gebruiken „Moêrbollen”, en met dit materiaal houdt

de kweeker bij voorkeur zijn partijen op kracht. Met zorg behandeld,

zullen zij zich het volgend jaar bij eenigszins gunstige omstandigheden

vaak omgezet hebben in sterke jonge exemplaren, die men spoedig

leverbaar teelt.

Ook Narcissen en Crocussen teelt men zoo, en hoewel dit van Hyacinthen

eveneens mogelijk is, wordt deze methode bij die bollen niet of zéér

zelden toegepast. De vermeerdering daarvan geschiedt op geheel andere

wijze, die ik wil trachten U duidelijk te maken.

Wanneer ge onze afbeelding No. 10, „Hyacinthenbol met jongen”

aandachtig bekijkt, dan ziet ge U de methode van „hollen” en „snijden”

aanschouwelijk voorgesteld, en ik behoef er niet bij te zeggen, dat de

vermeerdering hier op ruimer schaal geschiedt dan bij andere gewassen.

Ge wilt natuurlijk weten, wat „snijden” en wat „hollen” is. Ik zal het

U vertellen.

Zoo ongeveer tegen ’t einde van Juni begint men met het rooien der

Hyacinthenbollen en worden van de partijen, waarvan vermeerdering wordt

gewenscht, een willekeurig aantal bollen afgezonderd om de

noodzakelijke operatie te ondergaan. Nu leent zich de eene soort het

best tot „snijden”, terwijl voor de andere het „hollen” de voorkeur

verdient; dat heeft de ondervinding ons geleerd. De bollen nu, die voor

het snijden bestemd zijn, worden meestal terstond onder handen genomen.

Men neemt den bol in de hand met den bodem naar boven en brengt hem

kruiselings drie insnijdingen toe tot ongeveer in ’t hart, waarna hij

eenige weken ingekuild wordt op een zonnig plekje in onzen tuin, onder

een laagje zand.

Wat nu het „hollen” betreft, hiertoe bezigt men een smal, dun en scherp

mesje, steekt dit juist bezijden den bodem (de z.g. wortelkrans) in

schuine richting tot in ’t hart van den bol, en draait daarna het mesje

handig om, zoodat den patient een kegelvormig gedeelte wordt ontnomen.

Vervolgens worden deze „geholden” gelegd in een daarvoor bestemd en

ingericht, eenigszins verduisterd lokaal, dat later bovendien nog

verwarmd wordt, op stelling of laden van hout of vlechtdraad, met de

wonden naar boven. Hier komen hen nu ook de „gesnedenen”, die

intusschen uit de inkuiling gehaald zijn, gezelschap houden.

Nu weet ge wel, dat een knol één vast bestanddeel is, zooals o.a. een

aardappel en een Begonia, terwijl een bol, zooals de Hyacinth, uit vele

schubben bestaat. Na eenige weken bespeurt ge reeds werking, en weldra

ziet ge tusschen de ruimte der schubben door de jonge bollen te

voorschijn komen. Langzamerhand wordt nu de wonde, door de operatie

ontstaan, met een aantal jongen bedekt, dikwerf van 20 tot 30 stuks, en

in dezen toestand wordt de bol in November geplant. Als ’t voorjaar

aanbreekt, ziet ge de sprietjes der jonge bollen boven den grond komen,

de oude bol echter is verdwenen. Na vier jaren telens zullen de

bolletjes hun grootste wasdom bereikt hebben.

Ziedaar iets over de vermeerdering der bloembollen. Hebt ge lust en

tijd om in October eens een kijkje te komen nemen, welnu ge zijt

welkom. Ik wil thans terugkeeren tot de Tulpen, en wat dies meer zij.

Onvergelijkelijk schoon zijn de bloeiende velden der vroege- en

Meibloeiende Tulpen, zoodat zij zich dan ook in een niet geringer

bezoek mogen verheugen dan de Hyacinthen. Ze komen met massa’s, de

bloemenliefhebbers, en de jonge dames uit de omgeving vergeten haar

mandjes niet om de bloemen te bergen, die ze den kweeker afgebedeld

hebben. Ons plaatje (No. 23) is wel een overtuigend bewijs, dat de

dames bij haar bezoek aan onze tuinen succes hebben.

In volgorde wil ik nu de verschillende klassen tulpen verder bespreken,

beginnende met de Vroege Enkele soorten, die omstreeks half April

buiten bloeien, en die alle bijna zonder uitzondering voor kamercultuur

geschikt zijn, vooral de Duc van Thol-soorten, de voorloopers buiten

zoowel als binnen. Weliswaar behooren deze Duc van Thol-variëteiten

niet tot de grootste, zéér zeker echter tot de liefste en dankbaarste.

De beste soorten zijn: scharlakenrood, zuiver wit (Maximus wit), rose

en zuiver geel; zorgt er voor, dat ze straks aan Uw collectie niet

ontbreken, en plaats 5 stuks in een gewonen bloempot.

Verder is een prachtsoort „Couleur Cardinal” (No. 13), purperrood en

zéér stevig van stengel. Dezelfde eigenschappen bezit „Pink Beauty”,

wel haast de mooiste rose variëteit. Beide soorten behooren tot de

laatste der vroegbloeienden, en zijn, in vereeniging geplant, voor

perken onovertroffen. Wonderschoon is ook de combinatie van „Witte

Zwaan”, met zuiver witte, eivormige bloemen, of „Jacoba van Beijeren”,

zuiver wit, met „Couleur Cardinal”. Al deze soorten bloeien

gelijktijdig, maar zijn om in potten te trekken wat lastig. Voor

vroegbloei zijn ze zeker niet geschikt; kiest dus voor dit doel andere

soorten.

Wanneer ge prijscouranten in handen krijgt, dan zult ge eerst gewaar

worden, hoe rijk de sorteering is, en om U het doen van een keus te

vergemakkelijken, wil ik U in volgorde der kleuren eenige

aanbevelenswaardige soorten noemen.

Rood: Duc van Thol, scharlaken; Vermilion Brillant;

Cramoisie Brillant; Belle Alliance; Grace Darling;

Maes.

Wit: Duc van Thol, maximus; La Reine, met zacht rose tint;

Lady Boreel, zuiver witte, groote en spits gevormde

bloem; Witte Valk (No. 14).

Rose: Duc van Thol; Flamingo; La Précieuse (No. 16); Le

matelas; Rose Luisante.

Geel: Duc van Thol; Gele Prins, welriekend; Golden Queen;

King of the Yellows; Mon Trésor (No. 15).

Oranje: Prins van Oostenrijk; Fred. Moore; Thomas Moore.

Violet: Proserpine; President Lincoln.

Purperkleurig: Wouwerman; van der Neer.

Met al deze variëteiten kunt ge bij eene goede behandeling ook goede

resultaten verwachten. Plant buiten eens een perkje van „La Précieuse”

met de zéér fraaie „Cottage Boy”, welke laatste eigenlijk de

oranjekleurige La Précieuse is. Ge zult eens zien, hoe mooi dit is.

Overigens zijn bij de vroege enkele tulpen nog het vermelden waard

enkele bontbladige variëteiten de z.g. „bontlof tulpen” o.a. Gele Prins

(No. 18) en Purperkroon. Het liefste tulpje vond ik daarbij steeds „Lac

van Rhein”, purper van kleur, het groene blad bijna wit gerand. Ook

onder de dubbele tulpen treft men enkele bontbladige soorten aan,

zooals Rex Rubrorum en Gele Roos. Als rand om een perk met groenbladige

tulpen doen de bontbladsoorten dikwijls dienst, voor potcultuur deugen

ze minder.

Vroege dubbele tulpen komen iets later in bloei dan de vroege enkele

soorten, zoo op het veld als in potten. Of ze mooi zijn? Gewis,

prachtig zelfs, rozen gelijk! Daar is „Murillo” (No. 32) zacht rose,

„Couronne d’or”, (No. 31) geel met oranje, „Vuurbaak” (No. 33)

schitterend rood, „Schoonoord” (No. 35) zuiver wit, „Salvator rosa”

(No. 36) donker rose, „Tournesol” (No. 34) rood, geel gerand; daar is

„Theeroos” de zwavelgele Murillo, „El Toreador” de bruinzwarte

Tournesol met oranje rand, enz. enz. Mocht ge er toe komen om te gaan

liefhebberen, dan zult ge met deze kleine keuze zeker niet bedrogen

uitkomen.

Laten we nu eens nagaan, wat de Meimaand ons verder aan tulpen biedt.

’t Zijn de z.g. Late Tulpen, waaronder zich vele schitterende soorten

bevinden, die hen wegens hun 30 à 40 cM. langen stengel tot

onovertroffen snijbloemen maakt. Zie een „Picotée” (No. 38) wit met een

fijn rose randje, hoe lief hé! En dan „Bouton d’or” (No. 40) een

middelmatig groote bloem, geel met een smal rood randje, „Retroflexa”,

(No. 41) zuiver geel met omgebogen bloembladen, „Elegans” (No. 37)

karmijnkleurig, „Isabella”, (No. 39) karmijn-rose met wit, „Gesneriana

Spathulata” (No. 42) scharlakenrood met zwartblauw hart, hoe wedijveren

ze alle in schoonheid!

En toch is er een tijd geweest, dat deze Meibloeiende en

oud-Hollandsche tulpen niet in trek waren, wat misschien wel te wijten

is aan het feit, dat ze voor het vervroegen, dus het trekken in potten,

niet geschikt zijn. In de laatste jaren is de vraag echter groot, en

vooral de Amerikanen schijnen nu op deze late tulpen te vallen, wat den

onderlingen binnenlandschen handel hier ten goede komt.

Het zijn vooral de Breeders (No. 47) de grootbloemige eenkleurige late

tulpen, waaronder er zijn met fraaie glanzende fluweelbruine kleuren,

die tegenwoordig gewild zijn, zoo ook de oude Vlaamsche bruin, rose,

violet of rood gevlamde tulpen met witten ondergrond, in het vak bekend

onder den naam van Bijbloemen violet (No. 45) en Bijbloemen rose (No.

44). Ook aan de Bizarren (No. 46), waarvan de grondkleur steeds geel

is, en die zeer eigenaardig bruin tot purper gevlamd zijn, wijdt men

tegenwoordig meer en meer aandacht. De stengels zijn zoowel van

Bijbloemen als Bizarren stevig en tamelijk lang. Het is haast

ongeloofelijk maar tóch waar, dat deze klasse van tulpen nog niet zoo

heel lang geleden bijna geen opgeld konden doen en door menig kweeker

gewoonweg werden opgeruimd. Nu wordt voor menige soort een zéér hooge

prijs betaald.

Tot de zonderlingste der laatbloeienden behooren de Parkiet-Tulpen (No.

43) wier lange, wijd van elkander staande of liever hangende

bloembladen zéér grillig zijn gedraaid en gekarteld, wat haar juist zoo

aantrekkelijk maakt. De kleuren zijn helder en sprekend, bij de soorten

Feu Brillant en Monstre Rouge fraai rood, terwijl Café brun, Markgraaf

van Baden en Perfecta eigenaardig rood met geel gevlamd zijn. Bovendien

loopt door de genoemde kleuren bij enkele soorten een frisch

groenkleurig vlammetje, hetgeen de aantrekkelijkheid nog verhoogd.

Grillig zijn ze van vorm, grillig ook wat betreft het bloeien, want

plant ge tien bollen, dan hebt ge nog geen tien bloemen! De vakman zal

U echter spoedig zeggen, wat al dan niet bloeibaar is, zoodat de

nukkigheid van dit ras U niet behoeft af te schrikken. Jammer, dat de

stengels die de fraaie zware bloemen dragen, niet al te stevig zijn,

zoodat de bloem steeds wat hangt. Ge kunt dit euvel echter gemakkelijk

verhelpen door naast de planten stokjes te plaatsen, waaraan de

stengels worden gebonden.

Bijna alle Tulpen heb ik nu besproken, maar de Darwin-Tulpen met haar

stevige en zéér lange stengels wil ik nog een bijzonder plaatsje

inruimen! Grootbloemig en schitterend van kleur als ze zijn, mogen ze

zich verheugen in de volkomen sympathie der binnen- en buitenlandsche

liefhebbers, en ook de bloemisten erkennen meer en meer de waarde dezer

klasse, omdat vele variëteiten zich laten forceeren in tegenstelling

met de andere laatbloeiende tulpen.

Gemakkelijk forceeren doen ze niet direct, maar met overleg en goede

behandeling kan ’t prachtig gelukken. Wij hebben er althans de

schoonste resultaten van gezien.

Ziet eens verderop de cultuuraanwijzingen, en weet dan, dat de

Darwin-Tulpen langer buiten ingekuild moeten blijven dan de vroege

enkele en vroege dubbele tulpen, en dat ge ze dus, wanneer ze in

October zijn opgepot, eerst half Januari te voorschijn kunt halen. Ze

houden van het volle licht, en in het begin van een matige temperatuur,

die in Februari iets opgevoerd kan worden. Meer dan 60 à 70° Fahr. is

echter niet aan te bevelen.

Ook voor perken en rabatten zijn deze tulpen zeer waardevol. Een aanleg

langs de randen van terrassen of grasvelden van kleine perkjes van

pl.m. 1 à 1½ voet, is zeer effectvol, vooral wanneer men in elk perkje

een aparte kleur plant. Dat kan geen moeite opleveren, want de

sorteering is niet gering.

Ge hebt allicht eens hooren spreken over de zwarte tulp? Welnu, het is

bij de Darwin-klasse dat ge deze aantreft. De Fransche naam, dien ze

draagt „La Tulipe Noire” (de zwarte tulp) zegt genoeg. Ook „Zulu” (No.

51) is zéér donker, bij zwart af. Van de overige soorten zijn aan te

bevelen „Bartigon” (No. 49) schitterend rood, „Madame Krelage” (No. 50)

donker lila-rose, „Pride of Haarlem” (No. 53) rose-violet en zéér

gewild, „Mr. Farncombe Sanders” (No. 54) scharlakenrood. Zuiver wit

treft men niet aan, hoewel „La Candeur” (No. 52) bij het begin van den

bloei room-wit, later wit met lila weerschijn, er het meest nabijkomt.

Verder zijn in de rose tinten vooral mooi „Baronne de la Tonnaye”,

„Clara Butt” en „Psyche”, terwijl in lila „Reverend Ewbank” en „William

Copeland” uitblinken.

Ten slotte verdienen nog vermelding de Rembrandt-Tulpen, fraai gevlamd

of gestreept. Ze zijn uit de Darwin-Tulpen voortgekomen, derhalve zeer

langstelig en bijzonder artistiek. Als nieuwe aanwinst zijn ze nog al

prijzig, alhoewel niet in die mate, dat het aanschaffen den liefhebber

zou behoeven af te schrikken.

De bloemenvelden · 第 4 / 13 题