XXXIV

8 December--Drie dagen lang heeft de koorts ons, indien al niet aan

onze legerstede, dan toch aan ons huis geketend, en het voortzetten

der reis belet. Zoodra wij evenwel weer een voet konden verzetten,

zijn wij zoo spoedig mogelijk Bassorah met zijne ongezonde lucht

en vochtig heete temperatuur ontvlucht. Twee stoombooten varen in

geregelden dienst tusschen die stad en Bagdad. De eene stoombootdienst

is van eene engelsche maatschappij en vaart geregeld iedere week. De

vrij eenvoudig ingerichte booten worden zoo zindelijk gehouden als

met de gewoonten der reizigers, die steeds op het dek hunne spijzen

gereed maken, bestaanbaar is. De andere dienst is door het turksche

bestuur georganiseerd; deze booten varen tweemaal in de maand. Wij

hebben plaats genomen op de _Mossoel_, eene turksche boot, die heden

morgen, eene maand te laat, afvoer.

Het gaat hier alles op zijn turksch! Do gezagvoerder en de bemanning,

die zeer ongeregeld betaald worden, moeten wel, om te leven, hunne

toevlucht nemen tot maatregelen, die juist niet aangenaam zijn voor

de reizigers. Het dek van de eerste klasse is opgepropt met kooien

en manden vol kippen, die de matrozen te Bassorah hebben gekocht en

die zij te Bagdad weder verkoopen, met twee of drie stuivers winst

per stuk. De officieren, wier eerzucht verder reikt, kunnen dit den

matrozen moeilijk verbieden, want zij zelven nemen met hunne koffers

en pakken het geheele ruim in beslag.

Onze reisgenooten zijn, vooreerst, een Engelschman, die pas uit Indië

is teruggekeerd, en die op de _Mossoel_ plaats heeft genomen, omdat

de turksche booten de reputatie hebben, veel meer aan den grond te

raken dan de engelsche: hij hoopt dan gelegenheid te kunnen vinden om

aan zijn hartstocht voor de jacht te kunnen bot vieren. Onze tweede

reisgenoot is een Corsicaan, kapitein Dominici, die zelf langen tijd

het bevel heeft gevoerd op de _Mossoel_ en nu, nadat hij uit zijne

betrekking is ontslagen, te Bagdad woont. Men behoeft niet lang

met hem in gezelschap te zijn, om deelgenoot te worden van zijne

grieven. Ongeveer een jaar geleden, kwam de turksche regeering op

de gedachte, dat zij haar leveranciers eigenlijk evenmin behoefde

te betalen als haar ambtenaren. Een der eersten, verbitterd over

een eindeloos uitstel, verloor zijn geduld, en verklaarde dat hij

geen zak kolen meer zou leveren, zoolang zijne rekening niet betaald

was. De _Mossoel_ wachtte op brandstof, toen de kapitein bevel ontving,

onmiddellijk te vertrekken.

"De bakken zijn bijna ledig; ik kan niet vertrekken zonder kolen, zeide

hij tot den pâsja, met het opzicht over de stoombootdienst belast.

--Dan hebben wij uw diensten niet meer van noode! Varen, en dan nog

kolen verbranden op den koop toe!

--Het woord "onmogelijk" bestaat in onze fransche taal niet,"

antwoordde de kapitein, zijne hand in zijn vest stekende.

De trossen worden losgegooid en de _Mossoel_ vaart statig op den

Tigris. Na verloop van twee dagen was er geen stukje steenkool meer

te vinden, maar onze Corsicaan wist raad. De lading van de boot

bestond uit sesam, een peulgewas, uit welks zaad eene uitmuntende

olie wordt bereid.

"Voor den dag met het sesam! gooi het in het vuur!" beveelt de

kapitein. De machine snuift en stampt, en na verloop van acht dagen

komt de _Mossoel_ zegepralend te Bagdad, na eene lading ter waarde

van ruim dertigduizend francs in rook te hebben doen opgaan. De

kapitein boette met het verlies van zijne betrekking voor de

stoutmoedigheid, waarmede hij het woord zijns grooten Keizers in

toepassing had gebracht; terwijl de opzichter van de dienst nog een

aardig voordeeltje trok uit dit zonderlinge avontuur. De pâsja, nu

overtuigd dat het zaak was de rekening van de steenkolen te betalen,

stelde het gouvernement voor, om, bij gebrek aan geld, den leverancier

tevreden te stellen met achthonderd kameelen, aan een oproerigen stam

ontroofd. De leverancier had daar niets tegen; en recht in zijn schik

dat hij nu in natura ongeveer de dubbele waarde ontving van hetgeen

hij te vorderen had, deed hij op zijn beurt twee- à driehonderd van

de meest versleten dieren aan den pâsja cadeau.

Eenige uren na ons vertrek van Bassorah, voeren wij langs Qoernah, op

eene smalle landtong gelegen, aan welker benedeneinde de Euphraat en

de Tigris samenvloeien, om vereenigd den Shatt el-Arab te vormen. Het

landschap is zeer onbeteekenend: lage, half overstroomde oevers;

moerassige weilanden, waarin magere koeien loopen te grazen, die tot

den ruggegraat met slijk zijn bespat; voorts enkele boomen--ziedaar

alles.

9 December--De vaart op den Tigris is in de hoogste mate eentonig;

de wederzijdsche oevers zijn zoo hoog, dat het is alsof men tusschen

twee dijken vaart, die alle uitzicht onderscheppen. Dezen morgen

voeren wij langs de uitmonding van eene fraaie rivier, en hielden

eenige oogenblikken later stil te Amarah. Deze stad is van zeer jonge

dagteekening en dankt hare welvaart aan de karavanen uit Kermansha

en Shoester, die granen en indigo aanvoeren, welke vervolgens naar

Bagdad worden gebracht.

10 December.--Babel is niet meer dan een vormelooze puinhoop; en Ezra,

die als balling in de beroemde wereldstad vertoefde en het voorrecht

mocht smaken, zijne landgenooten naar Jeruzalem terug te voeren,

slaapt, volgens de overlevering, nog altijd aan de boorden van den

Tigris. Daar eenige Joden aan boord van de _Mossoel_ moesten worden

opgenomen, heb ik van de weinige oogenblikken van oponthoud gebruik

gemaakt, om haastig eene photografie te nemen van het graf van den

profeet. Het tegenwoordige gebouw, dat, te oordeelen naar den koepel

van aardewerk, uit den tijd van Shâh Abbas schijnt te dagteekenen,

is zeker de plaatsvervanger van een zeer veel ouder monument: immers,

volgens de overlevering, is deze plek reeds sedert overoude tijden

eene heilige bedevaartsplaats. Nog in onze dagen, komen de Joden,

op de hooge feesten, in grooten getale een bezoek brengen aan de

laatste rustplaats van Ezra. Als de stoombootmaatschappijen, die op den

Tigris dienst doen, de opbrengst moesten missen, voortspruitende uit

het vervoer van christelijke, joodsche en mohammedaansche pelgrims,

die de graven der profeten of der imams willen bezoeken, dan zouden

zij ongetwijfeld bankroet gaan.

Onze engelsche reisgenoot had zich al herhaaldelijk beklaagd, dat

hij reeds drie dagen aan boord was en nog niet op pelikanen of wilde

eenden had kunnen schieten. "Het doel mijner reis is geheel gemist,

riep hij mistroostig uit.

--Ga te Koet-el-Amarah, waar wij stilhouden, aan land, antwoordde

de kapitein. Gij kunt dan op uw gemak de geheele streek afjagen,

en na een oponthoud van drie dagen, gaat gij weer aan boord van de

engelsche stoomboot _Khalifa_, die ook te Amarah ophoudt. De vlakte is

rijk aan wild; en gij zult ongetwijfeld een overvloedigen buit maken,

eer ge den tocht naar Bagdad hervat."

Onze vriend heeft zich gehaast, overeenkomstig den raad van den

kapitein te handelen; sedert zijn vertrek hebben wij tot driemaal aan

den grond gezeten. Deze incidenten hebben gelukkig geene ernstige

gevolgen gehad; nauwelijks hadden de zeer talrijke reizigers die

het dek en de salons vulden, voor het meerendeel de boot verlaten,

of deze begon zich los te werken uit de modder en kliefde weldra

weder de breede wateren van den Tigris.

Ik heb van het oponthoud gebruik gemaakt om een bezoek te brengen aan

een kleinen arabischen stam, die niet ver van de rivier is gekampeerd,

onder tenten van geitenhaar. De mannen, die er vrij woest uitzien,

zijn gekleed met een donkerbruin of blauw wollen hemd; de doek om

hun hoofd is met een koord van kemelshaar omsnoerd; hun gang is zeer

fier; meestal hebben zij eene lange lans in de hand. De bruinkleurige

vrouwen, forsch en gespierd en even als de mannen gekleed, zijn bijna

allen kenbaar aan de zilveren of koperen ringen, die zij in den neus

en om de polsen dragen.--Naar men mij zegt, behooren deze lieden

tot den stam der Beni-Laams, die zich vooral op de paardenfokkerij

toeleggen. Zuidwaarts van Amarah vindt men de Beni Aboe-Mohammed,

die bepaaldelijk in buffels handel drijven; in de vlakte nabij

Bagdad wonen de Shamars, de machtigste nomaden van Babylonië en de

onverzoenlijke vijanden der Turken. Metterdaad leven de Beni-Laams,

de Beni Aboe-Mohammed en de Shamars eenvoudig van roof en diefstal,

en hebben zij elkander onder dat opzicht niets te verwijten.

Voor- en tegenspoed wisselen elkander in dit ondermaansche af: de

stuurman is tot de ontdekking gekomen dat de boot niet meer naar het

roer luisterde; toen wij het laatst aan den grond raakten, is het

roer gebroken. Aan dit ongeval danken wij een oponthoud van eenige

uren en eene zeer levendige woordenwisseling tusschen den vroegeren

en den tegenwoordigen gezagvoerder van de _Mossoel_. De brave kapitein

Dominici heeft met een vloed van woorden zijn tegenstander vernietigd,

en breedvoerig uitgeweid over zijne talrijke schipbreuken en de

schokkende avonturen van zijn zeemansleven; hij heeft aangetoond hoe

hij steeds een middel wist te vinden om, ook zonder roer, toch een

schip te besturen, en dat niet maar op zulk eene ellendige rivier

als de Tigris, maar midden door de klippen en stormen der zeeën

van Patagonië! Gelukkig behoefden wij met de toovermiddelen van

den dapperen Corsicaan geene proef te nemen; tegen den avond kon de

_Mossoel_ haar reis hervatten.

Niet zonder wrevel en ergernis heeft de kapitein bemerkt, dat een

zijner passagiers liever op de eendenjacht ging, dan stil aan boord

te blijven; om ons voor onze trouw aan zijn vaartuig te beloonen,

heeft hij gisteravond ons medegedeeld, dat hij ons bij den boog van

Ktesiphon aan land zou zetten. De booten hebben vier uur noodig

om het schiereiland om te varen, waarop eenmaal de hoofdstad van

Khosroës verrees, terwijl men te land dien tocht in twintig minuten

kan doen. Wij zullen dus den tijd hebben om een blik te werpen op de

ruïnen van het paleis, eer wij weder aan boord moeten gaan. Bovendien

zal de kapitein ons door seinen waarschuwen.

Overeenkomstig de belofte van den gezagvoerder bracht de sloep ons

tegen den middag naar den wal, tegenover een kolossaal gebouw, dat

reeds in den loop van den morgen mijne aandacht getrokken had.

De dusgenoemde boog van Ktesiphon, geheel uit zware baksteenen

opgetrokken, is eigenlijk eene een-en-negentig meter lange en

vijf-en-dertig meter hooge façade, in het midden waarvan zich eene

gewelfde zaal opent, die eene breedte heeft van vijf-en-twintig

el. Deze talar beslaat de geheele tegenwoordige hoogte van het gebouw:

het paleis ontleent daaraan den naam van Tag-Kesra, waaronder het nog

bij de omwonende bevolking bekend is. Rechts en links van deze groote

zaal of hal bevonden zich zijgalerijen, ongetwijfeld bestemd voor

de lijfwacht, de hovelingen en de koninklijke schrijvers. Dergelijke

vertrekken waren toch niet geschikt om tot vrouwenverblijf te dienen;

bovendien, de koningen uit de dynastie der Sassaniden verborgen hunne

vrouwen met evenveel naijverige zorg, als in onze dagen de strengste

volgelingen van Mohammed doen.

In gewijzigden vorm vinden wij dus te Ktesiphon het koninklijk paleis

terug, dat wij te Persepolis leerden kennen; wij vinden hier dezelfde

onderscheiding tusschen de officieele residentie van den monarch

en de vertrekken voor het huiselijk en familieleven bestemd; en het

is van te meer belang deze bijzonderheid te constateeren, omdat in

de kasteelen van Sarvistan en Firoez-Abâd de biroen en de anderoen

niet aldus gescheiden, maar binnen dezelfde muren begrepen zijn.--De

zijvertrekken van het paleis van Ktesiphon zijn allen verdwenen; ter

nauwernood kan men uit de weinige brokstukken der scheidingsmuren en

de fondamenten hunne grootte opmaken. De vertrekken van den harem

en die van het personeel der hofhouding, welke zeer waarschijnlijk

van ongebakken steenen waren gebouwd, zijn natuurlijk verdwenen,

of liever zij bestaan nog slechts in de gedaante van lage tumuli,

waarin men tot dusver niets gevonden heeft, behalve enkele parthische

muntstukken en scherven van aardewerk. De munten der Sassaniden zijn

te Tag Kesra veel minder zeldzaam dan die der Parthen.

Behalve twee poorten en den kolossalen middenboog, heeft de

voorgevel geene enkele opening; maar daarentegen is hij versierd

met vier rijen van rondbogen boven elkander, die door een soort

van pilasters worden gedragen. Deze zuilen of pilasters, die men

op het eerste gezicht louter voor ornament zou aanzien, moeten mede

dienen om den reusachtigen muur stevigheid te verleenen, zoodat hij

zonder verderen steun aan de vernielende werking van den tijd en

aan de schokken van aardbevingen weerstand kan bieden. Volgens het

zeggen der kroniekschrijvers zouden deze zuilen met zilver bekleed

zijn geweest. Dit is niet zeer waarschijnlijk; maar eene bekleeding

met verzilverde koperen platen, als bij de koepels van Koem en Shâh

Abdoel-Azim, acht ik zeer wel mogelijk. In ieder geval moeten zij

overpleisterd of op eenige andere wijze bekleed zijn geweest, want

de steenen waaruit zij bestaan zijn zeer slordig bewerkt, en steken

daardoor zeer af bij de schoone en zorgvuldige bewerking van de vlakke

gedeelten der muren.

Treedt men de groote zaal binnen, dan wordt men onwillekeurig

getroffen door de majesteit van deze kolossale hal en de stoutheid

van het gewelf. Een gedeelte van dit gewelf is, volgens de sage,

ingestort op den dag der geboorte van Mohammed; het andere is nog

zeer goed bewaard gebleven en op regelmatige afstanden voorzien van

aarden buizen, volgens de Arabieren bestemd om de lampen te vullen,

die aan de zoldering waren opgehangen. Door de deur achter in de hal,

kon de koning uit zijne bijzondere vertrekken zich rechtsstreeks

naar zijn troonzetel begeven. Dan werd het zware voorhangsel voor den

grooten boog ten deele opgelicht, zoodat de stralen der morgenzon in

de zaal konden doordringen: dat was voor de hovelingen het teeken,

dat de monarch bereid was, de hulde zijner onderdanen te ontvangen

en hunne beden aan te hooren. Daar zat hij dan, op zijn elpenbeenen

troon, omstuwd door zijne lijfwachten en dienaren; de vloer van de

indrukwekkende zaal was met fijne matten belegd, waarover prachtige,

veelkleurige tapijten waren gespreid; langs de vermoedelijk met stuc

bekleede wanden waren, bij wijze van draperieën, kostbare weefsels

opgehangen; en dit alles, ten deele in half donker gehuld, slechts

beschenen door de van buiten invallende zonnestralen, moet inderdaad

een tooverachtigen aanblik hebben opgeleverd.

De tijd en de menschen hebben zich aangegord ter vernietiging van

dezen kolossus; maar de massa van het monument was zoo stevig, dat

noch de Romeinen, noch de Arabieren, noch de Turken het ontzaggelijk

geraamte hebben kunnen sloopen, en zich hebben moeten vergenoegen,

met stuksgewijze de ondergeschikte deelen, als het ware de ledematen

van het reusachtig gebouw, te vernielen. De omwalling is verdwenen;

de voorhof voor de groote zaal, de zalen en vertrekken ter wederzijde

ondergingen hetzelfde lot; maar wat nog over is gebleven getuigt nog

steeds van de macht en den rijkdom der koningen, die te Ktesiphon

hun zetel hadden.

11 December.--Het beklimmen van torens en minarets heeft voor mij niets

aanlokkelijks. Buiten adem en badende in zweet, komt ge eindelijk,

na tegen een smalle, donkere, min of meer bouwvallige trap van vier-

of vijfhonderd treden te hebben opgeklauterd, op een plat of galerij,

waar een koude wind u om de ooren blaast en eene verkoudheid op den

hals jaagt. Blazend, hijgend, rillend, laat ge uw blik dwalen over

eene verzameling van daken en schoorsteenen, over grijsachtige velden

en donkergroene massaas; in stille bewondering staart ge naar een

wemelenden nevel aan den horizon, die nu eens de zee en dan weder een

bergketen moet voorstellen; na dit verwarde, onharmonische tooneel

een poosje te hebben aangegaapt, daalt ge weer, met groote stappen,

de altijd draaiende trap af, die u bijna duizelig en zeeziek maakt,

zoodat ge u moet vasthouden aan een vies, vettig, glimmend touw,

en recht dankbaar zijt, als ge eindelijk weer onder uwe voeten den

vasten grond gevoelt, waarop de natuur gewild heeft dat wij ons bewegen

zouden. Het is dus voor mij een vaste regel, geen torens te beklimmen.

Dezen stelregel, waarnaar ik in alle landen en onder alle

hemelsbreedten gehandeld heb, herinner ik mij te laat, zooals het meer

het geval is, nu ik met handen en voeten, met ellebogen en knieën,

omhoog klauter tegen den muur van het paleis van Ktesiphon. Ik

kan niet meer en houd even op. Ik ben op omstreeks twintig ellen

boven den grond, en hang bijna aan eene uitstekende kroonlijst,

die eene geschikte zitplaats aanbiedt voor de vleermuizen en uilen,

de gewone gasten van deze ruïnen. Hoe zou ik mij haasten, naar

beneden te komen, indien niet de blikken van onze matrozen en van

de in den omtrek zwervende nomaden, met spottende nieuwsgierigheid,

op mij gevestigd waren!... Oef! De eer is gered: ik sta boven op den

rug van het gewelf. Ik heb waarlijk duur genoeg het recht betaald,

om het historische landschap te mogen bewonderen, dat zich voor mijne

voeten uitbreidt en dat heugenis draagt van wie weet hoe vele eeuwen.

Ik sta thans zoo hoog boven de vlakte van den Tigris, dat ik, met

behulp van een kijker, niet enkel de plek kan overzien waar eenmaal

Ktesiphon stond, en waar nu de bruine tenten der Arabieren verspreid

staan rondom het grafteeken van Salomon den Reine, den beroemden

barbier van Mohammed; maar ook aan de overzijde van de blauwe wateren

der rivier de lage heuveltjes of tumuli kan onderscheiden, de eenige

overblijfselen van de stad Seleucia. Bij een blik op de povere ruïnen

dezer beide steden, zoo dicht in elkanders nabijheid gelegen, begrijpt

men aanstonds, dat zij bestemd waren wederkeerig elkander in bedwang

te houden; mocht de eene een vooruitgeschoven post van het Westen

worden genoemd, aan de andere was de taak toevertrouwd om de grenzen

van Perzië te verdedigen.

Ktesiphon, door de Parthen, misschien zelfs reeds door de laatste

Achemeniden gesticht, vergroot of herbouwd door Ardeshir, den zoon

van Babek, vooral onder de Sassaniden machtig en bloeiend, kon op eene

betrekkelijk hooge oudheid roemen; toch wist de door Seleukos I, een

der opvolgers van Alexander, gestichte en naar hem genoemde nieuwe

grieksche stad in weinige jaren haar mededingster naar de kroon te

steken en te overvleugelen. Zij werd een der hoofdstapelplaatsen van

den oosterschen handel en telde in haar bloeitijd eene bevolking

van meer dan zeshonderdduizend zielen. Ook na den val van het

syrische rijk en onder de heerschappij der Romeinen behield Seleucia

eene groote mate van vrijheid en autonomie; zij was en bleef eene

grieksche stad, waar westersche denkbeelden en gewoonten heerschten

en de westersche beschaving den boventoon voerde. Ongelukkig had zij

van de grieksche traditie ook de zeer kwade gewoonte overgenomen om

steeds te politiseeren; en evenals de oude grieksche staten aan deze

politieke manie hun ondergang te danken hadden, zoo ook Seleucia, en na

Seleucia nog menige andere stad en staat. De heftigste partijschappen

verdeelden het volk; en daar politieke partijen steeds en overal

in de eerste plaats haar eigen belang, den triomf harer stellingen

en theoriën beoogen en het algemeen belang daarvoor doen wijken,

zoo schroomden ook de partijhoofden te Seleucia niet, de hulp van

vreemden en van vijanden in te roepen. Zoo geraakte de stad onder de

macht der parthische koningen, die hun winterresidentie in Ktesiphon

hadden; en zoo had zij mede haar deel te dragen van de ellende, die

de herhaalde oorlogen tusschen de Parthen en de Romeinen over deze

gansche streek brachten. In 116 na Chr. bezette Trajanus de stad en

legde haar, nadat de bevolking in roekeloozen overmoed in opstand was

gekomen, voor een deel in de asch; nog zwaarder slag trof haar eenige

tientallen jaren later, in 165, toen zij door Lucius Verus geheel werd

verwoest. Sedert was haar kracht gebroken. Door Septimius Severus,

te gelijkertijd met Ktesiphon, veroverd, viel zij later in handen

der Sassaniden en zonk allengs in vergetelheid weg. Ktesiphon bleef

eene der hoofdsteden van het perzische rijk, tot het in 637 door den

Khalief Omar veroverd en verwoest werd.

Met uitzondering van de overblijfselen eener aarden omvalling is

van de hoofdstad van Seleukos geen enkel monument, geen enkel spoor

overgebleven; de eenmaal zoo vruchtbare bodem, waarop zij zich verhief,

wordt tegenwoordig alleen nog maar betreden door zwervende Arabieren,

door enkele geitenherders, en in den herfst door inwoners van Bagdad,

die nadat de felle zomerhitte geweken is, hunne tenten komen opslaan

in de vlakke velden van den Tigris, om in het dichte kreupelhout ter

wilde-zwijnenjacht te gaan.

De avond valt. Wij moeten de nauwkeurige studie van het paleis tot

eene latere gelegenheid uitstellen, en naar den oever terugkeeren,

waar de _Mossoel_ weldra verschijnen zal. Wij volgen een door

herders of stroopers gebaand pad, dat ons midden door kreupelhout

en dicht struikgewas, aan de rivier brengt. Nauwelijks is de korte

avondschemering voorbij en door de nachtelijke duisternis vervangen,

of de temperatuur daalt met buitengewone snelheid. Op den vrij

hoogen oever neergezeten, zie ik vergeefs uit naar de lichten van de

stoomboot; hoe scherp ik ook luister, geen enkel geluid verkondigt

de nadering van het zoo vurig verwachte schip. Kapitein Dominici,

die ons als gids heeft vergezeld, wordt ongeduldig en onrustig:

hij loopt heen en weer, en zorgt zeer slecht voor het vuur, dat hij

op ons dringend verzoek heeft doen aanleggen. Nadat er een vol uur

verloopen was, kon hij zich niet langer bedwingen.

"Ziet gij, zoo zegt hij, die vurig gekleurde rookwolken, die uit de

vlakte opstijgen? Dat zijn de kampementen der nomaden, wier aantal zeer

groot is. Zij kunnen ongemerkt door het kreupelhout naderbij sluipen;

en als zij zien, hoe weinig talrijk wij zijn, zullen zij ons aanvallen

en naakt uitschudden. Dooft daarom het vuur zoo spoedig mogelijk uit;

strooit zand over de asch, die ons zou kunnen verraden, en laat ons

langs den oever der rivier vluchten."

Dat is evenwel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Rechts wordt het

kreupelhout steeds dichter; links is de steile oever op vele plaatsen

ingestort of afgebrokkeld; zoolang de maan ons niet te hulp komt,

kunnen wij in den donker niet verder gaan, tenzij wij ons aan het

bijna zekere gevaar willen blootstellen, in den Tigris te storten. De

angst voor de nomaden, de vrees in eene hinderlaag te zullen vallen,

gevoegd bij de kwellingen van honger en koude, maken dat de traag

voortkruipende uren ons eene eeuwigheid schijnen. Nog altijd komt

de boot niet, en wij gaan beraadslagen over hetgeen ons te doen

staat--hetgeen altijd een veeg teeken is. Goddank! daar plast iets

in het water! Het is een zeilschip, dat naar Koet el-Amarah bestemd

is en langs den oever vaart, waar wij in zoo treurigen toestand

vertoeven. De gezagvoerder van het vaartuig is bereid ons op te nemen;

en nadat wij een uur gevaren hebben, zien wij in de verte de lichten

van de _Mossoel_. Kort na ons vertrek was de ongelukkige boot weer

op eene modderbank vastgeraakt: uren lang heeft men moeten arbeiden

om haar weer vlot te krijgen: van daar de vertraging.

Middernacht is reeds voorbij, als ik de kajuit binnentreed, die

tegelijk tot salon, tot eetzaal en tot kabinet voor den kommandant

en de eerste-klasse passagiers dient; de tafel is gedekt; de lamp

werpt een uitlokkend schijnsel op den schotel met pilau; ik heb geen

hinder meer van den kouden nachtwind en heb geen onwelkom bezoek van

nomaden meer te duchten. Einde goed al goed.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 33 / 41 题