17 Januari.--Regen, altijd regen! Onophoudelijke stortbuien hebben
ons, nu twee dagen geleden, genoodzaakt van Susa naar Dizfoel terug
te keeren; de vrees, dat de aanhoudende regens ons den overtocht
over de rivier de Konah, die de vlakte tusschen Dizfoel en Shoester
doorstroomt, onmogelijk zouden maken, heeft ons doen besluiten,
onze reis te vervolgen. Op het oogenblik van ons vertrek scheen de
lucht te zullen ophelderen, maar die verwachting werd niet vervuld,
en nog steeds daalt de regen neer, den weg in een modderpoel
herscheppende. Eene wonderlijke vertooning maken langs den weg
de gebogen, verwrongen palen van ongelijke hoogte, waarlangs de
telegraafdraad loopt, die nu eens tusschen de struiken verdwijnt
en dan weer over den grond sleept. Somwijlen zijn de palen over
eene aanzienlijke lengte door den wind omgeworpen: ik kan mij niet
voorstellen, dat de daardoor ontstane gaping bevorderlijk is aan den
goeden gang der berichten.
Toen de engelsche regeering, voor eenige jaren, vergunning verkreeg om
een telegraaflijn door Perzië aan te leggen, nam zij de verplichting
op zich, ook een draad te spannen, die bepaaldelijk voor de dienst
van den Shâh zou worden gereserveerd. Inlandsche kantoren verrezen
naast de engelsche; en de perzische telegraaf, steeds door de vreemde
deskundigen in orde gehouden, beantwoordde aanvankelijk aan alle
verwachtingen. Zeer ingenomen met deze merkwaardige nieuwigheid,
waardoor hij zich voortdurend in betrekking kon stellen met zijne
stadhouders in de provinciën, gaf Nasr-ed-Din bevel, ook een
telegraaflijn aan te leggen tusschen zijn paleis en het afgelegen
Arabistan. Dat ging nu weer den gewonen gang. In plaats van stevige
palen van gegoten ijzer, gebruikte men slechte houten palen; in
plaats van de uitmuntende engelsche toestellen, behielp men zich met
voddige machines: en de nationale lijn werd geopend. Natuurlijk werden
voorkomende gebreken of beschadigingen niet hersteld; na verloop
van een paar jaren lagen de palen tegen den grond, waren de draden
gebroken, de toestellen onbruikbaar, zoodat het goedkooper en vooral
uit het oogpunt van spoed raadzamer was, de depêches per koerier te
verzenden. Van de geheele inrichting is thans niets meer over dan de
geëmploieerden, die zoo ver het gaat vrije woning hebben en ook wel
traktement ontvangen, en wier eenige vrees is, dat de telegraaf weer
op een mooien dag in orde zal worden gebracht. Overigens zijn zij
de eenigen niet, die zich verheugen over een ongeval, dat hun een
gemakkelijk leventje bezorgt. Gedurende de weinige maanden, dat de
telegraaf in werking was, had de gouverneur van Arabistan het hard
te verantwoorden: de Shâh liet hem geen oogenblik rust. Telkens kwam
er een depêche: nu eens was het eene aanvraag om geld, dan moesten
er manschappen voor het leger worden gezonden; en steeds moest de
souverein onmiddellijk antwoord hebben, en moest aan zijne eischen
worden voldaan. Tegenwoordig is het in Arabistan weer rustig. In het
gunstige jaargetijde heeft een koerier ruim eene maand noodig om van
Teheran naar Shoester te gaan; en wanneer hij dan ter plaatse zijner
bestemming is aangekomen, heeft de Hakem (gouverneur) al den tijd
om een antwoord in gereedheid te brengen. Bovendien mag men nog op
den winter rekenen. Daar de koerier te voet de hoogste toppen van het
Bakhtiaris-gebergte moet oversteken, bestaat er alle kans dat hij in de
sneeuw verongelukt of ten minste onbepaalden tijd wegblijft. Dat zijn
altemaal redenen, die eene spoedige herstelling van de telegraaflijn
niet waarschijnlijk maken.
Ruim vijf uren na ons vertrek van Dizfoel, kwamen wij aan de omwalling
van eene voormalige stad, als zoo vele anderen verdwenen, maar nog
altijd aangeduid onder den naam Shahabâd. Vermoedelijk is dit het
oude Djundi-Shapoer, door den beroemden Shapoer gesticht na zijne
overwinning op Valerianus behaald, en belangrijk vergroot door zijn
zevenden opvolger, Shapoer Dhoe-l-Aktaf. Deze stad werd later eene
van de belangrijkste steden der provincie: haar verval dagteekent
van de dertiende eeuw, toen Shoester het toppunt van voorspoed had
bereikt. De oude stad strekte zich vermoedelijk uit tot aan den oever
eener rivier, die wij moeten doorwaden om Konah te bereiken. Er
gaat een snelle stroom, maar de voorde kan zonder bezwaar worden
gebruikt. Tegen den avond komen wij aan den rechter oever en nemen
onzen intrek in eene karavanserai, waarvan het dak verdwenen is;
een donker gat onder eene trap is de eenige plaats, waar men voor
den regen veilig is, en waar wij dan ook eene toevlucht zoeken.
18 Januari.--Het heeft van nacht gedonderd en hard gewaaid; bij het
aanbreken van den dag was de hemel helder, en lag het dorp Konah voor
ons, in een krans van tuinen, te midden van eene bloeiende vlakte,
en bestraald door het tooverachtige licht der zon. Het mooie weer
werkt allergunstigst op de gemoedsstemming onzer muilezeldrijvers en
onzer zaptiëhs, welke laatsten uit louter pret eene aardige fantasia
uitvoeren.
Omstreeks vier uren in den middag bespeuren wij aan den horizon
de stad Shoester, evenals Dizfoel aan den oever eener rivier, de
Karoen, gebouwd en mede in het bezit eener brug uit den tijd der
Sassaniden. Weldra kan ik de geëmailleerde koepels, de spitse daken
van grafmonumenten onderscheiden, alsmede de stompe minaret van de
masdjed Djoema, en eindelijk, links, aan den zoom der rivier, het
antieke kasteel Selasil. Volgens de overlevering, die bij het volk nog
niet vergeten is, zou de gevangene van Shapoer, de ongelukkige keizer
Valerianus, tien jaren lang achter deze muren hebben doorgebracht. Als
zijn overwinnaar te paard steeg, moest hij zich ter aarde buigen en
als voetbank dienen.
De brug van Shoester dient tevens als stuw. Zij volgt niet de rechte
lijn, maar beschrijft allerlei krommingen, om voor haar pijlers gebruik
te kunnen maken van rotsbeddingen op den bodem der rivier. In de oogen
van Marcel is zulk eene brug een gruwel: mij behaagt deze afwijking
van den regel wel. Mogen wij de overlevering gelooven, dan zou de brug
door een romeinsch ingenieur, mede een krijgsgevangene van Shapoer,
zijn gebouwd. Deze beroemde koning zou ook de stad zelve hebben
gesticht, of althans vergroot en verfraaid. Met behulp van romeinsche
gevangenen verbeterde en regulariseerde hij den loop van de Karoen,
liet stuwen en kanalen aanleggen en de omliggende landen in vruchtbare
velden herscheppen. De grond van Khoesistan (zoo heette destijds het
tegenwoordige Arabistan) was buitengewoon vruchtbaar en loonde met
honderdvoudigen oogst de vlijt van den landbouwer. Dit vruchtbare land
wekte dan ook de begeerlijkheid op der Arabieren; maar de inwoners van
Shoester boden den vijand een hardnekkigen tegenstand. In een bloedig
gevecht drongen de soldaten van Bassorah en Koefah tot bij de poorten
der stad door; en de perzische bevelhebber, gedwongen terug te trekken,
verloor op een dag meer dan elfhonderd zijner manschappen. Ondanks den
moed der Arabieren dreigde het beleg toch zeer lang te zullen duren,
toen zich een Pers in het kamp der belegeraars aanmeldde en aanbood,
den vijand den toegang tot de stad te openen. Hem werd lijfsbehoud
toegezegd, mits zij zich tot den Islam bekeerde. De verrader, van
een arabisch soldaat vergezeld, doorwaadde de Karoen en bereikte
eene uitstekende rotspunt, die de geheele stad en het kamp van den
perzischen generaal bestreek. Nadat hij was teruggekeerd, zond Aboe
Moessa, de arabische opperbevelhebber, veertig man uit, op korten
afstand gevolgd door eene afdeeling van tweehonderd soldaten, met
last om, begunstigd door de duisternis, den renegaat te volgen. De
Arabieren drongen in de stad door, doodden de schildwachten en
beklommen de wallen. De perzische generaal, door dezen onverwachten
aanval verrast, trok in de citadel terug, waar al zijne schatten waren
geborgen. Vroeg in den volgenden morgen trok Aboe Moessa met zijn
gansche leger over de rivier en bezette de stad. De perzische generaal
vroeg om lijfsbehoud, maar dit werd hem geweigerd, zoolang de Khalief
daaromtrent geene uitspraak had gedaan. De bezetting van de citadel,
die de wapenen niet wilde overgeven, werd gedood; vele inwoners der
stad doodden met eigen hand hunne vrouwen en kinderen en wierpen zich
zelven in de rivier, ten einde aan de woede des vijands te ontkomen.
In later eeuw moest de oude hoofdstad van Shapoer bukken voor de
macht der Mongolen. Nadat Hoelagoe-Khan Bagdad had ingenomen, zond
hij een zijner krijgsoversten, Timoer-Beg, naar Shoester om dat te
veroveren. De burgers der stad, wetende met wien zij te doen hadden,
trokken den mongoolschen generaal te gemoet met levensmiddelen en
geschenken, en boden hem hunne onderwerping aan. Timoer-Beg bleek
beter te zijn dan zijne reputatie: ondanks de aansporingen van enkelen
zijner officieren, die met Shoester wilden handelen als met zoo menig
andere stad, verbood hij zijn soldaten, eenig geweld te plegen.
In het begin van de negende eeuw van de Hedsjra verscheen de emir Nedjm
ed-din Mahmoed el-Amali, uit het geslacht van Ali, in de oude hoofdstad
van Khoesistan, en nam er de dochter van den overste der sherifs tot
vrouw. Hij vestigde zich nu voor goed in Shoester, en wijdde zich
geheel aan de prediking en verspreiding van de leer der Sjîiten,
waarvoor het hem gelukte, een deel der inwoners te winnen. Onder de
eerste koningen uit de dynastie der Sofis werd het door Nedjm ed-din
Mahmoed begonnen werk door Seïd Noer Allah Mirashi, het hoofd van de
aristokratie der Aliden, voltooid; en van nu af was Shoester een der
brandpunten van het sjîitisch fanatisme. Aan dien vurigen geloofsijver
dankt men het groot aantal moskeeën en grafteekenen in alle wijken
der stad.
Wij overschrijden de monumentale brug over de Karoen en trekken
Shoester binnen. Wij bevinden ons in eene groote straat, door
winkels omzoomd, waar citroenen en dadels worden verkocht. Het is
hier zeer druk, en weldra verdringt zich om onze kleine karavaan eene
nieuwsgierige menigte, aan wier bewijzen van belangstelling wij ons
zoo spoedig mogelijk onttrekken. Wij rijden nu door een doolhof van
nauwe straten en stegen, waarvan de huizen voor het meerendeel niets
dan ruïnen zijn, en komen eindelijk op een plein, waarop het paleis
staat van den gouverneur der stad, den seyed Assadoellah-Khan. Wij
betreden een ruime vestibule, waarin geketende roovers en moordenaars
rustig zijn neergezeten, in vriendschappelijk gesprek met de
bedienden van den Khan. Vervolgens komen wij op eene binnenplaats,
waar eene wacht van soldaten is opgesteld; ik beklim eenige treden
en kom in een met palmen beplanten tuin, aan de andere zijde door
een ruimen talâr (overwelfde zaal) begrensd, die op een breed terras
uitkomt. Een verrukkelijk schoon panorama ontvouwt zich hier voor
onzen blik. Tegenover mij, op omstreeks tweehonderd el afstand,
verrijst een hooge muur van roodachtige rotsen, die de bloeiende
vlakte schijnen te dragen, terwijl haar voeten door de wateren van
de Karoen worden bespoeld. Ik buig mij over de borstwering om de
kronkelingen van de rivier te kunnen volgen, en nu blijkt het mij,
dat het paleis van Assadoellah-Khan door een dergelijken rotsmuur
gedragen wordt. De ruimte tusschen de beide rotswanden wordt evenwel
niet geheel door de rivier ingenomen: aan de linkerzijde bevindt zich
een aangespoeld terrein, dat met prachtige palmen is bedekt. Ondanks
hunne afmetingen, zouden de boomen in de diepe kloof bijna verdwijnen
en zou hun groen gebladerte samensmelten met de donkere kleur der
wateren, zoo niet hier en daar de rijk met gouden vruchten beladen
oranjeboomen schakeering in de massa brachten en het oog trokken.
19 Januari.--Volgens eene muzelmansche traditie moet hij die zich
gedurende zijn leven langs oneerlijke wegen, ten koste van zijn
naaste, verrijkt heeft, voor den eeuwigen Rechter verschijnen,
gebukt onder den last van het onrechtvaardig verkregen goed. Is dat
zoo, dan zullen ten dage waarop de gouverneur van Arabistan voor den
goddelijken rechterstoel moet verschijnen, de goede of kwade engelen
hem moeten helpen om eene vracht te dragen, die voor menschelijke
schouders niet te torsen is. Sedert onze komst vernemen wij niets
dan klachten en gemor. De provincie wordt verdrukt en uitgezogen;
de kooplieden en kleine pachters zijn aan de uiterste ellende ten
prooi. De belastingen zijn verdubbeld; de huizen vallen in puin, en de
eigenaars zijn buiten machte om ze te herbouwen; de boeren verlaten het
land, dat hun geen droog brood oplevert; de vermogende grondeigenaars
planten geen palmen of suikerriet meer; de stammen vluchten met
hunne kudden naar het gebergte; de kanalen raken verstopt; de dorpen
worden ontvolkt, en de Shâh Zaddeh legt elken dag nieuwe lasten op,
die door het uitgemergelde volk niet kunnen worden opgebracht. Hoe
is in dien toestand verandering te brengen? Zelfs de stoutmoedigsten
wagen het niet, zich rechtstreeks tot Zijne Majesteit te wenden; de
meer vreesachtigen durven zelfs hunne oogen niet opslaan tot Hishmet
ed-daoeleh, een prins van den bloede, oom des Konings, een machtig
en hardvochtig heer. Maar allen wenden zich tot ons, en smeeken ons
de tolken te willen zijn hunner klachten en smeekingen, nadat wij
Arabistan verlaten zullen hebben.
Die twee klokken hoort luiden, hoort tweeërlei geluid. De koorts
verhinderde mij, mijn echtgenoot te vergezellen toen hij zijne
opwachting ging maken bij den Shâh Zaddeh; bij zijne terugkomst, deelde
Marcel mij zijn wedervaren mede. De gouverneur van Arabistan gaf hem te
kennen dat zijne onderhoorigen blinde, hartstochtelijke dwepers waren,
zeer trotsch op hun godsdienstigen adeldom, gierig, leugenachtig, dom
en in geen enkel opzicht te vertrouwen. Wien moeten we nu gelooven? Men
zou zich langen tijd in het land moeten ophouden, om te weten, wie
het hardst liegt, de gouverneur of zijne onderhoorigen. Dit is zeker,
dat Shoester er alles behalve welvarend uitziet: overal uitgestorven
buurten, verlaten huizen, die in puin storten. Hier en daar ziet men
nog, in sombere armoedige kamers, een hoogst eenvoudig weefgetouw,
waarop tapijten vervaardigd worden, of ook wel die wit en blauw
geruite stoffen, waarmede de vrouwen van de kleine burgerij zich
omhullen, als zij op straat verschijnen; maar over het algemeen is
het in de stad doodsch en stil. Eene enkele wijk maakt daarop eene
uitzondering: de buurt langs de rivier, beneden de brug, die tevens
tot stuw dient. De wateren van de Karoen, door een dam opgehouden,
brengen eene lange reeks van molens in beweging, waarin tegen zeer
geringen prijs het meel van de geheele landstreek wordt gemalen. Deze
kleine industrie daargelaten, is zoowel de landbouw als de handel der
provincie dood. En toch zou het niet zoo moeilijk zijn, aan dit van
nature zoo vruchtbare land zijne vroegere welvaart en aan de hoofdstad
van Arabistan haar vroegeren bloei te hergeven. Op een aantal plaatsen
ziet men nog de ruïnen van waterwerken, onder de Sassaniden aangelegd,
om voor eene behoorlijke besproeiing der velden te zorgen. Maar die
werken zijn bijna allen verwoest; de irrigatiekanalen, op enkele
uitzonderingen na, uitgedroogd en verzand. Eene provincie, door een
der schoonste rivieren van het Oosten besproeid, heeft geen water
om haar velden te drenken en is slechts voor een klein gedeelte ter
bebouwing geschikt. Dit alles zou moeten veranderen; de waterleidingen
zouden hersteld, de velden in kultuur gebracht moeten worden; daar
zouden communicatiewegen geopend moeten worden naar Ispahan en naar
de Perzische-golf.... Maar het in doffen slaap verzonken volk zal dat
niet doen, en de regeering, die zich om niets bekommert, nog minder.
20 Januari.--De gouverneur had den wensch te kennen gegeven, zich aan
het hoofd zijner troepen te laten photografeeren; er was bepaald dat
ik daartoe heden morgen naar het paleis zou gaan, maar de aanhoudende,
uitputtende aanval van koorts maakte dat onmogelijk. Marcel heeft
den toestel genomen en zich naar de citadel begeven, vergezeld van
Mirza Bozorg, den vertrouwden secretaris van Zijne Excellentie. Deze
secretaris draagt een tulband van blauw gaas met gouden strepen,
zooals alle rijke burgers der stad, die niet het recht hebben om
den rouwtulband te dragen, waarmede de sjîitische afstammelingen van
Mohammed zich het hoofd bedekken, ter herinnering aan den gewelddadigen
dood van Hassan en Hosein.
De Kaleh Selasil, de officieele residentie van den gouverneur van
Arabistan, is op een reusachtig plateau gebouwd, langs welks voet
het afleidingskanaal van de Karoen vloeit, onder den naam van Shetet
bekend. De citadel wordt aan de stadzijde verdedigd door vestingwerken
uit den tijd der Sassaniden. Alleen het onderste gedeelte der muren
is van steen; het bovenste en de bolwerken zijn van hedendaagschen
oorsprong en dus slechts van aarde saamgesteld. Te oordeelen naar de
gemakkelijkheid, waarmede in deze vestingwerken een bres kan worden
gemaakt, zouden deze muren, in geval van nood, den verdedigers
der citadel van luttel dienst zijn. Daar zich voor het paleis een
vuile poel uitstrekt, waartoe de paarden, voor de poort gekampeerd,
mede het hunne bijdragen, en het voetgangers nagenoeg onmogelijk is,
de poort te bereiken, gaf de mirza aan vier soldaten last, een gat in
den muur te breken: door deze opening hielden Marcel en zijn geleider
hun intocht in het kasteel van Shapoer.
De eerste binnenplaats levert een tooneel van onbeschrijfelijke
wanorde. Zij is door kazernen omringd, die tegen den buitenmuur
zijn aangebouwd en waarin de soldaten van het garnizoen zijn
gehuisvest. Daarachter loopt een kanaal, dat in de rots is uitgehouwen
en door de Karoen wordt gevoed; bij eene belegering konden de
verdedigers der citadel zich dus steeds van water voorzien. Het
gebouw, dat thans het plateau kroont, herinnert in geen enkel opzicht
aan den ouden burcht der Sassaniden: het is een eenvoudig paviljoen,
door open terreinen omgeven, die vroeger als tuinen waren aangelegd,
maar thans zonder boomen, gras of bloemen. De zalen en vertrekken
hebben gewitte muren; de naakte bodem is belegd met strooien matten
en tapijten; de deuren van ongeverfd hout hebben geene andere
sluiting dan die kettingjes, die door een kram in den bovendorpel
worden gestoken. Daarentegen heeft men van de balkons een prachtig
gezicht op de rivier, het kanaal van Shetet, de bergen en drie of
vier grafmonumenten met blauwe koepels.
De Hakem wachtte mijn man met ongeduld. Niet zoodra was hij verschenen,
of de binnenplaats en de tuin vulden zich met vijf- of zeshonderd
manschappen, voor het meerendeel in lompen gehuld, de zorgvuldigst
uitgedosten gekleed in die versleten afgedragen lakensche uniformen,
die, naar men haast zou meenen, de oude kleerenhandelaars in Europa
zich beijveren in Perzië te verkoopen. De zwarte bonte muts,
met een koperen plaat versierd, waarop de leeuw en de zon zijn
gegraveerd, en de min of meer gelijke bewapening moeten aan dit
samenraapsel althans een zeker militair voorkomen geven. Met het
scharen dezer manschappen in twee gelederen en het plaatsen van
de vuilsten en de wonderlijkst toegetakelden in het tweede gelid,
gaat een uur verloren. Daarop kommandeeren de officieren eenige
moeielijke manoeuvres: "Presenteert het geweer!--Op schouder!--Plaats
rust!"--En terwijl deze ingewikkelde manoeuvres, op hun uiterste gemak
en met de meest mogelijke persoonlijke onafhankelijkheid, door de
manschappen worden uitgevoerd, ontvangt iedere officier, uit handen
van een achter hem geplaatsten oppasser, eene brandende pijp; steekt
zijn degen op; en doet met wellust eenige trekken, kijkt de blauwe
rookwolkjes na, en geeft dan de pijp aan zijn oppasser terug. Nadat
de groote manoeuvres waren afgeloopen, plaatste de Hakem zich aan
het hoofd zijner troepen, en nu begon de gewichtige operatie van
het photografeeren. De plechtigheid eindigde met een défilé, waarbij
alles op de beminnelijkste wijze door elkander liep. De Keizer van
Rusland mag wel zorg dragen, dat hij nooit met het perzische leger
te doen krijgt!
21 Januari.--Ik zou bijna geneigd zijn te gelooven dat Hishmet
ed-daoeleh gelijk had, toen hij zijne onderhoorigen afschilderde
als onverdraagzame en onhandelbare dwepers. Ondanks alle moeite en
de meest beleefde verzoeken, is het ons niet mogen gelukken, toegang
te verkrijgen, hetzij tot de masdjed Djoema, een antiek gebouw, dat
in grooten reuk van heiligheid staat, hetzij tot het grafmonument
van Abdoella Banoe. Op allerlei wijze laat men ons gevoelen, dat wij
hier eigenlijk te veel zijn en dat men niets liever wenscht dan ons
te zien vertrekken. Het wordt dan ook hoog tijd om aan de terugreis te
denken: de regen houdt nog steeds aan en maakt tochten door de schaars
bewoonde streken onmogelijk; wij lijden beiden aan koorts, en ik ben
zoo uitgeput, dat ik ter nauwernood op mijne beenen staan kan. Mijne
handen beven onophoudelijk; ik ben onverschillig geworden voor al
wat mij omgeeft, en koester nog: slechts eene gedachte: naar huis ...!
25 Februari. Weken lang heeft mijn dagboek gerust. Toen ik het dek van
de _Escombrera_, de boot waarmede wij thans de wateren der Roode-zee
doorklieven, had beklommen, waren mijne laatste krachten uitgeput en
zonk ik machteloos neder. Volstrekte rust en ongestoorde slaap hebben
mij althans weer in zoo verre hersteld, dat ik weer deel kan nemen
aan het leven in mijne omgeving, en ook weer mijne aanteekeningen op
het papier kan brengen. En dan--wij zijn op weg naar het vaderland:
die gedachte alleen is voldoende om mij met nieuw leven te bezielen.
Mij rest nu nog alleen, in korte woorden, verslag te geven van het
laatste gedeelte onzer reis na ons vertrek uit Shoester.
Wij verlieten die onherbergzame stad den 22 Januari, en bereikten des
avonds, na den geheelen dag door eene groene vlakte te zijn getrokken,
een kamp van nomaden, waar wij gastvrij ontvangen werden. Het was
wel wat vol in de ruime tent van den sheikh, want met het oog op den
dreigenden regen heeft men ook de paarden, de koeien, de lammeren
en het gevogelte in de tent opgenomen; maar toch ruimt men ons een
plaatsje in. De stam is arm en wij moeten ons vergenoegen met een
souper van gestremde melk.
Den volgenden dag voerde onze weg door eene lage overstroomde vlakte,
die in een moeras was herschapen. Omstreeks vijf uren begon de
duisternis te vallen. Alleen het plassen der paarden en muilezels
door het water verbrak de doodsche stilte. Op tenten viel niet te
rekenen. Ik was koud, ik was dood moede; en de gedachte dat ik op nieuw
een nacht in het water zou moeten doorbrengen, vervulde mij met schrik.
"Ik hoor geblaf!" riep Marcel eensklaps uit.
Die lieve honden, zij zijn al te gader kwaadaardig, woest, schurftig,
maar toen zou ik ze toen hebben kunnen omhelzen en aan mijn hart
drukken. Om tien uren kwamen wij aan een kamp van nomaden, waar wij
ten minste in eene tent konden overnachten.
Van dit kamp tot aan Veïs is de weg bezaaid met ruïnen van
verschillende gebouwen uit den tijd der Sassaniden. Veïs is het eenige
dorp van eenig belang, dat wij sedert ons vertrek van Shoester hebben
ontmoet; het drijft een vrij levendigen handel met Mohammerah. De
huizen zien er vrij netjes uit, en de talrijke kudden van schapen en
runderen getuigen voor de welvaart der bewoners.
Onze vierde en laatste étappe bracht ons te Awas, thans een armzalig
gehucht, maar vroeger, in den tijd der Sassaniden, eene groote
bloeiende stad lag. Wij kunnen onzen tocht naar het zuiden niet verder
voortzetten: de geheele vlakte staat onder water. Wij moeten dus hier
afscheid nemen van onze paarden en onze tsjarvadars, en onze reis te
water vervolgen. Na veel moeite en haspelen, bezorgt de sheihk van
Awas ons een vaartuig, waarmede wij de Karoen zullen afzakken tot
Mohammerah. De boot is wel erg smal, en wij moeten niet veel beweging
maken, willen wij haar niet doen kantelen, maar wij naderen toch
gaandeweg de plaats onzer bestemming. Te Mohammerah huurden wij een
ander vaartuig en zetten koers naar Bassorah. Die tocht duurde niet
lang: toen het vaartuig de monding van de Karoen naderde, bespeurde
ik op den Tigris eene fraaie boot, van wier mast de driekleurige vlag
waait. Dat was de _Escombrera_, de boot, waarop ik voor onze terugreis
had gerekend. Onze roeiers spannen al hunne krachten in, om de boot
te bereiken, die op het punt staat haar vaart te vervolgen. Missen
wij haar, dan moeten wij ruim eene maand wachten of naar Indië gaan,
om daar eene andere gelegenheid te zoeken. Gelukkig komen wij nog
bij tijds: wij stijgen aan boord en groeten met verrukking het het
einde van al onze beproevingen.