8 December--Drie dagen lang heeft de koorts ons, indien al niet aan
onze legerstede, dan toch aan ons huis geketend, en het voortzetten
der reis belet. Zoodra wij evenwel weer een voet konden verzetten,
zijn wij zoo spoedig mogelijk Bassorah met zijne ongezonde lucht
en vochtig heete temperatuur ontvlucht. Twee stoombooten varen in
geregelden dienst tusschen die stad en Bagdad. De eene stoombootdienst
is van eene engelsche maatschappij en vaart geregeld iedere week. De
vrij eenvoudig ingerichte booten worden zoo zindelijk gehouden als
met de gewoonten der reizigers, die steeds op het dek hunne spijzen
gereed maken, bestaanbaar is. De andere dienst is door het turksche
bestuur georganiseerd; deze booten varen tweemaal in de maand. Wij
hebben plaats genomen op de _Mossoel_, eene turksche boot, die heden
morgen, eene maand te laat, afvoer.
Het gaat hier alles op zijn turksch! Do gezagvoerder en de bemanning,
die zeer ongeregeld betaald worden, moeten wel, om te leven, hunne
toevlucht nemen tot maatregelen, die juist niet aangenaam zijn voor
de reizigers. Het dek van de eerste klasse is opgepropt met kooien
en manden vol kippen, die de matrozen te Bassorah hebben gekocht en
die zij te Bagdad weder verkoopen, met twee of drie stuivers winst
per stuk. De officieren, wier eerzucht verder reikt, kunnen dit den
matrozen moeilijk verbieden, want zij zelven nemen met hunne koffers
en pakken het geheele ruim in beslag.
Onze reisgenooten zijn, vooreerst, een Engelschman, die pas uit Indië
is teruggekeerd, en die op de _Mossoel_ plaats heeft genomen, omdat
de turksche booten de reputatie hebben, veel meer aan den grond te
raken dan de engelsche: hij hoopt dan gelegenheid te kunnen vinden om
aan zijn hartstocht voor de jacht te kunnen bot vieren. Onze tweede
reisgenoot is een Corsicaan, kapitein Dominici, die zelf langen tijd
het bevel heeft gevoerd op de _Mossoel_ en nu, nadat hij uit zijne
betrekking is ontslagen, te Bagdad woont. Men behoeft niet lang
met hem in gezelschap te zijn, om deelgenoot te worden van zijne
grieven. Ongeveer een jaar geleden, kwam de turksche regeering op
de gedachte, dat zij haar leveranciers eigenlijk evenmin behoefde
te betalen als haar ambtenaren. Een der eersten, verbitterd over
een eindeloos uitstel, verloor zijn geduld, en verklaarde dat hij
geen zak kolen meer zou leveren, zoolang zijne rekening niet betaald
was. De _Mossoel_ wachtte op brandstof, toen de kapitein bevel ontving,
onmiddellijk te vertrekken.
"De bakken zijn bijna ledig; ik kan niet vertrekken zonder kolen, zeide
hij tot den pâsja, met het opzicht over de stoombootdienst belast.
--Dan hebben wij uw diensten niet meer van noode! Varen, en dan nog
kolen verbranden op den koop toe!
--Het woord "onmogelijk" bestaat in onze fransche taal niet,"
antwoordde de kapitein, zijne hand in zijn vest stekende.
De trossen worden losgegooid en de _Mossoel_ vaart statig op den
Tigris. Na verloop van twee dagen was er geen stukje steenkool meer
te vinden, maar onze Corsicaan wist raad. De lading van de boot
bestond uit sesam, een peulgewas, uit welks zaad eene uitmuntende
olie wordt bereid.
"Voor den dag met het sesam! gooi het in het vuur!" beveelt de
kapitein. De machine snuift en stampt, en na verloop van acht dagen
komt de _Mossoel_ zegepralend te Bagdad, na eene lading ter waarde
van ruim dertigduizend francs in rook te hebben doen opgaan. De
kapitein boette met het verlies van zijne betrekking voor de
stoutmoedigheid, waarmede hij het woord zijns grooten Keizers in
toepassing had gebracht; terwijl de opzichter van de dienst nog een
aardig voordeeltje trok uit dit zonderlinge avontuur. De pâsja, nu
overtuigd dat het zaak was de rekening van de steenkolen te betalen,
stelde het gouvernement voor, om, bij gebrek aan geld, den leverancier
tevreden te stellen met achthonderd kameelen, aan een oproerigen stam
ontroofd. De leverancier had daar niets tegen; en recht in zijn schik
dat hij nu in natura ongeveer de dubbele waarde ontving van hetgeen
hij te vorderen had, deed hij op zijn beurt twee- à driehonderd van
de meest versleten dieren aan den pâsja cadeau.
Eenige uren na ons vertrek van Bassorah, voeren wij langs Qoernah, op
eene smalle landtong gelegen, aan welker benedeneinde de Euphraat en
de Tigris samenvloeien, om vereenigd den Shatt el-Arab te vormen. Het
landschap is zeer onbeteekenend: lage, half overstroomde oevers;
moerassige weilanden, waarin magere koeien loopen te grazen, die tot
den ruggegraat met slijk zijn bespat; voorts enkele boomen--ziedaar
alles.
9 December--De vaart op den Tigris is in de hoogste mate eentonig;
de wederzijdsche oevers zijn zoo hoog, dat het is alsof men tusschen
twee dijken vaart, die alle uitzicht onderscheppen. Dezen morgen
voeren wij langs de uitmonding van eene fraaie rivier, en hielden
eenige oogenblikken later stil te Amarah. Deze stad is van zeer jonge
dagteekening en dankt hare welvaart aan de karavanen uit Kermansha
en Shoester, die granen en indigo aanvoeren, welke vervolgens naar
Bagdad worden gebracht.
10 December.--Babel is niet meer dan een vormelooze puinhoop; en Ezra,
die als balling in de beroemde wereldstad vertoefde en het voorrecht
mocht smaken, zijne landgenooten naar Jeruzalem terug te voeren,
slaapt, volgens de overlevering, nog altijd aan de boorden van den
Tigris. Daar eenige Joden aan boord van de _Mossoel_ moesten worden
opgenomen, heb ik van de weinige oogenblikken van oponthoud gebruik
gemaakt, om haastig eene photografie te nemen van het graf van den
profeet. Het tegenwoordige gebouw, dat, te oordeelen naar den koepel
van aardewerk, uit den tijd van Shâh Abbas schijnt te dagteekenen,
is zeker de plaatsvervanger van een zeer veel ouder monument: immers,
volgens de overlevering, is deze plek reeds sedert overoude tijden
eene heilige bedevaartsplaats. Nog in onze dagen, komen de Joden,
op de hooge feesten, in grooten getale een bezoek brengen aan de
laatste rustplaats van Ezra. Als de stoombootmaatschappijen, die op den
Tigris dienst doen, de opbrengst moesten missen, voortspruitende uit
het vervoer van christelijke, joodsche en mohammedaansche pelgrims,
die de graven der profeten of der imams willen bezoeken, dan zouden
zij ongetwijfeld bankroet gaan.
Onze engelsche reisgenoot had zich al herhaaldelijk beklaagd, dat
hij reeds drie dagen aan boord was en nog niet op pelikanen of wilde
eenden had kunnen schieten. "Het doel mijner reis is geheel gemist,
riep hij mistroostig uit.
--Ga te Koet-el-Amarah, waar wij stilhouden, aan land, antwoordde
de kapitein. Gij kunt dan op uw gemak de geheele streek afjagen,
en na een oponthoud van drie dagen, gaat gij weer aan boord van de
engelsche stoomboot _Khalifa_, die ook te Amarah ophoudt. De vlakte is
rijk aan wild; en gij zult ongetwijfeld een overvloedigen buit maken,
eer ge den tocht naar Bagdad hervat."
Onze vriend heeft zich gehaast, overeenkomstig den raad van den
kapitein te handelen; sedert zijn vertrek hebben wij tot driemaal aan
den grond gezeten. Deze incidenten hebben gelukkig geene ernstige
gevolgen gehad; nauwelijks hadden de zeer talrijke reizigers die
het dek en de salons vulden, voor het meerendeel de boot verlaten,
of deze begon zich los te werken uit de modder en kliefde weldra
weder de breede wateren van den Tigris.
Ik heb van het oponthoud gebruik gemaakt om een bezoek te brengen aan
een kleinen arabischen stam, die niet ver van de rivier is gekampeerd,
onder tenten van geitenhaar. De mannen, die er vrij woest uitzien,
zijn gekleed met een donkerbruin of blauw wollen hemd; de doek om
hun hoofd is met een koord van kemelshaar omsnoerd; hun gang is zeer
fier; meestal hebben zij eene lange lans in de hand. De bruinkleurige
vrouwen, forsch en gespierd en even als de mannen gekleed, zijn bijna
allen kenbaar aan de zilveren of koperen ringen, die zij in den neus
en om de polsen dragen.--Naar men mij zegt, behooren deze lieden
tot den stam der Beni-Laams, die zich vooral op de paardenfokkerij
toeleggen. Zuidwaarts van Amarah vindt men de Beni Aboe-Mohammed,
die bepaaldelijk in buffels handel drijven; in de vlakte nabij
Bagdad wonen de Shamars, de machtigste nomaden van Babylonië en de
onverzoenlijke vijanden der Turken. Metterdaad leven de Beni-Laams,
de Beni Aboe-Mohammed en de Shamars eenvoudig van roof en diefstal,
en hebben zij elkander onder dat opzicht niets te verwijten.
Voor- en tegenspoed wisselen elkander in dit ondermaansche af: de
stuurman is tot de ontdekking gekomen dat de boot niet meer naar het
roer luisterde; toen wij het laatst aan den grond raakten, is het
roer gebroken. Aan dit ongeval danken wij een oponthoud van eenige
uren en eene zeer levendige woordenwisseling tusschen den vroegeren
en den tegenwoordigen gezagvoerder van de _Mossoel_. De brave kapitein
Dominici heeft met een vloed van woorden zijn tegenstander vernietigd,
en breedvoerig uitgeweid over zijne talrijke schipbreuken en de
schokkende avonturen van zijn zeemansleven; hij heeft aangetoond hoe
hij steeds een middel wist te vinden om, ook zonder roer, toch een
schip te besturen, en dat niet maar op zulk eene ellendige rivier
als de Tigris, maar midden door de klippen en stormen der zeeën
van Patagonië! Gelukkig behoefden wij met de toovermiddelen van
den dapperen Corsicaan geene proef te nemen; tegen den avond kon de
_Mossoel_ haar reis hervatten.
Niet zonder wrevel en ergernis heeft de kapitein bemerkt, dat een
zijner passagiers liever op de eendenjacht ging, dan stil aan boord
te blijven; om ons voor onze trouw aan zijn vaartuig te beloonen,
heeft hij gisteravond ons medegedeeld, dat hij ons bij den boog van
Ktesiphon aan land zou zetten. De booten hebben vier uur noodig
om het schiereiland om te varen, waarop eenmaal de hoofdstad van
Khosroës verrees, terwijl men te land dien tocht in twintig minuten
kan doen. Wij zullen dus den tijd hebben om een blik te werpen op de
ruïnen van het paleis, eer wij weder aan boord moeten gaan. Bovendien
zal de kapitein ons door seinen waarschuwen.
Overeenkomstig de belofte van den gezagvoerder bracht de sloep ons
tegen den middag naar den wal, tegenover een kolossaal gebouw, dat
reeds in den loop van den morgen mijne aandacht getrokken had.
De dusgenoemde boog van Ktesiphon, geheel uit zware baksteenen
opgetrokken, is eigenlijk eene een-en-negentig meter lange en
vijf-en-dertig meter hooge façade, in het midden waarvan zich eene
gewelfde zaal opent, die eene breedte heeft van vijf-en-twintig
el. Deze talar beslaat de geheele tegenwoordige hoogte van het gebouw:
het paleis ontleent daaraan den naam van Tag-Kesra, waaronder het nog
bij de omwonende bevolking bekend is. Rechts en links van deze groote
zaal of hal bevonden zich zijgalerijen, ongetwijfeld bestemd voor
de lijfwacht, de hovelingen en de koninklijke schrijvers. Dergelijke
vertrekken waren toch niet geschikt om tot vrouwenverblijf te dienen;
bovendien, de koningen uit de dynastie der Sassaniden verborgen hunne
vrouwen met evenveel naijverige zorg, als in onze dagen de strengste
volgelingen van Mohammed doen.
In gewijzigden vorm vinden wij dus te Ktesiphon het koninklijk paleis
terug, dat wij te Persepolis leerden kennen; wij vinden hier dezelfde
onderscheiding tusschen de officieele residentie van den monarch
en de vertrekken voor het huiselijk en familieleven bestemd; en het
is van te meer belang deze bijzonderheid te constateeren, omdat in
de kasteelen van Sarvistan en Firoez-Abâd de biroen en de anderoen
niet aldus gescheiden, maar binnen dezelfde muren begrepen zijn.--De
zijvertrekken van het paleis van Ktesiphon zijn allen verdwenen; ter
nauwernood kan men uit de weinige brokstukken der scheidingsmuren en
de fondamenten hunne grootte opmaken. De vertrekken van den harem
en die van het personeel der hofhouding, welke zeer waarschijnlijk
van ongebakken steenen waren gebouwd, zijn natuurlijk verdwenen,
of liever zij bestaan nog slechts in de gedaante van lage tumuli,
waarin men tot dusver niets gevonden heeft, behalve enkele parthische
muntstukken en scherven van aardewerk. De munten der Sassaniden zijn
te Tag Kesra veel minder zeldzaam dan die der Parthen.
Behalve twee poorten en den kolossalen middenboog, heeft de
voorgevel geene enkele opening; maar daarentegen is hij versierd
met vier rijen van rondbogen boven elkander, die door een soort
van pilasters worden gedragen. Deze zuilen of pilasters, die men
op het eerste gezicht louter voor ornament zou aanzien, moeten mede
dienen om den reusachtigen muur stevigheid te verleenen, zoodat hij
zonder verderen steun aan de vernielende werking van den tijd en
aan de schokken van aardbevingen weerstand kan bieden. Volgens het
zeggen der kroniekschrijvers zouden deze zuilen met zilver bekleed
zijn geweest. Dit is niet zeer waarschijnlijk; maar eene bekleeding
met verzilverde koperen platen, als bij de koepels van Koem en Shâh
Abdoel-Azim, acht ik zeer wel mogelijk. In ieder geval moeten zij
overpleisterd of op eenige andere wijze bekleed zijn geweest, want
de steenen waaruit zij bestaan zijn zeer slordig bewerkt, en steken
daardoor zeer af bij de schoone en zorgvuldige bewerking van de vlakke
gedeelten der muren.
Treedt men de groote zaal binnen, dan wordt men onwillekeurig
getroffen door de majesteit van deze kolossale hal en de stoutheid
van het gewelf. Een gedeelte van dit gewelf is, volgens de sage,
ingestort op den dag der geboorte van Mohammed; het andere is nog
zeer goed bewaard gebleven en op regelmatige afstanden voorzien van
aarden buizen, volgens de Arabieren bestemd om de lampen te vullen,
die aan de zoldering waren opgehangen. Door de deur achter in de hal,
kon de koning uit zijne bijzondere vertrekken zich rechtsstreeks
naar zijn troonzetel begeven. Dan werd het zware voorhangsel voor den
grooten boog ten deele opgelicht, zoodat de stralen der morgenzon in
de zaal konden doordringen: dat was voor de hovelingen het teeken,
dat de monarch bereid was, de hulde zijner onderdanen te ontvangen
en hunne beden aan te hooren. Daar zat hij dan, op zijn elpenbeenen
troon, omstuwd door zijne lijfwachten en dienaren; de vloer van de
indrukwekkende zaal was met fijne matten belegd, waarover prachtige,
veelkleurige tapijten waren gespreid; langs de vermoedelijk met stuc
bekleede wanden waren, bij wijze van draperieën, kostbare weefsels
opgehangen; en dit alles, ten deele in half donker gehuld, slechts
beschenen door de van buiten invallende zonnestralen, moet inderdaad
een tooverachtigen aanblik hebben opgeleverd.
De tijd en de menschen hebben zich aangegord ter vernietiging van
dezen kolossus; maar de massa van het monument was zoo stevig, dat
noch de Romeinen, noch de Arabieren, noch de Turken het ontzaggelijk
geraamte hebben kunnen sloopen, en zich hebben moeten vergenoegen,
met stuksgewijze de ondergeschikte deelen, als het ware de ledematen
van het reusachtig gebouw, te vernielen. De omwalling is verdwenen;
de voorhof voor de groote zaal, de zalen en vertrekken ter wederzijde
ondergingen hetzelfde lot; maar wat nog over is gebleven getuigt nog
steeds van de macht en den rijkdom der koningen, die te Ktesiphon
hun zetel hadden.
11 December.--Het beklimmen van torens en minarets heeft voor mij niets
aanlokkelijks. Buiten adem en badende in zweet, komt ge eindelijk,
na tegen een smalle, donkere, min of meer bouwvallige trap van vier-
of vijfhonderd treden te hebben opgeklauterd, op een plat of galerij,
waar een koude wind u om de ooren blaast en eene verkoudheid op den
hals jaagt. Blazend, hijgend, rillend, laat ge uw blik dwalen over
eene verzameling van daken en schoorsteenen, over grijsachtige velden
en donkergroene massaas; in stille bewondering staart ge naar een
wemelenden nevel aan den horizon, die nu eens de zee en dan weder een
bergketen moet voorstellen; na dit verwarde, onharmonische tooneel
een poosje te hebben aangegaapt, daalt ge weer, met groote stappen,
de altijd draaiende trap af, die u bijna duizelig en zeeziek maakt,
zoodat ge u moet vasthouden aan een vies, vettig, glimmend touw,
en recht dankbaar zijt, als ge eindelijk weer onder uwe voeten den
vasten grond gevoelt, waarop de natuur gewild heeft dat wij ons bewegen
zouden. Het is dus voor mij een vaste regel, geen torens te beklimmen.
Dezen stelregel, waarnaar ik in alle landen en onder alle
hemelsbreedten gehandeld heb, herinner ik mij te laat, zooals het meer
het geval is, nu ik met handen en voeten, met ellebogen en knieën,
omhoog klauter tegen den muur van het paleis van Ktesiphon. Ik
kan niet meer en houd even op. Ik ben op omstreeks twintig ellen
boven den grond, en hang bijna aan eene uitstekende kroonlijst,
die eene geschikte zitplaats aanbiedt voor de vleermuizen en uilen,
de gewone gasten van deze ruïnen. Hoe zou ik mij haasten, naar
beneden te komen, indien niet de blikken van onze matrozen en van
de in den omtrek zwervende nomaden, met spottende nieuwsgierigheid,
op mij gevestigd waren!... Oef! De eer is gered: ik sta boven op den
rug van het gewelf. Ik heb waarlijk duur genoeg het recht betaald,
om het historische landschap te mogen bewonderen, dat zich voor mijne
voeten uitbreidt en dat heugenis draagt van wie weet hoe vele eeuwen.
Ik sta thans zoo hoog boven de vlakte van den Tigris, dat ik, met
behulp van een kijker, niet enkel de plek kan overzien waar eenmaal
Ktesiphon stond, en waar nu de bruine tenten der Arabieren verspreid
staan rondom het grafteeken van Salomon den Reine, den beroemden
barbier van Mohammed; maar ook aan de overzijde van de blauwe wateren
der rivier de lage heuveltjes of tumuli kan onderscheiden, de eenige
overblijfselen van de stad Seleucia. Bij een blik op de povere ruïnen
dezer beide steden, zoo dicht in elkanders nabijheid gelegen, begrijpt
men aanstonds, dat zij bestemd waren wederkeerig elkander in bedwang
te houden; mocht de eene een vooruitgeschoven post van het Westen
worden genoemd, aan de andere was de taak toevertrouwd om de grenzen
van Perzië te verdedigen.
Ktesiphon, door de Parthen, misschien zelfs reeds door de laatste
Achemeniden gesticht, vergroot of herbouwd door Ardeshir, den zoon
van Babek, vooral onder de Sassaniden machtig en bloeiend, kon op eene
betrekkelijk hooge oudheid roemen; toch wist de door Seleukos I, een
der opvolgers van Alexander, gestichte en naar hem genoemde nieuwe
grieksche stad in weinige jaren haar mededingster naar de kroon te
steken en te overvleugelen. Zij werd een der hoofdstapelplaatsen van
den oosterschen handel en telde in haar bloeitijd eene bevolking
van meer dan zeshonderdduizend zielen. Ook na den val van het
syrische rijk en onder de heerschappij der Romeinen behield Seleucia
eene groote mate van vrijheid en autonomie; zij was en bleef eene
grieksche stad, waar westersche denkbeelden en gewoonten heerschten
en de westersche beschaving den boventoon voerde. Ongelukkig had zij
van de grieksche traditie ook de zeer kwade gewoonte overgenomen om
steeds te politiseeren; en evenals de oude grieksche staten aan deze
politieke manie hun ondergang te danken hadden, zoo ook Seleucia, en na
Seleucia nog menige andere stad en staat. De heftigste partijschappen
verdeelden het volk; en daar politieke partijen steeds en overal
in de eerste plaats haar eigen belang, den triomf harer stellingen
en theoriën beoogen en het algemeen belang daarvoor doen wijken,
zoo schroomden ook de partijhoofden te Seleucia niet, de hulp van
vreemden en van vijanden in te roepen. Zoo geraakte de stad onder de
macht der parthische koningen, die hun winterresidentie in Ktesiphon
hadden; en zoo had zij mede haar deel te dragen van de ellende, die
de herhaalde oorlogen tusschen de Parthen en de Romeinen over deze
gansche streek brachten. In 116 na Chr. bezette Trajanus de stad en
legde haar, nadat de bevolking in roekeloozen overmoed in opstand was
gekomen, voor een deel in de asch; nog zwaarder slag trof haar eenige
tientallen jaren later, in 165, toen zij door Lucius Verus geheel werd
verwoest. Sedert was haar kracht gebroken. Door Septimius Severus,
te gelijkertijd met Ktesiphon, veroverd, viel zij later in handen
der Sassaniden en zonk allengs in vergetelheid weg. Ktesiphon bleef
eene der hoofdsteden van het perzische rijk, tot het in 637 door den
Khalief Omar veroverd en verwoest werd.
Met uitzondering van de overblijfselen eener aarden omvalling is
van de hoofdstad van Seleukos geen enkel monument, geen enkel spoor
overgebleven; de eenmaal zoo vruchtbare bodem, waarop zij zich verhief,
wordt tegenwoordig alleen nog maar betreden door zwervende Arabieren,
door enkele geitenherders, en in den herfst door inwoners van Bagdad,
die nadat de felle zomerhitte geweken is, hunne tenten komen opslaan
in de vlakke velden van den Tigris, om in het dichte kreupelhout ter
wilde-zwijnenjacht te gaan.
De avond valt. Wij moeten de nauwkeurige studie van het paleis tot
eene latere gelegenheid uitstellen, en naar den oever terugkeeren,
waar de _Mossoel_ weldra verschijnen zal. Wij volgen een door
herders of stroopers gebaand pad, dat ons midden door kreupelhout
en dicht struikgewas, aan de rivier brengt. Nauwelijks is de korte
avondschemering voorbij en door de nachtelijke duisternis vervangen,
of de temperatuur daalt met buitengewone snelheid. Op den vrij
hoogen oever neergezeten, zie ik vergeefs uit naar de lichten van de
stoomboot; hoe scherp ik ook luister, geen enkel geluid verkondigt
de nadering van het zoo vurig verwachte schip. Kapitein Dominici,
die ons als gids heeft vergezeld, wordt ongeduldig en onrustig:
hij loopt heen en weer, en zorgt zeer slecht voor het vuur, dat hij
op ons dringend verzoek heeft doen aanleggen. Nadat er een vol uur
verloopen was, kon hij zich niet langer bedwingen.
"Ziet gij, zoo zegt hij, die vurig gekleurde rookwolken, die uit de
vlakte opstijgen? Dat zijn de kampementen der nomaden, wier aantal zeer
groot is. Zij kunnen ongemerkt door het kreupelhout naderbij sluipen;
en als zij zien, hoe weinig talrijk wij zijn, zullen zij ons aanvallen
en naakt uitschudden. Dooft daarom het vuur zoo spoedig mogelijk uit;
strooit zand over de asch, die ons zou kunnen verraden, en laat ons
langs den oever der rivier vluchten."
Dat is evenwel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Rechts wordt het
kreupelhout steeds dichter; links is de steile oever op vele plaatsen
ingestort of afgebrokkeld; zoolang de maan ons niet te hulp komt,
kunnen wij in den donker niet verder gaan, tenzij wij ons aan het
bijna zekere gevaar willen blootstellen, in den Tigris te storten. De
angst voor de nomaden, de vrees in eene hinderlaag te zullen vallen,
gevoegd bij de kwellingen van honger en koude, maken dat de traag
voortkruipende uren ons eene eeuwigheid schijnen. Nog altijd komt
de boot niet, en wij gaan beraadslagen over hetgeen ons te doen
staat--hetgeen altijd een veeg teeken is. Goddank! daar plast iets
in het water! Het is een zeilschip, dat naar Koet el-Amarah bestemd
is en langs den oever vaart, waar wij in zoo treurigen toestand
vertoeven. De gezagvoerder van het vaartuig is bereid ons op te nemen;
en nadat wij een uur gevaren hebben, zien wij in de verte de lichten
van de _Mossoel_. Kort na ons vertrek was de ongelukkige boot weer
op eene modderbank vastgeraakt: uren lang heeft men moeten arbeiden
om haar weer vlot te krijgen: van daar de vertraging.
Middernacht is reeds voorbij, als ik de kajuit binnentreed, die
tegelijk tot salon, tot eetzaal en tot kabinet voor den kommandant
en de eerste-klasse passagiers dient; de tafel is gedekt; de lamp
werpt een uitlokkend schijnsel op den schotel met pilau; ik heb geen
hinder meer van den kouden nachtwind en heb geen onwelkom bezoek van
nomaden meer te duchten. Einde goed al goed.