25 November.--Wij zijn opgesloten in eene nauwe en kleine hut. Als wij
dicht tegen elkander aanschuiven, raken wij aan de zijwanden; als wij
gaan zitten, stooten wij met onze hoofden tegen de zoldering. Dit ruime
vertrek is de slaap-, zit- en eetkamer aan boord van de stoomsloep,
die de sheikh Moses welwillend tot onze beschikking heeft gesteld. De
geheele sloep is van soortgelijke afmetingen. In het midden verrijst
de hut of kajuit, waarvan het platte dak met kussens is belegd en van
eene tent voorzien. De machine is in het achterschip, de provisiekamer
in het voorschip aangebracht. De bemanning bestaat uit een _reïs_
of kapitein; uit den machinist, een neger; uit vier goed gewapende
toefangtsjis, die voor de veiligheid van het vaartuig moeten waken;
en uit een intendant, aan het hoofd van het personeel geplaatst.
Wij verlaten het kanaal van Feliëh en komen op den Shatt-el-Arab. De
snelheid van den stroom, gevoegd bij de werking der machine, laat
ons niet den tijd om van het prachtige schouwspel te genieten, dat
de geweldige rivier bij zonsondergang aanbiedt. Links en rechts zijn
de donker purperkleurige wateren omzoomd door palmbosschen; groote
buffels grazen in de weide of kijken met hunne groote verbaasde oogen
naar de boot, die dicht langs den groenen oever houdt.--De zon nadert
den horizon, maar alvorens te verdwijnen, overstroomt zij de rivier
met zoo verblindenden gloed, dat de oogen de tinteling van het licht
niet kunnen verdragen; dan verbleeken de stralende vlammen aan den
blauwen hemel: de purperen wolken worden grauw; de toppen der palmen
verliezen zich in de wazige schemering; de buffels verdwijnen te
midden van kreupelhout en geboomte; enkele sterren schitteren aan
het uitspansel; van oogenblik tot oogenblik groeit haar aantal en
vermeerdert haar flonkerend licht, naarmate de laatste sporen van den
dag verdwijnen. Eensklaps is het nacht, eene kalme, majestueuse nacht,
vol rust en heilige stilte. Wij houden stil te Mohammerah.
Deze haven, die wij, van Boeshir komende, reeds langs zijn gevaren,
ligt aan de uitmonding van den Karoen, eene niet onbelangrijke
rivier, die van de bergen van Kurdistan afdaalt en een ongelukkig
zeer weinig gebruikten gemeenschapsweg vormt tusschen Susiane en de
Perzische-golf. De zeer steile oevers der rivier zijn als het ware door
de natuur zelve gebouwde kaaien, waaraan al de vaartuigen aanleggen,
die de granen van Arabistan te Mohammerah komen lossen.
Wij hebben het vloedgetij afgewacht, waarvan de werking zich tot
meer dan dertig kilometers boven de haven doet gevoelen, en zijn
eindelijk te middernacht de wateren van den Karoen opgestoomd. Bij
het aanbreken van den dag zullen wij haverwege Ahvas zijn. Ik had
mij daarmede niet durven vleien en er ook niet op gerekend. Nu geloof
ik aan de stoomsloep van sheikh Moses; ik geloof aan het bestaan van
eene stoommachine in Perzië; ik geloof zelfs in den zwarten machinist
van Bassorah.
26 November. Zou ik te voorbarig zijn geweest in mijn lofrede op
onze stoomsloep? Het is niet genoeg, met den haas in de fabel, hard
van stal te loopen; men moet ook, met de schildpad, ter bestemder
plaatse aankomen.
Bij het krieken van den dag ben ik uit mijn hok naar buiten getreden,
en heb aan den machinist, gevraagd, hoe ver wij waren. De vraag scheen
mij te minder ongepast, omdat ik, half slapende, half wakende, gemeend
had, bij herhaling verdachte geluiden in de machinekamer te hooren.
"Wij hebben omstreeks tien farsaks afgelegd, antwoordde hij, terwijl
hij den stoom liet ontsnappen en het vuur uitdoofde; de boot maakte
zich gereed aan den oever aan te leggen en de toefangtsjis sprongen
op den oever om haar vast te meeren.
--Waarom houden wij stil?
--Er is iets aan den ketel gebroken, zoodat de stoom ontsnapt; ik
kan de machine niet op de vereischte drukking houden."
Er moeten reparatiën gedaan worden, men heeft te Feliëh te vluchtig
gewerkt. En zoo moeten wij hier dan stil houden, aan de verlaten,
doodsche oevers van den Karoen, zonder eenige bescherming blootgesteld
aan de zonnestralen, die op het midden van den dag nog hinderlijk
genoeg zijn.--De equipage maakt van dit gedwongen oponthoud gebruik
om brood te bakken. De oven is hoogst eenvoudig. De mannen snijden
takken, bladeren en onkruid af, steken die in brand, begieten de
brandende massa met rivierwater, en gebruiken de aldus verkregen
kolen om daarop ijzeren platen, in de gedaante van paddestoelen,
te leggen. Nu treedt de bakker vooruit, met een houten schotel in
de hand, gevuld met meel met water aangelengd; welke pap hij op de
gloeiend heete platen uitspreidt. Binnen weinige oogenblikken ziet
het deeg er uit, als een stuk dik zwart krip. Het brood is klaar;
men heeft niets verder te doen, dan het met een ijzeren haak weg te
halen en in de zon te leggen, ten einde het water te laten verdampen,
dat nog in het deeg kon zijn overgebleven.
27 November.--Tegen acht uur 's avonds hebben wij de reis hervat. Hoe
ver hebben wij het gebracht? Ik weet het niet, want midden in den nacht
heeft de voedingspomp opgehouden te werken. De boot gaat nog maar bij
tusschenpoozen, met horten en stooten, vooruit; telkenmale als het
water in de ketel zakt staat de machine stil; dan moet de ketel weer
met emmers worden gevuld, waarna het vuur op nieuw wordt opgestookt;
na verloop van een uur begint de machine weer te werken. De drukking
neemt toe; de boot vaart met volle kracht; maar weldra, helaas! is
het water weer gedaald en begint het spelletje op nieuw.--Wij vragen
ons niet zonder bezorgdheid af, of niet misschien straks de ketel
zal springen, en vaartuig en reizigers in de lucht geslingerd en
vermorzeld zullen worden.
Met veel moeite, inspanning en geduld is het ons gelukt, het vaartuig
op de hoogte van een armoedig dorp te brengen, dat in de povere
schaduw van eenige schrale palmen ligt. De machinist heeft zoo juist
verklaard, dat de machine eene grondige reparatie moet ondergaan,
en dat het beter is, daarmede niet langer te dralen. Hoeveel dagen
zullen wij hier moeten blijven? De bemanning murmureert en wordt
onrustig; ieder wil raad geven en zijn zin doordrijven. De een wil
aanstonds naar Feliëh terugkeeren, ten einde zijn twee kijvende
vrouwen in bedwang te houden, die, naar hij beweert, in staat zijn,
in zijne afwezigheid den boel in brand te steken; een ander heeft
er niet op gerekend, eenige dagen van huis te blijven, en heeft dus
niet de noodige maatregelen genomen; een derde klaagt over koorts,
een vierde over buikpijn. Allen razen en tieren tegen den machinist,
die in de verwarring het beetje verstand verliest, dat hij van de
natuur ontvangen heeft. Uit vrees dat de sheikh hem straffen zal,
durft hij niet terugkeeren; hij blijft doof voor alle verwijten en
raadgevingen, en hamert en vijlt en polijst aan zijne machine, naar
ik onderstel, vrij wel in den blinde.
30 November.--Wat zou ik niet geven voor een muilezel! Sedert drie
dagen liggen wij stil voor dat ellendige palmboschje! De dagen
zijn even vervelend en eentonig als het treurige landschap, dat
zich voor onze oogen uitbreidt. De oevers van den Karoen verheffen
zich loodrecht uit de rivier: zoo ver men zien kan, strekt zich
de effen vlakte uit. Alleen de hier en daar zichtbare sporen van
vroegere bevloeiingskanalen getuigen van de aloude vruchtbaarheid
der streek. De velden met graan en suikerriet zijn, reeds sedert vele
eeuwen, vervangen door een schrale flora van doornestruiken en distels;
de tallooze dorpen met hunne welvarende inwoners hebben plaats gemaakt
voor zwermen van pelikanen, wilde eenden en kraanvogels, die zich
over dag tusschen de struiken verborgen houden, en des morgens en
des avonds bij troepen op en langs de rivier neerstrijken. Zelfs is
ons het genoegen niet gegund, op onze gevleugelde buren te schieten,
want het wemelt in de vlakte van leeuwen en panters; en naar het
zeggen van onze equipage, loeren de zwervende Arabieren, die nog
meer te vreezen zijn dan het wild gedierte, op iederen reiziger, die
onvoorzichtig genoeg zou zijn, zich van zijn boot te verwijderen. De
vrees van onze manschappen is niet ongegrond; gedurende den geheelen
dag houden de vier toefangtsjis, met repetitiegeweren gewapend, de
wacht op den oever en gaan telkens een eind weegs op verkenning uit,
ten einde wij niet overvallen zouden worden. Des nachts ankeren wij
midden op stroom, om voor verrassingen veilig te zijn. Ik begeef
mij dan naar de kleine bedompte hut, en luister naar het gehuil en
gejank der jakhalzen en het gebrul van andere wilde dieren, die aan
de rivier hunnen dorst komen lesschen.
Inmiddels werkt de machinist maar altijd voort! De toefangtsjis hebben
ook niet stil gezeten: zij hebben te zamen een kran bijeengebracht, en
dien aan een stokouden derwîsj gegeven, opdat hij voor eene spoedige
reparatie zou bidden. Maar het gebed van den ouden derwîsj heeft
niet veel uitgewerkt: nu de machine eindelijk klaar en weer opgesteld
is, lekt zij als eene zeef! Dit ziende, geeft mijn echtgenoot last,
onmiddellijk terug te keeren. Wij zullen ons met den stroom laten
afdrijven, want de boot heeft noch riemen, noch zeilen, noch touwen
om haar te trekken. Hoe lang de tocht duren zal, kunnen wij zelfs
niet gissen, want wij weten volstrekt niet waar wij zijn.
2 December.--Mohammerah! Sedert twee dagen zakten wij, zeurig en traag,
den Karoen af, met den vloed verliezende wat wij met de ebbe gewonnen
hadden, tot eindelijk de wind opstak, en tegelijkertijd een korenschip
ons van achteren kwam opzeilen. Aanstonds werden noodseinen gegeven:
men wierp ons een sleeptros toe, dien onze matrozen weer lieten
glippen; met wrevel en bitterheid in het hart, zagen wij de blanke
zeilen van het schip snel uit ons oog verdwijnen. Nu wordt het vuur
weer aangemaakt, en de machine in werking gebracht. Op het gevaar
af dat zij zal springen, laat Marcel de veiligheidskleppen belasten;
de drukking klimt; de boot spoedt zich voort, en haalt, ademloos van
inspanning, het korenschip in, dat in eene kromming der rivier door
tegenwind was tegengehouden. Wij worden nu op sleeptouw genomen,
en komen met het aanbreken van den dag te Mohammerah.
De boot moet hier blijven, want zij kan onmogelijk den Tigris tot
Feliëh opvaren. Wij hebben vooreerst genoeg van een tochtje op
den Karoen; wij zullen naar Bassorah en Bagdad gaan, ten einde zoo
mogelijk, van daaruit in Susiane door te dringen. Naar Bassorah te
gaan schijnt zeer eenvoudig; een roeiboot heeft niet meer dan vier
uur noodig om den afstand af te leggen die Mohammerah van Bassorah
scheidt. Maar de reizigers en de goederen, die uit Perzië komen, moeten
op den turkschen oever eene quarantaine van tien dagen ondergaan, zoo
het heet als voorzorgsmaatregel tegen de pest. Het lazaret, waarin de
reizigers dan worden opgesloten, bestaat uit eenige strooien hutten
op een vochtigen, moerassigen grond. De inrichting en de voeding zijn
zoo slecht, dat men groot gevaar loopt, door besmettelijke ziekten te
worden aangetast, en er in ieder geval op rekenen kan, de koorts te
krijgen en honger te lijden. Deze strenge maatregelen zijn te minder
begrijpelijk, omdat sedert vele jaren de pest zich niet in Perzië
heeft vertoond, terwijl zij in het vilayet (gouvernement) van Bagdad
inheemsch is. Men verzekert ons dan ook, dat de quarantaine volstrekt
niet het gevolg is van de teedere bezorgdheid van den sultan en zijne
ministers voor de gezondheid zijner onderdanen. Zij heeft eene heel
andere oorzaak en is vooral voordeelig voor de turksche ambtenaren, die
in tijden van epidemie dubbele bezoldiging ontvangen, en bovendien op
de onbeschaamdste wijze de gedwongen gasten afzetten. De voornaamste
ambtenaren hebben zich het monopolie van de voeding toegekend; zij
ontdoen zich op die manier, tegen hoogen prijs, van onbruikbare
en bedorven eetwaren, die niemand zou willen koopen, maar die de
ongelukkige verdachten wel moeten nemen, willen zij niet van honger
sterven. De lagere beambten vergenoegen zich, met u van tijd tot tijd
fooien af te persen, en tegen eene zeer ruime vergoeding de reizigers
te laten ontsnappen, die onnoozel genoeg zijn om in de val te loopen,
en daarbij rijk genoeg om een losprijs te betalen.--Wij hebben ons
dan ook vast voorgenomen, om tot iederen prijs de quarantaine te
ontduiken. In eene kleine boot verborgen, zullen wij den Shatt opvaren
en, door de nachtelijke duisternis begunstigd het kanaal insluipen
dat naar Bassorah voert, welke stad ruim twee farsaks verwijderd is
van de haven, waar de schepen stilliggen.
3 December.--De onderneming is gelukt. Doornat en verstijfd zijn wij
toch te Bassorah aangekomen. Zorgvuldig verborgen tusschen zakken
en manden met dadels, zijn wij den Shatt opgevaren, beurtelings
boomende en roeiende, en ons nauwelijks nu en dan veroorlovende
een vluchtigen blik te werpen op de prachtige palmboomen langs de
oevers, en op de malsche groene landerijen, door talrijke kanalen
doorsneden.--Vier uren na ons vertrek van Mohammerah, verlaten
wij den rechteroever, steken de rivier dwars over en leggen aan
bij een dicht begroeid banaanboschje. Van hier bespeurt men in de
verte de masten van verscheidene schepen, die in haven voor anker
liggen.--Omstreeks middernacht wordt de tocht hervat; wij varen met
de uiterste hehoedzaamheid langs enkele schepen en stevenen eindelijk
het kanaal el-Asher binnen.--Nu komt het er op aan, dubbel voorzichtig
te zijn; de riemen, die te veel beweging in het water zouden maken,
worden binnengehaald, en het schip stillekens voortgeboomd: ongemerkt
glijden wij midden door het gezondheidskordon heen!
Maar wij mogen nog geene overwinning roepen: onze luidjes, die
er hoegenaamd geen bezwaar in hebben gevonden, de quarantaine te
verbreken, komen ons nu vertellen, dat hun geweten hun verbiedt, de
douane te ontduiken! Zonder op mijne tegenspraak te letten, springt
een der negers op den oever en keert weldra met acht of tien gemeene
kerels terug. Deze lieden bestormen het schip, em maken zich gereed om
onze koffers en kisten open te breken, onder voorwendsel dat daarin
geweren en ammunitie verborgen zouden zijn. Niet wetende met wie wij
te doen hebben, verzetten wij ons tegen elk onderzoek.
"Brengt ze dan naar het lazaret!" beveelt het opperhoofd der bende.
Op het hooren van die bedreiging haasten wij ons, de touwen los te
maken en, met een vriendelijken glimlach, den heeren de sleutels van
onze koffers aan te bieden. Onze bereidwilligheid, nog verhoogd door
eene goede fooi, bleef niet zonder uitwerking. Van het lazaret was
verder geene sprake; enkele voorwerpen, die bijzonder de aandacht
der tolbeambten getrokken hadden, werden hun ten geschenke gegeven;
en blijde dat wij er dus waren afgekomen, voeren wij Bassorah binnen.
Daar nu verder geen gevaar te duchten is, kan ik al mijne aandacht
wijden aan het tooverachtig schouwspel, dat zich bij het helder licht
der volle maan, voor mijne blikken ontrolt.--Ik ben in Venetië, maar
in een tropisch Venetië, met een onbewolkten hemel, en met huizen
wegduikende in de schaduw van palmen, van rijk beladen oranjeboomen,
van breed gebladerde bananen, van bloeiende geurende acacias. Nu
eens rijzen de huizen uit het kanaal zelf op, dan weder strekt zich
daartusschen eene smalle kaai uit; voor den ingang der fraaiste
huizen liggen sierlijke bootjes vastgemeerd. Onder en rondom mij,
kalme, heldere wateren, groen, vruchten, bloemen; boven mijn hoofd
de diep-blauwe hemel, bezaaid met tintelende sterren.
Het schip ligt aan wal. Na door een soort van ruime open hal te zijn
gegaan, waar groote hoopen graan liggen opgestapeld, onder de hoede
van eenige met lantarens voorziene wachters, kloppen onze gidsen, nog
voor het aanbreken van den morgen, aan de poort van het consulaat;
en kort daarop kan ik mij ontdoen van mijne kleederen, zoo nat van
den dauw als of ik in het kanaal el-Asher kopje onder had gedoken.
4 December.--Naar gelang men Bassorah bij hoog of bij laag water
ziet, kan men het een lusthof of een labyrinth van stinkende riolen
noemen. Toen ik heden avond uitging, waren de grachten nagenoeg droog;
door het wegvloeien van het water, waren groote hoopen modder, vuil en
onreinheden van allerlei aard bloot gekomen; de bootjes, die te midden
van die vuiligheid aan den grond zaten, schenen welhaast wrakken in
een modderpoel; een afschuwelijke stank verpestte den dampkring en
maakte mij geheel ongevoelig voor de bekoorlijkheden van palmbosschen
en oranjegaarden.
Deze stinkende grachten en het vochtige, zeer heete klimaat dragen
voor een belangrijk deel de schuld van de ongezondheid der stad;
maar bij deze twee oorzaken voegt zich nog eene derde, die het
gevolg is van de onverantwoordelijke traagheid en zorgeloosheid
der turksche overheden. Omstreeks zestig jaren geleden, braken de
dijken langs den Tigris, boven de stad, door; het water verspreidde
zich in de vlakte en vormde een uitgestrekt moeras, dat elk jaar,
door de hooge waterstanden gedurende den winter, in omvang toeneemt,
zonder dat iemand er aan denkt, het moeras droog te leggen, of maar
de dijken te herstellen. Sedert dit ongeval heerscht de koorts het
gansche jaar door, en richt te Bassorah en in de omliggende dorpen
de schromelijkste verwoestingen aan.
De oudheidminnaar vindt te Bassorah niets van zijne gading, maar
het oog van den schilder gaat te gast in het gewoel van de slecht en
ruw gebouwde bazars, opgevuld met eene in de bontste en kleurrijkste
kleederdracht gedoste schare. De turksche vrouwen hebben het sombere
donker blauwe overkleed harer perzische zusters vervangen door de
_izza_, een kleed van blauwe, rose, witte of gele zijde met gouden
en zilveren strepen. Onder de izza bespeurt men soms het gazen
hemdje, met zware bloemen geborduurd, het kleine ronde keurslijf
en den zwaren gordel met twee halfronde gouden platen gesloten,
die met edelgesteenten zijn versierd. Bijna alle vrouwen, met name de
Christinnen, dragen lange sleepjaponnen, zoogenoemd naar fransch model,
waarmede zij de vuile stoffige straten der stad aanvegen. Onverschillig
tot welke kerk zij behooren, vertoonen zij zich nooit met onbedekt
gelaat in het publiek; sommigen dragen een zwarten krippen sluier,
anderen bedekken zich het aangezicht met een gekleurden zijden
doek. Daarentegen zorgen zij wel, dat haar juweelen en andere sieraden,
waarmede borst en armen prijken, zooveel maar eenigszins mogelijk,
tusschen de plooien van de izza te voorschijn komen. Haar schoeisel
is afschuwelijk: zij dragen voor het meerendeel blauwe of groene
bottines, met koperen of glazen knoopjes: een smaakvol produkt van
de britsche industrie!
Zoo de Christenvrouwen, zeer tot haar nadeel, een gedeelte van de
nationale kleederdracht hebben opgeofferd, om de frankische mode na te
volgen, hebben de mannen het nog veel erger gemaakt en het oostersche
kostuum geheel en al afgelegd. Allen zijn gekleed in geelachtig grijze
bijna paarsche pantalons en leelijke laken jasjes van nog onoogelijker
kleur. In dit afschuwelijk, door en door vulgair kostuum, blijft hun
niets meer over van dat prestige, dat statige en indrukwekkende,
hetwelk nog steeds den Muzelmannen eigen is, gedrapeerd in hunne
bruine, met gouddraad of zijde doorwerkte abbas, en het hoofd gedekt
met veelkleurige tulbanden, omwoeld met een koord van kemelshaar of
een wollen wrong, doorvlochten met zilverdraad.
Bassorah, op alluviaal-grond van latere vorming gebouwd, is
betrekkelijk jong: het werd kort na den dood van Mohammed door Omar
gesticht en werd weldra de groote stapelplaats der produkten van
Chaldea en Mesopotamië. De geschiedenis der stad, althans sedert
de laatste eeuwen, valt samen met die van de telkens hervatte
oorlogen tusschen Turkije en Perzië, die haar beurtelings in hun
macht hadden. Tegen het einde van de vorige eeuw werd zij dertien
maanden lang door de Perzen belegerd en eindelijk genomen; zij bleef
toen in handen der overwinnaars tot den dood van Kerim-Khan. Zijne
opvolgers wisten haar niet te bewaren; zij hadden de handen meer
dan vol om zich op den troon van Perzië te handhaven, en lieten
het ver afgelegen Bassorah los, dat nu weder door de Ottomannen in
bezit werd genomen. Hoewel sedert dien tijd de bevolking ongeveer
met de helft is verminderd en nu nauwelijks vijftienduizend zielen
telt, is Bassorah toch nog een belangrijk middelpunt van handel en
verkeer gebleven, dat in geregelde betrekking staat met Indië. De
graanhandel is van zeer groot gewicht; maar ook de dadels vormen een
van de voornaamste rijkdommen des lands; zij worden in groote menigte
naar het buitenland verzonden, gepakt in fijne en zeer buigzame manden
van palmbladen gevlochten en met vezels van dien boom genaaid. Altijd
weer de palmboom! alles leeft hier van en door den palmboom. Het is
inderdaad niet te verwonderen, dat de Oosterlingen een godsdienstigen
eerbied koesteren voor dien gezegenden boom, aan welken zij spijs
en drank, timmerhout, tapijten, touwwerk en manden verschuldigd
zijn. Heeft niet reeds de Profeet gezegd: "Eert den palmboom; hij is
uwe moederlijke tante; hij is gevormd uit het overschot van het leem,
waaruit het lichaam van Adam gekneed werd."