OP WEG NAAR DE VELDEN.

Heerlijk schijnt het Aprilzonnetje, dat alle gewassen als ’t ware uit

den grond toovert. De gezwollen knoppen van struik en heester, ze

konden het in hun omhulsel niet meer houden, vandaar dat ons oog zich

reeds verlustigt aan het frissche, jonge groen.

Hoe is ’t toch mogelijk, dat er nog zooveel menschen zijn, die geen oog

hebben voor de poëzie der natuur, die wel weten, dat het in den herfst

en in Maart guur, in den zomer warm en in den winter koud kan zijn,

maar overigens ongevoelig blijven voor het nieuwe leven, dat de lente

ons brengt! Arm menschenkind, ruk U eens los uit de dagelijksche

omgeving, onderneem eens op een vroegen Aprilmorgen een wandeling, geef

Uw oogen eens de kost, en zet Uw ooren eens flink open, en wanneer ge

dan gedwaald hebt door bosch en veld, gehoord de gevederde zangers, die

om strijd hun best doen om hun Schepper te prijzen voor Zijn grootsch

werk, vertel ons dan eens, of de gansche natuur niet tot U gesproken,

niets in U wakker geroepen heeft!

Gelukkig, het meerendeel van ’t menschdom leeft nog in den waren zin

van ’t woord. Daar is de buitenman met zijn verlangen om bij tijd en

wijle eens met het drukke stadsleven kennis te maken, zoo ook de

stadsbewoner, wiens programma onvolledig zou zijn, wanneer daarop niet

voorkwam een uitstapje naar buiten, zoo mogelijk naar de velden, naar

de bloemenstad Haarlem en haar omgeving.

Ofschoon gewonnen en geboren in de bloembollenstreek en derhalve gewend

aan de telken jare terugkeerende pracht der velden, waardoor ze bij ons

niet die emotie verwekt als bij de nieuwelingen, blijven wij tóch

steeds groote belangstelling koesteren voor onze schatten. Zeker, ook

wij hebben gevoel voor poëzie, en vinden onze velden telkens weer mooi,

doch het is niet het minst het prozaïsche wat ons belang inboezemt,

n.l. de stand van het gewas, waarvan ons wel en wee afhangt.

Het is dus in beider belang, wanneer ik me bij U aansluit. Ik wil in

gedachten wel eens meetoeren met de luidjes die ons district bij

duizenden tijdens den bloei der bolletjes bezoeken. Ja meetoeren, want

in aanmerking genomen, dat ik in hoofdzaak jonge bloemenvrienden en

-vriendinnen tot gids zal dienen, dan kan de keus moeilijk op iets

anders vallen dan op het vervoermiddel bij uitnemendheid, dat ons

brengt, waar we anders nooit zouden komen: de fiets!

Vanwaar we komen, doet niets ter zake. Een feit is het, dat we peddelen

over mooie grint- en klinkerwegen, langs kronkelende vaarten en

slooten, langs heerlijk groenende weiden. Hier een boerderij, een echte

oud-Hollandsche, daar een molen, die wij nog zooveel in onze streek

aantreffen, en ginds in ’t verschiet de torens van een lieflijk dorpje,

dat we straks zullen doortrekken.

Voort, steeds voort gaat het onder vroolijk gesnap en gelach, ja, hoe

zou het anders kunnen, zelfs onder gezang, want welk echt Hollandsch

kind zou niet zingen, wanneer hij op een heerlijken lentedag zich kan

overgeven aan het genot van een heerlijken tocht, terwijl het

verfrissende windje met z’n ontbloote haren speelt?

Voort gaat het, in een regelmatig tempo, totdat we eindelijk in ’t

verschiet den grijzen toren van Haarlem’s Groote Kerk ontwaren, en nog

een flink kwartier en we zijn aangeland in de bloemenstad, in de stad

van Kenau Hasselaar, van Ripperda en Lourens Coster. We zullen ons met

die oude beroemdheden thans niet bemoeien, hoewel we Lourens Coster

(door ons in de wandeling kortweg „Louwtje” genaamd) met z’n A in de

opgeheven hand op de Groote Markt niet kunnen ontloopen. Maar dan ook

naar de velden!

In de stad zelve ontdekken we van bloemen weinig, dus moeten we naar

buiten, hetzij Zuid- of Westwaarts, en, om onze nieuwsgierigheid

spoedig bevredigd te zien, zullen wij de westelijke richting kiezen,

naar Overveen dus, naar de bakermat der oudste en vermaarde

Hyacinthenkweekers.

Welk een pracht zoo onder den rook van Haarlem! Ik kan me begrijpen dat

gij, die nooit te voren de reuzenvelden met de schoonste schakeeringen

van rood, blauw, wit, rose, paars en geel heb aanschouwd, het uitroept:

Hè, dat ’s mooi, machtig mooi! Is het niet als ’t ware één tapijt van

bloemen, waarvan ge den geur naar hartelust opsnuift?

’t Is zeer begrijpelijk, dat de bewoners van Haarlem en omstreken in

den bloeitijd bij voorkeur hun wandelingen maken langs onze velden, en,

bekend als zij zijn met het terrein, bij voorkeur langs de smalle paden

der vele vaarten en slootjes. In druk bezoek verheugt zich dan het pad

langs de Brouwersvaart, die in den goeden ouden tijd den bierbrouwers

uit Haarlem in de gelegenheid stelde om het water voor hun bedrijf aan

te voeren uit het alom bekende „Brouwerskolkje” gelegen aan den voet

der duinen te Overveen (gem. Bloemendaal). Wel is waar heeft dit voor

dat doel reeds lang afgedaan, maar tóch is „’t Kolkje” steeds als

uitspanning en pleisterplaats een attractie gebleven. Wie dan ook te

Overveen is geweest, en het „Brouwerskolkje” en het even verder gelegen

„Kraantjelek” niet heeft bezocht, die heeft veel gemist.

Dat zal van ons niet gezegd mogen worden. ’t Is nog vroeg, zoodat we

ons een kwartiertje rust wel kunnen gunnen. Bovendien, een kleine

verfrissing zal welkom zijn.

Maar dan opgestapt, want hoewel we bezwaarlijk elk mooi veld van

dichtbij zullen kunnen beschouwen, één enkelen keer willen we toch wel

eens tusschen „Flora’s” kinderen wandelen, wanneer ons daartoe de

kweeker in de gelegenheid wil stellen en daaraan niet valt te

twijfelen. Is hij goedgeluimd, dan zal hij U zelfs voorlichten, U ook

nog wel willen vertellen, dat de veilingen van Hyacinthen en Tulpen,

gehouden in het begin der vorige eeuw, de bezitters tot welgestelde

burgers maakten, waaraan men thans, bij de groote concurrentie en onder

den druk der tijdsomstandigheden, een toer zou hebben.

Daar staan we voor de eerste bloembedden, beplant met de fraaie soort

„Moreno” (No. 2), rose van kleur. Welk een prachtbloem, forsch en

statig gebouwd. „Uiterst geschikt om in potten of op glazen te

kweeken”, zegt onze geleider. Dat is ook het geval met de meer donker

rose soort „Gertrude”, die ge ginds ontwaart, en die, doordat ze iets

later in bloei komt, nog pas begint te kleuren.

„Roi des Belges” (Koning der Belgen, No. 1) is de volgende

verscheidenheid, donkerrood van kleur. Zoo groot als „Moreno” is ze

niet, maar ze is stevig van stengel, waaraan de vele nagels een mooien

en dichten bloemtros vormen.

Op het rijtje af zullen wij de volgende verscheidenheden bekijken.

„L’Innocence” (No. 3) zuiver wit, groot van nagel en stevig van

stengel, een zeer aanbevelenswaardige soort om te trekken, waarom ze

dan ook in het buitenland bij groote hoeveelheden wordt gevraagd.

Prachtig doet naast deze kleur het bijna azuur-blauw van de soort

„Queen of the Blues” (No. 4). In vorm en schoonheid is deze soort

onovertroffen, maar jammer genoeg is ze bij het forceeren wel eens

lastig. Het komt bij deze variëteit wel eens voor, dat zich de kop van

den bloemtros niet naar behooren ontwikkelt. In dit geval is het aan te

bevelen hem zoo nu en dan met een weinigje lauw water te besprenkelen.

Deze behandeling wordt echter alléén vereischt bij het forceeren, daar

zich de bloem in ’t open veld of in perken veel gemakkelijker

ontwikkelt.

En nu dit groote vak in ons gekleurde tapijt, het donkerste gedeelte

van het geheele veld. ’t Is „King of the Blues” (No. 5), een soort van

het donkerste blauw, bijna zwart, groot van bloemtros, breed van bouw

en stevig van stengel. Ook de geur is sterk, zoodat wij als vaklieden

op verren afstand reeds kunnen zeggen: Dat is King of the Blues. Ze

behoort niet tot de vroegst-bloeienden, zoo wat buiten-cultuur als het

forceeren betreft, maar voor beide doeleinden is en blijft ze een

prachtsoort. Wegens gelijktijdigen bloei is ze tevens voor perken een

prachtcombinatie met de soort „King of the Yellows”, zuiver geel.

Ten slotte nog de fraaie variëteit „Yellow Hammer” (No. 6) zuiver geel,

met een breed gebouwden, dicht met nagels bezetten bloemtros, een

soort, die wegens haar goede eigenschappen verdere aanbeveling

overbodig maakt.

Welk een rijkdom van kleuren, zoo ver het oog reikt, en ware onze tijd

niet te beperkt, gewis, we zouden gaarne onze inspectie voortzetten.

Ons doel is echter bereikt. We hebben, tusschen de bolletjes geloopen,

en... slechts gezien „een druppel aan den emmer” van wat er in ons

geheele district gekweekt wordt.

Nu nog even kijken naar enkele fraaie dubbelbloemige blauwe (No. 8), en

roode (No. 7) Hyacinthen, die wij thans passeeren, en dan terug langs

den naasten weg, langs deze sloot, aan de kanten waarvan wij de z.g.

Sloot-Irissen ontwaren, die straks met haar gele bloemen zullen

pronken.

De bollenschuur (No. 30), die wij passeeren, willen we later eens van

binnen bezien, en wel op het tijdstip, dat de bolletjes, die we thans

geïnspecteerd hebben, daar een onderkomen hebben gevonden. Niets belet

ons nu meer om onzen tocht voort te zetten, zoodat we onze stalen

rossen zullen opzoeken, en dan... Ja, iets is er, dat ik U, nu ge hier

tòch zijt, even wil laten zien; een kwartiertje moet er nog maar af,

opdat ge tevens zult kunnen meepraten over:

De bloemenvelden · 第 3 / 13 题