XXXVII

21 December.--De paleizen van de assyrische koningen zijn te ver van

Bagdad om ze te kunnen bezoeken. Daarentegen mogen wij de ruïnen van

Babel niet voorbijgaan, de overblijfselen van die aloude wereldstad,

van wier wonderen wij reeds als kinderen hoorden verhalen. De tocht

daarheen is niet verre.

Ondanks mijn afkeer van het officieele Turkije, heb ik mij heden morgen

aan de hoede toevertrouwd van vier zaptiëhs, die door den gouverneur

van Bagdad tot onze beschikking waren gesteld; en gezeten op een

mageren knol, dien zijn eigenaar, als voorbehoedmiddel tegen de booze

geesten, op den schouder met eene roodgeschilderde hand heeft versierd,

ben ik de schipbrug overgetrokken en den weg naar Babel ingeslagen.

Indien de straatjongens zich niet zoo buitensporig vermaakt hadden

met mijn kanariekleurigen rosinant, dan had ik inderdaad fier kunnen

zijn op onze kleine karavaan. Tegen de gewoonte, waren onze zaptiëhs

met fraaie abba's bekleed en van behoorlijke hoofddeksels voorzien;

zij waren gewapend met Snidergeweren, die zij telkens afschoten,

middelerwijl eene wonderlijke fantasia uitvoerende; verder bestond

ons gezelschap uit een geïmproviseerden kok, eenige muilezeldrijvers

met hunne lastdieren, zwoegende onder de vracht onzer bagage en

benoodigdheden. Een kolonel van het indische leger, die aan mijn

echtgenoot vergunning gevraagd had de reis met ons mede te mogen maken,

is niet op het appel verschenen.

De heerbaan loopt aanvankelijk tusschen korenakkers, welke door

besproeiingskanalen zijn doorsneden, en richt zich dan naar de

boorden van den Tigris. Een zeer bouwvallige schipbrug brengt ons

over een arm van de rivier, en nu betreden wij de woestijn. Vroeger

verspreidden talrijke kanalen hier overal leven en vruchtbaarheid;

van die kanalen is niets meer over dan brokstukken van de dijken,

die nog boven de kale vlakten uitsteken. Naar het schijnt, dagteekent

het jammerlijk verval van deze weleer zoo bloeiende streek toch eerst

van betrekkelijk lateren tijd. Immers, om nu niet van Herodotus te

spreken, die Babylonië een der rijkste gewesten van het perzische

rijk noemt, wordt de vruchtbaarheid van Chaldea nog in de twaalfde

eeuw door de arabische geografen geprezen. "De weg van Hillah naar

Babel, zegt Ibn Djobaïr, is een der schoonste en aangenaamste van

de geheele wereld; de vruchtbare vlakte is bezaaid met gebouwen, die

bijna aan elkander raken, en met steden, die links en rechts den weg

omzoomen." Van dit alles is geen spoor meer over: het land is thans

eene huilende wildernis.

Met de gedachte aan de vergankelijkheid van al het aardsche vervuld,

komen wij aan eenige armoedige huizen, rondom de karavanserai

van Azad-Khan gegroept. Eenige manden met dadels, onder een luik

uitgestald, een winkel, waarin men kokende koffie verkoopt, zijn voor

ons onwederstaanbare aanlokselen. Een kop koffie wekt mijn eetlust op;

en daar wij ons volstrekt niet behoeven te haasten, stijgen wij af en

stillen onzen honger met een malsch kippeboutje. Maar wie mogen wel de

ruiters zijn, die ik aan den horizon bespeur? Zij naderen zoo spoedig,

als de zwaar beladen muilezels het veroorloven. De troep komt dichter

bij, en weldra herken ik den reisgenoot, op wien wij vergeefs gewacht

hadden. Hij draagt de uniform der engelsche officieren, die in Indië

aan het hoofd van inlandsche troepen staan; zijn hoofd is gedekt met

een soort van roode fez, waarom een blauwe doek is gewikkeld, die

tevens over de schouders afhangt en den nek bedekt. Kolonel Gérard,

afstammeling van eene fransche familie, die bij de herroeping van het

edict van Nantes is uitgeweken, heeft zijn voornemen om Mesopotamië

te bereizen niet opgegeven: dat hij op het appel mankeerde, was

niet zijne schuld. Op een vurig jong paard gezeten, dat hij den

vorigen dag in den omtrek van Ktesiphon gekocht had, verscheen hij

dezen morgen aan de schipbrug over den Tigris. Het woei vrij sterk,

en het dek van de niet al te stevige brug golfde op en neder. Ondanks

alle inspanning, gelukte het den kolonel niet, zijn paard te dwingen

om de brug te betreden; tot groote vreugde der omstanders, was hij

genoodzaakt af te stijgen. De bedienden en de muilezeldrijvers poogden

nu het weerspannig ros over de brug te trekken: het lukte niet; om

een ongeluk te voorkomen, besloot de kolonel naar het consulaat terug

te keeren en zoo spoedig mogelijk een handelbaarder dier te huren.

Nauwelijks had de kolonel ons zijn wedervaren medegedeeld, of

andermaal verhief zich in de verte, in de richting van Bagdad,

een nieuwe stofwolk, die haastig naderde, en waaruit ten slotte

twee haveloos gekleede, slecht gewapende en onbeschrijfelijk vuile

ruiters te voorschijn kwamen. De nieuw aangekomenen houden voor de

uitstalling van de fruithandelaars stil en knoopen een praatje aan

met onze zaptiëhs. Zouden die bandieten met ons mede willen reizen?

"Çaheb, zegt het hoofd van ons escorte, vergun mij, aan Uwe Excellentie

de zaptiëhs voor te stellen, die u verder zullen begeleiden.

--Neemt ge dan nog twee manschappen er bij, om den roovers schrik

aan te jagen?

--Wel neen! Bij uw vertrek uit de stad hebben u, op verzoek van den

consul, de mooiste en de best gekleede zaptiëhs van geheel Bagdad

uitgeleide gedaan, zoo als aan uw rang voegde; maar nu is onze taak

afgeloopen. Zoo goed gekleede en uitgeruste gendarmen als wij, zijn

niet bestemd om de karavanen te begeleiden. Geef ons de fooi, die

ons toekomt, omdat wij tot uwe eer zooveel kruit hebben verschoten en

onze mooie uniformen versleten; en moge Allah met u gaan op den weg!"

Dit gezegd hebbende, keeren de parade-gendarmen onmiddellijk terug

naar de kazerne, waar zij zorgvuldig voor zon en stof bewaard worden,

en laten ons over aan de hoede van de twee schooiers, die nu in onze

dienst zijn getreden.

Wij reizen den geheelen dag midden door onbebouwde velden, uitgedroogde

en ingezakte kanalen en baksteenen, die in groote menigte den grond

bedekken. Bij het vallen van den avond vertoont zich aan den horizon,

scherp uitkomend tegen den oranjekleurigen hemel, een groot steenen

gebouw: dat is de prachtige karavanserai van Biroenoes, aldus genoemd

naar een waterput halverwege tusschen Bagdad en Hillah. Door Perzen

gebouwd en berekend voor het herbergen van de vele Sjîiten, die

hier nachtverblijf komen zoeken, is dit gebouw eene kopie op groote

schaal van de karavanserais van Iran. De poort, waarboven eene

opperzaal is aangebracht, geeft toegang tot een door zuilengangen

omringden binnenhof. Bij goed weer huizen de reizigers in deze open

galerijen; des winters trekken zij zich terug in de gesloten zalen

of galerijen daarachter. Daar het koud is, begeven ook wij ons

in die gesloten galerijen. In onze nabijheid liggen in de nissen

en tegen den muur, in onregelmatige hoopen, collis opgestapeld,

die eene lengte hebben van ongeveer twee meter. Naar het schijnt

behooren zij aan sjîitische pelgrims, die voor ons zijn aangekomen,

en die blijkbaar groot vertrouwen stellen in onze eerlijkheid, want

niemand is daar om op de bagage te passen. Maar weldra bespeuren

wij, dat deze collis een afschuwelijken stank van zich geven, ik zou

zeggen, eene lijklucht.... Ongerust geworden, sta ik op en betast

de pakketten.... Ik bedrieg mij niet: het zijn lijken; sommigen

in tapijten genaaid, anderen in kisten geborgen, waarvan de slecht

saamgevoegde planken vergunnen een blik te werpen op den afschuwelijken

inhoud! Uit geheel Perzië namelijk en zelfs uit Hindostan vervoeren

de Sjîiten de lijken hunner afgestorvenen naar den heiligen grond in

de nabijheid van de grafmoskee van Hosein, den zoon van Ali; ook mijne

stille buren zijn daarheen op weg. Ondanks mijn eerbied voor de dooden,

heb ik geen trek om den nacht in gezelschap van deze lijken door te

brengen: wij hebben ons nachtleger naar de binnenplaats overgebracht,

waar wij toch nog door den ondragelijken stank vervolgd worden.

Die gewoonte van de Sjîiten om zich te Kerbela te laten begraven--voor

zoo verre althans hunne middelen hun deze vrij kostbare weelde

veroorloven--klimt ongetwijfeld tot de eerste tijden van den Islam

op, want zij hangt onmiddellijk samen met de onderlinge verdeeldheid

tusschen de Moslims na den dood van den Profeet, waaruit ten slotte

de groote scheuring der mohammedaansche wereld ontstond.

Bij den dood van Mohammed waren er onder zijne vrienden en verwanten

vooral twee, die als zijn opvolger in aanmerking kwamen: Aboe-Bekr

en Ali. Voor den eersten pleitte zijn rijper leeftijd en rijker

ervaring, vooral ook zijne innige vriendschap met den Profeet, tot

wiens allereerste bekeerlingen hij had behoord en die zijne dochter

Aïsja had gehuwd; de ander, Ali, daarentegen was Mohammeds eigen neef,

in zijn huis opgevoed en de echtgenoot van zijne eenig overgebleven

dochter Fâtima. Volgens de verzekering der Sjîiten, had de Profeet

hem ook werkelijk als Khalief (plaatsvervanger) aangewezen; maar wat

hiervan zij, de oudsten en stamhoofden te Medina vergaderd, gaven de

voorkeur aan den vriend van beproefde trouw en ervaring boven den

jongeren bloedverwant: zij kozen Aboe-Bekr. Nog tweemaal moest Ali

voor anderen wijken, toen na den dood van Aboe-Bekr, achtereenvolgens

Omar en Othmân, beiden vrienden en medestanders van Mohammed, tot het

khalifaat werden verheven. Maar gaandeweg was er tweedracht ontstaan

tusschen de Moslims zelven. Met kwalijk verborgen wrevel en spijt

zagen de oud-geloovigen allengs de macht overgaan in handen van lieden,

wier familiën tot de bitterste vijanden van Mohammed hadden behoord,

en wier eigen rechtzinnigheid en geloofsijver voor 't minst zeer

verdacht was. Eene machtige partij verhief zich tegen den ouden en

zwakken Khalief Othmân; even als zijn voorganger Omar, viel hij onder

de dolken van sluipmoordenaars. Nu werd eindelijk Ali tot Khalief

uitgeroepen; doch het twistvuur was daarmede niet gebluscht. Othmân's

stamgenoot, Moâwiah, de stadhouder van Syrië, uit het geslacht der

Omaijaden, verhief de vaan des opstands en der bloedwrake. Wederom

woedde de broederkrijg: ook Ali werd vermoord, en Moâwiah behield

de alleenheerschappij. Doch Ali had zonen nagelaten: om hen schaarde

zich nu de partij, die hun vader ten troon had verheven en die onder

den naam van Sjîiten bekend en welhaast geducht werd. Hassan, Ali's

oudste zoon, die aan een gemakkelijk leven in zijn harem de voorkeur

gaf boven de vermoeienissen en gevaren van den oorlog, stond voor een

aanzienlijk jaargeld zijne aanspraken aan Moâwiah af, en vestigde zich

te Medina, waar hij, volgens de Sjîiten, aan vergif stierf. Anders was

het lot van zijn ridderlijken broeder Hosein. Na den dood van Moâwiah

weigerde hij diens zoon Jezîd te erkennen en waagde eene poging om,

met behulp zijner aanhangers in Irak, den troon voor zijn geslacht te

herwinnen. De poging mislukte De in stilte voorbereide opstand werd

ontdekt en in de kiem gesmoord; toen Hosein, met zijn gezin en eene

kleine schaar getrouwen, in Irak aankwam, vond hij niemand tot zijne

hulp en zijne vijanden oppermachtig. De edele emîr wilde zich niet

door de vlucht aan het dreigende gevaar onttrekken en de zijnen aan

de wraak van den overwinnaar prijs geven: met hen bereidde hij zich

ter dood. Door de overmacht omsingeld, streed hij met heldenmoed;

en de kleinzoon van Mohammed, de man die als kind aan de knieën van

den Profeet had gestaan, viel in de vlakte van Kerbela onder de pijlen

der Moslim.

Nabij het graf van Hosein in gewijden grond te rusten, is nu een der

hoogste wenschen van den vromen Sjîiet. Maar om van het sterfhuis

in het hart van Perzië of soms wel in Hindostan die heilige stede te

bereiken, is meermalen eene reis van ettelijke maanden noodig. Daarom

zijn niet allen, wier stoffelijk omhulsel de lange reis aanvaardt,

zeker ook de eindpaal te zullen bereiken: uitgezonderd natuurlijk de

rijken en aanzienlijken, die een eigen karavaan kunnen uitrusten en

door hun gansche huisgezin gevolgd worden. Maar de minder vermogenden,

die slechts op de hulp en hoede van de engelen Nekir en Monkir kunnen

rekenen, en de reis moeten doen, vier aan vier op een paard gebonden,

even netjes ingepakt als de krokodillen van Sioet: zij bereiken niet

altijd de plaats hunner bestemming. Bezwijkt een of andere muilezel

onder weg, dan zal de tsjarvadar niet aarzelen om zijne zoo moeielijk

te vervoeren vracht aan de arenden of jakhalzen der woestijn ten

prooi te laten.

23 December.--Ik ben door Babel gereden zonder het te merken: en toch,

de hemel weet, dat niet de veelheid der huizen mij heeft belet de

stad te zien!

Het was omstreeks twee uren in den namiddag, toen de hemel eensklaps

bewolkt werd. De wind joeg geweldige zand- en stofwolken op, die ons

geheel omhulden; de donder rommelde; bliksemstralen schoten door het

donkere zwerk boven de oude hoofdstad van Chaldea; eindelijk begon

de regen in dikke, loodrechte stralen neer te vallen. Dit was de

eerste bui sedert de maand Maart. Doornat, rijden wij zonder er acht

op te slaan langs den aardheuvel, dien wij reeds sedert ons vertrek

van de karavanserai Iskanderiëh hadden gezien, en komen in bezaaide

velden. Het is afschuwelijk weer; het duurde dan ook niet lang of onze

gidsen waren ten eenemale het spoor bijster. Gelukkig brengen onze

paarden ons welhaast bij een heuvel, van scherven en brokstukken van

aardewerk gevormd en in alle richtingen door diepe voren doorsneden: nu

kunnen wij het rechte spoor wedervinden, en houden eenige oogenblikken

daarna, druipende van water, stil voor een huis, waarin de inlandsche

beambte woont, met het opzicht over de opgravingen te Babylon belast.

Sedert ettelijke jaren reeds worden hier van wege de engelsche

regeering op vrij groote schaal opgravingen gedaan. Eens in het jaar

komt een conservator van het Britsch Museum den stand der werken

opnemen en voor zooveel noodig daaraan een nieuwen stoot geven; maar

het dagelijksch opzicht is toevertrouwd aan een Armeniër, bij wien

onze gidsen ons gebracht hebben. De brave man laat mij de uitkomsten

der jongste opgravingen zien. Sedert zes maanden heeft men weer een

aantal tabletten van gebakken aarde gevonden, bedekt met inscripties in

spijkerschrift, benevens stukken van huisdieren, die waarschijnlijk

als kinderspeelgoed hebben gediend, vazen van gestreept agaat,

en beeldjes van gebakken aarde in zuiver griekschen stijl. Daar het

onweer inmiddels bedaard was, hervatte de karavaan de reis naar Hillah,

waar zij nachtverblijf en voedsel vinden zal. Nauwelijks hebben wij

de heuvels van puin en scherven achter ons, of wij komen op een weg,

ter wederzijde door fraaie plantsoenen van palmen omzoomd. De regen

schijnt de geheele natuur met nieuw leven te hebben bezield: het groen

der boomen schittert met ongewonen glans; de zonnestralen weerspiegelen

in de kristalheldere druppels, die trillend aan de bladeren hangen;

duiven en tortels vliegen van tak tot tak, terwijl brutale kraaien over

den weg fladderen en met schuin gebogen kop de reizigers aanstaren.

Na een rit van drie uren bespeuren wij blanke minarets; vervolgens

vertoonen zich de eerste huizen der voorsteden van Hillah, dan de

Euphraat, een schipbrug een weinig minder wrak dan die van Bagdad,

eindelijk de stad zelve. De zaptiëhs, die vooruit zijn gezonden,

hebben reeds logies voor ons gevonden: zij wachten ons op het plein

en brengen ons naar de ledigstaande woning van een aanzienlijk man,

die onlangs naar Mekka is vertrokken.

Hillah, dat in 1832 vreeselijk door de pest geteisterd werd, telt

tegenwoordig ter nauwernood vijftienduizend zielen; de bevolking

bestaat uit Arabieren, Chaldeeën, Joden die ook hier zeer rijk

en machtig zijn, uit sjîitische Perzen en uit ambtenaren van

de Verheven-Porte, die geesels van alle turksche steden. Daarbij

komen dan nog de reizigers en de nomaden, die vooral in steden nabij

beroemde bedevaartsplaatsen steeds zoo talrijk zijn. De huizen van

Hillah, gedeeltelijk van antieke materialen gebouwd, zijn even hoog

als die te Bagdad, maar dragen met hunne vensterlooze muren en platte

daken toch een echt oostersch karakter. De weelderige rijkdom van den

plantengroei tempert gelukkig de eentonigheid van deze aaneenschakeling

van blinde muren. De stad bezit geene belangwekkende monumenten

uit den muzelmanschen tijd; op den weg naar Kerbela staat echter

eene kleine moskee, bekend onder den naam van Meshsjed es-Shems of

moskee der zon. Volgens de overlevering zou zij gebouwd zijn op de

plek, waar Ali, vreezende dat de invallende nacht hem eene zekere

overwinning zou doen ontgaan, even als Josua, de zon op haar baan

tegenhield. Intusschen schijnt uit eene oude inscriptie te blijken dat

deze moskee de plaats vervangt van een door Nebukadnezar gebouwden

of herbouwden tempel. "Ik heb, zoo zegt de groote koning van Babel;

ik heb in Babel, van asphalt en tichels, ter eere van den god Samas,

die mijn hart met liefde tot de gerechtigheid vervult, den Tempel

van den Rechter der wereld, zijn tempel, gebouwd."

Hillah, de tegenwoordige mohammedaansche stad, dagteekent uit de

eerste helft der twaalfde eeuw. Toen was evenwel de oude heerlijkheid

van Babyion reeds lang ondergegaan. Een nauwkeurig onderzoek van

de omgeving der stad, zoowel als de richting van de sporen der

ingezonken muren, welke de beide terpen of tumuli aan de uiteinden

van Babel verbinden, schijnt grond op te leveren voor het vermoeden,

dat Hillah ongeveer het middelpunt beslaat der oppervlakte van

vijfhonderd-dertien vierkante kilometers, binnen de muren der aloude

koningstad omsloten. Babylon was, onder Nebukadnezar, omgeven door een

dubbelen muur, waarvan de buitenste, volgens Herodotus, een vierkant

vormde van honderd-twintig stadiën. Deze muur was, van afstand tot

afstand, ter wederzijde van torens of bolwerken voorzien, waartusschen

voldoende ruimte overbleef om een met vier paarden bespannen wagen te

doen keeren. In den muur bevonden zich honderd poorten van massief

brons. De rivier, die midden door de stad stroomde, was ook ter

wederzijde omgeven door muren, waarin aan het einde der straten kleine

bronzen poorten waren aangebracht; over de rivier lag slechts eene

enkele brug, waarvan het dek van cederhouten planken iederen avond

werd weggenomen. De ontzaglijke oppervlakte binnen deze muren was

echter slechts voor het kleinste gedeelte met huizen bezet: volgens

Quintus Curtius besloeg het eigenlijk bebouwde gedeelte slechts eene

oppervlakte van negentig stadiën. Daar het gezag van Quintus Curtius,

die vele eeuwen later leefde, volstrekt niet boven bedenking is, mogen

wij niet te zeer aan zijne opgave hechten. Niettemin is het zeker,

dat de uitgestrekte ruimte, binnen de muren van Babel omsloten,

voor het grootste gedeelte was ingenomen door velden en akkers,

afgewisseld door hoeven, buurten, dorpen en kampen. De eigenlijke

stad vormde het middelpunt dezer ommuurde vlakte. De velden en

akkers leverden in voldoende mate graan en andere levensmiddelen

op, om bij een beleg in de behoeften der bevolking te voorzien. Hoe

groot die bevolking was, weten wij niet; wij mogen echter aannemen,

dat zij zeer talrijk was, want volgens Herodotus waren de huizen

drie of vier verdiepingen hoog. Zulk eene stad, wier gelijke, naar

de getuigenis van Herodotus, niet te vinden was, kon alleen door

honger, verraad of bij verrassing worden ingenomen. Zoo bemachtigde

haar Koresh of Cyrus, de Koning der Perzen. Hij liet het water van

den Euphraat door kanalen afvoeren naar een der groote kunstmatige

binnenmeren; en toen nu de rivier genoegzaam gevallen was, dat men

haar doorwaden kon, drongen de Perzen langs dezen weg, aan beide

zijden de stad in. Maar zonder de zorgeloosheid der bewoners zou ook

dit hun niet gebaat hebben. "Indien de Babyloniërs, zegt Herodotus,

van het voornemen van Kyros geweten of iets daarvan gemerkt hadden,

dan zouden zij de Perzen niet op die wijze in de stad hebben laten

komen, maar hen veeleer schandelijk ten onder gebracht hebben. Want zij

behoefden slechts de poorten, die naar de rivier leiden, te sluiten en

de muren te bestijgen, die langs de beide oevers der rivier loopen,

en zij zouden ze allen te zamen als in een kooi gevangen hebben. Nu

echter drongen de Perzen binnen, zonder dat iemand iets vermoedde. De

stad is echter zoo groot, dat, zooals de lieden des lands verhalen,

de buitenwijken reeds in handen des vijands waren, eer zij die in het

midden woonden, daarvan iets gewaar werden. Zij vierden juist feest;

zij dansten en vermaakten zich op allerlei wijze, en gingen daarmede

voort tot zij vernamen wat er geschied was."

24 December.--Ik keer zoo juist terug van den Birs Nimroed, den

zuidelijksten ruïnenheuvel op de vlakte van Babylon, en waarin

men langen tijd de overblijfselen heeft gemeend te zien van den

legendarischen Toren van Babel, die, volgens eene oude overlevering,

door Nimrod zou zijn gebouwd. Reeds zoodra men Hillah door de poort van

Meshsjed-Ali verlaat, valt deze onregelmatige ruïnenheuvel in het oog,

die, naarmate men dichterbij komt, in omvang toeneemt. Onze paarden,

nog vermoeid van het onweder van gisteren en van den snellen draf,

waartoe wij hen sedert ons vertrek van Hillah hebben aangespoord,

beklimmen met moeite de ruïnenheuvels, die elkander in wanorde

opvolgen, en houden eindelijk stil bij een arabisch gebouw, waarvan

de witte koepel, volgens de overlevering, het stoffelijk overschot

bewaart van den aartsvader Abraham. Het graf van den patriarch,

dat in Chaldea in niet minder hoog aanzien staat dan de beweerde

graven van Ezra en Ezechiël in Mesopotamië, dient ook tot tijdelijke

wijkplaats voor de dorpelingen, die de velden in de nabijheid van

den Birs-Nimroed komen bebouwen. Eene ondiepe vallei scheidt dezen

ruïnenheuvel van Tell-Ibrahim van de ontzagwekkende massa, waarin

sommigen, op het voetspoor van joodsche rabbijnen, de overblijfselen

hebben willen zien van den Toren van Babel, en waaraan de Arabieren

den naam geven van Birs-Nimroed. Op den top van den Birs verrijst een

massieve toren van baksteen, nagenoeg vierkant, elf meter hoog en aan

het boveneinde gescheurd. Rondom dien steenklomp liggen reusachtige

blokken van gebakken steen verspreid, waarvan de oppervlakte groen

verglaasd is, en die met de verbindende asphalt eene ijzerharde massa

vormen. Van hier gezien, schijnen alle andere ruïnenheuvels voor

den Birs-Nimroed onder te doen. Men overziet een schier onmetelijk

panorama: dank zij de helderheid der lucht, bespeurt men ten zuiden

de minarets van Meshsjed-Ali, ten noordoosten de muren van Hillah,

ten noorden de palmen van Kerbela, en meer in de nabijheid de vijver

of lagune van Hindiah, op welker eilanden en langs wier zoom enkele

arabische dorpen zijn gebouwd.

Na ons aldus georiënteerd te hebben, dalen wij van den tumulus af. De

opgravingen en nasporingen, met name van Rawlinson, stellen ons in

staat, met tamelijk groote zekerheid te bepalen wat deze ruïnenheuvel

eenmaal was. Het staat genoegzaam vast dat wij hier de overblijfselen

voor ons hebben van dien tempel van Bel, in de babylonische

opschriften E-Zida genoemd, waarvan Herodotus ons de beschrijving

heeft nagelaten. "Het is, zoo zegt hij, een regelmatig vierkant, dat

aan iedere zijde twee stadiën (270 meter) lang is. In het midden ziet

men een massieven toren, die een stadium (135 meter) lang en breed is;

op dien toren verrijst een tweede, en op dien tweeden nog een derde,

en zoo vervolgens tot acht toe. Men stijgt aan de buitenzijde omhoog,

langs een hellend vlak, dat om alle verdiepingen heenloopt." De

onderbouw was vijf-en-zeventig voet hoog en elke volgende verdieping

vijf-en-twintig voet, zoodat het geheele gebouw eene hoogte bereikte

van tweehonderd-vijftig voet. De hoogte van den Birs-Nimroed bedraagt,

zonder den toren, honderd-acht-en-negentig voet. Op het hoogste of

zevende terras stond de eigenlijke kapel; de zeven verdiepingen waren

aan de zeven planeten gewijd en de muren bekleed met geëmailleerde

tegels, naar de symbolische kleuren der zeven gesternten. "In den

bovensten toren, zoo gaat Herodotus voort, bevindt zich eene kapel;

in die kapel staat een groot, rijk versierd bed, en daarnevens eene

gouden tafel. Men ziet daar geen beeld; niemand brengt daar den

nacht door, dan eene vrouw des lands, door den god zelven uit al hare

gezellinnen aangewezen, zoo als de chaldeeuwsche priesters van den

god beweren.... Beneden in dezen tempel bevindt zich nog eene andere

kapel, waarin men een groot gouden beeld ziet van Zeus (Bel-Mardoek)

in zittende houding. Bij dat beeld staat mede eene groote gouden tafel;

daarnevens een troon en een voetbank van hetzelfde metaal. Buiten die

kapel ziet men een gouden altaar, en nog een tweede altaar van groote

afmetingen, waarop runderen geofferd worden. De Chaldeeën ontsteken

ook op dit groote altaar, alle jaren, ter gelegenheid van het feest

van den god, wierook tot een gewicht van duizend talenten."--Van al

deze pracht is niets meer over dan de indrukwekkende ruïnenheuvel,

aan welks voet wij gezeten zijn.--Overigens, al moge de Birs-Nimroed

niets uitstaande hebben met den legendarischen Toren van Babel, dit

is toch zeker dat de tempel, waarvan Herodotus spreekt, een van de

oudste godsdienstige monumenten van geheel Chaldea, misschien wel

van de geheele wereld was. Het overoude heiligdom, door Hammoerabi,

een der koningen van het oud-chaldeeuwsche rijk, gesticht, lag sedert

eeuwen in puin, toen Nebukadnezar het weder, in vroeger nooit gekende

pracht, liet herstellen. In eene door Rawlinson ontdekte inscriptie

zegt deze koning, die met volle recht den naam van den tweeden stichter

van Babylon voeren mag: "Borsippa is de stad van hen, die den god

prijzen; ik heb haar versierd. In het midden van haar heb ik het

E-Zida doen bouwen, het eeuwige huis. Ik heb het versierd met goud,

zilver en andere metalen, met steenen, met geëmailleerde tichels,

met timmerwerk van pijnboomen en cederhout. Ik heb de plaats der

ruste van Neboe met goud bekleed..... Tot verbazing der menschen heb

ik het wonder van Borsippa, den tempel der zeven sferen, herbouwd en

vernieuwd ... De aardbevingen en de onweders hadden de rauwe steenen

losgewoeld en de gebakken steenen der bekleedingen doen splijten. De

god Mardoek heeft in mijn harte gegeven, den tempel te herbouwen. Ik

heb de plaats niet veranderd; ik heb de fondamenten niet verlegd. In

de maand des heils, op den welaangenamen dag, heb ik bogen gegen

gemaakt in de massa van den rauwen steen en de gebakken tichelsteenen

der bekleeding. Ik heb de rondloopende omgangen gemaakt; ik heb mijn

naam geschreven op de fries der arkaden. Ik heb de hand geslagen aan

den wederopbouw van het E-Zida; ik heb zijne tinne verhoogd, zoo als

die eertijds geweest is; ik heb den tempel vernieuwd en herbouwd,

zoo als hij geweest is in de oude dagen; ik heb zijn tinne verhoogd."

Deze tempel der zeven sferen stond niet in het eigenlijke Babylon--de

chaldeeuwsche naam der stad is Bab-Iloe, poort van (den god)

Iloe;--maar in de voorstad Borsippa. Uit den ontzaglijken afstand,

die de ruïnen van el-Kasr, den ouden koningsburcht, van den Birs

scheidt, moet men echter niet afleiden dat Babylon en Borsippa twee

afzonderlijke steden waren. Volgens Herodotus lag Borsippa nog binnen

de buitenste door Nebukadnezar gebouwde omwalling; het is echter

waarschijnlijk dat later, toen Babel in verval geraakte en hare

reusachtige muren waren geslecht, Borsippa wel eene afzonderlijke

stad is geweest.

25 December.--Van Borsippa teruggekeerd, hebben wij ons bivouak

opgeslagen op den tumulus van Amran-ibn-Ali, dien wij reeds drie dagen

vroeger betreden hadden, toen wij een onderkomen zochten. Heuvels

van vergruizelde tichels en scherven, half gedempte grachten, die

elkander in verschillende richtingen kruisen, afgebrokkelde dijken,

maken dit gedeelte van Babylon tot een doolhof, waar men ronddwaalt

zonder het spoor te kunnen vinden. Eenige zwarte klompen metselwerk,

door ijzerharde asphalt saam verbonden, een zeer ruw bewerkte leeuw van

bazalt, half onder het puin bedolven: ziedaar wat er is overgebleven

van deze koninklijke woning, in welker nabijheid Alexander den adem

uitblies.

Nog minder is er overgebleven van de dusgenoemde hangende tuinen,

door Nebukadnezar aangelegd ten gevalle van zijne gemalin Amytis, de

medische prinses, die in de vlakke velden van Babylonië de bergachtige

streken van haar boschrijk vaderland niet vergeten kon. Deze hangende

tuinen schijnen al spoedig in verval te zijn geraakt. Zoo als men weet,

bestonden zij uit gemetselde, op bogen en zuilen rustende terrassen,

waarop eene laag aarde was aangebracht van voldoende dikte dat daarin

ook de grootste boomen konden wortelen. Na den dood van Alexander

en de stichting van Seleucia zonk Bablyon al meer en meer; het

verloor den rang van hoofdstad en koninklijke residentie; en het is

zeer waarschijnlijk dat de fantastische schepping van Nebukadnezar,

welke de bewondering der oude wereld had opgewekt, al meer en meer

werd verwaarloosd. De werktuigen tot kunstmatige besproeiing, waarvoor

het water uit de rivier werd opgevoerd, eischten veel zorg en kostbaar

onderhoud; gebrek aan water deed de boomen en planten sterven; de zware

muren scheurden en zakten in, en het paradijs van Amytis verdween

langzamerhand van de aarde. Tijdens de heerschappij der Parthen was

de grootsche aanleg reeds geheel verdwenen en was het terrein tot

begraafplaats ingericht, zoo als blijkt uit de vele parthische graven,

die de heer Oppert daar voor eenige jaren heeft ontdekt.

De opgravingen rondom den voormaligen koningsburcht, thans door

de Arabieren el Kasr (het kasteel) genoemd, werden in den regel met

gunstigen uitslag bekroond. Nog op dit oogenblik zijn aan dien tumulus

omstreeks vierhonderd arbeiders bezig met het wegruimen der aarde

tusschen geweldig dikke muren van gedroogde tichelsteenen, en met het

blootleggen van hooge, lange en smalle zalen of galerijen. Voorwerpen

van bijzondere kunstwaarde heeft men tot dusver hier niet gevonden,

maar wel een aantal tabletten en cylinders, met inscripties

in spijkerschrift bedekt; maar hoe dikwijls heeft men niet, met

inspanning en geduld, massaas aarde moeten wegruimen, om ten slotte

in een gebarsten pot niets anders te vinden dan de kaak van een paard

of het schouderblad van een jakhals.

Ongeveer twee kilometers ten noorden van den koningsburcht verheft

zich, in de gedaante van eene afgeknotte pyramide, de reusachtige

tumulus, dien wij te Iskanderiëh-khan hebben gezien, en die met den

Birs-Nimroed de uiterste grenzen van het oude Babylon schijnt aan

te wijzen. Deze kunstmatige heuvel, die veertig ellen hoog en meer

dan honderd-tachtig ellen lang is, draagt in den omtrek den naam van

Babil. Vermoedelijk hebben wij hier de overblijfselen voor ons van de

groote pyramide, door de grieksche schrijvers het graf van Bel genoemd,

zeer waarschijnlijk hetzelfde gebouw als de tempel van de grondslagen

der aarde, ter eere van den god Bel-Merodach (Mardoek) gebouwd door

Asarhaddon, koning van Assyrië. Door Nebukadnezar en Neriglissor

(Nirgal-sar-oeçoer) vergroot en verfraaid, door Xerxes geplunderd

en verwoest, op bevel van Alexander, die het voornemen schijnt te

hebben opgevat om dit oude heiligdom der Babyloniërs te herstellen,

van puin gezuiverd, eindelijk door de Grieken als onderbouw voor

een fort benuttigd, is de tempel van Bel-Merodach tegenwoordig nog

slechts een vormelooze aardhoop. Langs de vrij steile wanden naar

boven klimmende, bereikt men zonder veel moeite het plat van de

pyramide. In plaats van de gouden beelden, door Xerxes geroofd, zie

ik niets dan steengruis en scherven, benevens een kuil of put, die,

voor zoover ik zien kon, nergens heenvoert. Hier en daar bespeurt

men, te midden van het puin, eenige brokstukken van grieksche

of arameesche inscripties. Het panorama van deze hoogte is boven

alle beschrijving somber en aangrijpend. Terwijl van den Birs het

oog met welgevallen rust op de heldere wateren van de Hindiah met

haar half drijvende dorpen en haar groene eilandjes; terwijl bij

el-Kasr ettelijke honderden arabische werklieden aan het tooneel

leven en beweging bijzetten en hun gezang over de vlakte klinkt,

is de omtrek van Babil eene dorre doodsche heide, waar niets dan

distels en wat schraal gras groeit en slechts een enkele herder

zijne armelijke kudde van geiten rondvoert. Verder niets dan eene

eenzame, onafzienbare, doodsche, kale wildernis. En hier stond eens de

heerlijke wereldstad Babylon, de Koninginne van het Oosten, de stad

van Nebukadnezar! In waarheid, het is als klinken zij ons nog tegen

over de wijde vlakte, die vreeselijke woorden van den ouden ziener:

"Alzoo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid,

de trots der Chaldeeën, zijn, gelijk als Jahve Sodom en Gomorrha

omgekeerd heeft. Daar zal geene woonplaats zijn in der eeuwigheid;

zij zal niet meer bewoond worden van geslachte tot geslachte; de

Arabier zal daar geene tent spannen; de herders zullen er zich niet

legeren. Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijn;

hare huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten; daar

zullen de jonge struizen wonen en de duivelen zullen er huppelen. De

jakhalzen zullen elkander toeroepen uit hare paleizen; de vossen zullen

sluipen door de lusthoven"..... Kon hij eens opstaan uit zijn graf,

de oude ziener, hoe zou hij de letterlijke vervulling aanschouwen

zijner profetie! Inderdaad, zij het dan ook niet zoo spoedig als

hij het zich in zijn toorn en onverzoenlijken haat wel voorstelde,

de trotsche wereldstad is dan toch geworden wat hij in zijn visioen

aanschouwde: eene huilende wildernis.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 36 / 41 题