26 December.--Te Hillah hebben wij afscheid genomen van kolonel Gérard,
die zich naar Kurdistan begeeft, terwijl wij een uitstapje zullen
maken naar de heilige stad der Sjîiten, met haar beroemde school,
waar de ijverige studenten somwijlen twintig jaren doorbrengen met
theologische studiën. Wij volgden den oever van een kanaal, dat Hillah
met Kerbela verbindt, en waarop talrijke zeilvaartuigen het kalme water
klieven. Het met vele slooten doorsneden land is thans eentonig geel
van kleur en herinnert door niets meer aan den overvloedigen oogst in
de jongste lente. Zoo ver het oog reikt, is geen enkel huis of dorp
te zien; maar op twee uren afstands van Babil komen wij aan de bruine
tenten van een aan den oever van het kanaal gekampeerden stam. Eene
dezer tenten onderscheidt zich van de andere door hare grootte, door
de ruimte die rondom haar is vrijgelaten, en vooral door de aan een
lange lans bevestigde vlag voor de voornaamste opening: dit laatste
is het teeken van het opperhoofd van den stam; de sheikh alleen heeft
het recht zulk eene vlag voor zijne woning te plaatsen.
Te vergeefs verhaast de karavaan haar tocht; de zon, achter wolken
verscholen, daalt ter kimme, de duisternis neemt hand over hand toe,
en wij zijn nog zeer verre van het palmboschje dat de gidsen ons
sedert ons vertrek hebben aangewezen als het punt waar het pad van
Hillah den weg naar Kerbela raakt. Van oogenblik tot oogenblik wordt
de hemel donkerder; groote zwarte wolken, door den wind aangevoerd,
drijven boven ons hoofd; een fijne regen daalt op ons neer; het
wordt steeds moeilijker, den weg te volgen, en weldra dwalen wij
in den blinde rond tusschen de half met water gevulde slooten en
drassige, met gras en biezen begroeide poelen. Van onze bedienden
hebben wij geen hulp te wachten: is een oostersche gids eenmaal het
spoor bijster, dan is hij ook zijn hoofd kwijt en is veeleer tot last
dan tot hulp. "De gewapenden moeten altijd aan de spits gaan van eene
verdwaalde karavaan," zeggen onze muilezeldrijvers; en naar dien regel
handelende, scharen zij zich achter ons, en laten het aan ons over,
een nachtverblijf op te sporen. Al hadden wij nu de oogen van een lynx
bezeten, dan zouden wij nog niet in staat zijn geweest, de richting te
onderscheiden van dat sedert vele uren gezochte palmboschje, indien
niet eensklaps vier zwarte schimmen nevens ons waren opgedoemd. Wij
hielden reeds onze geweren gereed, terwijl onze bedienden verschrikt de
vlucht namen en zich in de booten verscholen; maar ons laatste uur had
nog niet geslagen. De geheimzinnige gedaanten blijken houthakkers te
zijn; de gidsen, van hun schrik bekomen, bewegen een dezer nomaden om
ons naar het naaste dorp te geleiden, waar wij eindelijk aankomen. Een
karavanserai, te midden van een door walmende lampen verlichten
bazar, zal ons tot nachtverblijf dienen. Het was hoog tijd dat wij
een onderkomen vonden, want de regen valt bij stroomen neer.
27 December.--Bij het opgaan der zon trokken wij over eene schipbrug,
die de beide oevers van den Euphraat verbindt, en kwamen eindelijk op
den weg naar Kerbela. Het karakter van het landschap verandert nu ten
eenemale; de kale naakte vlakte wordt vervangen door prachtige tuinen,
die door diepe slooten en muren tegen moedwil en balddadigheid zijn
beschermd. De weg, door boschjes van palmen en oranjeboomen omzoomd,
daalt voortdurend en slingert te midden van statig frisch geboomte. Het
is druk genoeg op den weg, en de voorbijgangers bejegenen ons niet
vriendelijk: toch komen wij zonder hinder aan de heilige stad van
Hosein. Voor eene min of meer monumentale poort strekt zich eene ruime
vlakte uit, schier geheel ingenomen door deels voltooide, deels half
afgewerkte grafzerken. De steenhouwers, op hunne hurken gezeten,
wachten de komst van een lijkstoet af en bieden dan hunne koopwaar
aan. Na lang loven en bieden, als de koop eindelijk gesloten is,
beitelen zij onverwijld den naam van den overledene en die zijner
ouders en kinderen op den steen, opdat de ter aarde bestelling zoo
spoedig mogelijk kunne plaats hebben.
Wij richten nu onze schreden naar de poort, maar worden tegengehouden
door schildwachten, die onzen gidsen op norschen toon bevelen, terug
te keeren en een andere minder volkrijke buurt te kiezen, ten einde de
tegenwoordigheid van ongeloovigen de pelgrims niet ergere. Er heerscht
eene buitengewone opschudding en verwarring bij de muren, omringd door
tallooze bedevaartgangers, die geen onderkomen kunnen vinden in eene
karavanserai. Wij trekken eindelijk door eene poort, die naar een ruim
plein voert; onze gidsen brengen ons naar een armoedig huis, waarvan
de kamers uitzien op eene modderige binnenplaats, door kakelende
kippen bevolkt. Kerbela is eene stad, die door tal van vreemdelingen
wordt bezocht: er is dus stellig eene betere karavanserai, maar onze
gidsen oordeelen het raadzaam, ons niet in aanraking te brengen met
de dweepzieke, door de toespraken der mollahs opgewonden pelgrims. Na
bezit te hebben genomen van onze kleine kamers, begeef ik mij naar
het platte dak, om een blik te werpen op de stad. Ter linkerhand
verheffen zich de vergulde minarets en de koepel van de grafmoskee
van Hosein; rechts zie ik een anderen koepel, met blauw, geëmailleerde
tegels bekleed.
Zoo ooit, dan komt het er nu op aan, al ons diplomatiek talent
te gebruiken, want het geldt niets minder dan de toelating in een
heiligdom, dat door de Perzen nog hooger wordt vereerd dan zelfs de
Kaäba te Mekka. Wij hebben ons dan ook gewapend met verschillende
brieven van aanbeveling, aan de kerkelijke, burgerlijke en militaire
overheden gericht, wier medewerking wij noodig kunnen hebben.--In de
eerste plaats gaan wij een bezoek afleggen bij den consul van Perzië,
een grijsaard van vier-en-tachtig jaar, die bij onze komst door een
aantal mollahs en andere lieden is omringd. Hij zendt die allen weg,
en nu met zijne huisgenooten en ons alleen gebleven, laat hij den
_klid dar_, den bewaarder van den sleutel van het graf, van onze komst
verwittigen. De bode keert terug met de tijding, dat de _klid dar_
naar buiten is gegaan en niet voor het einde van de week in de stad
terugkeert. Dat is een slecht voorteeken, want ieder begrijpt dat de
afwezigheid van den sleutelbewaarder maar een praatje is: de consul
stemt dan ook zijn toon wat lager en beklaagt zich over de moeilijke
en onaangename positie van de Perzen in aziatisch Turkije, daar zij
genoodzaakt zijn, zich aan de willekeur der turksche ambtenaren te
onderwerpen. Hij eindigt met ons eenvoudig naar de turksche overheid
te verwijzen. Hoe vreemd ons dit ook in de ooren klinke, daar er
hier sprake is van eene sjîitische moskee, haalt mijn echtgenoot
een brief uit zijn zak, door den gouverneur van Bagdad aan zijn
plaatsvervanger te Kerbela gericht. De consul verzekert, dat nu niets
meer de vervulling van onzen wensch in den weg kan staan: hij zal zelf
de boodschap aan den _klid dar_ overbrengen.--Welnu, wij hebben de
moskee niet betreden. Het hoogste wat wij na lange onderhandelingen
met de mollahs konden verkrijgen, was dat men ons zou vergunnen,
van het platte dak van een naburig huis een blik te werpen op de
binnenplaats der moskee. En ook die vergunning zou ons alleen gegeven
worden, als wij ons met den turkschen tarboesj wilden dekken. Daar
mijn echtgenoot deze voorwaarde niet wilde aannemen, kwamen de
mollahs niet meer terug. Na eene wandeling over de uitgestrekte,
lommerrijke begraafplaatsen dezer voor de Sjîiten zoo heilige stad,
keerden wij naar Bagdad terug.
1. Januari 1882.--Op dezen dag ontwaakt in ons met dubbele kracht het
heimwee naar het vaderland en naar de geliefden, die wij daar hebben
achtergelaten. Gelukkig zijn wij de laatste periode van onze reis
ingetreden en is de terugreis niet verre meer. Maar mijn echtgenoot
houdt vast aan zijn voornemen om naar Susiane te gaan. Zullen wij
ditmaal beter in onze pogingen slagen?
Daar wij voor ons vertrek uit Mesopotamië nog te Ktesiphon wilden
vertoeven, zijn wij in den namiddag van den 28_sten_ December van
Bagdad vertrokken. Men was op het veld bezig met gerst te zaaien. Op
het bebouwde land volgde weldra de woestijn, straks afgewisseld door
eene met heesters en laag kreupelhout begroeide heide, waarin schapen
en geiten ronddwaalden. Welhaast teekende de donkere massa van het
paleis van Ktesiphon zich tegen den helderen avondhemel af. Wij
brachten het grootste gedeelte van den volgenden dag door met het
bezoeken der ruïnen, en gingen toen aan boord van de _Khalifé_, eene
prachtige stoomboot van de maatschappij Linch, die op den Tigris vaart.
Den volgenden morgen hield de boot stil te Amara. Deze stad, eerst
in den laatsten tijd gesticht, strekt zich uit langs den oever der
rivier, die eene uitmuntende natuurlijke kaai vormt. Een boomstam
vormt de verbinding tusschen de boot en den oever; nauwelijks is
deze eigenaardige soort van brug gelegd, of de menigte overstroomt
het dek van de _Khalifé_. Wij hadden ons in de kajuit begeven, om de
drukte wat te laten bedaren, en gingen vervolgens aan wal. De stad,
voor ongeveer dertig jaar gebouwd op het punt, waar de Tigris, in een
zijner veelvuldige kronkelingen, het dichtst tot de perzische grens
nadert, is schier van alles ontbloot, en wij zouden zeer verlegen zijn
geweest, indien de consul van Bagdad ons niet aan een christelijk
koopman had aanbevolen. Onze gastheer ontving ons zeer vriendelijk,
en stelde de mooiste kamer van zijn huis tot onze beschikking; maar
het is hem niet mogen gelukken, ons paarden te bezorgen. De weinige
inwoners der stad, die ons paarden zouden kunnen verhuren, willen
tot geen prijs hunne volbloed merriën ontwijden door haar vrachten te
laten dragen, en nog minder de kans loopen om hunne kostbare paarden
de prooi te zien worden van de Beni-Laam, die in de woestijn tusschen
den Tigris en Dizfoel gekampeerd zijn.
Er bestaat geen op velijn papier gedrukt arabisch paarden-stamboek,
maar de genealogie hunner edele rossen staat geprent in de gedachtenis
der nomaden: zij kennen die van buiten. Verliest een sheikh, tengevolge
van eene razzia, de kudden, waarin zijn rijkdom bestaat, en heeft
hij geld noodig, dan komt hij er toch niet licht toe, zijne merriën
te verkoopen: hij verkoopt dan de helft of het vierde gedeelte van
zijn paard met of zonder den teugel, dat wil zeggen met of zonder het
recht om het paard te berijden. Eigenlijk neemt hij dus hypotheek
op zijn paard, en behoudt zich daarbij het recht voor, om binnen
een bepaalden tijd het verkochte gedeelte terug te koopen. Brengt de
merrie een mannelijk veulen ter wereld, dan wordt dit verkocht, en de
gezamenlijke eigenaars deelen den prijs; is het jong daarentegen een
wijfje, dan moet de meester van den teugel het veulen gedurende een
jaar opvoeden en daarna aan den mede-eigenaar de keus laten tusschen
de helft der moeder en het veulen. Voor al dergelijke transactiën
gelden bepaalde regelen, welke de arabische sheikhs allen kennen en
met groote rechtvaardigheid toepassen. De nomaden verlangen van hunne
paarden geene bijzondere snelheid: die hoedanigheid heeft ook weinig
waarde in een land zonder wegen, met struikgewas en moerassen bedekt,
en meestal ontbloot van drinkwater; maar daarentegen moeten hunne
paarden tegen vermoeienissen en ontberingen bestand zijn, en groote
afstanden kunnen afleggen, des noods zonder eten of drinken. Sommige
algemeen bekende paarden hebben drie dagen en drie nachten achter
elkander doorgeloopen, zonder daar hinder van te hebben.
4 Januari.--Gisteravond kwam onze gastheer ons vragen, of wij met hem
mede wilden gaan naar de dienst, die door een chaldeeuwsch priester
zou gevierd worden in eene kerk, welke door de christelijke kolonie
van Amara is gebouwd. Bij het aanbreken van den dag treden wij een
smalle zaal binnen, die ter nauwernood drie meter hoog is. Deze
armoedige kapel, van leem en stroo gebouwd, heeft geene andere
opening dan de deur. Ik ga tusschen een zestigtal geloovigen door,
en zet mij, op aanwijzing van een koorknaap, neder voor een even
armoedig altaar van aarde, dat door een kleed van gekleurd katoen
ter nauwernood wordt bedekt; eene geschilderde houten doos of kist
dient als tabernakel. Dadelijk bij onze komst heeft de koster zich
gehaast, een twintigtal kaarsen te ontsteken: overvloed van licht is
een noodzakelijk vereischte bij alle gewijde of profane ceremoniën in
het Oosten. Kort daarop begon de chaldeeuwsche mis, nu eens door den
priester, dan door de koorknapen gezongen, waarbij nu en dan de mannen
achter in de kerk geschaard aan het gezang deel namen. Onwillekeurig
voerde deze eenvoudige godsdienstoefening mij in gedachte eeuwen en
eeuwen terug, in de dagen van vervolging, toen de eerste belijders
van het Evangelie in het huis van een hunner samenkwamen om te
bidden en avondmaal te houden, of wel in de diepte der duistere
katakomben de heilige mysteriën werden gevierd. En heeft ook deze
kleine christelijke kolonie niet, even als de jeugdige Kerk, met
tallooze bezwaren te worstelen gehad? Nog geen jaar geleden, bezat
zij zelfs geen priester. De kinderen konden niet worden gedoopt,
de stervenden moesten den laatsten troost missen en daalden zonder
zegenbede in het graf. Slechts met Paschen verscheen een Karmelieter
monnik uit Moessoel of Bagdad, om zooveel mogelijk voor de geestelijke
belangen der gemeente te zorgen. Gelukkig is dit thans veranderd en
mag zij zich verheugen in het bezit van een eigen herder.
Na afloop van de mis noodigen de hoofden der christelijke kolonie
ons uit, met hen naar de woning van den priester mede te gaan. Die
woning is eene leemen hut, niet verre van de kerk; zij bevat slechts
een enkel vertrek, dat tot spreek-, eet- en slaapkamer dient. Eenige
dekens op eene estrade van riet geworpen; een kist, die beurtelings
als kast en als stoel dienst moet doen; gebedenboeken, zorgvuldig op
eene tafel gerangschikt: ziedaar het gansche ameublement. Inderdaad,
de pastorie van Amara voegt wel bij de kerk.
5 Januari.--Den hemel zij dank: er is eene karavaan met indigo van
Dizfoel aangekomen: wij vertrekken morgen. Wel heeft het veel moeite
gekost, den tsjarvadar-bashi te bewegen, zes paarden en muildieren af
te staan, maar dank zij de tusschenkomst van den perzischen consul,
is de zaak toch geschikt. Ten einde alle ongerustheid bij onze
muilezeldrijvers weg te nemen, heeft mijn echtgenoot zich naar den
_moetessaref_ (onder-prefect) begeven, om van hem een escorte van vier
zaptiëhs te vragen. "Ik heb hoegenaamd geen lust, mij met uwe zaken te
bemoeien," antwoordde de onder-prefect. "Als u een ongeluk overkwam,
zou men mij daarvoor aansprakelijk stellen. Door u integendeel de reis
naar Dizfoel ten stelligste af te raden, handel ik als een goed vriend
en een voorzichtig ambtenaar. Gij hebt het u zelven te wijten, als u
op dien tocht eenig onheil overkomt."--Dit bescheid was niet geschikt
om onze ingenomenheid met de turksche administratie te verhoogen.
7 Januari.--Omstreeks den middag zijn wij van Amara vertrokken,
met het oogmerk om in de tenten van Douéridj te overnachten. Bij een
palmboschje gekomen, hield de karavaan halt. "Gij zult verder niet
dan brak water vinden", zeiden onze gidsen. De paarden worden dus
naar de bron gevoerd, en wij gebruiken een eenvoudig ontbijt, met
bezorgdheid de zwarte wolken gadeslaande, die zich boven ons hoofd
samenpakken. Weldra voel ik eenige regendroppels. Haastig in het
zadel nu, ten einde zoo spoedig mogelijk de tenten van Douéridj te
bereiken! De karavaan waagt zich in eene lagune, waardoor de weg heet
te loopen. Dit bekomt ons slecht: de regen neemt in hevigheid toe,
de duisternis valt: en na links en rechts door de biezen te hebben
gedwaald, verklaren de gidsen dat zij het spoor bijster zijn, en dat
zij, daar geene enkele ster is te zien, niet voor het aanbreken van
den dag de te volgen richting kunnen bepalen.
De muildieren worden afgeladen. Marcel laat de bagage opstapelen,
zoodat wij hoog genoeg boven het water kunnen plaats nemen; wij
zetten ons boven op eene kist, met het aangename vooruitzicht,
den gansenen nacht aan wind en regen te zijn blootgesteld. Onze
muilezeldrijvers liggen in het water en houden een wakend oog op de
muildieren, uit vrees dat de in de nabijheid gelegerde stam ons kamp
zal aanvallen. Het is ongeveer elf uur; de regen wordt een stortvloed;
de wind steekt al heftiger op. Ondanks onze ellendige positie,
viel ik toch van uitputting in slaap. Bij mijn ontwaken bemerkte
ik dat Marcel alle beschikbare dekens over mij had uitgespreid
en alle voorzorgen genomen om mij tegen het water te beveiligen;
maar desniettemin gevoelde ik mij zoo stijf, zoo ziek en afgemat,
dat ik vreesde niet te paard te kunnen stijgen. Wij moesten evenwel
onze reis vervolgen. Ten acht uren was de zon nog niet boven de kim
gerezen; het begon weer hoe langer hoe harder te regenen; de gidsen
trokken weer door de rietbosschen heen en weder, en eindigden met te
erkennen, dat zij gisteravond, in plaats van naar het oosten, naar
het westen waren getrokken.--Eindelijk, een-en-dertig uren na ons
vertrek van Amara, kwamen wij aan het kamp van Douéridj; men tilde
mij van het paard en droeg mij in eene ruime tent, te midden van eene
kudde lammeren. Er was geen denken aan, van kleederen te verwisselen,
en onze dekens waren doornat: ik moest dus blijven zoo als ik was:
zeer vermoedelijk heb ik het behoud van mijn leven aan den warmen
koesterenden adem mijner aardige kamergenooten te danken.
10 Januari.--Nog eenige dagreizen als de laatste, en dan zal men ook
voor mij een graf kunnen uitzoeken op de lommerrijke kerkhoven van
Kerbela. Gisterochtend was de lucht opgehelderd; de muilezeldrijvers
raadden ons van die beterschap aanstonds gebruik te maken, want in dit
jaargetijde kan men ook hier niet op bestendig mooi weer rekenen. Ik
had den ganschen nacht de koorts gehad; maar de zon scheen zoo
helder, de lucht was zoo zuiver en zoo frisch, de vlakte zoo groen,
dat ik in vredesnaam toch besloot op weg te gaan. Wij trokken door een
smal kanaal en richtten toen onze schreden naar groote tumuli in de
verte. Aan den horizon verhief zich een hooge bergketen, waarvan de
toppen met sneeuw waren bedekt: aan den voet dier bergen lag eenmaal
het oude Susa en staat nog de moderne stad Dizfoel. Ik had de koorts
en gevoelde mij zoo ziek, dat ik niet langer in den zadel blijven
kon. Men maakte een soort van bed van saâmgebonden dekens, waarop
men mij neerlegde; zoo, zonder te weten wat er met mij gebeurde,
heb ik zeven of acht uur te paard doorgebracht, tot wij eindelijk
des avonds aan een kamp van nomaden kwamen, dat aan den voet van een
hoogen tumulus was opgeslagen.
Ondanks mijne uitputting en uiterste zwakte, trof mij toch het
echt aartsvaderlijk tooneel, dat mij aan de bijbelsche verhalen
herinnerde, toen met zonsondergang de kudden schapen van het weiland
terugkeerden en haar blatende lammeren te gemoet ijlden; toen de
geiten, de runderen, de kameelen achtereenvolgens hunne plaats
innamen in afzonderlijke parken, die slechts door eenig kreupelhout
waren omtuind. Nadat de kudden rondom het kamp waren saâmgebracht,
verzamelden de herders en herderinnen zich voor de tent, die men ons
had afgestaan; zij zouden ons zeker geen ruimte overgelaten hebben,
indien onze gastheer hen niet genoodzaakt had, hunne nieuwsgierigheid
te temperen en op een betamelijken afstand te blijven. De vrouwen,
voor het meerendeel schoon en statig van gang en houding, gekleed
met lange hemden, welke op de borst en op den rug open zijn, het
hoofd gedekt met lichte wollen tulbanden, versierd met oorhangers,
glazen halskettingen en zilveren armbanden met turkoizen bezet;
de vrouwen trokken zich toen op den achtergrond terug, terwijl de
mannen neerhurkten rondom een groot bekken, waarin een houtskolenvuur
brandde, dat ons zoowel licht als warmte schenken moest. Bij den
rossen gloed der vlammen sla ik aandachtig het tooneel gade, en kan
niet nalaten die Arabieren met hunne fijne en sprekende gelaatstrekken,
hun sierlijken en krachtvollen lichaamsbouw, te bewonderen.
Buiten alle aanraking met de beschaafde wereld, aan zichzelven
overgelaten, zonder priesters, ik zou bijna zeggen, haast zonder
godsdienst, kennen deze nomaden geene andere wet, dan die de
noodzakelijkheid hun oplegt en die door eeuwenlange overlevering
is gewijd. Werkelijk georganiseerd is bij hen alleen de familie, de
oorspronkelijke groep van elke maatschappij. De stam is niet anders
dan eene vereeniging van zekere familiën, die door gemeenschappelijke
afstamming en bloedverwantschap met elkander verbonden zijn;
het nomadenleven is oorzaak, dat uit de familie zich geene hoogere
maatschappelijke organisatie kan ontwikkelen. Deze zwervende stammen,
die voor een goed deel van roof leven, onderscheiden zich voor het
meerendeel door hunnen krijgshaftigen geest en hun moed, en de vrouwen
doen daarin voor de mannen niet onder. Het is niet zeldzaam, dat
zij aan het gevecht deelnemen of althans daarbij tegenwoordig zijn,
en haar mannen, broeders en zonen door haar woeste kreten aanvuren
tot den strijd.
De turksche regeering is er nooit in geslaagd, deze nomaden aan
haar gezag te onderwerpen; zij mag al van geluk spreken als zij
niet de toevlucht tot de wapenen behoeft te nemen om de schatting
te innen. Weigeren de stammen het verschuldigde te betalen, dan
zendt de gouverneur een kolonel met zijn regiment. De Arabieren,
altijd intijds van het vertrek der troepen verwittigd, nemen de wijk
in de moerassen, waarvan zij alleen de begaanbare paden kennen; de
kolonel durft zich op dit gevaarlijk terrein niet wagen, marcheert wat
heen en weer, en keert onverrichter zake naar Bagdad terug. Worden
zij soms onverwachts overvallen, dan breken de nomaden haastig hun
kamp op, verbergen hun geld en hunne kostbaarheden in het moeras,
en vluchten naar het gebergte. Zoodra de troepen vertrokken zijn,
keeren zij terug, slaan hun kamp weer op en brengen hunne schatten
weer voor den dag. De talrijke en welgestelde stammen, die zich niet
zoo licht verplaatsen kunnen, nemen hunne toevlucht tot een ander
middel: zij huren, tegen eene jaarlijksche bezoldiging van twaalf-
tot vijftienhonderd francs, een seyed (afstammeling van den Profeet),
en bergen in zijne tent, welke onschendbaar is, al hun voorwerpen
van waarde. Deze seyeds moeten ook met de onderprefecten in overleg
treden omtrent alle zaken welke den stam betreffen en zijne belangen
voorstaan. Zulke blauw of groen getulbande advokaten zijn, krachtens
hunne doorluchtige afstamming, tegen alle geweldenarij beveiligd:
de overheden moeten met aandacht naar hen luisteren, en zij oefenen
een gezag en invloed uit, waarvan zij dikwijls misbruik maken.
De nomaden, wier gastvrijheid wij thans genieten, hebben zich noch om
de turksche ontvangers, noch om de turksche soldaten te bekommeren;
langs de grenzen van Turkije en Perzië rondzwervend, begeven zij zich
beurtelings naar het eene en het andere land, naarmate men het hun hier
of daar lastig maakt; feitelijk zijn zij volkomen onafhankelijk. De
reizigers, wier weg door hun gebied loopt, zijn echter te beklagen:
want om de waarheid te zeggen, zijn onze gastheeren de stoutmoedigste
en de behendigste dieven van de geheele landstreek. Zij leven van
roof, en maken onder dat opzicht geen onderscheid tusschen hunne eigen
landgenooten en de Perzen. Wanneer men vooraf met hen in onderhandeling
treedt en aan hun sheikh eene schatting wil betalen van tien francs
per lastdier, dan kan men ongehinderd en zonder vrees voor plundering
van Amara naar Dizfoel of omgekeerd reizen; maar wil men dien tocht
beproeven, zonder deze schatting te betalen, dan loopt men groot
gevaar uitgeplunderd en misschien wel vermoord te worden.
11 Januari.--Ik heb de helft van de laatste étappe afgelegd,
uitgestrekt op mijn paard en half dommelend. Tegen den middag ontwaakte
ik uit mijn sluimer, om een blik te werpen op twee ruïnen, die in
de eenzame vlakte verrijzen: de eene een verlaten grafmonument,
de andere misschien de overblijfselen van een paleis uit den tijd
der Sassaniden. Kort nadat wij deze laatste ruïne hadden verlaten,
kwamen wij aan den oever van de Kerkha, eene breede rivier, die wij
moesten doorwaden. Voorzichtigheidshalve verzocht ik dat men mij
zou los maken, en zette ik mij weer in den zadel: geen overtollige
voorzorg. Nauwelijks zijn wij in den stroom, of de beesten worden
uit hun baan gedrongen; het water reikt tot aan den schouder van mijn
paard: ik ben genoodzaakt mijne beenen over den zadel te kruisen. Toch
bereiken de ruiters zonder ongeval den oever: maar een der muildieren
raakt van de been, wordt door den stroom medegevoerd en verliest in
de worsteling al zijne bagage; eerst een eind verder kon het arme dier
weer worden opgevischt. De gidsen deelen ons nu mede, dat wij nog geen
victorie kunnen roepen: boven de voorde splitst de rivier zich in twee
takken: wij bevinden ons nu op een eiland en moeten nog den anderen arm
oversteken. Wij gaan op weg en staan na verloop van een kwartier weer
aan den oever. De paarden, nog onder den indruk van het zooeven genomen
bad, weigeren hardnekkig te water te gaan, en keeren zich telkens aan
den oever om: sporen noch zweepslagen, geschreeuw noch scheldwoorden,
niets helpt. Wij wisten werkelijk niet wat aan te vangen, toen wij,
op den anderen oever vier of vijf ruiters gewaar werden, op prachtige
paarden gezeten. Op het hooren van de kreten van onze tsjarvadars,
en onze verlegenheid ziende, gingen zij zonder bedenken te water en
stelden zich aan de spits der karavaan. Nu gelukte het; nog een paar
stappen, en wij staan behouden op den oever. De Kerkha heeft het ons
lastig gemaakt; maar bij eene zoo edele rivier, die heugenis heeft van
een zoo roemrijk verleden, moet men wat door de vingers zien. Was het
niet de Kerkha, die de muren van Susa bespoelde, eene van de oudste
steden van Azië? Was het niet de Kerkha, wier kristalhelder water,
in zilveren vazen medegevoerd, overal op de tafel van den Koning der
koningen moest verschijnen? Wanneer de brandende zomerhitte den grond
van Susiane heeft uitgedroogd en geblakerd, kan men nog op sommige
punten zonder bezwaar de verzwakte rivier doorwaden; maar gedurende
negen maanden van het jaar moet men zich van vaartuigen bedienen,
overeenkomende met de keleks van den Euphraat.
Een onzer gidsen is de zoon van Kerim-Khan, het hoofd van een
aanzienlijken stam, die, naar gelang van het jaargetijde, langs de
oevers van de Kerkha of aan den voet der bergen nabij Dizfoel, zijne
tenten opslaat. Op uitnoodiging van den jonkman, traden wij de tent
zijns vaders binnen. Men bracht pijpen, thee, gestremde melk, en warme
broodkoeken, door de mannen van den stam op gloeiend gemaakte koperen
platen gebakken. In weinige oogenblikken waren wij de beste vrienden,
en namen straks, onder hartelijke wenschen, afscheid van elkander.
Rondom het kamp strekken zich op grooten afstand korenakkers en
weilanden uit; verder op, langs den weg naar Dizfoel, liggen een aantal
dorpen door tuinen omringd, die bewijzen hoe vruchtbaar de bodem is,
wanneer hij behoorlijk wordt bearbeid en voor de noodige besproeiing
zorg wordt gedragen. Wij gaan van de eene oase tot de andere over, en
weldra vertoont zich Dizfoel aan ons oog. De stad is langs den zeer
steilen oever van de Ab-Dizfoel gebouwd, en maakt met haar tuinen,
haar amphitheatersgewijze oploopende huizen en haar monumentale brug,
eene zeer goede vertooning. Daar het reeds donker was, vonden wij de
poort gesloten; aanvankelijk weigerde de poortwachter ons in te laten,
maar de brief met het prinselijk zegel van Zelleh Sultan bracht hem
spoedig tot andere gedachten. Door tusschenkomst van den gouverneur
kregen wij een vrij ruime kamer, waarvan de vensters door luiken
konden worden gesloten.