XXXV

12 December.--De matrozen loopen op een drafje door den salon, die

behalve tot vele andere doeleinden, ook tot doorloop dient tusschen

het voor- en het achterschip van de _Mossoel_; wij werpen het anker

uit in de haven van Bagdad. Met den dageraad ben ik op de been; ik

treed naar buiten en zie, tot mijne groote verwondering, op het dek en

op de kooien met gevogelte, eene dunne laag ijzel. Dat is de eerste

nachtvorst: het zou ons niet goed bekomen zijn, indien wij zonder

mantels of dekens onder den blooten hemel hadden moeten overnachten.

Hoe heerlijk is toch, ondanks alles, het klimaat van het gezegende

Oosten! Zelfs de winter vermag hier de eeuwig bloeiende natuur niet

in eene akelige doodswade te hullen en alle leven tot stilstand te

doemen; ter nauwernood wijzigt hij eenigszins het voorkomen van het

landschap. Het vriest--en zie, daar ligt Bagdad in een krans van

groene boomen, waarover de adem der lente schijnt te zweven.

Van oogenblik tot oogenblik wordt het lichter: weldra vertoonen zich

op den rechter oever de gebouwen van het serail, de kazernen, de

porseleinen koepels, waarop tallooze zwermen van duiven neerstrijken,

om in de eerste stralen der morgenzon haar vleugelen te drogen; dan

de minarets, in slankheid wedijverende met de palmen; de medresseh,

de statige gebouwen van de douane, waarvoor zich reeds, in kleurige

kleederdracht, Joden, Armeniërs en Arabieren verdringen; eindelijk,

benedenwaarts van den aanlegsteiger, teekenen zich, half omsluierd

door den wazigen nevel, die over de breede rivier zweeft, prachtige

tuinen en in het midden van dien lusthof het sierlijke paviljoen van

het engelsche consulaat.

De andere oever is nog rijker aan groen. De gelukkige bewoners van deze

onder den lommer van palmen en allerlei geboomte als wegschuilende

huizen moesten, zou men zoo zeggen, hun voorrecht te zeer waardeeren

om zich bezig te houden met zoo alledaagsche dingen als handel en

verkeer, en al dergelijke beslommeringen overlaten aan hunne buren

van de overzijde. Toch schijnt dit volstrekt niet het geval, want het

verkeer tusschen de beide stadsdoelen is zeer druk. Eene schipbrug,

wonderlijk gedraaid en afwisselend in breedte en hoogte, buigt zich

onder de voestappen van eene groote menigte van vrouwen, in roode,

blauwe of groene _izzas_ gehuld; van mannen in gele of witte kleederen;

van kameelen, ezels, muildieren, die elkander verdringen en voortduwen,

en op het niet van leuningen voorziene brugdek eene schilderachtige

bontkleurige processie vormen.

De haven van Bagdad, of liever de rivier zelve, biedt een niet minder

levendig schouwspel dan de brug, die de beide oevers verbindt; langs

den kant en op de rivier liggen verschillende rijen van schepen van

onderscheiden vorm en grootte, en die wel even onze aandacht verdienen.

Daar zijn vooreerst de _belems_, groote zeilvaartuigen, voornamelijk

voor het vervoer van granen bestemd; zij zijn van palmhout getimmerd en

van buiten met eene dikke laag aardpek bestreken; zeer zeewaardig en

gemakkelijk weer in orde te brengen; gebeurt er een of ander ongeval,

dan is het voldoende, ze op nieuw met aardpek te bestrijken, om ze weer

te kunnen gebruiken. De belems maken zeer lange reizen tusschen Bagdad

en Bassorah, en liggen bijna altijd beneden de schipbrug vastgemeerd;

boven de brug liggen de _keleks_, die voornamelijk op de rivier boven

de stad worden gebruikt.--Wanneer de schippers op den Boven-Tigris

eene lading hebben te vervoeren, vullen zij een zeker aantal lederen

zakken met lucht, en binden die in concentrische rijen aan elkander;

vervolgens bevestigen zij daarop een planken vloer, dien zij met eene

dikke laag gras en kruiden bedekken, om de lading tegen de aanraking

met het water te beveiligen; zij stapelen hunne koopwaren op dit vlot,

voorzien zich van de noodige boomen voor het besturen van hun vaartuig,

en zakken de rivier af, wel niet zonder dat eenige zakken barsten,

maar toch in den regel zonder ernstig ongeluk. Ter plaatste hunner

bestemming gekomen, verkoopen de schippers de planken en de kruiden

tegen vrij hoogen prijs, laten de lucht uit de zakken ontsnappen,

laden die op den rug van ezels, en keeren naar hun land terug,

om daar telkens hetzelfde bedrijf te hervatten. De huurprijs van

de keleks verschilt in evenredigheid van het aantal zakken, waaruit

zij zijn saamgesteld. Voor de vlotten, waarmede passagiers vervoerd

worden, gebruikt men tachtig zakken; dan wordt ook op het vlot

eene hut of eene tent geplaatst; vijftig zakken zijn daarentegen

voldoende voor het vervoer van schapen of gevogelte, van vruchten,

kaas of granen.--De keleks komen, uit verre landen, want voor hun

bouw gebruikt men timmerhout, dat in Chaldea uiterst schaarsch is.

Voor kleine tochtjes tusschen Bagdad en de onmiddellijke omstreken,

bedient men zich van zeer eigenaardige vaartuigjes, _koeffehs_ (manden)

genoemd. Overal op de rivier zie ik die ronde manden drijven, van

palmbladen vervaardigd en met aardpek bestreken. Twee mannen brengen ze

in eene draaiende beweging en bepalen tevens de richting. Zij gaan niet

gauw, maar zijn zeer stevig, en verplaatsen eene vergelijkenderwijze

zeer groote hoeveelheid water; zij kunnen niet kantelen, en scheppen

geen water, hoewel sommigen, met meloenen en pasteken beladen, ter

nauwernood vijftien duim boven het water uitsteken.

Onder welke van deze kategoriën moet ik nu de babylonische vaartuigen

rangschikken, waarvan Herodotus spreekt? Gedurende ons watertochtje

had ik alle gelegenheid om nog eens te lezen en te herlezen wat de

vader der geschiedenis van de schepen der Babyloniërs zegt: en met

de stukken voor oogen moet ik zonder aarzelen of voorbehoud elke

gelijkstelling van de babylonische boot met den _kelek_ verwerpen. Ik

begrijp mij zelfs niet, hoe sommige schrijvers tot die zonderlinge

opvatting zijn kunnen komen.

"De Babyloniërs, zoo zegt Herodotus, hebben geene andere vaartuigen,

dan die den Euphraat afzakken tot aan de stad; zij zijn rond en geheel

van leder, want nadat zij de kiel hebben getimmerd van het hout van

wilgen, die in Armenië, ten noorden van Assyrië, groeien, bekleeden zij

de buitenzijde met vellen, die het geheele vaartuig bedekken, zonder

dat men daaraan een voor- en achtersteven onderscheiden kan. Deze

booten zijn rond, naar de gedaante van een schild; zij bekleeden ze

inwendig met biezen; dan steken zij van wal en laten zich met hunne

vracht den stroom afzakken. Deze vracht bestaat uit verschillende

koopwaren, vooral uit aarden potten met palmwijn gevuld. Twee mannen,

ieder met een stok of riem gewapend, besturen staande het vaartuig en

duwen het voort. Men maakt naar dit model groote en kleine vaartuigen;

de grootsten kunnen eene lading bergen tot een gewicht van vijfduizend

talenten. Wanneer zij aldus te Babyion zijn aangekomen en de lading is

afgeleverd, verkoopen de bootslieden de biezen en de kiel; dan laden

zij de huiden op hunne ezels en keeren naar Armenië terug, want uit

aanmerking van den snellen stroom, is het onmogelijk de rivier op te

varen. Daarom maken zij hunne booten niet van hout, maar van leder. Als

de ezeldrijvers in Armenië zijn terug gekeerd, beginnen zij op nieuw,

op dezelfde wijze, hunne vaartuigen te vervaardigen."

Herodotus spreekt zeer stellig van vaartuigen of booten; hij voegt er

bij, dat die booten noch voor- noch achtersteven hebben, en dat zij

rond van vorm zijn als een schild. Mijn inziens, bedoelt en beschrijft

hij dus een uitgehold voorwerp, dat veel overeenkomst had met eene

gewone boot, maar daarvan verschilde door zijne ronde gedaante. Ten

einde allen twijfel bij zijne lezers weg te nemen, voegt de schrijver

er bij, dat de kiel is vervaardigd van wilgentakken, dat wil zeggen

van hout, dat gemakkelijk gebogen kan worden, en van biezen, die

hier dezelfde rol spelen als teenen of rijshout bij de vervaardiging

van manden. De vorm van het vaartuig is, dunkt mij, beslissend: het

schijnt mij buiten twijfel, dat Herodotus eene _koeffeh_ bedoelt,

geheel gelijk aan die, welke voor mijne oogen op het water tollen,

en welke de assyrische beeldhouwers acht eeuwen voor onze jaartelling

reeds op hunne bas-reliefs afbeeldden. Er is echter een zeker verschil

tusschen de hedendaagsche _koeffeh_ en de door Herodotus beschreven

boot: de eerste is eenvoudig met aardpek besmeerd, de andere is met

toebereide huiden bekleed. Maar uit het feit, dat die huiden, dadelijk

na aankomst ter bestemder plaatse, werden weggenomen en weer naar het

vaderland der booten teruggevoerd, mag men het besluit niet trekken,

dat Herodotus een _kelek_ heeft willen beschrijven. Geen enkele

grieksche matroos zou hetzelfde woord hebben gebruikt om daarmede

toebereide huiden en met lucht gevulde zakken aan te duiden; noch

minder zou het hem zijn ingevallen, bij een vlot van een voor- en

achtersteven te spreken. Kan men zich ook een rond vlot voorstellen

van de gedaante van een schild? Waarom zou men zich de moeite geven,

op deze zoo onnatuurlijke wijze de balken en planken te schikken,

terwijl eene eenvoudige samenvoeging aan alle vereischten voldoet en

de meeste waarborgen van stevigheid aanbiedt? Ik meen dus, dat men

het best doet, zich aan de beschrijving van Herodotus te houden,

zonder daaraan iets toe te voegen of daarvan iets af te nemen. De

babylonische boot was buiten kijf eene _koeffeh_ van meer of minder

groote afmetingen, bekleed met aan elkander genaaide huiden, die

zonder moeite aan het houten geraamte konden worden bevestigd en

ook weer losgemaakt. De _koeffeh_ der ninevitische bas-reliefs,

waarop men zeer duidelijk de naden der huiden kan onderscheiden,

stemt volkomen met die beschrijving overeen.

Mijne eerste kennismaking met dit antieke vaartuig was alles behalve

aangenaam. Nauwelijks hadden wij naast onze bagage in de koeffeh plaats

genomen, of wij begonnen zoo snel in het rond te draaien, dat ik een

oogenblik een gevoel had, als ware ik in een tol veranderd. Toch

bereikten wij zonder ongeval den oever. De roeiers sprongen in

het water, trokken de boot op den kant en reikten mij de hand; ik

sprong uit de mand en zette voor het eerst mijn voet op den bodem

der stad van Haroen-er-Rashid. De fransche consul, van de aankomst

der stoomboot onderricht, had een kawas gezonden om ons af te halen;

gespierde dragers namen onze koffers op hun rug, en wij betraden

achter hen de leelijke straten van de christelijke wijk.

Consul van Frankrijk is thans de heer Péretié, zoon van den bekenden

archeoloog; hij ontvangt ons, omringd door zijne vrouw en kinderen,

en het is ons inderdaad een groot voorrecht, na zoo vele maanden van

afzondering, weder in een familiekring, in eene huiselijke omgeving,

te mogen vertoeven. Mevrouw Péretié wilde volstrekt dat ik de

kamer harer dochters zou betrekken: ik zal dan heden nacht weer op

een bed slapen, hetgeen mij niet gebeurd is sedert ons vertrek uit

Teheran. Inmiddels zullen de jonge dames mij tot gids verstrekken en

mij het huis laten zien.

Het consulaat, door en voor inboorlingen gebouwd, komt in inrichting

geheel overeen met de andere huizen der stad. In eene zeer smalle

straat ziet men een hoogen muur, zonder andere opening dan eene lage

poort, waaronder een ruiter ter nauwernood kan doorgaan. Deze poort

geeft toegang tot een vestibule, die tevens tot wachthuis dient voor

de kawassen, die den consul, zoo noodig, moeten beschermen, hem op

zijne wandelingen vergezellen en zijne boodschappen verrichten. Dit

voorhuis voert met een hoek naar eene ruime binnenplaats, waarop

de keukens, de stallen en andere bijgebouwen uitkomen. Eene poort

in een der vleugels geeft toegang tot een tweeden binnenhof, die

omgeven is door de eigenlijke woning met haar gebeeldhouwde balkons,

haar vensters met fraai mozaïek van hout en glaswerk, en haar groote

rood en witgestreepte zeilen, die de zonnestralen moeten keeren, wat

ook in het hart van December niet overbodig; is.--Dit is de platte

grond; laat ons nu de doorsnede eens bekijken. De groote afwisseling

van temperatuur in den zomer en den winter noodzaakt de inwoners

van Bagdad om hunne huiselijke inrichting dikwijls te veranderen;

de huizen moeten dus zoo gebouwd zijn, dat vier malen in het jaar

als het ware eene verhuizing binnenskamers kan plaats hebben.

Alle woningen rusten op overwelfde kelders, die eene diepte hebben

van drie of vier meters onder den beganen grond. In de lente trekt de

familie zich in deze souterrains, die den naam van _serdab_ dragen,

terug; zij neemt niet alleen alle voorwerpen van dagelijksch gebruik,

maar ook haar meubelen naar die kelders mede; liet men de meubelen

gedurende den zomer in de kamers van de eerste verdieping of zelfs

maar van de benedenverdieping staan, dan zouden ze door de wormen en

andere insekten worden verteerd en geheel vergaan. Zoodra de felle

hitte begint, sluit men zich op in den serdab, die door een pijp of

buis versche lucht ontvangt; eerst na zonsondergang komt men daaruit

te voorschijn om op het platte dak heete lucht te gaan inademen,

want--in tegenstelling met Perzië, waar de nachten koel zijn--daalt

ook na zonsondergang de temperatuur te Bagdad maar weinig graden. De

stad, die over dag als uitgestorven is, herleeft met de schemering; de

dames leggen op de platte daken bij elkander bezoeken af, en brengen

den nacht door met praten, rooken en het gebruiken van sorbets; maar

daar zij, om de muskieten niet te lokken, geen licht durven opsteken,

voeren zij den ganschen zomer niets uit. Bij het aanbreken van den

dageraad keert ieder naar zijn serdab terug, en brengt daar, slapend,

soezend, dommelend, den dag door. Zoodra de kou begint, begeeft

men zich naar de vertrekken op de eerste verdieping; en hoewel daar

geregeld gestookt wordt, zit men toch te rillen en te huiveren, want de

schier ondragelijke warmte heeft alle zenuwen overprikkeld en verslapt.

Het leven van de dames van Bagdad is in den winter al even weinig

benijdenswaardig als in den zomer: de bedompte straten zijn dan in

den letterlijken zin modderpoelen, waarin men zich met europeesche

kleederen moeilijk bewegen kan; bovendien worden zij al spoedig

opgevuld met onreinheden van allerlei aard, die door pijpen worden

afgevoerd naar open putten of bakken, welke voor ieder huis zijn

aangebracht. Bij sterken of aanhoudenden regen raken deze putten al

spoedig met water gevuld, en van dat oogenblik af stroomt de inhoud van

de gootpijpen rechtstreeks over de straat. Zelfs de mannen kunnen des

avonds niet uitgaan, zonder zich te laten voorafgaan door bedienden,

die op twintig duim boven den grond lantarens houden. Ik verwonder er

mij niet meer over, dat in het hart van den winter de pest uitbreekt,

om hare verwoestingen aan te richten tot de maanden Mei en Juni. Dan

wordt het zoo heet, dat zelfs de pest het niet harden kan, maar

wegvlucht of zich schuil houdt.

De herfst is het eenige jaargetijde, waarvan de beklagenswaardige

inwoners van Bagdad inderdaad genieten kunnen. Het weer is dan nog

altijd zeer schoon; men heeft noch storm, noch regen te duchten;

de vermogende familiën maken daarvan gebruik om haar tenten te gaan

opslaan in de vlakken van Ktesiphon en Seleucia. De meest geliefkoosde

uitspanning gedurende deze villeggiatura, welke twee a drie maanden

duurt, is de wilde-zwijnenjacht. Deze jacht is niet zonder gevaar,

vooral voor Europeanen: vooreerst is de lans, het eenige wapen dat

hierbij gebruikt wordt, hun vreemd; en ten andere is het geheele

terrein vol gaten en kuilen, ten gevolge van het woelen en graven

van mollen en andere dieren.

13 December--Het bed is mij eene ongewone weelde geworden: ik kon met

de kussens en lakens niet terecht, en had ten slotte een zeer slechten

nacht. Bij het aanbreken van den dag begaf ik mij naar de binnenplaats;

de kawassen van het consulaat trekken hunne schitterende uniformen aan,

en maken zich gereed mij door de stad rond te leiden; ik verlangde

er naar, kennis te maken met de stad van Zobeïde. Helaas! de sporen

der vroegere heerlijkheid zijn geheel bedolven onder de massa ruïnen

en puin, door belegeringen en vijandelijke invallen sedert eeuwen

opgestapeld.

De westersche en oostersche schrijvers zijn het niet eens over de

afleiding van den naam der stad; wij zullen ons in deze kwestie niet

verdiepen en de heeren dit punt onder elkander laten uitmaken. De

ontdekking van een monument, waarvan de steenen den stempel

van Nebukadnezar dragen, heeft het bewijs geleverd, dat reeds

in die oude tijden aan den linkeroever van den Tigris eene stad

bestond. Vermoedelijk was van deze stad niets meer over, toen de

khalief Aboe Djaffar Abdallah el-Mansoer, de tweede heerscher uit de

dynastie der Abbassiden, in het jaar 145 van de hedsjra, zijne nieuwe

hoofdstad stichtte. De khalief vestigde zijne residentie in de stad

en schonk haar den bijnaam van Dar el-Salam (verblijf des heils of

des vredes).

Terwijl de eigenlijke stad zich op den linkeroever verhief, werd

de rechteroever met huizen en tuinen bedekt; volgens de kronieken

werden de beide oevers weldra door twee of drie bruggen verbonden,

en al spoedig werd Bagdad de rijke en machtige metropolis van de

mohammedaansche wereld, het brandpunt van eene beschaving, die te

schitterender glans verspreidde, omdat Europa toen eerst aanving,

langzamerhand uit den nacht der barbaarschheid te ontwaken. De

beschrijvingen, welke de oude arabische schrijvers ons van de stad

geven, grenzen aan het wonderbare; het aantal paleizen, baden,

scholen was niet te tellen; de bevolking was zoo talrijk, dat meer

dan een millioen menschen tegenwoordig waren bij de begrafenis van

den beroemden godgeleerde Ibn-Hanbal, den stichter van een der vier

groote orthodoxe sekten. Maar die bevolking was twistziek, onrustig

en oproerig van aard: drie khaliefen uit het huis der Abbassiden

moesten hunne residentie overbrengen naar Samara, dat zij op tien

mijlen afstands van hunne hoofdstad hadden laten bouwen, ten einde

aan de woede der oproerige menigte te ontkomen.

Binnenlandsche twisten en beroerten, die weleer Seleucia te gronde

hadden gericht, werkten ook nu krachtig mede tot ondermijning en

verzwakking van de macht der khaliefen. In 945 werd Bagdad door de

Boejiden, in 1055 door de Seldsjoeken veroverd; maar de vreeselijkste

slag trof de trotsche khaliefenstad in het jaar 1258, toen Hoelagoe,

de kleinzoon van Dsjenghis-Khan, de khan der Mongolen, haar innam en

aan zijne mongoolsche en tartaarsche horden overleverde. De laatste

khalief verloor met tachtigduizend zijner onderdanen het leven;

voor de stad zelve was het tijdperk van welvaart en bloei voor immer

vervlogen. In 1401, na heldhaftigen tegenweer, door Timoer veroverd,

zag de oude khaliefenstad bijna alle monumenten verwoesten, waarmede

de Abbassiden haar hadden versierd; de hoofden van negentig-duizend

harer inwoners werden, naar mongoolsche zede, buiten haar poorten

tot pyramiden opgestapeld. In 1406, na den dood van den geweldigen

veroveraar, trachtte Bagdad haar muren te herbouwen, maar viel

achtervolgens in handen van de verschillende Mongolen-vorsten, die

elkander de nalatenschap van Timoer betwistten, tot zij eindelijk

werd genomen door Shah Ismaïl, den stichter van het nieuw-perzische

rijk. Langen tijd een twistappel tusschen de Perzen en de Osmanlis,

werd Bagdad eindelijk de hoofdstad eener turksche provincie en de

zetel van een pâsja, tot de agha der opgestane Janitsaren haar,

in 1634, in handen leverde van Abbas den Groote.

De tijding van het verlies der tweede stad des rijks veroorzaakte

groote ontroering te Constantinopel; bij herhaling werden troepen

naar Mesopotamië gezonden, maar alle pogingen om Bagdad te herwinnen,

bleven vruchteloos. Een derwîsj wist ten slotte aan den oorlog eene

nieuwe wending te geven. Sultan Moerad verrichtte, op zekeren Vrijdag,

zijn plechtig gebed in de moskee, toen een pelgrim vergunning verzocht,

hem te mogen spreken. De reiziger kwam van Bagdad, en huiverde nog bij

de gedachte dat de heilige stad der khaliefen in de macht was van de

kettersche Perzen.--"Gij verbergt u in uw harem, onwaardige opvolger

van den Profeet, terwijl onreine dieren uw erf verwoesten. Weet

gij het, dat vervloekte Sjiîten het graf van Abd-el-Kader hebben

verwoest?"--Door deze heftige toespraak ontroerd, zwoer de beheerscher

der geloovigen dat hij de stad zou hernemen en het grafteeken van

den heilige herstellen. Hij hield woord: in het volgende jaar trok

hij te velde en verscheen onder de muren van Bagdad, volgens zijn

lofredenaars, negentien dagen nadat hij Scutari verlaten had. Na eene

reeks van schitterende gevechten gaf de stad zich aan hem over. Maar

toen, den dag na de overgave, de inwoners weigerden om, overeenkomstig

het gebod van den sultan, voor den middag hunne woningen te verlaten,

gaf Moerad, verraad duchtende, zijn soldaten bevel, Bagdad binnen

te dringen en de verdedigers te dooden. Dertigduizend Sjiîten vielen

door de scherpte des zwaards. Tengevolge van dit beleg werd tusschen de

beide rijken een verdrag gesloten: Perzië stond aan Turkije het geheele

gebied van Bagdad af, en ontving in ruil daarvoor de provincie Erivan.

De belegeraars drongen de stad binnen door eene poort, die nog in

wezen is, en waarop eene inscriptie is aangebracht, vermeldende

de zegepraal des turkschen legers. Na den intocht van den sultan

werd de poort toegemetseld, en is sedert niet weder geopend. Zij

gaf toegang tot een prachtigen toren, uit baksteen opgetrokken, en

met het naburige bolwerk verbonden door eene versterkte brug, die

zelf door twee zijtorens verdedigd werd. Een fraaie fries, in het

muurwerk van den toren ingemetseld, prijkt met een lang opschrift,

beginnende met een vers uit den Korân.

"Te dien dage werden de grondslagen der huizen opgetrokken door

Ibrahim en Ismaïl.

"Heer, verhoor onze gebeden: gij hoort en gij verstaat alles.

"Deze bouw geschiedde op bevel van onzen meester en heer, den Imam

Aboe el-Abbas Ahmed el-Nasr ed-din Allah, emir der geloovigen, aan

wien de gansche wereld gehoorzaamheid schuldig is; het sieraad van

God, van het heelal; het bewijs van het bestaan van God, de emir,

dien de geheele aarde moet volgen en helpen.

"Heil en zegen zij over hem en over zijne reine deugdzame

voorvaderen! Dat zijne gebeden en vermaningen steeds voeren op den

weg des heils en der gerechtigheid, waarop de geloovigen hem altijd

moeten volgen en steunen.

"De toren werd voltooid in het jaar 628 (1230 van de christelijke

jaartelling)".

In de onmiddellijke nabijheid en binnen de vestingwerken ligt een

uitgestrekt kerkhof, waarop het grafteeken van den Sheikh Omar voor

alles de aandacht trekt. De richting naar de stad volgende, komt men

langs eene betrekkelijk fraaie straat aan dat beroemde grafmonument

van Abd-el-Kader, dat sultan Moerad zwoer te zullen laten herstellen,

toen hij in de moskee te Constantinopel het besluit nam, met zijn

leger naar Bagdad te trekken. Een afgeplatte koepel met een aantal

kleine openingen dekt de bij het monument behoorende moskee. Nevens

deze zware massa zie ik een anderen koepel van dergelijke gedaante,

met gekleurde porseleinen tegels bekleed; deze koepel welft zich boven

de eigenlijke grafkamer. De ruime voorhof is omgeven door arkaden,

waaronder reizigers of derwîsjen hun leger hebben opgeslagen. Iets

verder ziet men een médresseh. Deze beide gebouwen dagteekenen uit

den laatsten tijd, even als de twee minarets aan de poort in den

buitenmuur.

Op weinige schreden afstands van het monument van Abd-el-Kader,

wijst men mij nog een ander grafteeken; aan onze rechterhand

verrijzen de minarets van de moskee van Sheikh Yoessoef; aan onze

linkerhand zien wij de poort van de masdjed Abd-el-Rahman. Maar het is

volkomen onmogelijk, en ook ten eenemale overbodig, om al de gewijde

gedenkteekenen en heiligdommen op te noemen, die ge hier bijna in

iedere straat vindt, en waarvan ik de meesten met stilzwijgen moet

voorbij gaan.

14 December.--Gaarne had ik van onze veelvuldige pelgrimages naar

de moskeeën en graven partij getrokken om op de hoogte te komen van

de verschilpunten tusschen de vier orthodoxe sonnitische sekten,

maar mijne groote onbedrevenheid in het arabisch is mij daarbij een

zeer lastige hinderpaal: te meer daar mijn tolk, als trouwe Sjiîet,

weinig gezind is, mij bij mijne nasporingen behulpzaam te zijn.

Even als andere godsdiensten, had ook het Islamisme in den aanvang een

tijdperk van crisis te doorworstelen. De gewijde tekst was nog niet

vastgesteld, de overleveringen waren nog onzeker; en het voorname

dogma, dat de hoeksteen van het mohammedaansche geloof worden zou,

de goddelijke oorsprong en het onfeilbaar gezag van den Korân, vond

onder de aanhangers van den Profeet nog geene algemeene instemming. De

jonge kerk zou wellicht ernstig gevaar van ontbinding hebben geloopen,

indien er niet achtervolgens vier beroemde schriftgeleerden waren

opgestaan, door wier gezag de kanonieke tekst werd vastgesteld en

tevens de nog min of meer zwevende overlevering in vasten vorm gegoten.

De eerste dezer muzelmansche godgeleerden, Aboe Hanifa, werd in 767 in

Perzië geboren en vestigde zich reeds vroegtijdig te Bagdad. Vooral

onder de Turken vond zijne leer grooten aanhang. De tweede, Malek,

de wetgeleerde van Medina, werd in 795 geboren; Ash-Shafi, in 820

geboren, stamde, even als Mohammed zelf, uit den stam van Koraïsch

en leefde te Medina; de jongste der vier wetgeleerden, Ibn-Hanbal,

in 855 geboren, de schriftgeleerde van Bagdad, vond vooral grooten

aanhang onder de Arabieren.

Hoewel de hoofden der vier orthodoxe hoofdsekten het in alle wezenlijke

punten betreffende het dogma eens zijn, en het verschil tusschen

hunne leeringen voornamelijk de uitlegging en vooral de praktische

toepassing van sommige wettelijke of ritueele voorschriften loopt,

onderscheiden hunne volgelingen zich toch van elkander door hunne

algemeene geestesrichting. De jongste dezer sekten, die der Hanbaliten,

kenmerkt zich door een strengen, starren geest van orthodoxisme en

onverdraagzaam fanatisme, dat meermalen, onder de Abbassiden te Bagdad

aanleiding gaf tot zeer gevaarlijke opstanden. De Hanafiten daarentegen

onderscheiden zich door eene groote mate van verdraagzaamheid

en vrijzinnigheid; de beide andere sekten, die der Malikiten en

Shafiten, houden ongeveer het midden tusschen de uiterste rechter-

en linkerzijde.

Hoewel de orthodoxie niet zonder groote moeite en telkens herhaalden

kamp het veld behield, overwon zij ten laatste toch al hare

tegenstanders, de kettersche sekten; tegenwoordig zal geen Sonniet,

tenzij hij geheel met zijn geloof gebroken hebbe, den goddelijken

oorsprong en het onfeilbaar gezag van den Korân betwisten.

De meest bekende van de nieuwere sekten is wel die der Wahabiten,

die de geheele muzelmansche wereld in beroering heeft gebracht en

aanleiding gegeven tot zeer ernstige burgeroorlogen en opstanden. De

stichter dezer sekte, Wahab, die den Islam, naar het schijnt, in zijne

oorspronkelijke zuiverheid, zoo als hij zich die voorstelde, wilde

herstellen, begon zijne prediking in 1740. Hij vond zeer grooten bijval

en een talrijken aanhang; zijne volgelingen voelden zich weldra sterk

genoeg om naar de wapenen te grijpen en dwongen de vreedzame bewoners

van Nedjd tot het aannemen der nieuwe leer. Hunne macht breidde zich,

in Arabië, in die mate uit, dat zij in 1785 de pelgrimskaravanen

durfden aantasten, die zich naar de Kaäba begaven; eenige jaren later

veroverden zij zelfs de heilige steden Mekka en Medina, plunderden

Kerbela, de heilige stad der Sjiîten, en beletten, tien jaren lang,

het bezoeken der heilige plaatsen door de orthodoxe Moslemîn.

Geen wonder, dat schrik, ontsteltenis en rouw de geheele

mohammedaansche wereld vervulden. Eindelijk, in 1813, kwam de sultan,

de Padishâh, tusschenbeiden. Een egyptisch leger, onder aanvoering

van Ibrahim-pâsja, den zoon van Mohammed-Ali, verdreef de kettersche

Wahabiten uit Hedjaz; de uit den hemel gevallen zwarte steen en

het graf van den Profeet kwamen weder in handen van de orthodoxe

Sonniten.--Het aantal Wahabiten is in Chaldea nog vrij groot; zij

worden door de overheid wel niet vervolgd, maar toch vrij streng in

het oog gehouden.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 34 / 41 题