XXXIII

25 November.--Wij zijn opgesloten in eene nauwe en kleine hut. Als wij

dicht tegen elkander aanschuiven, raken wij aan de zijwanden; als wij

gaan zitten, stooten wij met onze hoofden tegen de zoldering. Dit ruime

vertrek is de slaap-, zit- en eetkamer aan boord van de stoomsloep,

die de sheikh Moses welwillend tot onze beschikking heeft gesteld. De

geheele sloep is van soortgelijke afmetingen. In het midden verrijst

de hut of kajuit, waarvan het platte dak met kussens is belegd en van

eene tent voorzien. De machine is in het achterschip, de provisiekamer

in het voorschip aangebracht. De bemanning bestaat uit een _reïs_

of kapitein; uit den machinist, een neger; uit vier goed gewapende

toefangtsjis, die voor de veiligheid van het vaartuig moeten waken;

en uit een intendant, aan het hoofd van het personeel geplaatst.

Wij verlaten het kanaal van Feliëh en komen op den Shatt-el-Arab. De

snelheid van den stroom, gevoegd bij de werking der machine, laat

ons niet den tijd om van het prachtige schouwspel te genieten, dat

de geweldige rivier bij zonsondergang aanbiedt. Links en rechts zijn

de donker purperkleurige wateren omzoomd door palmbosschen; groote

buffels grazen in de weide of kijken met hunne groote verbaasde oogen

naar de boot, die dicht langs den groenen oever houdt.--De zon nadert

den horizon, maar alvorens te verdwijnen, overstroomt zij de rivier

met zoo verblindenden gloed, dat de oogen de tinteling van het licht

niet kunnen verdragen; dan verbleeken de stralende vlammen aan den

blauwen hemel: de purperen wolken worden grauw; de toppen der palmen

verliezen zich in de wazige schemering; de buffels verdwijnen te

midden van kreupelhout en geboomte; enkele sterren schitteren aan

het uitspansel; van oogenblik tot oogenblik groeit haar aantal en

vermeerdert haar flonkerend licht, naarmate de laatste sporen van den

dag verdwijnen. Eensklaps is het nacht, eene kalme, majestueuse nacht,

vol rust en heilige stilte. Wij houden stil te Mohammerah.

Deze haven, die wij, van Boeshir komende, reeds langs zijn gevaren,

ligt aan de uitmonding van den Karoen, eene niet onbelangrijke

rivier, die van de bergen van Kurdistan afdaalt en een ongelukkig

zeer weinig gebruikten gemeenschapsweg vormt tusschen Susiane en de

Perzische-golf. De zeer steile oevers der rivier zijn als het ware door

de natuur zelve gebouwde kaaien, waaraan al de vaartuigen aanleggen,

die de granen van Arabistan te Mohammerah komen lossen.

Wij hebben het vloedgetij afgewacht, waarvan de werking zich tot

meer dan dertig kilometers boven de haven doet gevoelen, en zijn

eindelijk te middernacht de wateren van den Karoen opgestoomd. Bij

het aanbreken van den dag zullen wij haverwege Ahvas zijn. Ik had

mij daarmede niet durven vleien en er ook niet op gerekend. Nu geloof

ik aan de stoomsloep van sheikh Moses; ik geloof aan het bestaan van

eene stoommachine in Perzië; ik geloof zelfs in den zwarten machinist

van Bassorah.

26 November. Zou ik te voorbarig zijn geweest in mijn lofrede op

onze stoomsloep? Het is niet genoeg, met den haas in de fabel, hard

van stal te loopen; men moet ook, met de schildpad, ter bestemder

plaatse aankomen.

Bij het krieken van den dag ben ik uit mijn hok naar buiten getreden,

en heb aan den machinist, gevraagd, hoe ver wij waren. De vraag scheen

mij te minder ongepast, omdat ik, half slapende, half wakende, gemeend

had, bij herhaling verdachte geluiden in de machinekamer te hooren.

"Wij hebben omstreeks tien farsaks afgelegd, antwoordde hij, terwijl

hij den stoom liet ontsnappen en het vuur uitdoofde; de boot maakte

zich gereed aan den oever aan te leggen en de toefangtsjis sprongen

op den oever om haar vast te meeren.

--Waarom houden wij stil?

--Er is iets aan den ketel gebroken, zoodat de stoom ontsnapt; ik

kan de machine niet op de vereischte drukking houden."

Er moeten reparatiën gedaan worden, men heeft te Feliëh te vluchtig

gewerkt. En zoo moeten wij hier dan stil houden, aan de verlaten,

doodsche oevers van den Karoen, zonder eenige bescherming blootgesteld

aan de zonnestralen, die op het midden van den dag nog hinderlijk

genoeg zijn.--De equipage maakt van dit gedwongen oponthoud gebruik

om brood te bakken. De oven is hoogst eenvoudig. De mannen snijden

takken, bladeren en onkruid af, steken die in brand, begieten de

brandende massa met rivierwater, en gebruiken de aldus verkregen

kolen om daarop ijzeren platen, in de gedaante van paddestoelen,

te leggen. Nu treedt de bakker vooruit, met een houten schotel in

de hand, gevuld met meel met water aangelengd; welke pap hij op de

gloeiend heete platen uitspreidt. Binnen weinige oogenblikken ziet

het deeg er uit, als een stuk dik zwart krip. Het brood is klaar;

men heeft niets verder te doen, dan het met een ijzeren haak weg te

halen en in de zon te leggen, ten einde het water te laten verdampen,

dat nog in het deeg kon zijn overgebleven.

27 November.--Tegen acht uur 's avonds hebben wij de reis hervat. Hoe

ver hebben wij het gebracht? Ik weet het niet, want midden in den nacht

heeft de voedingspomp opgehouden te werken. De boot gaat nog maar bij

tusschenpoozen, met horten en stooten, vooruit; telkenmale als het

water in de ketel zakt staat de machine stil; dan moet de ketel weer

met emmers worden gevuld, waarna het vuur op nieuw wordt opgestookt;

na verloop van een uur begint de machine weer te werken. De drukking

neemt toe; de boot vaart met volle kracht; maar weldra, helaas! is

het water weer gedaald en begint het spelletje op nieuw.--Wij vragen

ons niet zonder bezorgdheid af, of niet misschien straks de ketel

zal springen, en vaartuig en reizigers in de lucht geslingerd en

vermorzeld zullen worden.

Met veel moeite, inspanning en geduld is het ons gelukt, het vaartuig

op de hoogte van een armoedig dorp te brengen, dat in de povere

schaduw van eenige schrale palmen ligt. De machinist heeft zoo juist

verklaard, dat de machine eene grondige reparatie moet ondergaan,

en dat het beter is, daarmede niet langer te dralen. Hoeveel dagen

zullen wij hier moeten blijven? De bemanning murmureert en wordt

onrustig; ieder wil raad geven en zijn zin doordrijven. De een wil

aanstonds naar Feliëh terugkeeren, ten einde zijn twee kijvende

vrouwen in bedwang te houden, die, naar hij beweert, in staat zijn,

in zijne afwezigheid den boel in brand te steken; een ander heeft

er niet op gerekend, eenige dagen van huis te blijven, en heeft dus

niet de noodige maatregelen genomen; een derde klaagt over koorts,

een vierde over buikpijn. Allen razen en tieren tegen den machinist,

die in de verwarring het beetje verstand verliest, dat hij van de

natuur ontvangen heeft. Uit vrees dat de sheikh hem straffen zal,

durft hij niet terugkeeren; hij blijft doof voor alle verwijten en

raadgevingen, en hamert en vijlt en polijst aan zijne machine, naar

ik onderstel, vrij wel in den blinde.

30 November.--Wat zou ik niet geven voor een muilezel! Sedert drie

dagen liggen wij stil voor dat ellendige palmboschje! De dagen

zijn even vervelend en eentonig als het treurige landschap, dat

zich voor onze oogen uitbreidt. De oevers van den Karoen verheffen

zich loodrecht uit de rivier: zoo ver men zien kan, strekt zich

de effen vlakte uit. Alleen de hier en daar zichtbare sporen van

vroegere bevloeiingskanalen getuigen van de aloude vruchtbaarheid

der streek. De velden met graan en suikerriet zijn, reeds sedert vele

eeuwen, vervangen door een schrale flora van doornestruiken en distels;

de tallooze dorpen met hunne welvarende inwoners hebben plaats gemaakt

voor zwermen van pelikanen, wilde eenden en kraanvogels, die zich

over dag tusschen de struiken verborgen houden, en des morgens en

des avonds bij troepen op en langs de rivier neerstrijken. Zelfs is

ons het genoegen niet gegund, op onze gevleugelde buren te schieten,

want het wemelt in de vlakte van leeuwen en panters; en naar het

zeggen van onze equipage, loeren de zwervende Arabieren, die nog

meer te vreezen zijn dan het wild gedierte, op iederen reiziger, die

onvoorzichtig genoeg zou zijn, zich van zijn boot te verwijderen. De

vrees van onze manschappen is niet ongegrond; gedurende den geheelen

dag houden de vier toefangtsjis, met repetitiegeweren gewapend, de

wacht op den oever en gaan telkens een eind weegs op verkenning uit,

ten einde wij niet overvallen zouden worden. Des nachts ankeren wij

midden op stroom, om voor verrassingen veilig te zijn. Ik begeef

mij dan naar de kleine bedompte hut, en luister naar het gehuil en

gejank der jakhalzen en het gebrul van andere wilde dieren, die aan

de rivier hunnen dorst komen lesschen.

Inmiddels werkt de machinist maar altijd voort! De toefangtsjis hebben

ook niet stil gezeten: zij hebben te zamen een kran bijeengebracht, en

dien aan een stokouden derwîsj gegeven, opdat hij voor eene spoedige

reparatie zou bidden. Maar het gebed van den ouden derwîsj heeft

niet veel uitgewerkt: nu de machine eindelijk klaar en weer opgesteld

is, lekt zij als eene zeef! Dit ziende, geeft mijn echtgenoot last,

onmiddellijk terug te keeren. Wij zullen ons met den stroom laten

afdrijven, want de boot heeft noch riemen, noch zeilen, noch touwen

om haar te trekken. Hoe lang de tocht duren zal, kunnen wij zelfs

niet gissen, want wij weten volstrekt niet waar wij zijn.

2 December.--Mohammerah! Sedert twee dagen zakten wij, zeurig en traag,

den Karoen af, met den vloed verliezende wat wij met de ebbe gewonnen

hadden, tot eindelijk de wind opstak, en tegelijkertijd een korenschip

ons van achteren kwam opzeilen. Aanstonds werden noodseinen gegeven:

men wierp ons een sleeptros toe, dien onze matrozen weer lieten

glippen; met wrevel en bitterheid in het hart, zagen wij de blanke

zeilen van het schip snel uit ons oog verdwijnen. Nu wordt het vuur

weer aangemaakt, en de machine in werking gebracht. Op het gevaar

af dat zij zal springen, laat Marcel de veiligheidskleppen belasten;

de drukking klimt; de boot spoedt zich voort, en haalt, ademloos van

inspanning, het korenschip in, dat in eene kromming der rivier door

tegenwind was tegengehouden. Wij worden nu op sleeptouw genomen,

en komen met het aanbreken van den dag te Mohammerah.

De boot moet hier blijven, want zij kan onmogelijk den Tigris tot

Feliëh opvaren. Wij hebben vooreerst genoeg van een tochtje op

den Karoen; wij zullen naar Bassorah en Bagdad gaan, ten einde zoo

mogelijk, van daaruit in Susiane door te dringen. Naar Bassorah te

gaan schijnt zeer eenvoudig; een roeiboot heeft niet meer dan vier

uur noodig om den afstand af te leggen die Mohammerah van Bassorah

scheidt. Maar de reizigers en de goederen, die uit Perzië komen, moeten

op den turkschen oever eene quarantaine van tien dagen ondergaan, zoo

het heet als voorzorgsmaatregel tegen de pest. Het lazaret, waarin de

reizigers dan worden opgesloten, bestaat uit eenige strooien hutten

op een vochtigen, moerassigen grond. De inrichting en de voeding zijn

zoo slecht, dat men groot gevaar loopt, door besmettelijke ziekten te

worden aangetast, en er in ieder geval op rekenen kan, de koorts te

krijgen en honger te lijden. Deze strenge maatregelen zijn te minder

begrijpelijk, omdat sedert vele jaren de pest zich niet in Perzië

heeft vertoond, terwijl zij in het vilayet (gouvernement) van Bagdad

inheemsch is. Men verzekert ons dan ook, dat de quarantaine volstrekt

niet het gevolg is van de teedere bezorgdheid van den sultan en zijne

ministers voor de gezondheid zijner onderdanen. Zij heeft eene heel

andere oorzaak en is vooral voordeelig voor de turksche ambtenaren, die

in tijden van epidemie dubbele bezoldiging ontvangen, en bovendien op

de onbeschaamdste wijze de gedwongen gasten afzetten. De voornaamste

ambtenaren hebben zich het monopolie van de voeding toegekend; zij

ontdoen zich op die manier, tegen hoogen prijs, van onbruikbare

en bedorven eetwaren, die niemand zou willen koopen, maar die de

ongelukkige verdachten wel moeten nemen, willen zij niet van honger

sterven. De lagere beambten vergenoegen zich, met u van tijd tot tijd

fooien af te persen, en tegen eene zeer ruime vergoeding de reizigers

te laten ontsnappen, die onnoozel genoeg zijn om in de val te loopen,

en daarbij rijk genoeg om een losprijs te betalen.--Wij hebben ons

dan ook vast voorgenomen, om tot iederen prijs de quarantaine te

ontduiken. In eene kleine boot verborgen, zullen wij den Shatt opvaren

en, door de nachtelijke duisternis begunstigd het kanaal insluipen

dat naar Bassorah voert, welke stad ruim twee farsaks verwijderd is

van de haven, waar de schepen stilliggen.

3 December.--De onderneming is gelukt. Doornat en verstijfd zijn wij

toch te Bassorah aangekomen. Zorgvuldig verborgen tusschen zakken

en manden met dadels, zijn wij den Shatt opgevaren, beurtelings

boomende en roeiende, en ons nauwelijks nu en dan veroorlovende

een vluchtigen blik te werpen op de prachtige palmboomen langs de

oevers, en op de malsche groene landerijen, door talrijke kanalen

doorsneden.--Vier uren na ons vertrek van Mohammerah, verlaten

wij den rechteroever, steken de rivier dwars over en leggen aan

bij een dicht begroeid banaanboschje. Van hier bespeurt men in de

verte de masten van verscheidene schepen, die in haven voor anker

liggen.--Omstreeks middernacht wordt de tocht hervat; wij varen met

de uiterste hehoedzaamheid langs enkele schepen en stevenen eindelijk

het kanaal el-Asher binnen.--Nu komt het er op aan, dubbel voorzichtig

te zijn; de riemen, die te veel beweging in het water zouden maken,

worden binnengehaald, en het schip stillekens voortgeboomd: ongemerkt

glijden wij midden door het gezondheidskordon heen!

Maar wij mogen nog geene overwinning roepen: onze luidjes, die

er hoegenaamd geen bezwaar in hebben gevonden, de quarantaine te

verbreken, komen ons nu vertellen, dat hun geweten hun verbiedt, de

douane te ontduiken! Zonder op mijne tegenspraak te letten, springt

een der negers op den oever en keert weldra met acht of tien gemeene

kerels terug. Deze lieden bestormen het schip, em maken zich gereed om

onze koffers en kisten open te breken, onder voorwendsel dat daarin

geweren en ammunitie verborgen zouden zijn. Niet wetende met wie wij

te doen hebben, verzetten wij ons tegen elk onderzoek.

"Brengt ze dan naar het lazaret!" beveelt het opperhoofd der bende.

Op het hooren van die bedreiging haasten wij ons, de touwen los te

maken en, met een vriendelijken glimlach, den heeren de sleutels van

onze koffers aan te bieden. Onze bereidwilligheid, nog verhoogd door

eene goede fooi, bleef niet zonder uitwerking. Van het lazaret was

verder geene sprake; enkele voorwerpen, die bijzonder de aandacht

der tolbeambten getrokken hadden, werden hun ten geschenke gegeven;

en blijde dat wij er dus waren afgekomen, voeren wij Bassorah binnen.

Daar nu verder geen gevaar te duchten is, kan ik al mijne aandacht

wijden aan het tooverachtig schouwspel, dat zich bij het helder licht

der volle maan, voor mijne blikken ontrolt.--Ik ben in Venetië, maar

in een tropisch Venetië, met een onbewolkten hemel, en met huizen

wegduikende in de schaduw van palmen, van rijk beladen oranjeboomen,

van breed gebladerde bananen, van bloeiende geurende acacias. Nu

eens rijzen de huizen uit het kanaal zelf op, dan weder strekt zich

daartusschen eene smalle kaai uit; voor den ingang der fraaiste

huizen liggen sierlijke bootjes vastgemeerd. Onder en rondom mij,

kalme, heldere wateren, groen, vruchten, bloemen; boven mijn hoofd

de diep-blauwe hemel, bezaaid met tintelende sterren.

Het schip ligt aan wal. Na door een soort van ruime open hal te zijn

gegaan, waar groote hoopen graan liggen opgestapeld, onder de hoede

van eenige met lantarens voorziene wachters, kloppen onze gidsen, nog

voor het aanbreken van den morgen, aan de poort van het consulaat;

en kort daarop kan ik mij ontdoen van mijne kleederen, zoo nat van

den dauw als of ik in het kanaal el-Asher kopje onder had gedoken.

4 December.--Naar gelang men Bassorah bij hoog of bij laag water

ziet, kan men het een lusthof of een labyrinth van stinkende riolen

noemen. Toen ik heden avond uitging, waren de grachten nagenoeg droog;

door het wegvloeien van het water, waren groote hoopen modder, vuil en

onreinheden van allerlei aard bloot gekomen; de bootjes, die te midden

van die vuiligheid aan den grond zaten, schenen welhaast wrakken in

een modderpoel; een afschuwelijke stank verpestte den dampkring en

maakte mij geheel ongevoelig voor de bekoorlijkheden van palmbosschen

en oranjegaarden.

Deze stinkende grachten en het vochtige, zeer heete klimaat dragen

voor een belangrijk deel de schuld van de ongezondheid der stad;

maar bij deze twee oorzaken voegt zich nog eene derde, die het

gevolg is van de onverantwoordelijke traagheid en zorgeloosheid

der turksche overheden. Omstreeks zestig jaren geleden, braken de

dijken langs den Tigris, boven de stad, door; het water verspreidde

zich in de vlakte en vormde een uitgestrekt moeras, dat elk jaar,

door de hooge waterstanden gedurende den winter, in omvang toeneemt,

zonder dat iemand er aan denkt, het moeras droog te leggen, of maar

de dijken te herstellen. Sedert dit ongeval heerscht de koorts het

gansche jaar door, en richt te Bassorah en in de omliggende dorpen

de schromelijkste verwoestingen aan.

De oudheidminnaar vindt te Bassorah niets van zijne gading, maar

het oog van den schilder gaat te gast in het gewoel van de slecht en

ruw gebouwde bazars, opgevuld met eene in de bontste en kleurrijkste

kleederdracht gedoste schare. De turksche vrouwen hebben het sombere

donker blauwe overkleed harer perzische zusters vervangen door de

_izza_, een kleed van blauwe, rose, witte of gele zijde met gouden

en zilveren strepen. Onder de izza bespeurt men soms het gazen

hemdje, met zware bloemen geborduurd, het kleine ronde keurslijf

en den zwaren gordel met twee halfronde gouden platen gesloten,

die met edelgesteenten zijn versierd. Bijna alle vrouwen, met name de

Christinnen, dragen lange sleepjaponnen, zoogenoemd naar fransch model,

waarmede zij de vuile stoffige straten der stad aanvegen. Onverschillig

tot welke kerk zij behooren, vertoonen zij zich nooit met onbedekt

gelaat in het publiek; sommigen dragen een zwarten krippen sluier,

anderen bedekken zich het aangezicht met een gekleurden zijden

doek. Daarentegen zorgen zij wel, dat haar juweelen en andere sieraden,

waarmede borst en armen prijken, zooveel maar eenigszins mogelijk,

tusschen de plooien van de izza te voorschijn komen. Haar schoeisel

is afschuwelijk: zij dragen voor het meerendeel blauwe of groene

bottines, met koperen of glazen knoopjes: een smaakvol produkt van

de britsche industrie!

Zoo de Christenvrouwen, zeer tot haar nadeel, een gedeelte van de

nationale kleederdracht hebben opgeofferd, om de frankische mode na te

volgen, hebben de mannen het nog veel erger gemaakt en het oostersche

kostuum geheel en al afgelegd. Allen zijn gekleed in geelachtig grijze

bijna paarsche pantalons en leelijke laken jasjes van nog onoogelijker

kleur. In dit afschuwelijk, door en door vulgair kostuum, blijft hun

niets meer over van dat prestige, dat statige en indrukwekkende,

hetwelk nog steeds den Muzelmannen eigen is, gedrapeerd in hunne

bruine, met gouddraad of zijde doorwerkte abbas, en het hoofd gedekt

met veelkleurige tulbanden, omwoeld met een koord van kemelshaar of

een wollen wrong, doorvlochten met zilverdraad.

Bassorah, op alluviaal-grond van latere vorming gebouwd, is

betrekkelijk jong: het werd kort na den dood van Mohammed door Omar

gesticht en werd weldra de groote stapelplaats der produkten van

Chaldea en Mesopotamië. De geschiedenis der stad, althans sedert

de laatste eeuwen, valt samen met die van de telkens hervatte

oorlogen tusschen Turkije en Perzië, die haar beurtelings in hun

macht hadden. Tegen het einde van de vorige eeuw werd zij dertien

maanden lang door de Perzen belegerd en eindelijk genomen; zij bleef

toen in handen der overwinnaars tot den dood van Kerim-Khan. Zijne

opvolgers wisten haar niet te bewaren; zij hadden de handen meer

dan vol om zich op den troon van Perzië te handhaven, en lieten

het ver afgelegen Bassorah los, dat nu weder door de Ottomannen in

bezit werd genomen. Hoewel sedert dien tijd de bevolking ongeveer

met de helft is verminderd en nu nauwelijks vijftienduizend zielen

telt, is Bassorah toch nog een belangrijk middelpunt van handel en

verkeer gebleven, dat in geregelde betrekking staat met Indië. De

graanhandel is van zeer groot gewicht; maar ook de dadels vormen een

van de voornaamste rijkdommen des lands; zij worden in groote menigte

naar het buitenland verzonden, gepakt in fijne en zeer buigzame manden

van palmbladen gevlochten en met vezels van dien boom genaaid. Altijd

weer de palmboom! alles leeft hier van en door den palmboom. Het is

inderdaad niet te verwonderen, dat de Oosterlingen een godsdienstigen

eerbied koesteren voor dien gezegenden boom, aan welken zij spijs

en drank, timmerhout, tapijten, touwwerk en manden verschuldigd

zijn. Heeft niet reeds de Profeet gezegd: "Eert den palmboom; hij is

uwe moederlijke tante; hij is gevormd uit het overschot van het leem,

waaruit het lichaam van Adam gekneed werd."

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 32 / 41 题