VOORWOORD.

Vóórdat ik me aan de aangename taak zal gaan wijden om de

aantrekkelijkheid van dit album door een passend en leerzaam bijschrift

te verhoogen, eenige regels vooraf.

Reeds deden eminente natuurkundigen, waaronder de heer Jac. P. Thijsse,

U op ruime schaal kennis maken met het rijke natuurleven, zoo in woord

als beeld. Men denke slechts aan het aantrekkelijke album „Blonde

Duinen”, e.a. Hoe is daardoor niet Uwe belangstelling opgewekt geworden

voor de schatten der natuur, waarvan ge vroeger het bestaan en de

bijzonderheden niet kendet!

Ook dit album zal staan in het teeken der „Natuur”, hoewel het

eenigszins zal verschillen van alle voorgaande. Gij zaagt U in andere

uitgaven hoofdzakelijk de z.g. „Wilde Natuur” in woord en beeld

gebracht, hier echter zult gij kennis maken met „Kinderen van Flora”,

door kundige vaklieden met zorg gekweekt, met bloembollen, knol- en

wortelgewassen, uit een bepaald district van ons land, gelegen tusschen

Alkmaar en Leiden met Haarlem, de bloemenstad, als centrum.

En waarin nu wel het verschil zal bestaan tusschen dit album en de

andere? Wel, jeugdige bloemenvrienden, leert en bestudeert ijverig de

volgende bladzijden, en de vraag zal door U zelven beantwoord kunnen

worden. Ik ben er ten volle van overtuigd, dat ge de verleiding, om de

theorie in practijk om te zetten, geen weerstand zult kunnen bieden,

dat ge weldra zult behooren tot het reeds groote aantal van

kweeklustige jonge lieden, en aanstonds Uw tuintjes en kamers zult

versieren met door U zelven gekweekte bolgewassen, zoo onvergelijkelijk

schoon.

Moge mijne profetie bewaarheid worden. Dit zal voor mij de grootste

voldoening zijn.

Komt ge, ondanks ijverige studie, voor moeilijkheden te staan, schiet

Uw kennis te kort, geen nood! Wendt U dan gerust tot mij, en waar het

in mijn vermogen is, zal ik U steeds gaarne met voorlichting dienen.

J. W. DE GROOT. Overveen, bij Haarlem.

Heusch, ik weet wel, dat gij niet allen geheel onbekenden zijt op het

gebied der bloembollen en hun kweekwijze. Daar toch hebben in menig

geval Uw onderwijzers wel voor gezorgd. Met velen van hen heb ik

indertijd kennis gemaakt. Heele „Pieten” waren er bij, die over de

bloembollen, hun groei en bloei en wat dies meer zij, zéér vakkundig

konden praten, en daarmede blijk gaven, dat zij de bolletjes niet

slechts hadden bekeken, maar ook gekweekt in hun tuinen en kamers, zoo

ook op de school.

Zij wisten in veel gevallen wel te vertellen, welke soorten van

Hyacinthen, Tulpen, Narcissen, enz., het meest geschikt waren om in

potten, pannen of kistjes, zoo ook op glazen (dit laatste slaat op

Hyacinthen) gekweekt te worden, en die dus voor kamercultuur, voor het

zoogenaamde „broeien”, ook wel „forceeren” genoemd, waren aan te

bevelen. Ja ’t is me zelfs eens voorgekomen, dat ik, onkundig als ik

was voor welk doel een Narcissensoort bestemd was, op mijn vraag of met

de soort „Poëticus” de welbekende Dichter Narcis met zuiver witte

bloembladen en een groen-geel scharlaken gerand hart, bedoeld werd, ten

antwoord kreeg: Neen, die laat zich immers niet forceeren! Ik wist

toen, dat mijn vriend wenschte de soort „Poëticus Ornatus”, (No. 66)

die iets grooter van bloem en welriekend is, maar overigens sprekend op

eerstgenoemde variëteit gelijkt.

Zij weten het dus over ’t algemeen wel, de onderwijzers, van wie de

opvoedende kracht uitgaat. Zij zijn het, die de jeugd op elk gebied tot

voorbeeld strekken, bij haar de lust voor ’t een of ander vak weten op

te wekken, en uitstapjes met hun leerlingen maken naar vele

bezienswaardigheden, waartoe ook onze streek gerekend kan worden, elk

jaar als de bloembollenvelden hun pracht ten toon spreiden.

Zonder twijfel zullen vele jeugdige lezers en lezeressen van dit album

reeds een woordje kunnen meepraten, om de eenvoudige reden, dat ze òf

in ons district woonachtig zijn òf reeds een uitstapje naar de velden

gemaakt hebben. Desniettegenstaande hoop ik, dat ze mijn verhandeling

een even welkome ontvangst zullen bereiden als zij, die den aanblik van

zooveel schoons tot nog toe moesten derven. In elk geval zullen

eenigszins ingewijden in mijn beschrijving allicht iets aantreffen, dat

hun aandacht waard is.

Hoevelen zijn er niet, die òf niets òf weinig omtrent de bloembollen

gehoord hebben, veelal omdat ze bewoners zijn van afgelegen plaatsen

van ons rijk. Wellicht weten ze wel, dat in Haarlem en omstreken

bloembollen gekweekt worden, maar nooit werd hun belangstelling voor

het schoone bedrijf door woord of beeld opgewekt. Ziet, dat is nu juist

mijn streven. Ik wil trachten hun het gemis te vergoeden, hen

medevoeren langs de velden, en iets geven van de geschiedenis der

bloembollen, hen bekend maken met de voortteelt, de kweekwijze en

meerdere bijzonderheden aan het bedrijf verbonden. Ja, ik wil zelfs

trachten kleine kweekers en kweeksters van hen te maken, en hen

dusdanig voorlichten, dat ook zij hun bolletjes in hun tuinen of in

potten, enz. met succes kunnen kweeken, en wanneer dan des winters,

sneeuw het land en ijs vaarten, grachten en slooten bedekt, dan zullen

zij hun kamers sieren met de kleurige pracht en vervullen met de

heerlijke geur van „Flora’s Kinderen”. Volg mij mijn vrienden, en

schaart U onder het reeds groote aantal liefhebbers. Heusch, gij zult

er geen spijt van hebben.

Het is in ons vak wel een eigenaardige gewoonte om de Hyacinthen steeds

voor te stellen. De tweede plaats is aan de Tulpen, en dan komen de

Narcissen, Crocussen, enz. Deze rangschikking is zonder twijfel toe te

schrijven aan de meerdere of mindere belangrijke plaats, die de

gewassen in den loop der jaren hebben ingenomen, zoo ook aan den omvang

der aanplanting.

Ook ik zal beginnen met de Hyacinthen, hoewel ik me misschien aan de

verdere volgorde niet altijd zal kunnen houden.

Allereerst een stukje geschiedenis, die m.i. wel de moeite waard is.

Weet ge wel, dat de Hyacinthen in de grijze oudheid geen onbekenden

waren? Reeds ten tijde van Vespacianus werden ze door den schrijver

Dioscorides in diens epistels vermeld. Ze schijnen echter eerst in 1596

hier te lande uit de Levant te zijn ingevoerd. Aanvankelijk waren

slechts vier verscheidenheden bekend, t.w.: enkelbloemig wit,

dubbelbloemig wit, purperrood en violet. Doch elf jaren later bestonden

er reeds elf.

Wat de enkelbloemige variëteiten betreft, deze schijnen altijd wel den

voorrang genoten te hebben, maar toch heeft men zich weleer veel moeite

gegeven om uit zaad nieuwe dubbelbloemige soorten te winnen, althans de

oude Hyacinthengeschiedenis (Anno 1613) gewaagd er van. Ook de bekende

Peter Voorhelm vermeldt ze in zijn schrifturen van 1753, en later ook

de markies de St. Simon, die over Voorhelm en zijn Hyacinthen in 1786

schrijft.

Als vakman heb ik veel in oude paperassen gesnuffeld, en onder ’t vele

goede ook veel gevonden, dat in later jaren gelogenstraft werd. Zoo

beweerde men o.a. wel eens, dat de Nederlandsche bodem voor de cultuur

der bloembollen niet geschikt zou zijn. Wanneer ooit een

veronderstelling onjuist is gebleken, dan is het wel deze, want nergens

ter wereld tieren de bloembollen zóó welig als in Holland met zijn

verschillende soorten van zand- en kleigronden.

Dat de Hyacinth nu ruim een eeuw geleden nog niet was, wat ze thans is,

zeggen ons de oude afbeeldingen, waarop de bloemtrossen voorkomen met

een geringer aantal nagels (bloemkelkjes, die samen een tros vormen).

Dank zij echter de energie der Hollanders, eerst liefhebbers, later

kweekers, handelaars en exporteurs, werd de Hyacinth, wat ze nu is.

Door zorgvuldige behandeling en door veredeling werd de bloemtros

grooter en breeder gebouwd, zoo ook dichter met nagels bezet. De

afbeeldingen in dit album getuigen ervan.

Met de verbetering der bloemen door kruisingen verkreeg men vanzelf ook

nieuwe verscheidenheden, en mag men de overlevering gelooven, dan

zouden er omstreeks 1750 reeds tweeduizend soorten bestaan hebben, een

aantal zóó respectabel, dat wij er heden ten dage, nu ons vak op zulk

een hoog peil staat, in één woord „paf” van staan.—Zoo inderdaad dat

enorme aantal heeft bestaan, dan zijn daarbij wel veel minderwaardige

geweest, die men als onbruikbaar of niet loonend heeft opgeruimd.

Dat ook verzwakking aan het verdwijnen van veel variëteiten niet vreemd

zal zijn, deden mij onlangs eenige oude plantboeken, die den stand der

cultures weergeven van 1817 tot ruim 1850, vermoeden. Prachtboeken zijn

het, wat de bewerking betreft, want het schrift (het zal nog wel met

een veerenpen geschreven zijn) is als het ware dat van een calligraaf.

Elk jaartal, waarboven het traditioneele „Anno”, is zoo prachtig

geteekend, dat het als kunstwerk kan aangemerkt worden. Vergeefs heb ik

gezocht naar den naam van den schrijver, vergeefs ook zocht ik in de

hedendaagsche bescheiden naar de meeste der soorten in de oude

plantboeken vermeld. Dat zich onder de afgestorvenen veel moois

bevonden heeft, daaraan valt niet te twijfelen. Ze hebben echter wegens

zwakheid of ouderdom naar het schijnt het voorbeeld van den schrijver

der plantboeken gevolgd, en dit ondermaansche voor goed verlaten.

„Sic transit gloria mundi”: Zoo vergaat de roem der wereld! Maar niet

alzoo die der Hyacinthen. Wel is waar kweekt men thans geen 2000

verscheidenheden, maar nog een zéér beduidend aantal, waarvan een paar

honderd als de beste handelssoorten gelden, d.w.z.: die, welke wegens

haar goede broei-eigenschappen kooper zoowel als den verkooper de

meeste voordeelen bieden, en die uit den aard der zaak dan ook in

groote hoeveelheden worden gekweekt.

Jammer dat de bolletjes evenals het menschdom niet voor ziekte

gevrijwaard zijn. Om in bijzonderheden te treden zou mij te ver

afvoeren. Het zou U moeilijk aan het verstand te brengen zijn, wat

„oud- en nieuwziek”, „zwartrand” of „snot” (lacht niet) is.—Het behoeft

U als kooper niet af te schrikken, want de kweeker waakt! Evengoed als

ge Uw huisarts hebt, die Uw krankheden na vaststelling zijner diagnose

weet te bestrijden en vaak erger weet te voorkomen, zoo ook vinden de

bolletjes hun doctoren in hun kweekers, die op de meest afdoende wijze

te werk gaan, zoo zij ten minste hun taak ernstig opvatten.

Waar gij als leek voor een bloembed geplaatst wordt en aan geen enkele

plant iets bijzonders ontdekt, daar ziet het geoefende oog van den

teeler aan een enkel stipje van enkele millimeters in doorsnede, dat de

bol niet „van harte” gezond is. Het onvermijdelijke gevolg is dan, dat

de bol met loof en al wordt uitgetrokken, ja zoo de kwaal ernstig is,

moeten zelfs de 5 of 6 geburen van den kranke hetzelfde lot ondergaan

uit vrees, dat ook deze besmet zijn en het euvel zouden doen

voortwoekeren.

Zou Uw huisarts ook zoo afdoende te werk durven gaan en U om de een of

andere reden van het leven te berooven. Mij dunkt, hij zal er zich wel

voor wachten. Nog minder zou hij het wagen zich aan Uw buurman te

vergrijpen!

Laat U echter niet afschrikken, want ’t is heusch zoo erg niet. Betrekt

slechts Uw waar van een der vele betrouwbare kweekers, want wilt ge

goeden resultaten bereiken, dan is deze maatregel hier een gulden

regel.

„IETS OVER DE WERKZAAMHEDEN” EN: „WAT HET VROEGE VOORJAAR BIEDT”.

Orde en regelmaat, ze zijn geboden in elke zaak, en niet het allerminst

in het bloembollenbedrijf, zoo men althans met succes wil werken.

Reeds in September begint men de gronden te bemesten en te spitten,

daarna de hoeken (stukken gronds met een oppervlakte van doorgaans 100

Rijnlandsche roeden) met grebben te doorschieten en te omtrekken opdat

het overtollige water worde afgevoerd. Vanzelf ontstaan nu op elken

hoek 3 of 4 akkers, terwijl elk dezer akkers weer in 20 à 30

bloembedden van volkomen gelijke afmeting wordt verdeeld, met eene

tusschenruimte van één voet om als looppad dienst te doen.

Nauwelijks is deze verdeeling gereed, of het planten der bollen neemt

een aanvang. Uit het eerste bed wordt om te beginnen de aarde tot op

een diepte van pl.m. 10 cM. verwijderd. De blootgelegde bodem wordt

gelijk geharkt en daarna met ’t een of ander bolgewas beplant. De

onderlinge afstand, waarop geplant wordt, hangt af van den aard of de

grootte der bollen, en varieert van 10 tot 15 cM.—Is nu bed No. 1

beplant, dan worden de bollen bedekt met de aarde uit bed No. 2, dat

dan weder gelegenheid biedt om het planten voort te zetten.—Bed No. 3

levert vervolgens de aarde voor No. 2, enz.

Komt in dien planttijd eens een kijkje nemen, mijn vrienden, en tracht

dan eens het schijnbaar eenvoudige werk met dezelfde nauwkeurigheid te

verrichten als onze geoefende arbeiders.—Gewis, ge zult niet aanstonds

slagen.

’t Is dien planttijd alles „haast-je, rept-je”, vooral bij kweekers met

een groot „kraam” (zoo noemt de kweeker zijn gansche bezit aan

bloembollen) omdat nà het planten en als ’t kan, vóór het invallen van

de vorst alles tevens „gedekt” d.w.z. van een rietbedekking voorzien

moet zijn, want hoewel de gewassen tamelijk winterhard zijn, verdragen

ze scherpe vorstwinden minder goed.

Zelfs tot in December kan bij open weêr nog geplant worden, en is de

taak eenmaal volbracht, dan komt voor den bollenman een kleine periode

van betrekkelijke rust. Weliswaar geven dan enkele laat-rijpende

gewassen, zooals Gladiolussen, Begonia’s, Canna’s, Dahlia’s, e.a.

eenige bezigheid, maar in verhouding tot de drukte en de

beslommeringen, die de hoofdgewassen geven, staat zulks niet.

Rust is in ons bedrijf zulk een schaarsch artikel. Zelfs de bloembol

weet er weinig van, want nauwelijks is hij zoo ongeveer tegen Juli

afgestorven, of hij toont weer neiging om wortels te maken. Vooral de

Narcis gaat aan dit euvel spoedig mank, en elke kweeker zal moeten

ervaren, dat een minder stipte behandeling van zijn „kraam” op schade

uitloopt.

Is de periode van rust voor den kweeker betrekkelijk kort, ook voor de

bol is dat het geval, want in drogen toestand is ze reeds bezig om

inwendig de bloem voor het volgende jaar te vormen. Snijdt in September

of October eens een bloembol in de lengte juist middendoor, en ge zult

reeds het beginsel van de bloem ontdekken.

Keeren wij thans nog even naar den wintertijd terug, naar den tijd van

ijs en sneeuw. Hoe merkwaardig goed verdragen onze bloembollen de reine

sneeuwbedekking—iets waarover elke bloemist zich verheugt. Zachte of

z.g. open winters zijn in ons vak niet geliefd, daar zich de

bloembollen dan te vroeg ontwikkelen en reeds in Januari of Februari

hun spruiten, of om de juiste term te gebruiken, hun „neuzen” toonen

door de rietbedekking heen, die dan eerst half, en een korte spanne

tijds later geheel moet verwijderd worden.—Komt de winter dan wat laat,

dan behoef ik U niet te zeggen, dat ’s kweekers gezicht niet al te

vroolijk staat.

Echter nóch de tijd, nóch de natuur bekommert zich om de menschen of de

belangen van den mensch. ’t Zou ook verkeerd zijn, want wat den een van

nut is schaadt den ander, hetgeen ook voor den kweeker geen nieuws is.

Kalm neemt hij de rietbedekking weg, zoodoende de beplante oppervlakte

blootleggende.

Daar ziet ge ze reeds, de jonge geelachtige „neuzen”, die wanneer ze

eenige dagen aan het volle licht worden blootgesteld, weldra de normale

groene tint aannemen. Als goed gedrilde soldaten staan ze daar netjes

in ’t gelid, een bewijs dat het planten met zorg geschiedde. Laten ze

zich rustig ontwikkelen, en in April zullen we eens terugkomen om van

de kleurige pracht te genieten. Maar al is ’t nu pas Februari en staat

Maart ook voor de deur, toch is er reeds iets te zien in ons bedrijf.

Daar is reeds de Eranthis Hyemalis (No. 113) het lieve Winter

Aconietje, dat hoewel korter van stengel, overigens onmiddellijk doet

denken aan de boterbloemen. Wat leent zich dit kleine bolgewasje

uitstekend voor vroege versiering, vooral voor randen langs de paden!

Hoe spot het niet met de winterkoude!

En wat ons nu verder nog trekt? Wel natuurlijk de Sneeuwklokjes

(Galanthus Nivalis) No. 109, U allen zoo wel bekend. ’t Is toch wel

haast het liefste goedje, dat ik ken, waarvan men er steeds eenige wil

medevoeren. Ze vragen geen zorgvuldige behandeling, ze behoeven zelfs

na den bloeitijd niet uit Uw grasveld opgenomen te worden. Plant ze

losjes of op kleine hoopjes, laat ze waar ze zijn, en ze zullen telken

jare behoorlijk op tijd terugkomen.

Lief geel Winter-Aconietje, nederig en toch zoo treffend schoon wit

Sneeuwklokje, ge hebt ons hart gestolen. Voor Uw pracht blijft de

vroege voorjaarswandelaar verrukt staan om uit te roepen: Kijk dat ’s

mooi! Dat moet ik ook ’t volgend jaar in mijn tuin hebben! Ongetwijfeld

zal hij dit eveneens zeggen, wanneer hij in Maart komt te staan voor

een prachtveld van Crocussen, die wij onder de meest geliefde

bolgewassen kunnen rekenen. Groot zijn de aanplantingen ervan, maar

enorm is ook de vraag, mede omdat ze zoo bij uitnemendheid voor

potcultuur geschikt zijn. Op een der volgende bladzijden zult ge de

cultuurvoorschriften vermeld vinden.

Wat ik U van de Sneeuwklokjes vertelde, is ook van toepassing op de

Crocussen. Ze vereischen geen zorgen, ze vragen niet, doch geven

slechts. Plant ze tusschen struikgewas, in groote grasvelden, hetzij in

perken of losjes uitgestrooid, plant ze waar ge wilt, zij zullen elk

jaar opnieuw te voorschijn komen. Ook wanneer ze zijn uitgebloeid, en

nog slechts hun grasachtig loof bezitten, kan niets hun deeren, want

zelfs voor het voortdurend maaien van ’t grasveld zijn ze ongevoelig,

wanneer de bolletjes ongemoeid gelaten worden.

Wat nu de soorten aanbelangd, daarin is de keuze groot, hoewel vele op

elkaar gelijken. Zéér fraai en rijkbloeiend is vooral de Groote Gele

Crocus (No. 106), van een zuiver goudgele kleur. Bij het forceeren in

potten moet ge echter met deze soort voorzichtig zijn, want haalt men

haar te vroeg voor den dag, dan krijgt ge meestal wel lof en geen

bloemen. Ze mag eerst dàn aan ’t licht en de warmte in de kamer worden

blootgesteld, als de gele kleur der bloemen door het witte omhulsel der

neuzen zichtbaar is.

Van de blauwe soorten (No. 103) d.w.z. van lichtblauw tot purper toe,

spant zeker „Purpurea grandiflora” wel de kroon. Deze zéér donkere

Crocus is in de blauwe tinten, wat de soort „King of the Whites” in het

wit (No. 104) is—groot en rijkbloeiend.

Zéér lief zijn ten slotte ook de „bonte verscheidenheden” (No. 105)

waaronder „Sir Walter Scott”, „La Majestueuse”, „Lothair”, enz.,

waarvan de bloemen op fraaie wijze zijn geaderd of gevlamd. Is bij de

eene soort het wit ’t meest vertegenwoordigd, bij de andere heeft het

blauw of violet de overhand.

Het is natuurlijk ondoenlijk om van elke soort een beschrijving te

geven, en ik vertrouw, dat ge tevreden zult zijn, wanneer ik U, zoodra

ik aan de cultuurvoorschriften toe ben, eenige der beste soorten noem.

Komt ge later aan de „praktijk” toe, laat me dan eens weten, of ge over

mijn keus tevreden zijt.

De bloemenvelden · 第 2 / 13 题