XXXIX

13 Januari.--Sedert twee dagen zijn wij te Dizfoel, en nog is het ons

niet mogelijk geweest een uitstapje te maken naar de ruïnen van Susa,

die ter nauwernood zes à zeven farsaks van de stad verwijderd zijn. Het

heeft sedert onze aankomst nog geen oogenblik opgehouden met regenen.

Arabistan, eene van de belangrijkste provinciën van zuid-westelijk

Perzië, wordt thans door een oom des konings, Hischmet ed-daoeleh,

bestuurd. Deze prins verandert van residentie naar gelang van het

jaargetijde: doorgaans resideert hij te Shoester, maar in de lente

vertoeft hij tijdelijk te Dizfoel, waar de temperatuur dan aangenamer

is. Gedurende zijne afwezigheid is het bestuur der stad toevertrouwd

aan een stadhouder of _naïeb loekoemet._ Deze luitenant-gouverneur, van

zijne secretarissen of mirza's vergezeld, heeft zich zeer welwillend

tot onze beschikking gesteld, en ons sterk aangeraden om te Dizfoel het

einde van den regentijd af te wachten. Inmiddels heeft hij ons wat op

de hoogte gebracht van den stand van zaken in de provincie. Volgens hem

zou Dizfoel, dat in welvaart en bevolking sterk vooruitgaat, veel meer

aanspraak hebben op den rang van hoofdstad van Arabistan, dan Shoester,

dat zeer in verval is. In de laatste jaren is de bevolking verdubbeld,

en heeft de handel zich boven verwachting uitgebreid. De omliggende

velden leveren overvloedige korenoogsten op, en de wol der kudden is

om hare fijnheid beroemd; er wordt in den omtrek veel indigo verbouwd,

die in talrijke zeer eenvoudige ververijen wordt gebruikt.

Bij zijn vertrek vroeg de naïeb mij, of ik zijne anderoens ook wenschte

te zien; op mijn bevestigend antwoord, stelde hij voor, dat zijn zoon

mij vergezellen zou. Ik kon geen beter geleider wenschen; met de meeste

voorzichtigheid voerde de aardige, tien- à twaalfjarige knaap mij over

de platte daken der huizen, die allen met elkander gemeenschap hebben,

en verzuimde bij de voorstelling geen enkel van de vele voorschriften

der etiquette.--Ons eerste bezoek gold de oudste der echtgenooten

van den naïeb. Bij mijn binnentreden stond Bibi Sham Sedjoe op:

zij reikte mij de hand en bracht die daarna, ten teeken van eerbied,

aan haar voorhoofd, mij tevens hartelijk welkom heetende. Daarop wees

zij mij een grooten houten fauteuil, die in het midden van de kamer

stond. Deze stoel heeft eene geschiedenis. Hij werd gemaakt ter eere

van Sir Kennett Loftus, toen hij, nu omstreeks dertig jaren geleden,

hier vertoefde als president der commissie voor de turksch-perzische

grensregeling. Na het vertrek van dezen diplomaat, bleef de _takht_

(troon), zoo als de dames hem noemen, onder eene dikke stoflaag

bedolven, tot de verschijning van een dier wonderlijke wezens, die op

stoelen zitten als papegaaien op een kruk, hem weer voor den dag deed

halen. Ik nam met alle deftigheid plaats. Sham Sedjoe en al de andere

dames hurkten rondom mij op den grond, en tot driemalen toe vroegen wij

elkander naar den staat onzer gezondheid. Bibi verklaarde dat zij dezen

morgen met geweldige hoofdpijn was opgestaan, maar dat de vreugde over

mijn aangekondigd bezoek en vooral mijne gezegende tegenwoordigheid

haar geheel genezen hadden. Deze woorden werden door de andere khanoems

(dames) luide toegejuicht; ik wist inderdaad niet wat te antwoorden,

en bepaalde mij tot eene beleefde buiging.--Bibi Sham Sedjoe is eene

Perzische; hare bekoorlijkheden zijn met de jaren vervlogen, maar

zij weet zeer goed het gesprek gaande te houden en haar conversatie

verheft zich wel eenigszins boven het gewone peil der gesprekken in

den anderoen. Jammer dat zij zoo onwetend is en zelfs de eenvoudigste

beginselen der geografie haar ten eenemale vreemd zijn. Zij heeft wel

eens hooren spreken van een land, Faranguistan genoemd, bewoond door

ongeloovige Engelschen en Russen, die veel varkensvleesch eten en

nog meer brandewijn drinken, maar zelfs den naam van Frankrijk heeft

zij nooit hooren noemen. Mijn kort afgeknipt haar bracht haar ook in

de meening dat Allah aan de vrouwen der ongeloovigen het sieraad der

weelderige haarlokken heeft ontzegd.--Er werd thee gepresenteerd. Het

eerste kopje werd mij aangeboden, het tweede aan mijn gids, die het

zonder aarzelen aannam: die hulde kwam hem toe als man. Daarop moesten

alle khanoems mijn witten helmhoed opzetten, om dan te schateren van

lachen, als zij, dus getooid, zich zelven aanschouwden in den kleinen

spiegel met een prachtige lijst van cederhout en ivoor. Toen de pret

lang genoeg geduurd had, nam ik mijn hoofddeksel terug en vertrok.

"Nu zullen wij mama gaan bezoeken," riep mijn jonge geleider op

blijden toon, nadat hij een bediende had gelast, den fauteuil voor

mij uit te dragen. Zijne moeder, Matab-khanoem, is van arabische

afkomst: aan haar bloed getrouw, heeft zij hare prachtige raspaarden

in hare onmiddellijke nabijheid, op de binnenplaats harer woning,

geïnstalleerd. Deze woning is met zekere pracht gemeubeld: in de

nissen langs de wanden prijken kostbare vazen en potten van echt

chineesch porselein, afkomstig uit den tijd van Shâh Abbas; tegenover

een prachtig geëmailleerden beker staat evenwel eene afschuwelijke

soepterrine van engelsch aardewerk. De fauteuil wordt neergezet op een

tapijt, zoo fijn en glad als fluweel; ik neem plaats in de nabijheid

van een ouderwetschen weefstoel. Matab-khanoem brengt haar ledigen tijd

door met het vervaardigen van die groote netten van rose en gele zijde

met gouden franje, welke de vrouwen van Susiane over haar hoofd en

haar borst slaan.--Deze dame is klein, mager, bruin van kleur en alles

behalve schoon; maar als moeder van den eenigen erfzoon des huizes,

heeft zij onbetwistbaar den voorrang boven de andere vrouwen van haar

echtgenoot. Zij was verrukt toen ik haar een compliment maakte over de

beleefdheid en de goede manieren van mijn jongen vriend: zij kon nu

niet nalaten, uit te weiden in den lof van haar zoon, haar Messaoed,

over wiens vroege ontwikkeling de mollahs verbaasd stonden.

Ik nam afscheid van Matab-khanoem en begaf mij nu langs verschillende

straten, hier en daar versperd door de ruïnen van huizen, die door de

winterregens gesmolten zijn, naar een derden anderoen. Ik mocht mij

niet over mijne moeite beklagen, want daar ontmoette ik de schoonste

vrouw, die ik sedert langen tijd gezien had, Bibi-Dordoen, de favorite

van mijn gastheer en de mededingster van Matab-khanoem. Bibi-Dordoen,

hoewel uit arabisch bloed gesproten, is mat blank van kleur, met

prachtige zwarte oogen en gitzwarte haren; haar lippen zijn wat te dik,

maar haar tanden zijn verwonderlijk schoon. Zij ontving mij met groote

vriendelijkheid, en deed mij allerlei vertrouwelijke mededeelingen,

ook omtrent haar vurig verlangen dat haar eerlang een zoon mocht

geboren worden. Reeds vijfmaal had zij haar echtgenoot een dochter

geschonken; nu hoopte zij eindelijk op een zoon en vroeg mij, in

groote opgewondenheid, of ik, eene Faranguie, eene geleerde vrouw,

haar daaromtrent geene zekerheid geven kon. Ik aarzelde niet en

voorspelde haar een zoon. Zij wierp zich om mijn hals en omhelsde mij

hartstochtelijk.--Ik heb nu genoeg van deze bezoeken en dank Messaoed,

die mij ook nog naar den vierden anderoen van zijn vader brengen wilde,

voor zijne moeite.

14 Januari.--Na een bezoek aan den ouden sheikh Thaer, den beheerder

van het kerkelijk domein der grafmoskee van Daniël, van wien

wij vergunning verkregen hebben om binnen de gewijde omwalling te

overnachten, zijn wij tegen den middag op weg getogen naar Susa. Wij

gingen over de brug en reden aanvankelijk door korenakkers; vervolgens

kwamen wij aan een dorp, en dan aan de naakte steppe. Alle kultuur

houdt op en de aarde brengt niets meer voort dan schrale struiken

en armoedige heesters, die haar kwijnend leven rekken, dank zij de

nabijheid van een arm van de Kerkha. De paarden doorwaden de rivier;

wij bevinden ons nu in eene streek, doorsneden door vervallen en

afgebrokkelde hooge dijken en bezaaid met terpen, die tot aan de kruin

zijn begroeid. De zon breekt door de wolken en werpt haar stralen op

een reusachtigen _tell_, die eene zeer groote lengte beslaat. Had

de heuvel niet zulk een vlakke, effen kruin, dan zou men aan een

natuurlijken berg kunnen denken. "Shoes!" roepen de tsjarvadars. Aan

alle kanten strekt zich de vlakte uit, met verdroogde doornstruiken

bedekt. Hoe ver mijn blik ook reikt, nergens bespeur ik een dorp,

eene tent of eene kudde: het is de woestijn in den vollen zin des

woords, de woestijn in al hare verlatenheid.

De gidsen geleiden ons naar den voet van den tumulus, waarvan de

reusachtige afmetingen ons van nabij nog meer treffen. Het graf van

Daniël ligt aan den voet, rechts van het hooge terras, in den omtrek

onder den naam van Kaleh-Shoes (vesting van Shoes) bekend. Langs het

heiligdom vloeit een modderig beekje, de Shaoer, dat op den afstand

van omstreeks tien farsaks ontspringt en in de Ab-Dizfoel uitmondt.

"Is dat het graf?

--Ja, Çaheb."

Het was waarlijk wel de moeite waard, zooveel omslag te maken,

eer wij vergunning kregen om daar binnen te komen. Het monument

beantwoordt volstrekt niet aan zijne reputatie, die jaarlijks in de

lente talrijke scharen van pelgrims naar deze plek doet stroomen. Als

men van de zijde van Dizfoel komt, ziet men een aarden muur en eene

zware poort. Men zou wanen, een versterkt dorp voor zich te hebben,

wanneer niet, midden boven de groep gebouwen, een toren in de

gedaante eener pyramide oprees, die de bestemming van het monument

aanwijst. De zijvleugels der voorhoven zijn van arkaden voorzien,

die een verblijfplaats opleveren voor de bewakers van het graf

en voor eenige herders, wier woeste honden op mesthoopen midden

op het voorplein slapen. Eene soort van gordijnen, van stengels en

palmenvezels gevlochten, beschermen de bewoners dezer galerijen tegen

den regen. De _motavelli_ (bewaarder van het graf) wees ons eerst een

verblijf aan in eene onbewoonde nis, die dus ook niet van een gordijn

was voorzien; maar op het gezicht der zwarte wolken, die met nieuwen

regen dreigden, is hij van gedachten veranderd. Na nog eens den brief

van den sheikh te hebben overgelezen, gaf hij last een klein vertrek

te ontruimen, dat onder den peristyle van het graf uitkomt en waarheen

onze bagage werd overgebracht.--Alsnu verzekerd van een droog logies,

hebben wij ezels gehuurd en in gezelschap van den _motavelli_ den

tumulus beklommen, om een blik te werpen op de plek, waar eenmaal

de koninklijke stad stond.--Immers, het is ons toch niet vergund,

het graf van den profeet te zien, en met eerbiedige bewondering het

lijk te aanschouwen van den heilige, dat niet minder dan veertig el

lang is en tien el breed ter hoogte van de schouders! Geen wonder,

dat de leeuwen van Darius bang waren voor zulk eene prooi!

Afgescheiden van talrijke golvingen en oneffenheden van den grond,

trekken drie groote, van elkander afgezonderde terpen of tumuli

aanstonds de aandacht. De aanzienlijkste van allen, die, naar het mij

voorkomt, in hoogte alle anderen overtreft, de Kaleh-Shoes, verheft

zich tot omstreeks zes-en-dertig el boven het peil van de Shaoer. De

regens hebben diepe sporen en greppels uitgehold in de hellingen,

die thans met doornen en distelen zijn begroeid, maar waarlangs twee

smalle, schier onbegaanbare paden naar de platte kruin voeren. Een

dezer paden is zeer oud en gaf weleer toegang tot de citadel. Wij

volgden dit pad, en komen na veelvuldige kronkelingen aan de poort,

waarnaast het oude metselwerk nog eenigszins de gedaante van torens

vertoont. Daarachter ligt een kleine platform, die uitloopt op een

zeer smallen weg over een hoog bolwerk aangelegd. Vermoedelijk was

dit de laatste slagboom, dien de aanvallers, nadat zij de helling

hadden beklommen en de eerste poort vermeesterd, uit den weg moesten

ruimen. Verder op begint een uitgestrekt plateau, van waar men de

vlakte en de twee naburige tumuli overziet.--Ik bevond mij dus in de

onneembare vesting, die weleer de roem en trots was der koningen van

Susa; in dien burcht, waarin zij hunne schatten bewaarden, en die na

de macedonische verovering de zetel werd van eene sterke bezetting,

bestemd om de overwonnen stammen in bedwang te houden. Van de schatten

en kostbaarheden, door de geschiedschrijvers met zoo veel ophef

vermeld, is geen spoor meer te vinden; misschien zouden opgravingen

hier belangrijke resultaten kunnen opleveren; maar voor het oogenblik

is elke herinnering aan het verleden uitgewischt.

"Gij verspilt uw tijd, zegt de _motavelli_: laat ons naar beneden

gaan en het paleis zien, zoo gij niet door den nacht wilt overvallen

worden".--De raad is goed; ik stijg te paard en wij rijden naar

den noordhoek van den tumulus, naast den weg naar Dizfoel. De gids,

het kreupelhout met sterke hand uit elkander rukkende, wijst ons de

voetstukken van verschillende kolommen, waarvan vier met opschriften

in spijkerschrift zijn versierd. Deze voetstukken, die ongeveer een

el onder de oppervlakte van den thans beganen grond bedolven lagen,

werden voor ruim dertig jaar ontdekt door kolonel Williams en door

sir Loftus aan het licht gebracht. De laatste stelde, met behulp

dier zuilen, het plan samen van een gebouw, dat aan drie zijden door

portieken was omringd en zeer veel overeenkomst had met het paleis

van Xerxes te Persepolis. De overblijfselen toonen duidelijk genoeg,

dat wij hier met een paleis uit den tijd der Achemeniden te doen

hebben; blijkens de opschriften, die allen twijfel wegnemen, werd

dit paleis gesticht door Artaxerxes Mnemon, op de plaats van een

vroegere _apadâna_ (troonzaal), door Darius gebouwd en tijdens de

regeering van een zijner opvolgers door het vuur vernield.--Verder

bezit Susa niets dan het prachtige panorama van het sneeuwgebergte,

dat de grensscheiding vormt tusschen Elam en Perzië.

Welke onnoemelijke schatten liggen wel begraven in deze reusachtige

terpen, en hoe vele menschengeslachten zijn hier wel voorbijgegaan,

sedert de vloot van Sanherib de Kerkha opvoer om Susa aan te tasten,

en sedert den noodlottigen dag, waarop de geduchte veroveraar

Assoer-banipal de vestingwerken vermeesterde, die de koningen van Elam

rondom hun paleizen hadden opgeworpen. Hoor, met hoe welbehagelijken

trots de overwinnaar zijn triomf der wereld verkondigt: "Ik heb de

stad Susa genomen, de groote heilige stad, de woonstede hunner goden,

het heiligdom hunner godspraken. Door den wil van Assoer en van Istar,

drong ik in het paleis van Oemmanaldas (den koning van Elam) door; ik

legerde mij daar in mijne heerlijkheid. Ik doorzocht de schatkameren,

waar het goud, het zilver en al de rijkdommen lagen opgestapeld, die

sedert de oude koningen van Elam tot op dezen dag waren bijeengebracht,

en waaraan nog geen vijand de hand geslagen had; ik heb er mij

meester van gemaakt als van een buit.... Den god Soesinak, die in hunne

verborgen heiligdommen woonde en wiens beeld niemand mocht aanschouwen;

de goden Soennadoe, Lagamar, Partikira, Amman-Kasimas, Oedoeran, Sapak,

die door de koningen van Elam werden aangebeden en gevreesd; de goden

Ragika, Soengoenisoer, Karza, Kirsamas, Soedoenoe, Aipaksina, Biloel,

Panintimri, Silagara, Napsa, Nalirtoe, Kindakoerboe, al deze goden en

al deze godinnen, met hunne schatten, hunne prachtige sieraden, hunne

priesters en hunne dienaren, heb ik naar het land Assoer medegevoerd,

benevens twee-en-dertig standbeelden van koningen, van zilver, goud,

brons en albast, afkomstig uit de steden Susa (Soesan), Madaktoe,

Hoeradi; het standbeeld van Oemanigas, den broeder van Oembadara,

het beeld van Istar-Nakhoenta, dat van Halloesi, dat van Tammaritoe

den laatsten koning, die overeenkomstig het bevel van Assoer en

van Istar zich aan mij onderworpen had. Ik heb ook de leeuwen en de

stieren met menschenaangezichten doen wegnemen, die het sieraad waren

der tempels; ik heb de kolossen doen wegvoeren, die de poorten der

heiligdommen bewaakten; ik heb alles verwoest tot zelfs de fondamenten;

ik heb de beelden der goden en godinnen tot gruis doen slaan. Daar

waren heilige bosschen, waarin niemand was doorgedrongen, waarvan de

bodem door geens menschen voet was betreden: mijne soldaten trokken

er in en staken de heiligdommen der goden in brand. De graven van

hunne koningen, de vroegere en de latere, die Assoer en Istar, mijne

heeren, niet aanbaden en de koningen mijne voorvaderen verontrustten,

heb ik geschonden en voor het licht der zon geopend: ik nam hunne

overblijfselen mede naar Assyrië; ik liet hunne schimmen zonder slaap,

ik beroofde hen van de gebeden der priesters. In den tijd van eene

maand en vijf-en-twintig dagen verwoestte ik het geheele land van

Elam; ik sloeg het met verderf en honger. De dochters en de zusters

der koningen, de geslachten van de vorige en van de laatste koningen

van het land Elam, de stadhouders en oversten van alle steden, die ik

genomen had, de hoofdlieden der boogschutters, de bevelvoerders, de

wagenmenners, de schildknapen, de lansdragers, de boogschutters, het

geheele leger, krijgsoversten en soldaten, aanzienlijken en geringen,

de muildieren, de ezels, de ossen en de schapen, grooter in menigte

dan de sprinkhanen, ik bracht dit alles naar Assyrië; ik nam zelfs van

het stof der steden Susa, Madaktoe en van andere heilige steden, en,

een arend gelijk, droeg ik het naar het land van Assoer. Binnen eene

maand werd geheel Elam als weggevaagd; er bleef geene samenwoning

van menschen, geen kudde van runderen of schapen, geen huisdieren,

geen bebouwde velden. Ik gaf dit land ter prooi aan de woudezels, aan

de gazellen en de dieren der woestijn, die er zich vermenigvuldigden."

Assoer-banipal verzuimt vooral ook niet, ons mede te

deelen, dat hij het beeld van de godin Nana, hetwelk sedert

zestienhonderd-vijf-en-dertig jaren in gevangenschap was in Elam, in

"een land dat haar niet was toegewijd", heeft teruggevoerd en weer

in den tempel van Oeroek heeft geplaatst.

Deze verwoesting van Elam greep plaats in het jaar 660 vóór

Christus. De oude hoofdstad Susa, waarvan de geweldige assyrische

veroveraar geen steen op den anderen gelaten had, verrees toch ruim

een eeuw later weer uit haar puinen en werd de winterresidentie van

de perzische koningen, die hier een prachtig paleis bezaten. Maar

na den ondergang der oude perzische monarchie, zonk ook Susa in

vergetelheid; Shoester, Dizfoel en andere steden werden gaandeweg

met haar puinen gebouwd. Sedert de achtste eeuw wordt de plek, waar

de aloude koningsstad stond, geheel verlaten, een woonplaats van

roofdieren en wilde zwijnen. Eéne traditie is slechts overgebleven:

het zoogenoemde graf van Daniël stelt ons nog in staat de stede aan

te wijzen, waar eeuwen en eeuwen geleden, in de morgenschemering der

historie, die elamitische koningen regeerden, voor wier macht zelfs

Babylon bukken moest.

De invallende duisternis noopt ons naar de grafmoskee terug te keeren,

waarvan de binnenplaats thans geheel ingenomen is door kudden van

schapen en geiten, welke overdag in de omliggende vlakte haar voedsel

moeten zoeken. Tevens zijn ook de bewoners van het graf teruggekeerd:

de vrouwen beladen met takkebossen en doornstruiken, de mannen met

hun stok of hun slinger gewapend. Wij trekken ons in onze kamer terug,

waar wij althans geen last van den regen zullen hebben.

15 Januari.--De bewakers van het graf van Daniël hebben getoond,

op de hoogte van hunne taak te zijn: zij hebben den ganschen nacht

gezongen, gepraat, gebeden, gerookt, koffie en thee gedronken, en

zulk een leven gemaakt dat wij geen oog toe hebben kunnen doen. Toen

zij eindelijk tot rust kwamen, zijn wij opgestaan en hebben ons naar

den derden tumulus begeven. Deze terp, van nog grooter omvang dan

de beide anderen, was vroeger ook door aarden wallen omgeven, die

nu geheel zijn ingezakt. Op last van sir Kennett Loftus zijn hier

opgravingen ondernomen, die niet veel hebben opgeleverd, en die door

de dreigende houding van de bevolking spoedig moesten worden gestaakt.

Terwijl mijn echtgenoot de terpen nog verder onderzocht, keerde ik

naar het graf terug. Er is niemand: de _motavelli_ is met Marcel

bij de terpen; de nomaden zijn met hunne kudden naar het veld;

niets verhindert mij dus om de eigenlijke grafkapel te bezoeken. De

gewaagde onderneming bleek ten slotte niet de moeite waard. De zaal,

van betrekkelijk kleine afmetingen, is eenvoudig gewit en met een

gewelf overdekt. In het midden ziet men een groot blok metselwerk in

den vorm van een sarkophaag; dit monument is omringd door traliewerk,

waarlangs de geloovigen met hunne handen strijken. Aan de vier hoeken

bevinden zich vier groote glimmende ballen of kogels, die de pelgrims

met hunne voorhoofden aanraken. Dit is alles; aan het graf van den

grooten profeet is zeker niet veel ten koste gelegd. Maar sedert den

dood van Daniël is het gebouw zeker herhaaldelijk vernieuwd moeten

worden: misschien is de mildheid der geloovigen gaandeweg afgenomen,

zoodat de profeet, die den toorn der koningen van Babylon en van Perzië

durfde trotseeren, nu met een zoo simpel graf tevreden moet zijn.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 38 / 41 题